Brug naar Utrecht…

Wie vroeger vanuit onze stad naar Utrecht wilde rijden deed dat meestal via een vrij lange en kronkelige route. Voor je de stad uit was en langs rivieren of vaarten via de provinciale weg richting de Domstad reed was je al een half uur tot drie kwartier verder. Maar in 1956 veranderde dit op slag. De nieuwe snelweg A2 werd aangelegd. Rechtstreekse verbinding tussen de hoofdstad en Utrecht. En om dit goed te regelen kreeg Amsterdam-Zuid een nieuwe brug. Die verving voor het snelverkeer van toen de bekende Berlagebrug die veel dichter bij de oude stad lag. De nieuwe A2 mondde uit in de Rijnstraat en die brug was de nieuwe verbinding over de Amstel richting het zuidoosten. Voor het toenmalige verkeer een ongekend modern fenomeen. Kijken we met de ogen van nu was het allemaal nog best primitief.

Die A2-gebruiker kwam onderweg niet alleen deze brug tegen, maar ook diverse andere obstakels zoals een de snelweg kruisende spoorbaan vlak voor Breukelen. Langs de weg was weinig meer te zien dan wat boerderijen en een enkel tankstation maar je kon tenminste een beetje doorrijden. Anno 1956 niet iedereen gegeven, uit mijn vervolgverhaal valt al op te maken dat deze ritten voor veel gemiddelde mensen niet waren weggelegd. Daarbij kenden we in 1956 nog een benzinecrisis omdat de oorlog tussen Engeland, Frankrijk, Israel en de Arabische Staten zorgde voor een blokkade van het Suezkanaal waardoor tankschepen om Zuid-Afrika heen moesten varen om de westerse markten te bereiken. Hielp allemaal niet echt mee. Maar die nieuwe weg zorgde toch al snel voor een sterk verhoogd verkeersaanbod in de doorgaande straten van onze buurt. De Rijnstraat was de eerste opvang voor hen die van de snelweg kwamen.

Daarna was dat de in het verlengde gelegen Van Woustraat en die sloot zelf dan bij het Frederiksplein min of meer aan op de straten die naar het oude centrum van de stad leidden. Extra drukte was het gevolg. Ook al omdat er veel vrachtverkeer gebruik maakte van deze route. De A2 werd steeds drukker, uiteindelijk breder, en kreeg nieuwe aansluitpunten op het onderliggende wegennet. De Ringweg van Amsterdam werd (veel later)aangelegd op het ooit voor een ringtram bedacht trace ronde de stad en veel verkeer dat aan de andere kant van de hoofdstad moest zijn hoefde niet meer door de stedelijke straten heen. Dat laatste stuk A2 voor Amsterdam en over die Utrechtsebrug werd steeds rustiger. Een paar jaar terug versmalde men de weg. Je moet bijna je best doen om er op te komen (of er af).

Maar er zijn nu verder gaande plannen om de A2 tussen pakweg Amsterdam en Ouder-Amstel om te buigen richting de daar voor nieuwbouw geplande wijken en de weg de status van een doorgaande stadsstraat te geven. Via een nieuwe aansluiting op de Ringweg en de intussen naar vijf rijstroken verbrede A2 mag je dan door naar Utrecht. Bij Utrecht zelf is overigens ook veel veranderd. Het verkeer zo druk geworden dat het een wonder is als je daar niet in de file terecht komt op een doordeweekse dag. Kortom, er is veel veranderd. Amsterdam maakte van die oude doorgaande straten onder invloed van de linkse stadsbestuurders ook steeds smallere rijroutes. Men dwingt het verkeer dat de stad zo in wil om te rijden. De nieuwe bewoners klagen over stank en lawaai. Deden wij vroeger nooit. Het leefde toen nog in die buurten, maar men houdt tegenwoordig niet meer zo van dat soort leven. En zo krijgt de Utrechtsebrug uit 1956 een totaal andere, meer symbolische functie. Net zoals de Berlagebrug voordien. Mooie staaltjes van Hollands en Mokums bouwvernuft, maar ingehaald door de moderne tijd. En over 100 jaar wellicht gezien als een voorbeeld van hoe ‘dat vroeger ging’. Ik zal het niet meer meemaken. En u, de lezer vermoedelijk ook niet. Want 100 jaar is best een eind als je nu in staat bent om dit nostalische blogje nog of al te lezen…..(Beelden: Archief Amsterdam/Yellowbird Photo/Internet)

Gas!

Cijfers liegen meestal niet. 1 en 1 is gewoon 2. Of je moet het gaan ontrafelen en interpreteren. Dan is het wellicht 1,999 of 2,001. Zo gaat dat ook met cijfers die ons nogal eens in de media worden voorgehouden. Stel dat een vaste waarde voor bezit van een elektrische auto in uw straat 1 is en een van de buren koopt of huurt er op leasebasis ook 1. Dan is de rekenkundige uitkomst dat 100% meer elektrische auto’s zijn verkocht in uw buurt. Beste lezer, tel dan eens die andere auto’s bij elkaar op en grote kans dat je uitkomt op een elektrisch marktaandeel van 0,1% van het totaal. Straten zijn lang, mensen kiezen voor gebruiksgemak of prijs en daardoor is idealisme een slechte rekenmeester. Zo zit dat dus ook bij de wet van de grote getallen. Volgens het CBS rijden er in ons land per 1 januari van dit jaar 12,5 miljoen voertuigen rond. Het grootste deel is personenwagen, de helft waarvan particulier in gebruik is en de andere helft door bedrijven ge-exploiteerd. In dat enorme aantal voertuigen zit ook een component autobussen.

Of die nu voor langere reizen of streek- dan wel stadsvervoer worden gebruikt maakt veel uit ten aanzien van de mogelijkheiden om ook die elektrisch te laten rijden. Los van alle ellende die de exploitanten zullen ervaren door de beperkte actieradius, is er wel een nuttige trend om vooral in steden van die aandrijfvorm gebruik te maken. Een bus is groot, zwaar en kan dus anders dan een personenwagen wel een hele lading accu’s meesjouwen als extra ballast. Zeker bij stad- streekvervoer is dat goed te doen. Immers de bus hoeft geen extra bagage als koffers of zoiets mee te nemen wat bij reisbussen wel speelt. Aan het begin van dit jaar stonden 10.000 bussen in ons land geregistreerd. 321 daarvan reden elektrisch. Een zeer beperkt aantal dus. En dat is niet zo gek, want los van de voordelen, die bussen kennen ook de nodige nadelen. Niet in de laatste plaats toch dat enorme gewicht aan accu’s dat je moet meetorsen, maar zeker ook de beperkte actieradius. Nu is dat in de stad nog wat minder belangrijk wellicht, maar zodra je op de buitenweg zit loopt de voorraad stroom met rasse schreden terug.

En als het weer buiten en onderweg dan ook nog slechts is en de bestuurder moet kachel en/of airco plus verlichting gebruiken, is de situatie nog veel erger. Kortom, er valt wel het een en ander af te dingen op die elektrische voertuigen. Daar veranderen evt. successen bij de verkoop niets aan. En al helemaal niet als je die uitdrukt in percentages. Want die zeggen maar heel weinig tot niets. Al gebruikten wij die zelf ook wel eens in de tijden dat we met ons merk toch een bestaan in de marge moesten ondergaan. Van 1000 naar 1200 stuks op jaarbasis was een stijging van 20%!! Een beetje de cijfers in de media die je ook bij die elektrische voertuigen ziet. En de nieuwsgaring daar omheen. Bedenk dat dus maar als je weer eens hoort over die enorme stijgingen van een of andere fabrikant of een hoek van de omzet in het bijzonder. 1 plus 1 blijft twee, maar kan ook 100% stijging weergeven. Bescheidenheid is soms buitengewoon vals. Net als overdrijving. En tot die tijd geven we gewoon waar het kan vol gas! Want van die 12,5 miljoen voertuigen in ons land is dat toch in meerderheid de realiteit van alle dag. (Beelden: Internet)

Victor….

Als een eik wordt geveld valt hij met veel gekraak. En dat geldt ook voor mensen die een onvergetelijke indruk maakten tijdens hun expressieve leven. Zo’n vent was Victor. Ik leerde hem via vrouwlief en haar collega/vriendin bij de Gemeente Amsterdam kennen. In 1968. Een stoere en voor vrouwen zeker aantrekkelijke vent met een snor en lang haar. Vrijbuiter, verhalenverteller, warm, half Oekrains en met een jeugd die niet meteen bol had gestaan van liefde. Die liefde zocht en vond hij bij het andere geslacht en daar was hij succesvoller dan tien mannen zoals ik bij elkaar opgeteld. Hij had dan ook veel mee. Als vriend was hij trouwens ook noest en sterk. Je wist over het algemeen wat je aan hem had en we beleefden ook heel wat avonturen samen. Vlogen overal in en heen, hij introduceerde me in de wereld van het fotograferen met een SLR-camera. Ik hem in de wereld van de luchtvrachtlogistiek. Hij was daarin een typische olieman. Je kon hem wegsturen naar bestemmingen in het Verre Oosten of Afrika. Altijd regelde hij onze bedrijfszaken prima maar had hij daarbij meestal ook meteen weer nieuwe relaties opgedaan of andere uitgediept. Hij reed in het begin vooral op de motor. Talloos zijn de verhalen die daarover te vertellen zijn. Van onwillige Russische merken tot fraaie BMW’s. Hij verkaste en verhuisde op enig moment.

Naar Nieuw Vennep. Bouwde daar direct weer een nieuwe kring vrienden en relaties op. Zijn brede inborst zorgde voor veel genoegens. Die vrienden werden deels ook weer vrienden van ons. En opnieuw werd er gevlogen en genoten. Samen in een stichting actief die de luchtvaart wilde redden tegen het toen al veel te heftige geblaat van Groenlinkse milieurakkers. Samen een luchtvaartblad maken. Met nog meer mensen, maar Victor was van de relaties. Dat kon hij als de beste. En fotograferen. Of luchtvaartavonden organiseren waarbij hij half Schiphol thuis uitnodigde en die mensen dan zijn zelfgemaakte films liet zien. En als het even kon ook zijn collectie Laurel & Hardy films. Want ook dat was een passie. Hij bleef in die luchtvaartsector actief, ik koos voor de auto’s. Onze levens bleven verbonden via de passie voor de luchtvaart maar de carrieres volgden een ander pad. Deden nog wel wat leuk was. Tentoonstellingen, bladen maken, vliegen.

In 1990 herintroduceerde hij mij bij het bedrijf waar hij toen op Schiphol werkte. Een rommelige toko en Victor trachtte het hoofd boven water te houden in die zaak. Heftig soms. Reed overtuigd Harley-Davidson en kocht die motoren ook overal en nergens voor de handel. Ik bleef maar kort bij die zaak actief, hij nog iets langer. Tot hij ineens besloot met een nieuwe liefde richting Frankrijk te vertrekken en heel wat schepen achter zich te verbranden. Echt afscheid nemen kon niet meer. Hij begon opnieuw! Ik zag hem nog een keer in 2000 bij het definitieve afscheid van vliegvriend Wim. Het was hartelijk en plezierig als voorheen. Daarna werd het stil. 18 jaar lang. Veel te lang. Onlangs bereikte me het bericht dat hij plotseling was overleden. In Frankrijk. Waar hij ook werd begraven. Uit de vele reacties op Schipholse Facebook-groepen maak ik op dat hij zeer wordt gemist. Gek genoeg komt dat verlies ook bij mij stevig binnen. Te veel meegemaakt samen, te zeer genoten. Een man vol passie viel ineens om. Een eik geveld. Ik hoop oprecht dat hij daar waar het universum ruimte biedt voor ons allen, opnieuw mag beginnen. Het is hem zeer gegund. En ik wens alle nabestaanden en vrienden van vroeger en nu sterkte bij dit verlies.

Droomland

Ik weet niet hoe het de diverse lezers en lezeressen vergaat als ze eenmaal in bed van bewust naar onbewust overgaan en een fase van slapen bereiken die tot dromen leidt, maar bij mij is die fase soms buitengewoon heftig. Alsof Netflix ook een programma kent dat mijn geest in ruste helpt om spanning en sensatie op te roepen die me bij wakker worden aardig de adem beneemt soms. Is dat iets specifieks voor mij of komt het ook bij anderen voor?! Als je even op Google kijkt zie je direct dat een dromer zeker niet uniek te noemen is. Sommige mensen maken de meest fijne dingen mee in hun dromenland. Vrouwen vaak romantischer dan wij mannen. Net als bij de vroegere seksescheiding is bepaald houden vrouwen van avonturen met prinsen op witte paarden die hen lokken in kastelen vol bedienend personeel en minnaars die hen verwennen op een wijze die het normale leven meestal niet in zich heeft. Mannen beleven vooral andere avonturen.

De een is vechtend en rollebollend bezig om de straat te beveiligen, een ander zweeft over daken en kijkt in andere buurten rond. Mensen dromen dat ze tijdens een bedrijfsspeech ineens in hun nakie staan en anderen vallen in het water. Mijn dromen bewegen zich veel in het umfeld van vroeger werk. Met name een specifieke periode, waarover ik in mijn vervolgverhaal nog zal vertellen, waarin de emoties vaak heel hoog opliepen komt telkens weer terug. Soms vermengd met actuele dingen, maar wel een herhalend fenomeen. Sommige dromen ben ik bij het wakker worden snel vergeten, anderen blijven hangen. En dat weer leidt tot een zekere dufheid omdat het gedroom me vast weet te houden en doet nadenken over kennelijk slecht verwerkte emoties. Al ligt de bewuste periode dan ook al dertig jaar achter me. Dan nog.

Een specifieke droom is me uit het verleden altijd bijgebleven al heeft die niks met werk van doen. Een vliegtuig dat op ons vroegere ouderlijke huis neerklettert en op het dak blijft liggen. Ik zie het in de droom dan van afstand en bedenk me dat er mensen maar ook huisdieren in dat pand moeten zitten. En als ik dan naar binnen en boven loop kom ik bekenden tegen die gewoon doorleven en niet willen geloven dat op het dak een brandend vliegtuig te vinden is. Ik zoek de dieren. En die lopen constant voor me weg. Ik krijg ze niet te pakken. Zo frustrerend…. Noem het maar geen bijzondere droom. Zeker als je bedenkt dat ik hem al drie keer in verschillende vormen heb mogen beleven. Frustraties alom. Vermoedelijk toch een al te grote zorg om have en goed. Maar in veel situaties ook zeer vermoeiend. En hoe gaat het jullie op dit punt zoal? Intense of oppervlakkige dromer? Van de warme of de avontuurlijke soort???

Jeugdvermaak….

Het is weer zomers qua zon en temperaturen buiten en dan komen traditiegetrouw de onderzoekingen voorbij door afgestudeerde mensen die van alles en nog wat uitzoeken waarvan het nut soms wel maar ook vaak niet te bewijzen valt. Komkommertijd of zo. Onlangs was er weer zo’n onderzoek. De ‘jeugd’ zat te veel achter de computer en kwam te weinig buiten. En dat ‘was slecht voor de ontwikkeling van fysiek en herseninhoud’. Nu twijfel ik vaak aan dat laatste omdat pubers sowieso vaak gedrag vertonen dat leeghoofdigheid doet vermoeden. Maar dit terzijde. Wat zijn trouwens de uitkomsten van die onderzoeken na een x-aantal jaren? Er wordt zoveel in beweerd wat lastig te controleren valt. Immers, een aantal jaren geleden wees men weer naar andere oorzaken van verkeerde tijdsbesteding. Altijd was er wel een of andere reden te twijfelen aan goed opgroeien van die jeugd als men dit of dat zou blijven doen.

En is dat ook zo? In mijn jeugd waren de kerken sterk van organisatie en maakten zij de normen en waarden die ons allemaal in het gareel moesten houden. Handen boven de lakens, zowel jongens als meisjes moesten dat ondergaan, maar het waarom werd er niet bijverteld. Want zondig gedrag en o wee wat er dan met je kon gebeuren. Hersenverweking of een zwakke ruggengraat. Ik denk dat echt niemand later last had van zijn eigen experimenten. Integendeel. Zo ging dat ook met ons straatgedrag. Binnen zitten was er niet bij, buiten was het leven te vinden wat je moest leiden. Samen met je vrienden. Klooien, knokken, achter de meiden aan, op de brommer zinloos rondracen, roeien op groot water zonder dat je de zwemkunst beheerste en zo meer.

Wat waren we nog onder de indruk van zo’n uniform….andere tijden…!!

Toen we later groter werden kwam het werk, de studie, het meisje, de verkering, verloving en trouwen. Een carriere volgde vanzelf en alles wat daarmee van doen had. Wat tegenwoordig internet is was vroeger voor ons de jeugdfilm. In de bioscoop. Vecht- en oorlogsfilms! De pastoor had er van gerild. Maar wij deden wel inspiratie op. Later naar films voor 18 jaar en ouder. Avontuurlijk als je er in kon met je 16e. Gewoon goed aankleden en stoer kijken. Lukte vaak. En dan zag je dingen die volwassenen als bijzonder of spannend omschreven. Ongecontroleerd, en weinig nadenken over je latere opgroeiperiode. In de tussenliggende generaties was er wel weer iets anders wat ‘ons’ als jeugdigen zou kunnen beinvloeden. Maar het kwam altijd goed. Nu waren wij nog wel opgevoed met ontzag voor ouders, politie, leraren, kerkdienaren en zo meer. We spraken nog beleefd tegen ouderen, en liepen er zelfs door de week bij alsof we elk moment naar de kerk moesten. Normen en waarden waren er aardig ingeprent.

Dat is tegenwoordig wel anders, maar of dat nu ligt aan gebruik van smartphones of het spelen van games waag ik te betwijfelen. Er zijn kennelijk wel generaties opgegroeid zonder enige opvoeding die ook maar in de verste verte leek op wat wij  nog hadden meegemaakt. Men heeft maling aan gezag, de politie (maar ook abulancemedewerkers en brandweer) mogen worden aangevallen, ouders zijn geldkoeien, de echte kerken tellen niet meer mee en de selfiecultuur is ingeburgerd geraakt. Aan dat laatste zal ik nooit wennen. Van de 6.500 foto’s die ik alleen al met mijn iPhone heb gemaakt in een jaar tijd zijn er twee van mij zelf. Althans met mij als zelf verkozen onderwerp er op. Dat is omgekeerd evenredig aan wat de meeste jeugdigen tegenwoordig doen. Je zelf centraal stellen is nieuwe norm geworden en daaruit komt ook het verlangen naar respect krijgen. Terecht of niet. Maar dat is een ander onderwerp en wellicht opnieuw een onderzoek waardig. Ik ben wel benieuwd hoe mijn lezers hier en op de sociale media aankijken tegen het geschetste beeld. En houdt je niet in hoor…..

Roemeense geschiedschrijving…

Mijn relatie tot het Roemeense volk is qua ervaring relatief beperkt en ook nog eens uitgerust met een dubbel gevoel. Beroepsmatige vervorming maakt soms blind voor de positieve dingen in heden of verleden. En bij mij is veel terug te voeren naar die beroepsmatige ervaringen. Met een ronduit matig automerk als Dacia dat ons als dealer in de jaren 1978-81 werd opgedrongen door de toenmalige importeur die ook mijn geliefde merk Skoda en een Pools alternatief als FSO op de markt zette. Dacia was toen een automerk dat een soort kopie van de Franse Renault 12 bouwde, overigens in licentie van de Fransen, maar dat zo slecht deed dat die wagens van een bedenkelijke kwaliteit waren. Wisten wij toen veel of we geloofden het positieve liever dan het negatieve in die lastige jaren. Het Roemeense ding had westerse (Franse) lijnen, voorwielaandrijving en aardige kleuren. Er was een sedan van te koop en een stationcar, en voor wie nog wat aardappelen naar de markt wilde brengen, een Pickup. Maar die laatste werd toen toen nog niet geimporteerd. Dacia dus!

Wij kenden als garagebedrijf al enige ervaring met een exemplaar van dat merk, omdat ik als ex-Schipholwerker de lokale vertegenwoordiger van de Roemeense luchtvaartmaatschappij Tarom onder dak wist te brengen voor onderhoud. Nou daar hadden we eigenlijk van moeten leren. Deden we niet. Mede doordat die importeur ons op het hart drukte dat de nieuwe Dacia’s absoluut beter waren dan die oudere exemplaren. Het was niet zo. Zelden kregen we zoveel gedoe over ons heen als met die Roemeense wagens. En we waren best wel wat gewend door onze Poolse vrienden. Bij de Dacia kon je tijdens het rijden zomaar je achterruit kwijt raken als je een voorrraam open deed, maar er mankeerde verder wel zoveel aan dat je blij mocht zijn dat klanten er 10.000km storingvrij mee onderweg konden. Toen de importeur (wellicht door al die garantieclaims) ten onder ging in 1980/1 was het over en uit. Geen Dacia’s meer en we bedienden de rijdende klanten in die wagens zo goed en kwaad als het ging met originele Renault-onderdelen.

Want voor die R12’s was nog wel het nodige te vinden. Later, we zochten uitbreiding van vooral ons lease-gamma, namen we bij een nieuwe importeur nog eens een paar van die Roemenen af. Met name de Combi’s die waren opgewaardeerd en nog wat leuker van uitvoering en kleur. Er was in de loop van de jaren niet zo veel veranderd. De wagens die goedkoop in de lease gingen bleken nog net zo beroerd van afwerkingskwaliteit als de illustere voorgangers van een jaar of wat eerder. Het zorgde er voor dat we er nu definitief mee stopten en gingen voor een Japans merk naast het nog steeds gevoerde Skoda. Dacia was voor mij dus niks. Intussen is het een budgetmerk geworden waar na de volksrevolutie die het kwalijke bewind van de de communisten met geweld verjoeg, nu Renault echt de scepter zwaait. Met erg aardige wagens waar nog steeds kopers voor te vinden zijn. Maar ik kijk er niet meer serieus naar. Te link, te slechte ervaringen. Maar ik doe daar vast de Roemenen deels mee tekort. Want in dat land werden buiten Dacia nog meer auto’s gebouwd, al dan niet van even bedenkelijke kwaliteit. Men bouwde ooit voor Citroen een model dat hier als Axel te koop werd aangeboden en er was een terreinwagen met de fraaie naam ARO. Zij die er ervaring mee opdeden moeten maar eens vertellen wat ze meemaakten met die wagens. Ik beperkte me hier op deze zondag maar even tot dat Dacia-verhaal. In de hoop dat u het aardig vond. (Beelden: DDR, J.R. de Witt)

Struikloerders…

Mijn nog altijd zeer actieve schoonmama heeft langzaam aan door de gevorderde leeftijd wel wat last van haar benen gekregen. Een rollator is haar handige metgezel als ze zelfstandig haar dagelijkse boodschappen gaat halen. Blijken handige dingen, die vierwielige wandelstokken, al zijn ze lastig op te bergen in de kofferbak van een compacte auto als de mijne als er ook nog een paar personen en boodschappen mee moeten. Dit gesteld hebbend kom ik even op een gerelateerd onderwerp. Van die handhavers die menen dat bekeuren hun godgegeven taak is, maar aanhouden niet. Die in struiken liggen te loeren tot iemand iets verkeerds doet en hen dan per post de boete laten toekomen. Want de moed om je tegen te houden en aan te spreken op evt. wangedrag hebben ze niet. Vandaar dat je ziet dat vandalen en pakweg stoepfietsers gewoon door mogen gaan als ze behoren bij een inwonersgroep die wellicht wat al te veel vrienden heeft dan wel uit de kluiten gewassen. Dan maar kiezen voor het wat laffe noteren van kentekens.

Ik kom hierop omdat mij onlangs voor de deur van schoonmama weer eens een bekeuring werd verstrekt. Nou ja, hij kwam 3 weken later per post binnen. Wat wil namelijk het geval. Het flatgebouw waar zij woont kent in de directe omgeving een grote lagere school. Een school waarvan de verwende kinderen door de ouders massaal per auto, bakfiets of anderssoortig vervoer worden gebracht en gehaald. Op zich is dat soms vervelend, maar het was nooit aanleiding tot grote crises. Tot de gemeente waartoe deze buurt behoort, besloot dat naast die school (op de plek van een eerder afgebroken ouder gebouw) een nieuwbouwproject moest worden neergezet. De bouwers verbreedden na aanvang van de werkzaamheden hun werkterrein daarbij tot op de langs lopende straat. Inclusief trottoir en fietspad. Alles moest daardoor nu door een smalle corridor en omdat die afhalers en wegbrengers nu eenmaal niet bezig zijn met de rest van de wereld maar alleen met hun eigen kroost, werd het al snel chaotisch bij die school.

De Gemeente besloot dus tot een drastische maatregel. Eenrichtingsverkeer! Prima plan. Alleen deed men dit onaangekondigd van de ene op de andere dag vanaf een plek die pakweg 300meter afligt van de bouwput. En daardoor dus ook maakte dat even met de auto voor de deur komen van schoonmama ineens schier onmogelijk bleek. Of je moest er een omrit van 1,5 kilometers voor over hebben. Eerder paste men dit principe ook toe bij het parkeren voor het zelfde flatgebouw. Om die kriskras parkerende ouders af te schrikken was daar ineens een parkeerverbod. Bingo, de gene die de eerste bekeuring opliep was ik! Niets van doen met die school, wel een prent. En zo ging het ook twee dagen nadat men de nieuwe regeling had ingesteld voor de rijrichting. Ik zou schoonmama even ter wille zijn opdat ze met rollator in de auto kon komen. Borden heb ik daarbij oprecht niet opgemerkt, ik reed pakweg 50 meter zoals altijd van parkeerplek naar instapplek. Buiten de waard gerekend. De handhavers lagen op de loer. We zullen ze leren! En dus rolde de bekeuring drie weken later in de bus. E.149,00!!! Dankuwel gemeente Ouder-Amstel! Het lijkt niet mogelijk zaken goed op te lossen voor mensen zoals ik die niet uit die hoek afkomstig zijn, en ineens worden geconfronteerd met andere regels. Dit is de tweede keer dat ik nu een prent krijg voor een bezoekje aan mijn geliefde en oudere familielid daar. Je zou er een hekel door kunnen krijgen aan het arme mens en die gemeente. Terwijl het er op zich zo leuk wonen is. Maar dan wel zonder die lafbekken die staan te loeren wie ze nu weer kunnen voorzien van een prent. Ik hoop er geen tegen te komen bij verjaardagen of andere gezelligheid. Kon wel eens heftig worden. Want ik ben wel eerlijk en rechtdoorzee namelijk. En heb een hekel aan gluiperds…

De Eredivisie qua design – Raymond Loewey.

Als er een competitie zou zijn voor ontwerpers, speelde Raymond Loewy in de Eredivisie daarvan. De man was zo subliem dat hij in ongeveer elke tak van industrie zijn ontwerpen mocht leveren. Zo bedacht hij ooit de beschildering voor de Air Force One, het staatsvliegtuig van de Amerikaanse president. Maar hij bedacht ook ontwerpen voor Coca Cola, het interieur voor het supersone Concorde-vliegtuig, een Gestettner stencilmachine, de Greyhound Scenicruiser bus plus logo, een postzegel voor John F.Kennedy en zo voort. De man werd in Frankrijk geboren in 1893 en kwam uit een Joodse familie. Die familie zelf stamde weer uit Oostenrijk van vaderskant, zijn moeder was Frans. In 1908 won hij al de nodige prijzen voor zijn ontwerpen van modelvliegtuigen. Later vocht hij in de Eerste Wereldoorlog en kreeg het Erekruis voor  zijn moed. In 1919 verhuisde hij naar New York en startte zijn imposante professionele carriere.

Eerst als briljant etaleur bij grote warenhuizen als Macy’s, Sak’s  en Wanamakers. Ook werkte hij als illustrator voor bladen als de Vogue en Harper’s Bazar. Zijn eerste grote opdrachten kreeg hij van de Pennsylvania Railroad waarbij hij locomotieven een dusdanig ander aanzien wist te geven dat dit het beeld van loc’s over de hele wereld zou veranderen. Hij ging zo ver dat hij voor de spoorwegmaatschappij ook stations ging ontwerpen maar tevens interieurs van wagons waarin passagiers zich zeer comfortabel zouden voelen. Maar zijn grootste doorbraak kwam toch toen hij in de jaren dertig ging werken voor het automerk Studebaker. Niet alleen ontwierp hij het later zo bekende logo voor dat merk, maar al snel was zijn hand ook terug te vinden in de door Studebaker gefabriceerde modellen.

Door zijn slimme manier van werken kon hij Studebaker na de Tweede Wereldoorlog qua ontwerpen helpen aan een voorsprong op de andere Amerikaanse merken van tenminste twee jaar. Iconisch waren zijn ontwerpen waarbij de voorkant van de auto vrijwel gelijk was aan de achterkant en de neus een grille had waarin een imitatie-straalmotor dominant te zien was. Natuurlijk zat er onderhuids gewoon de bekende Studebaker-techniek, maar dat maakte de auto niet minder opvallend. Later ontwierp hij voor het merk de lage coupe-achtige Starliner, die door de jaren heen zou uitgroeien tot de latere Golden Hawk.

Ook opvallend was de Avanti. Een auto die in 1963 jonge kopers aan het intussen toch wel noodlijdende merk moest gaan binden. Een dergelijk ontwerp had nog niemand gezien of aangedurfd. Loewy wel. De auto werd deels in keiharde kunststoffen opgebouwd en dat had een succes kunnen zijn als de autowereld intussen niet enorm was veranderd. Studebaker ging onderuit en de Avanti ging een eigen leven leiden. Tot op de dag van vandaag. Want er zijn in de VS nog steeds kopers voor te vinden en kleine bedrijfjes bouwen deze wagens graag met moderne technieken nieuw in beperkte series. Omdat het ontwerp tijdloos is. Loewy werkte intussen voor NASA. Hij ontwierp daar het Skylab ruimtestation, waarbij hij ook lette op het feit dat je als astronaut in zo’n station nog een beetje normaal moest kunnen functioneren. Hij kon zich daarin verplaatsen en maakte een succesvol ontwerp ook al heeft hij zelf nooit de ruimte bezocht. Los van al die technische ontwerpen was Loewy ook altijd bezig met logo’s voor bedrijven, ontwikkelde hij restaurants, ontwierp ovenschotels, huizen, tractoren en zelfs flesjes voor Coca Cola toen dat merk van de oude vormgeving over wilde naar een nieuwe. Vele honderden ontwerpen en patenten staan op zijn naam.

Pas toen hij 80 was stopte hij met werken. En ging in Frankrijk van zijn pensioen genieten. Hij werd uiteindelijk 92 jaar oud en overleed in Monaco. Een erfenis achterlatend die zijn weerga niet kende. Nog steeds gezien als wellicht de grootste industrieel ontwerper ooit. En dat lijkt mij meer dan terecht. En dus gaf ik even aandacht aan de man. Overigens is er jaren geleden ooit in het Stedelijk Museum een overzichtstentoonstelling gehouden over Loewy en zijn werk. Werd toen druk bezocht. Van mij mag dat wel weer gebeuren. Verdient hij. (Beelden: Internet/Wiki)

Made in England; Humber! Ooit van gehoord?

Ooit, ik werkte toen nog bij een in totale omvang uitgedrukt, aardig groot bedrijf op onze nationale luchthaven, had de toko waar ik mijn talenten voor inzette een directiesecretaris die reed in een Humber. Toen al een zeer exclusief Engels merk dat uiteindelijk, opgegaan in het roemruchte Amerikaanse Chryslerimperium, in 1967 haar fabriekspoorten moest sluiten. Maar in de jaren daarvoor was Humber een merk met een rijke geschiedenis. Want de naamgever van dit bedrijf startte al in 1868 met een fietsenfabriek waar later ook automobielen werden gebouwd. Jarenlang waren die Humbers uiterst conservatieve wagens, maar in 1936 waren die Britse auto’s uitgerust met zescilindermotoren en onafhankelijke wielophanging. Vanaf 1939 monteerde Humber al hydraulische remmen en dat was best innovatief in die tijd. Het model Snipe bleek een zodanig goede auto dat deze auto’s massaal werden verkocht aan de Engelse strijdkrachten en Veldmaarschalk Montgomery er een als persoonlijke stafauto op na hield. Die auto deed dienst op vrijwel elk oorlogstoneel. Na de oorlog bouwde Humber nog een tijdje verder op haar vooroorlogse modellen, net zoals veel andere fabrikanten in die dagen.

Maar in het begin van de jaren vijftig kwam Humber met een volkomen nieuwe carrosserievorm die als Snipe, Super Snipe en Hawk in productie zou gaan. Een auto die wat leek op de Standard Vanguard uit 1955, maar het heeft er eerder iets van dat die Standard zijn lijnen dankte aan de nieuwe Humbers. Opmerkelijk was dat de nieuwe Humbers panoramische voor- en achterruiten hadden, een (indertijd) splinternieuwe kopklepmotor van 4.1 liter met een vermogen van 114pk en een volledig gesynchroniseerde vierbak. In die dagen heel bijzondere zaken.

De Hawk kreeg deze verfijningen pas in 1957. Deze laatste was eigenlijk het basismodel uit de reeks en de Snipe en Super Snipe de meer exclusieve versies die o.a. opvielen door het vele chroom. De Hawk kreeg ook een kleinere motor onder de fraai gewelfde kap, een 2,3 liter met 74pk. Ondanks het stevige gewicht van de Humbers, een Hawk woog al snel 1430 kilo, haalde je met die auto toch de 150km/u en dat was best een goede prestatie. Daarbij waren die Humbers buitengewoon ruim, zes personen vonden er een prima zitplek in en kon je een vracht aan bagage meenemen. De Snipe kreeg in 1958 een nieuwe zescilindermotor. 2.6 liter groot en 114pk sterk. Deze werden nu gekoppeld aan drieversnellingsbakken die naar keuze ook met overdrive leverbaar waren. Ook een automatische versnellingsbak zat in het gamma. Van de Super Snipe werd net als bij de Hawk het geval was, ook een stationcar uitgebracht. Maar dat was met recht een zwaargewicht, want hij woog maar liefst 1519kg.

Opmerkelijk  was dat Humber qua ontwikkeling consequent aan de gang bleef met haar motoren. Zo leverde men in 1959 weer een nieuwe zespitter, nu van bijna drie liter inhoud en een vermogen van 131pk. Een jaar later kregen de Humbers dubbele koplampunits. Maar in de jaren zestig kwam toch het eind voor de grote prestigieuze Humbers in zicht. Het bedrijf behoorde inmiddels toe aan Rootes waar ook Hillmann en Sunbeam waren ondergebracht en waar men steeds meer aan ‘badgeselling’ ging doen. Nieuwe Humbers waren eigenlijk Hillmans met een paar onderdelen van Sunbeam en een exclusief interieur van Humber zelf. Daardoor vervreemdde het koperspubliek van het merk en zag latere eigenaar Chrysler er geen been meer in om het exclusieve oude merk overeind te houden. En nu, in onze dagen, weten de meeste autoliefhebbers niet eens meer dat dit merk ooit heeft bestaan. Het is dat ik er indertijd mee werd geconfronteerd, met dank aan die oude directiesecretaris uit de jaren zestig die zijn Humber benutte als een piloot zijn vliegtuig met zuigermotoren. Hij was dan ook niet voor niets oud-commandant van de vliegbasis Valkenburg en oudgediende van de MLD in Indie. (Beelden: Internet)

Lijfstraffen…

We doen daar niet meer aan in ons land, maar ooit kenden we hier een tamelijk wrede manier van afrekenen met misdadigers of politieke tegenstanders. Week je af van het gemiddelde volgens Schout en Schepenen die de wet namens de kerkelijke of aardse bestuurders uitvoerden, was de kans groot dat je werd gemarteld tot de dood er op volgde. Men was niet zo vies van het hanteren van middelen die jouw wil te ontkennen na een tijdje ontnam. Denk maar eens aan botten kraken, ledematen vast spijkeren, geselen, verkrachten, verhongeren en zo meer. De verdachten bekenden vaak al snel wat ze niet hadden gedaan, want veel onschuldigen vielen onder het lot dat ze door aanwijzen als schuldig werden betiteld.

Dat kon je ook overkomen als je net het verkeerde geloof beleed of jouw politieke instelling het andere kamp niet beviel. Het maakte ook niet uit of je als uitvoerder van die straffen nu gelovig was of niet. Wellicht wel juist niet. Martelen en vermoorden van tegenstanders was nu eenmaal normaal. Onze wetten (en normen) zijn door de loop van de eeuwen heen gelukkig aangepast. We noemen dat fatsoenlijke evolutie van het recht. Nog steeds komen mensen onschuldig in  de cel, verraad speelt nog steeds een belangrijke rol bij het vinden van zgn. verdachten, maar de uitvoering van lijfstraffen blijft uit. Al zou je bij sommige van die verdachten een andere aanpak best kunnen bepleiten. Moordenaars van kinderen, serie-verkrachters, mensen die omdat ze menen boven de wet te leven anderen het leven mogen benemen, drugsdealers, vrouwenhandelaren en zo meer.

Er is echt een categorie misdaadplegers die wat meer zou mogen meekrijgen van onze woede over bepaald gedrag dan alleen maar een paar jaar cel of een maandje of wat dienstverlening. Dat voelt nog steeds niet goed. Daarbij komen bepaalde mensen soms weg met straffen die zo laag zijn dat ze de nabestaanden van slachtoffers niet echt recht doen. Of komt men in een zodanig regime terecht dat men na enkele maanden al weer met verlof is, op het eerste de beste vliegtuig stapt richting evt. tweede thuisland en verdwijnt. De wereld is veranderd, het justitieel recht kennelijk daar niet op ingesteld. Schuldig of niet schuldig, het wordt nu beter uitgezocht. Men vertrouwt (..) op een bekentenis, en de dader krijgt zodanige hulp van advokaten dat evt. vrijspraak er nog in zit ook. Was indertijd toch anders. Was je schuldig bevonden kon men je brandmerken, een oor afsnijden, je ledematen breken en zo meer.

Voor kleine vergrijpen bestond ook nog het schandblok. Stond je als veelpleger toch mooi voor Joker ten aanzien van de omgeving. Zou heel wat van die moderne zelfbenoemde helden die menen dat wat van ons is ook van hen moet zijn, prima passen. Maar ja, liberaal/sociale samenleving. De daders meer bescherming dan de slachtoffers en zo….Maar soms, heel soms, zou ik willen dat we even strenger waren in ons justitieel optreden. Moet kunnen zou ik denken. Mits de rechters een beetje van signatuur zouden worden veranderd. Maar dat is een ander en al eerder verteld maar zeker bekend verhaal.