Meetingpoints..

Onlangs waren we voor de twee keer dit jaar onderweg met de gele rupsen. AH was de leverancier van onze dagtripkaartjes en omdat je daarvoor een bepaalde prijs betaalt is het handig om dan niet te dichtbij in de buurt van de hoofdstad een bestemming te kiezen. Vaak, zoals nu, stappen we dan in een trein die ‘ergens’ heen gaat en besluiten onderweg wat te doen. We kunnen overstappen in Utrecht, maar ook doorreizen naar Venlo, of,of, of. Het werd Den Bosch. Vaker geweest, maar altijd gezellig en daarnaast voorzien van een paar aantrekkelijkheden. Zoals de bijster fraaie St.Jan-kathedraal of de geweldige horeca. Mijn ooit zo favoriete modelwinkel Ottens nog even bezocht, maar die sla ik voortaan over. Weinig over van het geweldige aanbod van vroeger en een zeer chagrijnige verkoopster ontnamen de lust daar Euro’s te besteden. Deden we wel op een terrasje aan de Markt.

Met een drankje en de onvermijdelijke Bossche Bol van Jan de Groot. Wie niet weet wat dat is, moet maar even Googlen op de naam van deze landelijk bekende banketbakker. Waar altijd mensen in de rij staan (soms tot ver buiten de winkel) om iets van hun lekkere-trek-gading te vinden. Opvallend bij die bezoekjes en dat even zitten is dat je uit heel Nederland mensen tegenkomt die hetzelfde doen als wij, een ‘dagje Den Bosch’. Maastrichtenaren en Groningers. Allemaal op zoek naar die gezelligheid. En wie zoekt zal dat vinden. Wij maakten een wandelronde, en togen toen weer naar het station voor vervolg van onze reis. Dat werd (eerste trein die vertrok) Nijmegen. Een fraaie nieuwe Sprintertrein.

Die wel 12 keer of zo stopte onderweg, maar veel goed maakt met een fraai interieur, uitschuifbare treeplanken, een oplaadpunt onder je zetel voor mobiele telefoon etcetc. Nijmegen is een stad die rondom het station bijna onherkenbaar is veranderd. Alles is nieuwbouw daar en dat oogt niet onprettig moet ik zeggen. Het centrum is nog steeds zoals ik het me van een paar jaar geleden herinner. Mix van modern en historisch. De verloedering van voorheen aardig stopgezet en de stad opgewaardeerd. Lekker eten deden we bij Pinot in het centrum aan de Grote Markt. In het zonnetje tussen veel (jonge) gezellige mensen maakte de maaltijd extra goed te verteren.

Ook in deze stad aan het water maakten we weer een wandelrondje en liepen toen weer heuvelaf richting station. Met die kortingkaartjes moet je voor 4 uur inchecken, of anders wachten tot half 7 en dat vonden we toch wat laat. Dus weer op weg naar huis. Via Arnhem en Utrecht, die trein deed dat in 1,5 uur. Prima tripje, twee leuke steden gezien, nodige beelden geschoten en weer even genoeg voor deze periode van het jaar. Treinen is leuk maar ook vermoeiend….Maar wat een leuke mensen ontmoet je op zo’n dag….

Mooi Brits merk…Riley!

Je kunt het je nu, in 2018, nauwelijks meer voorstellen, maar er was een periode, ongeveer zestig jaar geleden, dat Engelse auto’s een dominante rol speelden in het autolandschap om ons heen. Er was een grote variëteit aan merken en die boden modellen aan met al dan niet verouderde maar toch ook vaak interessante techniek. Een merk als Riley bijvoorbeeld. Opgericht in de 19e eeuw en al in staat om in het jaar 1898 een auto uit haar simpele fabriekshal te rollen, al was dat nog een toen zeer populaire driewieler. Zeventig jaar lang bouwde het merk allerlei auto’s waarvan sommige ook bij ons een zekere bekendheid opbouwden. Anderen bleven toch teveel gericht op het meer conservatieve Britse koperspubliek om hier echt aan te slaan. Een heel fraaie Riley was de in 1946 uitgebrachte 1,5 Litre. Een compleet nieuw ontwerp dat voor zijn tijd als modern mocht worden aangeduid.

Zo waren de remmen hydraulisch-mechanisch uitgevoerd en had de nieuwe Riley onafhankelijke wielophanging voor. Toen een noviteit. Maar onder de carrosserie zat nog een echt chassis en motorisch baseerde nieuwe wagen toch nog op een vooroorlogs ontwerp. Wat overigens niets zei over de constructie. Want die was best bij de tijd. Zo was de motor voorzien van twee bovenliggende nokkenassen en had de Rileymotor ook halfbolvormige verbrandingsruimten. De motor leverde 55pk en dat bezorgde de auto een respectabele maximum snelheid van 120km/u. Uiterlijk was de auto indrukwekkend genoeg om nieuwe kopers te trekken. Hij was ontegenzeggelijk Brits van allure.

Maar het publiek van toen vroeg toch om een ‘beetje meer’ en dat werd door Riley handig opgelost door de wielbasis te verlengen met 16 centimeter en in de langere neus een 2,5 liter motor te lepelen die 101 pk leverde. De topsnelheid ging daarmee naar 135km/u. Latere versies haalden zelfs de 150km/u en daarmee was Riley een merk met sportieve aspiraties. Dat werd nog versterkt toen in 1954 de Riley Pathfinder werd geïntroduceerd. Een auto met een pontoncarrosserie die het onderstel deelde met een Wolseley. Dit was een gevolg van de nauwe samenwerking die veel Britse merken ook toen al nastreefden.

Riley verloor daarmee veel van haar onafhankelijkheid en haar eigen gezicht. Die Pathfinder was een auto die bij ons toen al een kleine zesduizend Euro moest kosten en dat was veel geld. Een Renault 4CV uit die tijd kostte net geen twee mille. De Pathfinder behield in eerste instantie haar uit de 2,5 overgenomen motor, maar later kwam er een nieuwe zescilinder onder de fraai gevormde klep die zorgde dat de Riley een uiterst potente auto bleek die erg populair werd bij de Britse politie. Toch werd de auto niet zo lang gebouwd. Riley werd steeds meer een ‘batch’ voor andere merken en in 1959 startte me zo met de productie van de Austin Cambridge, die uitgerust met de technische toevoeging van een Rileymotor en de nodige aankleding voor het interieur, als Riley 4/68 door het leven zou gaan. Slechts aan de grille kon je nog zien dat het hier een Riley betrof. De tijden van de erg fraaie eigen ontwerpen waren voorbij. Binnen het latere BLMC werden nog tot en met 1969 Riley’s gebouwd. Daarna viel het doek definitief voor dit interessante automerk.  (Beelden: Internet)

De wonderlijke wereld van printers en hun vullingen…

Een printer is niet veel meer dan een schrijfmachine die door jouw toetsenbord op je laptop of anderszins in beweging wordt gezet. Hij drukt af wat jij hem wilt laten afdrukken. Een stom ding, maar tegenwoordig best slim uitgerust. Je kunt er vaak mee scannen (noem het kopieren) en in sommige gevallen mailen of als dat nog bestaat, faxen. Er bestaan wat verschillende soorten printers, maar de meest gebruikte zijn de inkjet- en laserprinters. Een paar merken maken ze zelf, anderen laten dat over aan andere bedrijven. Canon doet het zelf. En in goede kwaliteit. Ik ben nu al een jaarthe of 20 vaste klant bij die lui en de gemiddelde printer gaat een jaar of 2,5-3 mee. Daarna zit de afvaltank vol en is een nieuwe kopen goedkoper dan de oude schoon laten maken. Noem maar eens een onderwerp waarmee het milieu beter gediend zou zijn. Bij andere fabrikanten gaat het vast niet zoveel anders op dit punt. Hoe dan ook, je koopt dan weer een nieuwe en tracht te snappen wat daar dan weer voor vullingen in zitten.

Vertaald…een vulling van een printer heet een cartridge. En daar wringt mijn ergernisschoen. Want ik heb nog nooit een opvolgende printer kunnen kopen die de cartridges van de vorige met liefde accepteert. Nee, telkens weer een andere soort. Wie net als ik niet zonder wil komen zitten op het moment dat een concept of een of ander geschrift uitgeprint moet worden, neemt van die dingen op voorraad. En als je dan van printer wisselt zit je al snel met een overbodige voorraad. Ik ben er zo een. Een bak vol. Allemaal nieuw gekocht. Met een houdbaarheidsdatum die ver uitstijgt boven die van die printers waarvoor ze bestemd zijn. Maar wie neemt die van je over? Ik heb het al eens geprobeerd tijdens een rommelmarkt. Alsof je griepvirussen tracht te verpatsen. Men kijkt er naar, trekt de neus op en loopt door. Nee, geen handel. Ook bij de kringlopers van dit land kom je ze wel eens tegen, maar als ze al nieuw zijn, nooit die soort die jij in jouw printer nodig hebt.

Ruilen zou een optie zijn, maar ik denk wel eens dat iedere printereigenaar zijn eigen cartridges heeft en niemand vergelijkbare exemplaren kan benutten. Bij mijn hofleverancier, een groothandel, hangen er voor mijn printer altijd net twee exemplaren. Een voor de zwartwit-kant van de teksten en een voor de kleurenfoto’s. Meer niet. En aan de prijs. Het verdienmodel voor deze apparatuur is natuurlijk nu net die cartridges. Want zo’n schrijver kost je vaak nog geen honderd euro. Kortom, het is een aardige handel. En ik ga nu toch echt eens nadenken wat ik met die nieuwe oude cartridges aanmoet. Toch maar naar de kringloop?? Wellicht! Maar voordien ben ik wel benieuwd wie onder mijn lezers hetzelfde ervaart als ik. Want ik kan daarin toch niet uniek zijn….toch??

Ultralang vliegen

In de tijden dat vliegtuigen nog van hout waren en de piloten van gesmeed staal leken, waren vluchten over lange afstanden bijna science-fiction. Maatschappijen als Imperial Airways, KLM of Lufthansa zetten toestellen in die we nu zouden omschrijven als wonderlijke samenstellingen van hout en linnen, goed voor het vervoer van wat postzakken en pakweg vijf passagiers. Onderweg naar een verre bestemming, vaak in een of andere kolonie, was het zaak een keer of 15-20 te landen om zo voldoende brandstof te kunnen tanken dan wel de motoren van deze kwetsbare toestellen te reviseren. Vliegvelden waren niet veel meer dan grasvelden en als je verkeerd landde kon je dat je leven bedreigen. Toch deden die pioniers hun werk en verkortten (..) ze de reistijd naar bijvoorbeeld Australie of Indie met enkele weken ten opzichte van schepen. Wie als passagier meevloog betaalde niet alleen de hoofdprijs, maar mocht ook meehelpen met sjouwen of tanken onderweg. Later werd het allemaal meer gestroomlijnd. De Britten geloofden in verbindingen die met vliegboten werden onderhouden, de andere maatschappijen zagen meer in het landvliegtuig en kregen uiteindelijk gelijk.

Vanaf de jaren dat de eerste straalvliegtuigen in dienst kwamen ging het snel. Deze toestellen konden zo’n lange afstand afleggen met 2, 3 of wellicht vier tussenstops, maar binnen een etmaal zat je toch vaak wel ergens in de tropen. Met de latere jumbojet-vliegtuigen als de Boeing 747 werd luchtvaart ook geliberaliseerd. Mensen die vroeger geen ticket konden kopen stapten nu vrolijk in zo’n toestel en gingen backpacken in Australie. Of shoppen in New York. Blijft wel een heel gedoe dat vliegen op die lange afstanden, want je moet dat wel willen, 8-15 uur stil zitten op je stoel. Ik schreef al eerder dat mijn langste vlucht 8u 3 kwartier duurde (AMS-NYC). De aansluitende vlucht was ook nog eens 2,5 uur, maar toen hadden we tenminste nog even kunnen rondlopen in de terminal van J.F.Kennedy Airport. Vrouwlief was onlangs even naar Hong Kong en moest heen 12 en terug 13 uur doorbrengen in zo’n grote vlieger. Ze was aardig gaar van die vluchten.

Maar het kan allemaal nog langer. 17 uur en 20 minuten duurde de rechtstreekse vlucht tussen Perth en Londen die onlangs werd gedaan door Qantas uit Australie. En sommige vluchten gaan nog langer duren. Men hoeft niet meer te landen, de nieuwe generatie straalverkeersvliegtuigen kan deze afstanden aan en houdt nog brandstof over ook. Je moet het maar willen. Maar fysiek kunnen we het wel aan. Onderzoek door de maatschappij Singapore Airlines die al enkele jaren non-stop-vluchten aanbied van maar liefst 19 uur lang, zijn er nooit echte problemen ontstaan aan boord door deze enorm lange vluchten. Hoewel het risico op een aandoening groter blijft dan bij korte vluchten. Waar zit hem het verschil met die oudere jets dan in. Wel simpel, de nieuwe generatie tweemotorige breedrompvliegtuigen als de Boeing 787 en Airbus A350 hebben een andere rompconstructie waardoor men de luchtdruk anders kan regelen.

Dat voelt veel prettiger voor passagiers en is minder vermoeiend. Die verschillen zijn weliswaar niet zo groot als men het doet voorkomen, maar alle beetjes helpen zullen we maar denken. Wat wel nodig is en blijft…bewegen! De kans op een of andere vorm van bloedstolsels door te lang stil zitten blijft aanwezig. Opstaan en rondlopen waar mogelijk is dus noodzaak. En flink drinken. Geen alcohol, want dat werkt weer tegen het beoogde doel. Voorkomen van uitdrogen. Zorg dus voor voldoende water. En verder…ik wens iedereen veel plezier en geluk. Ik houd het maar op die kortere vluchten. En dat heeft niets van doen met een afkeer van vliegen of zo. Integendeel. Maar het idee van dat lange vliegen is me echt gaan tegenstaan….Sorry hoor…. (Beelden: KLM/Yellowbird)

Roemeense luchtvaartpionier…

Bij toeval vond ik vorig jaar tijdens een rommelmarkt die dit jaar niet meer wordt gehouden, maar dit terzijde, een klein schaalmodel van een Amerikaans racevliegtuig uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Het type was mij zeer wel bekend, de opschriften en roundels niet. Het bleek een Roemeens vliegtuig te zijn, althans de kleuren van de eigenaar waren zo. Opmerkelijk. Een mij bekende mede-verzamelaar stuitte op een verhaal rond die eigenaar en meldde me dat. Was ik in mijn vorige blog over Dacia al wat terughoudend over mijn kennis (lees interesse) over dat land en volk, dit antwoord deed geen bellen rinkelen. Dan maar eens zoeken op het internet. En ja hoor, een ware liefhebber van vliegtuigen gevonden. Maar dan wel een die dik een eeuw geleden in die vliegtuigen rond hing en vloog. Het gaat om George III Valentin, Prins Bibescu.

Geboren in 1880 en vanaf zijn prilste jeugd geinteresseerd in vliegtuigen en auto’s. Zoals zoveel mensen uit zijn adelijke kring, was de uitdaging om met die vervoermiddelen races en recordritten of vluchten te maken groot. Ballonnen en vliegtuigen haalde hij uit Frankrijk, op dat moment in de tijd toch een beetje de grond voor de wortels van die luchtvaart. Hij leerde zichzelf vliegen in een Voisin, maar dat werd geen groot succes. Pas nadat hij Louis Bleriot had ontmoet die met zijn vliegtuig demonstreerde boven Boekarest in 1909, vetrok de Prins naar Frankrijk en nam daar echte vlieglessen. Zijn brevet behaalde hij in 1910 toen hij 30 jaar oud was. In zijn eigen land zette hij daarna ook een vliegschool op en zette ook een eigen luchtvaartorganisatie op de been die luchtvaart in Roemenie moest reguleren.

Ook stond hij aan de basis van de FAI (Federation Aeronautique Internationale) die een grote rol speelt bij regelgeving op het gebied van de luchtvaart in de wereld. Los van zijn luchtvaart-enthousiasme deed hij ook aan autoracen. Dat zorgde er voor dat Roemenie een van de zes eerste landen was waar uberhaupt races werden georganiseerd. In 1904 won Prins Bibescu een race waarbij hij de voor dit tijd formidabele snelheid van 66km/u behaalde. Maar ook voor een lange tocht naar het toenmalige Perzische Rijk in 1905 schrok hij ook niet terug. Dat waren pas echte avonturentrips. Al in 1941 overleed deze pionier van het Roemeense vliegen en snelle rijden. Hij was toen slechts 61. Over dat racevliegtuig dat ik als model vond kon ik in de biografie over deze Roemeense prins nog niets vinden. Maar de zoektocht gaat verder. Dat beloof ik…al was het maar aan mijzelf…

Roemeense geschiedschrijving…

Mijn relatie tot het Roemeense volk is qua ervaring relatief beperkt en ook nog eens uitgerust met een dubbel gevoel. Beroepsmatige vervorming maakt soms blind voor de positieve dingen in heden of verleden. En bij mij is veel terug te voeren naar die beroepsmatige ervaringen. Met een ronduit matig automerk als Dacia dat ons als dealer in de jaren 1978-81 werd opgedrongen door de toenmalige importeur die ook mijn geliefde merk Skoda en een Pools alternatief als FSO op de markt zette. Dacia was toen een automerk dat een soort kopie van de Franse Renault 12 bouwde, overigens in licentie van de Fransen, maar dat zo slecht deed dat die wagens van een bedenkelijke kwaliteit waren. Wisten wij toen veel of we geloofden het positieve liever dan het negatieve in die lastige jaren. Het Roemeense ding had westerse (Franse) lijnen, voorwielaandrijving en aardige kleuren. Er was een sedan van te koop en een stationcar, en voor wie nog wat aardappelen naar de markt wilde brengen, een Pickup. Maar die laatste werd toen toen nog niet geimporteerd. Dacia dus!

Wij kenden als garagebedrijf al enige ervaring met een exemplaar van dat merk, omdat ik als ex-Schipholwerker de lokale vertegenwoordiger van de Roemeense luchtvaartmaatschappij Tarom onder dak wist te brengen voor onderhoud. Nou daar hadden we eigenlijk van moeten leren. Deden we niet. Mede doordat die importeur ons op het hart drukte dat de nieuwe Dacia’s absoluut beter waren dan die oudere exemplaren. Het was niet zo. Zelden kregen we zoveel gedoe over ons heen als met die Roemeense wagens. En we waren best wel wat gewend door onze Poolse vrienden. Bij de Dacia kon je tijdens het rijden zomaar je achterruit kwijt raken als je een voorrraam open deed, maar er mankeerde verder wel zoveel aan dat je blij mocht zijn dat klanten er 10.000km storingvrij mee onderweg konden. Toen de importeur (wellicht door al die garantieclaims) ten onder ging in 1980/1 was het over en uit. Geen Dacia’s meer en we bedienden de rijdende klanten in die wagens zo goed en kwaad als het ging met originele Renault-onderdelen.

Want voor die R12’s was nog wel het nodige te vinden. Later, we zochten uitbreiding van vooral ons lease-gamma, namen we bij een nieuwe importeur nog eens een paar van die Roemenen af. Met name de Combi’s die waren opgewaardeerd en nog wat leuker van uitvoering en kleur. Er was in de loop van de jaren niet zo veel veranderd. De wagens die goedkoop in de lease gingen bleken nog net zo beroerd van afwerkingskwaliteit als de illustere voorgangers van een jaar of wat eerder. Het zorgde er voor dat we er nu definitief mee stopten en gingen voor een Japans merk naast het nog steeds gevoerde Skoda. Dacia was voor mij dus niks. Intussen is het een budgetmerk geworden waar na de volksrevolutie die het kwalijke bewind van de de communisten met geweld verjoeg, nu Renault echt de scepter zwaait. Met erg aardige wagens waar nog steeds kopers voor te vinden zijn. Maar ik kijk er niet meer serieus naar. Te link, te slechte ervaringen. Maar ik doe daar vast de Roemenen deels mee tekort. Want in dat land werden buiten Dacia nog meer auto’s gebouwd, al dan niet van even bedenkelijke kwaliteit. Men bouwde ooit voor Citroen een model dat hier als Axel te koop werd aangeboden en er was een terreinwagen met de fraaie naam ARO. Zij die er ervaring mee opdeden moeten maar eens vertellen wat ze meemaakten met die wagens. Ik beperkte me hier op deze zondag maar even tot dat Dacia-verhaal. In de hoop dat u het aardig vond. (Beelden: DDR, J.R. de Witt)

Proost! Of toch niet??

Medio april dit jaar verscheen een voor velen verontrustend wetenschappelijk onderbouwd rapport waarin werd aangegeven dat zelfs het nuttigen van een enkel glas alcoholica kon leiden tot eerdere sterfte van de consumenten die dat spul tot zich nemen. De impact van die conclusie was groot. Behalve bij hen die meenden dat het zo’n vaart niet zou lopen. Immers, een krat bier per week moest kunnen en was ook nog gezellig…toch? Anderen werden nerveus en zagen de handen al gaan trillen bij het idee te moeten afkicken. Alcohol als tikkende tijdbom. En veel experts die zich ineens uitspraken tegen het gebruik van dat spul. Na het roken, de koffie, thee, hashj, zout, suiker, vet, etc nu ook de alcohol in de ban. Het mocht wat. Alcohol is per definitie niet goed voor ons. Het spul zorgt voor een lekker gevoel, ook als je er niet zo goed tegenkunt, we durven daarna ook veel meer en dat is voor mensen met remmingen best een voordeel. Maar alcohol zorgt ook voor verhoogde bloeddruk en als je dat maar lang genoeg hebt gaat je lijf vanzelf over in een ziekmakende modus. Daarbij is overmatig gebruik van alcohol buitengewoon schadelijk voor je lever, de geest en zijn die fikse hoofdpijn veroorzakende katers toch ook niet alles.

Voldoende voorbeelden van mensen die zich letterlijk dood hebben gedronken toch? Maar dat ene glaasje wijn? Dat glaasje likeur bij de koffie in het weekend? Dat biertje met collega’s op de vrijdagmiddag. Allemaal laten staan?! Of schouders ophalen en gewoon doorgaan?! Jonge mensen zullen dat laatste zeker hebben bedacht. Die glanzen nog van zichzelf, voelen zich onkwetsbaar en ‘later’ is ongrijpbaar. Voor de echte ouderen onder ons is het ook geen thema. Die zijn al op leeftijd en voelen zich wellicht net lekker door dat ene glaasje spiritueel vocht. Nee, juist die tussengroepen, waartoe ook ik behoor werden er nerveus van. Mocht dit nu ook al niet meer?! Wat blijft er dan nog over in deze #Metoo en #antizwartepiet tijden?! Wordt ons dan echt alles ontnomen? Het lijkt er wel op. Nu ben ik zelf geen echte drinker hoor. Ik vind een glaasje op zijn tijd best lekker, vooral in het weekend, maar zelden of nooit doordeweeks en al helemaal niet als ik nog moet rijden.

Kortom een rechte rug. Niet verslaafd! En dat laatste was mij bepaald niet met de paplepel ingegeven moet ik zeggen. De voorbeelden waren echt niet geweldig indertijd. Maar ik verzette me met klem tegen die verslavingen als roken en drinken. Uit dat principe dronk ik daarom tot en met 1978 eigenlijk nooit van dat spul. Vond het ook niet lekker. Pas in de Urquell-brouwerij die ik in dat jaar bezocht in het fraaie land Tsjecho-Slowakije ontdekte ik de geneugten van het echte Pilsener bier. Ook al ben ik van bier in het algemeen ook nooit een ware liefhebber geworden. Dus daar ligt het niet aan. Maar als het je wordt ontzegd!? Kijk, ik zelf geloof ook niet meer in Sinterklaas, maar van de traditie moeten al die betweters en namaakkenners wel afblijven natuurlijk. Gelukkig bleek enkele dagen later dat de dunne alcoholische soep niet zo heet werd gedronken en dat het ene glaasje per dag (statistisch gezien) wel mocht. Mits het geen hele emmers werden. Nou, daar valt mee te leven toch!? Ik neem mijn glaasje likeur gewoon weer in het weekend. En wat drink jij lieve lezer(es)??? Proost in ieder geval…..geniet er van.

Struikloerders…

Mijn nog altijd zeer actieve schoonmama heeft langzaam aan door de gevorderde leeftijd wel wat last van haar benen gekregen. Een rollator is haar handige metgezel als ze zelfstandig haar dagelijkse boodschappen gaat halen. Blijken handige dingen, die vierwielige wandelstokken, al zijn ze lastig op te bergen in de kofferbak van een compacte auto als de mijne als er ook nog een paar personen en boodschappen mee moeten. Dit gesteld hebbend kom ik even op een gerelateerd onderwerp. Van die handhavers die menen dat bekeuren hun godgegeven taak is, maar aanhouden niet. Die in struiken liggen te loeren tot iemand iets verkeerds doet en hen dan per post de boete laten toekomen. Want de moed om je tegen te houden en aan te spreken op evt. wangedrag hebben ze niet. Vandaar dat je ziet dat vandalen en pakweg stoepfietsers gewoon door mogen gaan als ze behoren bij een inwonersgroep die wellicht wat al te veel vrienden heeft dan wel uit de kluiten gewassen. Dan maar kiezen voor het wat laffe noteren van kentekens.

Ik kom hierop omdat mij onlangs voor de deur van schoonmama weer eens een bekeuring werd verstrekt. Nou ja, hij kwam 3 weken later per post binnen. Wat wil namelijk het geval. Het flatgebouw waar zij woont kent in de directe omgeving een grote lagere school. Een school waarvan de verwende kinderen door de ouders massaal per auto, bakfiets of anderssoortig vervoer worden gebracht en gehaald. Op zich is dat soms vervelend, maar het was nooit aanleiding tot grote crises. Tot de gemeente waartoe deze buurt behoort, besloot dat naast die school (op de plek van een eerder afgebroken ouder gebouw) een nieuwbouwproject moest worden neergezet. De bouwers verbreedden na aanvang van de werkzaamheden hun werkterrein daarbij tot op de langs lopende straat. Inclusief trottoir en fietspad. Alles moest daardoor nu door een smalle corridor en omdat die afhalers en wegbrengers nu eenmaal niet bezig zijn met de rest van de wereld maar alleen met hun eigen kroost, werd het al snel chaotisch bij die school.

De Gemeente besloot dus tot een drastische maatregel. Eenrichtingsverkeer! Prima plan. Alleen deed men dit onaangekondigd van de ene op de andere dag vanaf een plek die pakweg 300meter afligt van de bouwput. En daardoor dus ook maakte dat even met de auto voor de deur komen van schoonmama ineens schier onmogelijk bleek. Of je moest er een omrit van 1,5 kilometers voor over hebben. Eerder paste men dit principe ook toe bij het parkeren voor het zelfde flatgebouw. Om die kriskras parkerende ouders af te schrikken was daar ineens een parkeerverbod. Bingo, de gene die de eerste bekeuring opliep was ik! Niets van doen met die school, wel een prent. En zo ging het ook twee dagen nadat men de nieuwe regeling had ingesteld voor de rijrichting. Ik zou schoonmama even ter wille zijn opdat ze met rollator in de auto kon komen. Borden heb ik daarbij oprecht niet opgemerkt, ik reed pakweg 50 meter zoals altijd van parkeerplek naar instapplek. Buiten de waard gerekend. De handhavers lagen op de loer. We zullen ze leren! En dus rolde de bekeuring drie weken later in de bus. E.149,00!!! Dankuwel gemeente Ouder-Amstel! Het lijkt niet mogelijk zaken goed op te lossen voor mensen zoals ik die niet uit die hoek afkomstig zijn, en ineens worden geconfronteerd met andere regels. Dit is de tweede keer dat ik nu een prent krijg voor een bezoekje aan mijn geliefde en oudere familielid daar. Je zou er een hekel door kunnen krijgen aan het arme mens en die gemeente. Terwijl het er op zich zo leuk wonen is. Maar dan wel zonder die lafbekken die staan te loeren wie ze nu weer kunnen voorzien van een prent. Ik hoop er geen tegen te komen bij verjaardagen of andere gezelligheid. Kon wel eens heftig worden. Want ik ben wel eerlijk en rechtdoorzee namelijk. En heb een hekel aan gluiperds…

Het lot van de Wederdopers…

Het is en blijft opmerkelijk dat we zo naïef blijven omgaan met mensen die een of ander geloof verkondigen en daarbij ook nog eens menen dat wij allemaal moeten luisteren naar de regels die zij als zgn. ‘ware gelovigen’ over ons uitstorten. Terwijl in de geschiedenis van ons land de nodige voorbeelden te vinden zijn waaruit blijkt dat zij die deze claim nastreven veelal het onderspit delfden. Want wat is dan het ware geloof, en waarom zou dit nodig moeten zijn om een goed en naar die regels levend burger te zijn? Geloof is veeal niet veel meer dan een vorm van indoctrinatie. Als kinderen worden volgestopt met (wan)informatie nemen ze op enig moment aan wat er wordt verteld en zien dat als hun geloof. Voorbeelden te over uit doctrines die zich richten op godheid of dictatoriaal mens. Wie dat heeft meegemaakt weet hoe lastig het ook is om die basisinformatie na enige tijd door twijfel of kennis kwijt te raken. Qua geloof staat het christendom nog steeds fier overeind na pakweg 2000 jaar. Al zijn er intussen dan tientallen afgeleiden van het ooit door Petrus namens Jezus Christus opgezette basisgeloof dat zijn herkomst heeft in Rome.

Ergens in de 16e eeuw maakte de vermeende corruptie van de Kerk dat afvalligen zich verenigden en hun eigen vorm van christelijk denken op poten zetten. Luther, Calvijn, Hus, en ook nog wat andere lieden geloofden dat alleen hun vorm van geloven zou kunnen leiden tot een plekje in de hemel als die op enig moment (en dat was volgens hen nabij) openging. Boetedoening, aannemen van het Bijbelse qua inhoud en leven naar die normen was ineens een hot topic. Men zag de Roomsen als corrupt en vals en die zouden het hemelse rijk van Christus nooit bereiken. Een afgeleide vorm werd bij ons de stroming van de ‘Wederdopers’ genoemd. Lieden die hier op aarde al wilden bereiken dat het Laatste Oordeel slechts de goede van de kwaden kon scheiden als zij het recht in eigen hand namen. Aardse bezittingen waren niet aan hen besteed en zelfs kleding zagen ze als overbodig. Het voorbeeld van Adam en Eva sprak bijzonder aan. En zo liepen de eerste Wederdopers naakt door de straten van Amsterdam om hun boodschap te verkondigen en de bestuurders van de stad aan te vallen.

Die toen nog niet zo aan dat naakte gewende bestuurders maakten er korte metten mee. Deze bloot lopende en en de revolutie predikende lieden werden opgepakt en direct ter dood veroordeeld. Daarna opgehangen aan een groot rad om zo tentoon te stellen dat men zich diende te houden aan de goddelijke en aardse wetten van dat moment. De beweging van de Wederdopers ging echter door en steeds meer mensen ontdeden zich van hun kleding en liepen al schreeuwend en protesterend door de Amsterdamse straten. Het liep niet goed met ze af. Zonder uitzondering werden ze opgepakt en op de meest vreselijke manier gemarteld en daarna vermoord. ‘Ketters’ waren het en daar hield men niet van. De parallel met de huidige tijden dringt zich al snel op. Want die claim op dat eeuwige gelijk loopt ook nu al snel uit de hand als we niet opletten. Het blijft de vraag of van al die claims ook maar iets te bewijzen valt. En of die God die ons zou hebben geschapen en nu bestuurt wel blij wordt van al die claimende lieden die hier op aarde vooral bezig zijn met hun eigen belang. Het lot van de Wederdopers (overigens zo genoemd omdat ze zich op volwassen leeftijd opnieuw lieten dopen, wat indertijd ten strengste verboden was) geeft aan dat al dat geloof zelden iets goeds heeft gebracht. Het bloed stroomde ooit door de straten van Amsterdam. Een stad waar nu weer een soortgelijk geloof opgeld doet. En waar ook weer wordt geclaimd. Dat eeuwige gelijk… Jammer dat het geen nudisten zijn die lui van GroenLinks, anders zou het nog een verrijking zijn ook…Nu rest ons slechts pek en veren…en hopen dat verstandige mensen deze lieden de stad uitjagen…(Beelden: Hist.NB)

Stutz – Blijft onbekend hier…

Voor veel hedendaagse autokenners is het Amerikaanse merk Stutz een volslagen onbekende grootheid. Toch was het heel lang actief, zelfs tot en met 1989 en lagen haar wortels v.w.b. de autoproductie al in 1911 toen het merk door naamgever Harry C. Stutz werd opgericht. In eerste instantie bouwde Stutz slechts zeer sportieve auto’s die bedoeld waren voor o.a. de 500-mijlsraces van Indianapolis en werden er van de als ‘Bearcat’ bekend geworden racewagens ook uiterst potente civiele versies gebouwd. Maar die waren ook duur en dat ging allemaal goed tot de financiële crisis aan het einde van de jaren twintig in de vorige eeuw keihard toesloeg en Stutz failliet ging. Dat was aan het begin van de jaren dertig en daarna werd het even erg stil rond Stutz.

Maar een naam met eigen klank heeft ook een grote aantrekkingskracht (denk aan Bugatti) en zo werd Stutz aan het begin van de jaren negentig weer opnieuw gestart, haar eerste model was de grotesk aandoende Blackhawk. De auto was ontworpen door de befaamde ontwerper Virgil Exner en de wat bijzondere carrosserie zat vastgeschroefd op het chassis en de techniek van een Buick uit die tijd. Het hele verhaal werd in Italië geassembleerd. De opvallende verschijning van de Blackhawk mag dan voor ons Europeanen wat ‘over the top’ zijn geweest, heel wat bekende lieden uit sport- en showbusiness wilden er wel eentje bezitten.

Zo had Elvis Presley er ooit een, net als bokser Mohammed Ali, en de Duitse acteur Curt Jurgens. Toch bleef het een auto voor heel rijke lieden, en die hadden ook de keuze uit meer normale merken met bredere mogelijkheden. Al was Stutz niet terughoudend als klanten een bijzondere uitmonstering wilden. Zo zat in de auto van Curt Jurgens zelfs een verguld interieur. De Blackhawk bleef in productie tot en met 1989, daarna ging het licht opnieuw uit bij het merk. Sindsdien zijn het vooral in de VS wel gewilde klassiekers geworden, maar in ons land zijn ze niet geliefd en helemaal niet bekend. Vandaar dit verhaal….(Beelden: Internet)