Waar mijn persoonlijke mening wordt geventileerd…Alle teksten en beelden vallen onder mijn persoonlijk copyright en mogen nooit worden benut, gekopieerd of gebruikt door derden zonder mijn specifieke toestemming. Ook de gebruikte afbeeldingen vallen (mits anders vermeld) onder deze standaardregel.
Zo lang wij al zelfstandig wonen aan de zuidkant van Amsterdam kennen we het gigantische Tuincentrum ’t Oosten in Alsmeer. Aan de Aalsmeerderweg 393 in die plaats exploiteren ze daar intussen al ruim 60 jaar het grootste overdekte tuincentrum van Nederland en dat omvat alleen al 80.000m2 overdekt aanbod. Van planten voor binnen of buiten, meubelen, toebehoren, vissen, beelden, bedenk het en ze hebben het voor de klanten klaar staan. Dus komen wij er als regiobewoners regelmatig. Meestal voor iets groens of wat er tegenaan leunt. Maar soms ook in combinatie met een bezoek aan hun zgn. tuincafe dat intern wordt uitgebaat en vaak aardig gevuld is met bezoekers. Was het vroeger een soort petit-restaurant waar je de hele dag terecht kon voor maaltijden etc., tegenwoordig is het aanbod flink beperkt.
De corona-ellende deed die vorige horeca-gelegenheid sluiten en toen men weer open ging was het aanbod vermagerd, maar de inrichting wel wat opgefrist. Je kunt er nu terecht voor koffie/thee, een belegde broodje, frisdranken, maar zeker ook een lekkere tosti. En dat kost allemaal niet de wereld, al vonden we net geen vier euro voor een Cappuccino in een kartonnen beker best op het randje van prijzig. Gelukkig gold dat minder voor de smakelijke tosti die we bestelden en met een gulle glimlach door de dienstdoende medewerker werd geserveerd. Kortom, keep it stupid simple is hier wel heel sterk de bedrijfsfilosofie en daar is op zich wellicht weinig mis mee. Ik mis toch zeer de leuke en smakelijke snacks van vroeger. De toen ook zo aardige bediening en de kleine prijsjes, maar in de huidige tijden is dit nog steeds best een stopplek om even neer te strijken. Parkeergelegenheid (gratis) genoeg, toiletten schoon en ruim, en je moet wel erg weinig van groen of bloemen houden om na de koffie niet toch het een en ander in je karretje te stoppen. Rapportcijfer: 7.5 – en dat zit hem toch vooral in het magere aanbod i.v.m. vroeger en wat je elders bij tuincentra vindt in de daar evt. aanwezige horeca….(beelden: ’t Oosten website)
Op deze datum in 1980, inmiddels dus 46 jaar geleden, vloog ik als onderdeel van een dealergezelschap o.l.v. de toenmalige importeur van Skoda en FSO, Englebert, naar Warschau met een DC-9-32 van Martinair. We waren speciaal uitgenodigd door die importeur omdat onder de toenmalige dealers veel onvrede leefde over de kwaliteit van de geleverde Poolse auto’s van FSO (Fabryka Samochodow Osobowych) waardoor het aantal garantieclaims en ontevreden klanten steeds meer steeg.
Voor de goede nog even wat uitleg rond dat FSO. Deze fabriek bouwde in Warschau lange tijd in licentie gebouwde Russische wagens van het type Warszawa M20. Maar toen die toch te dorstig en te ouderwets werden besloot men een licentieovereenkomst te sluiten met de slimme Italianen van Fiat. Want daar in Turijn wist men oudere modellen die intussen niet meer door hen zelf werden gefabriceerd te leveren aan diverse landen uit het toenmalige Oostblok (of Zuid-Amerika) waar ze nog decennia lang een commercieel goed leven werd geboden.
Zo kochten de Russen de hoekige 124 en vormden die om tot Lada 1200. De Joegoslaven kochten de licentierechten voor de vlotte 128 en noemden die Zastava 1100. En de Polen wilden ook een succesvol model in eigen handen krijgen en kozen voor de 125. Dat was in Italie een vlotte en redelijk grote sedan. De wagens waren zelfs groter dan die 124 van Lada en wellicht speelde dat ook een rol bij de keuze. Voor de aandrijving kozen de Polen voor de oudere 1300 en 1500 motoren van de gelijknamige Fiat’s van een decennium eerder. Snelheid telde minder dan betrouwbaarheid en eenvoud van onderhoud. Althans zo was de theorie. Hoe dan ook, die Poolse Fiat’s ging als Polski 125p de markt op en kwamen zo ook naar Nederland. Eerst via Fiat-importeur Leonard Lang.
De latere Nederlandse importeur, Englebert uit Voorschoten, voorzag een grote markt voor die wagens. Immers, er waren sedans en stationcars leverbaar en voor wie dat echt wilde, een Pickup-versie. Mooi aanvulling op het lichtere Skoda-gamma. Maar al snel kwamen we als dealers (het werd een verplichte combinatie) van een koude kermis thuis. De Poolse wagens staken slecht in elkaar. Het lagerwerk was een ramp en ook de elektrische installaties vroegen constant aandacht. Dat kostte klanten… Bij de nieuwe Polonez, een fraai ontwerp voor een vijfdeurs auto die de Polen samen met Giugiaro hadden ontwikkeld, werd het nog erger. Men combineerde daar techniek van die 125p met eigen ontwikkelingen en dat bleek een slecht idee. Hoe dan ook, wij als dealers mochten in de fabriek van FSO kijken naar het productieproces van die wagens. Wat ik er zag was voor mij een reden om daar ter plekke het dealerschap stop te zetten. Wat een puinhoop die fabriek, wat een desinteresse en wat zag je daar al op voorhand wat er bij ons mis ging. We maakten later nog wel een rondrit door Warschau, deden wat aan foto-reportages voor het thuisfront, en stapten weer in de Martinair-vlieger die ons terug naar huis bracht. Een illusie en merk armer, maar qua informatie een stuk rijker. En natuurlijk weer wat extra uurtjes in het vlieglogboek….Want in die autobusiness vloog ik meer dan ik ooit had bedacht toen ik nog op Schiphol actief was… (Beelden: archief)
Morgen mogen we weer naar de stembus. Dit keer om de gemeenteraad te kiezen die ons de komende vier jaar lokaal moet vertegenwoordigen en zorgen dat alles gaat zoals goedwillende burgers dat graag zien. Helaas is het in veel gemeenten een lichtelijke puinhoop. Dwangbestuur door utopische denkende vooral linkse politici zorgt voor veel onveiligheid, vuil op straat, stilleggen van transport en economie ten gunste van werkloosheid, illegaliteit en verpaupering. Wonderlijk genoeg gaan veel kiezers in die gemeenten toch juist achter die stromingen aan hun eigen ondergang tegemoet. Immers, zij betalen mee aan de hobby’s van al die bestuurders die er vooral zitten ten bate van zichzelf, hun doctrine of inkomen.
Zelden is men bezig met het belang van de burgers die men zou moeten dienen. En toch geloven wij, stemmers, dat de democratie wordt gewaarborgd als we dat rode potlood benutten om anderen aan een baan te helpen. Ik doe dat ook. Maar niet nadat ik uitgebreid de programma’s van mij aansprekende partijen met elkaar heb vergeleken. Wat wil men doen aan onveiligheid? Aan vuilnis? Aan een eventuele stop op vestiging van illegalen of pakweg Oekrainers in een al veel te volle wijk? En welke stroming wil nog meer rem op elke vorm van wegverkeer maar staat wel de bouw van de zoveelste moskee toe? Als je dat beeld een beetje naast elkaar weet te leggen kom je vanzelf uit bij partijen die tenminste een dam kunnen opwerpen tegen al te veel links geleuter of gekleurde indoctrinatie. Van de meeste lokale lijsttrekkers moeten we het niet hebben want ik denk dat 90% van de stemmers morgen geen idee heeft wie de partij van de eigen keuze eigenlijk vertegenwoordigt.
Niet voor niets doen landelijke lijsttrekkers er alles aan om hun doctrines ook nu weer over ons uit te storten. Maar gaan daarbij voorbij dat juist lokale partijen zonder binding met de Haagse bubbel de meeste stemmen trekken. Dit met uitzondering van de gek-linkse gemeenten als Amsterdam, Utrecht, Rotterdam of Nijmegen. Daar heersen de wetten van Marx, Lenin of Mao en doen daar dan hun afbrekende of ondermijnende werk. Gelukkig dat elders het gezond verstand wel heerst. Dat worden de dorpen waar ook Asterix en Obelix zo trots op waren en stevig stand hielden tegen de invasie van de dominante Romeinen. Voor een ieder hier wens ik dat wijsheid hen stuurt naar een voor zichzelf bevredigende keuze. Zij die dat niet doen…kies voor een lokale partij. Je zult zien dat juist die jouw wensen vier jaar lang veel beter invullen dan al die landelijke volgelingen van de Haagse linkspopulisten. (Beelden: archief)
Ik wens als Meninggever al mijn volgers, lezers, fans, bewonderaars, criticasters en zo meer een prachtig nieuw jaar toe in goede gezondheid en geluk. Moge liefde op het pad komen van hen die daar naar op zoek is, de wensboom vrucht dragen en vrede ons aller deel zijn…. Over een paar dagen vatten we de dagelijkse schrijfkoe weer bij de horens..
En als ik het dan toch over onze opdrachtgevers op vier poten heb, moet ik ook even vermelden dat we in dat kwartet slechts een poes hebben zitten. En dat die ons indertijd als kitten werd gegund met de mededeling dat zij er een ‘met een pittig karakter’ was. Dat zag je er nog niet meteen aan af, maar in vergelijking met haar flink grotere broer is zij inderdaad wel een poes om met asbest handschoenen aan te pakken als er iets moet gebeuren wat zij niet wenst. In de normale omgang is zij uiterst lief, ze praat met ons, ligt luid knorrend op voor haar aantrekkelijke plaatsen, heeft vanaf moment een een grote bewondering voor en vriendschap met onze oudste, Prins Percy (overigens slechts ruim 1 jaar ouder dan de witte poes Pebbles). So far so good dus.
Het spul leeft verder in harmonie al zijn broer en zus soms water en vuur en wil die relatie nog wel eens ontaarden in een heftige matpartij waarbij de vlokken haren in de rondte vliegen en vooral zij, met haar dikke vacht, de haarverliesgevende partij is. Beide katten zijn groot en in hun soort opvallend. Dus twee van die grote jongens die knokken, dat is (en klinkt)best angstaanjagend. Maar ooit legde een dierenarts ons uit dat als er geen bloed vloeit er weinig aan de hand is. Nou daarover gaat dit verhaal eigenlijk. Pebbles heeft een zomers probleem. Haar enorm dikke vacht gaat dan klitten. Niet als bij een meer normale kat, maar in haar geval echt heftig.
Net of er kauwgum in die haren zit. Dus doen we ons best om dat te bestrijden. Liefst samen. Maar dat is wel een linke oefening. Ze laat het even toe, maar als we net toekomen aan wegknippen van die enorm dikke plekken haalt ze al gillend uit. En dat is zonder aanziens des persoons. Dus de laatste keer was ik de pineut. Fikse halen via haar achterpoten omdat ze wilde ontsnappen aan ons. Bloed stroomde, de dierenarts zou er versteld van staan. Totaal anders dan haar broer. Die laat alles toe. Diverse malen meegemaakt omdat hij af en toe wat zaken vertoont die aandacht behoeven. Hij heeft een speciaal plekje in de harten van die mensen van de dierenkliniek. Zo lief. En we zeggen dan vaak, het is oprecht te hopen dat zijn zus hier nooit terecht komt. Want dan maak je iets anders mee… En dus duimen we maar dat het ook zo zal blijven. Want dat ik wordt beschadigd door een op zich lief diertje is nog tot daar aan toe. Als ze vanuit haar angst de leuke assistentes van de dierenarts te lijf gaat wordt dat wellicht een klacht wegens aanranding of zo… Intussen doet de Duitse wonderzalf zijn werk en genezen de krabwonden langzaam maar zeker. Het bloed stroomt niet meer naar buiten en deze blogs schrijvende macho kan weer verder…… Als vrouwlief me roept om de lieve witte poes even vast te houden lijd ik ineens aan Oostindische doofheid… U wilt me wel vergeven… (Beelden: archief)
Kijk, ik ben een echte Amsterdammer. Ben daar ook best trots op. Ook al hebben we nu het slechtste stadsbestuur ooit, zijn de straten vies, is het centrum druk, we vieren als stad wel ons 750-jarig bestaan. Iedere echte Amsterdammer op zijn eigen en unieke wijze. Feestjes op de snelweg (om zo het verkeer te frustreren) laten we over aan de semi-communisten in de Stopera. Maar een bijkomend geluk van die verjaardag is wel dat er over onze stad dit jaar heel wat zeer fraaie boekwerken zijn verschenen die ons mee terug nemen naar een tijdperk waarin de gemiddelde echte Mokummer zich zeker goed zal herkennen. Een van die boeken kocht ik mij begin dit jaar bij de bekende boekhandel Venstra in Amstelveen. Titel: Amsterdam in kleur 1950-1970. En dat bleek een goede aankoop. Een boek vol met kleurenopnamen uit een periode waarin onze stad de wederopbouw van na de oorlog doormaakte maar ook de periode van de flower-power en zo meer.
De kleurenfoto’s veelal afkomstig uit prive/museale bronnen, soms van eerste dia’s en dus op de typerende wijze van dat toenmalige materiaal gekleurd. Als je het boek doorneemt (in Nederlands/Engels qua teksten) zie je de stad waar ik nog steeds van hou. De straten, de kroegen, de (ook toen al) drukte qua verkeer, de mensen die in die periode nog in de stad woonden. Je ziet de totaal andere kleding, ontdekt winkels en ketens die er al lang niet meer zijn. Een cultuurschok soms. We keken indertijd uit naar de toekomst, maar beseften niet wat die met deze stad zou doen. Je ziet de havens, de vele scheepswerven, de werkgelegenheid droop nog van de kades langs het IJ. Het boek is geschreven en bewerkt door Marit Kout en Aad Windig, is een uitgave van W Books, is hardcover, telt 208 pagina’s en kost je net geen 3 tientjes. Het ISBN-nummer is 978 94 625 8664 2. Iedere liefhebber of Amsterdammer zou het in huis moeten hebben. Vandaar dat ik het dus kocht…. (Beelden: Archief)
Als een cultuur intrigeert is het wel die van de oude Egyptenaren. Wat in die omgeving aan cultuur bestond zo’n pakweg 7000 jaar geleden is ongekend en opgravingen die tot de dag van vandaag voortgaan maken steeds meer duidelijk over hoe hoogstaand culturen als die van de Egyptenaren indertijd waren. De wereld van de farao’s, intriges, de goden, de slaven, piramides, goud, zilver, en zo meer. Musea over de hele wereld zijn er aardig mee gevuld, maar het huidige Egypte houdt ondanks de islamitische ideologie die daar heerst toch met veel eerbied zaken uit die tijd museaal in eigen land beschikbaar.
Dat is wel eens anders geweest. Grafrovers door de eeuwen heen haalden sommige oude graven leeg en verpatsten de inhoud. Veel hoog geplaatsten uit die oude tijden werden begraven met flink wat zaken die fortuinen konden opbrengen en de soms zo arm als ratten levende grafschenders zagen daar wel brood in. Maar ook westerse (m.n. Duitse, Britse en Franse) Egyptologen waren niet vies van een ontginning van die oude graf- en gedenkplekken om zo hun besef over die oude farao’s maar ook hun aanzien als experts te vergroten. Wie de interesse wel heeft maar geen trek om in het Saharazand te gaan spitten onder een brandende zon (zoals ik) is er de geweldige voorstelling ‘Het Rijk van de Farao’s – Ervaar het oude Egypte’ zoals die nu draait in de Westergasfabriek in Amsterdam via de bekende Fabrique des Lumiere organisatie.
Over dat laatste fenomeen schreef ik al eens in mei 2023 toen daar een totaal andere voorstelling de adem bij ons als toeschouwers aardig weg nam. Deze nieuwe reeks doet dat opnieuw, al wisten we door die eerdere ervaring nu wel wat ons te wachten stond. Overdonderende beelden, schitterend geluid en natuurlijk dat decor van die prachtige cultuur die intussen begraven ligt onder meters woestijnzand. Wat in het verhaal ook opviel, de ontstaansgeschiedenis van het Egyptische rijk werd uitgelegd met teksten die je vrijwel 1:1 ook terugvindt bij het Joodse volk, maar zeker ook bij de Christenen. Het grote niets, goden die vanuit het oerwater Noen een vruchtbare berg wisten te scheppen die een piramidevorm aannam en zo leidde tot het begin van de wereld.
En die wereld werd Egypte. Verbazingwekkend hoeveel die geloven op elkaar lijken als het om die claim op de schepping gaat. Alleen waren die eerste Egyptische goden er dik duizenden jaren eerder mee dan de Christelijke predikers. Ach, laten we dat maar evolutie noemen. Als pauzeprogramma (..) draaide men bij deze voorstelling ook een aantal voorstellingen van Franse schilders die de Orient vastlegden in de 19e eeuw en een beeld lieten zien dat wat naief/dromerig (b)lijkt en de islamitische cultuur van toen zag als iets waar wij weliswaar hoofdschuddend naar keken maar ook aantrekkelijk vonden.
Naakte slaven, blanke slavinnen in een harem, leeuwenjachten, het was voor mensen toen kennelijk een prachtig beeld. Maar heel eerlijk, van mij hoefde dat onderdeel van deze voorstelling niet zo. Dat gold ook voor het binnentreden van een groep middelbare scholieren onder leiding van een paar leerkrachten die gillend en achter elkaar aanrennend vooral zichzelf zagen als middelpunt van de schepping en zich niets aantrokken van de vermaningen die door vertegenwoordigers van de organisatie werden geuit. Er werd geflitst (verboden), hard gepraat, men had maling aan de beelden, stond er zelfs met de rug naartoe. Toen ik die lui wat beter bekeek zag ik alleen maar allochtone jongens en gesluierde meiden.
Nul interesse in dat oude Egypte, niks met cultuur. Duidelijker kan de scheidingslijn in onze samenleving anno 2025 niet worden bewezen. Jammer, want juist door kennis van de geschiedenis kom je tot betere duiding van ons heden of de toekomst. En nee, ik ben in dit geval niet extra kritisch. Er waren diverse andere jonge mensen van heinde en verre die in alle rust en stilte naar deze prachtige voorstelling keken en genoten. Het verschil in gedrag was opnieuw zeer opvallend. De rust keerde weer toen de lawaai makende groep verdween. En toen konden wij opnieuw genieten van deze prachtige voorstelling. Een aanrader voor liefhebbers van dat oude Egypte maar ook van een meer dan overweldigende voorstelling. Benieuwd wat men in de toekomst weer gaat bedenken voor dit theater… (beelden: prive)
Ik stam nog uit de tijd dat je in het gemiddelde huis binnen onze woonbuurt geen badkamer of zelfs douche aan trof. Dat was voorbehouden aan huizen in wat duurdere wijken, maar in onze buurt met vooral arbeiders, burgers en mkb-ers was bij de schoonmaakbeurt vooral een rol weg gelegd voor een zinken teil die met ketels vol warm water en het nodige Sunlight zeepschuim veranderde in een plek waar je als kind het blote lijf zag opgloeien en na afloop glimmen van het gladde gevoel. Dan met een handdoek stevig afgedroogd, schone kleren aan, haartjes gekamd en klaar voor de nieuwe week.
In de meeste gezinnen werden de oudste kinderen als eersten en de kleinere als laatsten gedaan, in enkele gevallen in omgekeerde volgorde. Het bleef behelpen met al dat gewas. Want meer dan koud water kwam er niet uit de kraan, de douche en aanverwante gasgeiser was iets van pakweg begin jaren 60 van de vorige eeuw. In de tussenfase elk weekend op zaterdag naar het badhuis in de buurt, maar dat beschreef ik al eens. Welk een genoegen gaf die douche thuis, wat een schoon genot. Elke dag onder lauwwarm water. Het kon niet op…. Nou ja, dat kon het wel, want dat systeem baseerde in de typische huurwoningen van toen op een boilervat dat door de geiser opgewekte warm water opsloeg maar niet oneindig uiteraard.
Waren andere huisgenoten eerst gaan douchen bleef er maar verrekte weinig water over voor de types die als laatsten naar school of kantoor moesten. Behelpen, maar met een zeker luxe element. Ik ben nadien (ging al vroeg het huis uit) nooit meer verstoken geweest van het warm water wascomfort, en voel me nog steeds het meest senang in een heerlijk bad waar ik best een half uur of zo in kan liggen terwijl ik geniet van een boek, blad, glaasje of wat ook.
Jammer dat we in de moderne tijd weer zien dat bepaalde groepen willen dat we minder douchen, minder zeep gebruiken, ja dat we eigenlijk terug gaan naar de Middeleeuwen en die teil maar weer van stal halen. Nu kwam ik er onlangs bij een Kringloopwinkel eentje tegen. Er zat geen ‘lekgarantie’ op en hij verdiende wat onderhoud, maar in het kader van de voorbereiding op de nodige crises kon dat wel eens een goede investering zijn. En indien niet nodig zullen er ongetwijfeld ook geraniums of viooltjes in kunnen bloeien. Altijd leuk om daar dan een studie van hun groei aan te wijden… Maar intussen geniet ik van de badgeneugten anno 2025. Die nemen ze me niet meer af…. (Beelden: Prive/internet)
Wat ooit in Amsterdam de Hermitage was en om politieke redenen de banden met dat giga-museum van deze naam in Sint Petersburg verbrak, heet nu het H#art Museum. Nog steeds op dezelfde historische plek in hartje stad en voorzien van de nodige zalen vol interessante zaken. Omdat er begin dit jaar een expositie liep over het 750-jarig bestaan van onze stad en meteen ook wat rand-exposities rond dat thema togen wij er onlangs met onze Museumjaarkaart heen om even te genieten van de cultuur en geschiedenis in onze eigen jarige stad.
Met onze MJK kregen we toegang tot alle actuele exposities binnen het gebouw en zo traden we als eerste binnen in de hal die voorheen zo vol hing met fraais uit de Russische collecties, nu gevuld met een lokaal geleend kunstaanbod. Op zich weinig mis mee. Maar er zijn (waren) wat storende factoren. Zo blijf ik me verbazen hoe men het voor elkaar krijgt om de geschiedenis van onze stad deels te herschrijven en daarvoor in de plaats een stuk multiculturele verrijking in te passen opdat we als geboren en getogen inwoners van Amsterdam niet zullen vergeten dat onze stad pas met dank aan al die import groot werd. Het is natuurlijk niet waar, maar toch. Overal zag ik presentaties, schilderijen, sommige van een bijzondere soort (met waarschuwingsbordjes gezien de specifieke realistische onderwerpen) maar nergens zag of hoorde ik Amsterdamse accenten, verhalen over de Jordaan, over de armoede in de stad die in het verleden vooral arbeiders trof en de enorme jodenvervolging die het hart uit Amsterdam sneed tijdens de Duitse bezetting.
Wat bleef was een cultureel, maar vooral politiek, soort expositie, nog eens aangevuld met randexpo’s over vrouwen van Amsterdam die volgens de organisatoren vooral uit andere culturen kwamen. Het was reden om daar relatief snel aan voorbij te lopen. Feiten horen te domineren, niet dat wat men op het door links bestuurde Stadhuis wil zien als waarheid. Jammer van zo’n toch aardige expositie. Het Amsterdam Museum deed daar nog een schepje bovenop.
Dat museum leent een vleugel van H#art omdat het eigen gebouw aan de NZ Voorburghal wordt gerenoveerd. De nieuwe leiding van dat specifieke museum heeft in haar politieke (on)wijsheid besloten om de term ‘Gouden Eeuw’ uit te bannen. Want…’alleen maar te koppelen aan slavernij en kolonisatie’. Ik word daar bijna boos over. Zoveel feiten uit het verleden zouden dan moeten zorgen voor totale aanpassing van ons culturele erfgoed of dat van anderen. Maar ik zie deze noodzaak niet. Hoe dan ook, we deden weer wat cultuur op, en ik inspiratie om mijn ergernissen hier te uiten. De stad viert haar feestje, maar ik krijg steeds meer de indruk dat men de oorspronkelijke bevolking daarbij compleet wil bijscholen of uitsluiten. Propaganda dus. Past niet in een open en vrije stad als de onze. Maar ja, ik ben of lijk op dat punt een roepende in de woestijn..(beelden: Prive en speciaal uitgezocht)
Het bloed kruipt bij mij waar het niet gaan kan. En dus koop ik als het kan elk jaar (sinds de jaren 80/90) in de maand december de door het befaamde Duitse auto-magazine Auto Motor & Sport uitgegeven AutoKatalog (catalogus) waarin alle auto’s staan die je in het volgende jaar (dus nu 2025) kunt verwachten in de showrooms van dealers of via exclusieve leveranciers die de wagens van een paar miljoen Euro per stuk bij je voor de deur komen afleveren. Het is voor mij een geweldige vraagbaak rond nieuwe wagens die zich soms voor een deel zelfs aan mijn professionele blikveld weten te onttrekken. Met 260 pagina’s, full-colour, en barstensvol relevante informatie over techniek, mogelijkheden, maar ook marktsituaties in Duitsland is dit een aardig overzicht van wat zich in autoland (deels exclusief voor de oosterburen) zoal afspeelt.
En dat al vele jaren. Was het vroeger een boekwerk dat je voor een bedrag van 6 Deutsche marken kon kopen, tegenwoordig leg je er wel 13 euro voor neer. Maar een keer per jaar moet het kunnen is mijn idee. Ik geniet er van, lees het helemaal uit en start altijd bij mijn eigen merk en die welke in mijn professionele jaren door de handen zijn gegaan. Dat verrast soms, maar verveelt nooit. En het leest lekker weg. Dat is in die jaren waarin ik het boekwerk koop nooit veel veranderd. De Duitse autojournalistiek is echt een vakgroep om rekening mee te houden. En dit boekje staat nu naast zijn soortgenoten uit andere jaren. Als ik er iets uit nodig heb kan ik het zo pakken. Ook leuk… (Foto’s: Yellowbird collectie)