
Ik moet eerlijk bekennen dat ik vanuit mijn jonge jaren niet kan terughalen dat wij zoveel vakanties kenden als de huidige generatie scholieren. Ze hebben de Kerstvakantie er nog niet opzitten (vaak een dikke twee weken) of de volgende voorjaarsvakantie is alweer van toepassing. Mei-vakanties, een week of acht grote vakanties en hup, een nieuw schooljaar waarin de najaarsvakantie ook alweer op ze wacht. Als ik terug denk kenden we in de oudheid uiteraard wel wat dagen vrij rond (met name katholieke) hoogtijdagen, en was de grote vakantie afgebakend zes weken lang, maar dat was het dan wel. Er moest geleerd worden, geblokt, gestouwd, kennis verorberd en dat dan onder hoge druk en met veel (fysieke) discipline. Wie niet mee kon bleef zitten, wie daarna dan nog niet mee kon komen werd van school verwijderd. Harde tijden, en geen tijd voor individuele zieltjes.

Het was best goed voor dat opgroeiende tuig wat wij indertijd volgens die leerkrachten toch waren. Immers, wat moesten we met al die vrije dagen? Dat werd maar rond hangen en kattenkwaad (het woord alleen al) uithalen. Dat klopte deels nog wel ook hoor. Zeker de grote vakantie was een periode waarin wij als kinderen weliswaar minstens een week met de ouders werden meegesleept naar Limburg of zo om daar te genieten van alles wat die omgeving te bieden had, al was dat voor ons kinderen niet een zo heel veel, maar die overige vijf weken moesten we onszelf zien te vermaken. En dat deed je op straat. Met vrienden die hetzelfde meemaakten. Dus dat werd (later) roeien op het Nieuwe Meer, cowboy en indianenspellen spelen in het Amsterdamse Bos of voetballen op straat. De ouders werkten (weer) dus die hadden geen tijd om de hele dag achter het kroost aan te hobbelen. Voor mijn persoonlijke vermaak was er Schiphol waar ik nog wel eens heen fietste om naar de vliegtuigen te kijken, maar verder?? Regende het zat je in je uppie binnen. Las in de bekende stripboeken van Dick Bos, Buck Danny of Suske en Wiske. Maar verder? Omdat ik erg vroeg aan het werk ging (geronseld door een grote bankinstelling) waren die vakanties ineens ook van een andere en zeldzame orde. Je was al blij dat je uberhaupt vakantie kreeg en miste als jong mens die vrijheid van de vroegere scholen weliswaar maar wist ook dat werken geld opleverde. Vakanties werden een luxe en die deelde een werkgever minder gretig uit dan tegenwoordig het geval is. Kortom, ik verbaas me over al die vrijheden van tegenwoordig. Maar daaraan zie je ook dat ik stam uit een andere tijd…Toen je nog moest leren en later werken voor je geld. Veel veranderd…..(Beelden: Internet/archief)



















Nu geen middel onbeproefd lijkt om ons met zijn allen in eigen land vakantie te laten vieren en we bepaalde buitenlanden niet meer mogen of kunnen bezoeken, lijkt het er op dat veel mensen de tent weer in ere doen herstellen en daarmee op stap gaan. Je kwakt zo’n ding zo achterin je auto of op het dak, dan wel in de overhaast aangeschafte aanhanger, en hup…op weg naar Texel of Vaals. Ter plaatse lekker uitpakken, je tentje opzetten (uuuuuren werk) en dan maar hopen dat het niet gaat regenen of dat je net die ene plek uitzocht waar ook een op grasniveau gebouwde wereldstad te vinden is vol bosmieren of steekmuggen. Dan ga je koken op een gasstelletje, of je neemt je Action-bbq en doet je best om dat aan het branden te krijgen. Elke keer dat je moet toiletteren loop je langs tientallen andere tentbewoners naar het vaak centraal gelegen sanitaire gebouwtje waar het natuurlijk altijd stinkt en plakt. Ook het eventuele douchen mag je daar doen. De uitzonderingen daargelaten is dat het beeld wat ik zelf kreeg van campings of wat daar voor doorgaat.
En ik heb het niet van een vreemde. Ooit, in mijn vroege jeugd, besloten mijn ouders dat een kampeervakantie wellicht een leuk (en betaalbaar) idee was met de kinderen samen. Nou, die kinderen waren klein, maar zagen er weinig in. Toch werd met een geleende tent het plan doorgezet en stonden we na een paar uur (door)rijden in het Limburgse Berg & Terblijt in een boomgaard tussen andere tenten te genieten van de kwetterende vogels en het lekkere weer. Ik ruik nog het spiritusstelletje waarop werd gekookt en de vriendelijke glimlach van mijn moeder die vond dat het eigenlijk wel meeviel met dat gevreesde gebrek aan comfort. We hadden nog niet geslapen natuurlijk. En dat kwam er ook niet van want midden in de nacht brak een onweer los dat het midden hield tussen een wolkbreuk en het einde der tijden. Omdat mijn leasepa ook niet meteen een kampeerder was had hij geen gleuven gegraven rond de tent, dus stond binnen de kortste keren het water op het grondzeil.
Drijfnat werden we. En wij kinderen mopperen. Gelukkig mochten wij in de auto slapen, wat we graag deden. Die was tenminste droog en veilig. Mijn ouders hielden het nog even hozend en gravend vol. Maar ‘gek genoeg’ werd de volgende dag, het was opnieuw prachtig zomerweer geworden en de tent weer snel gedroogd, besloten dat de kampeeroefening voorbij was en checkten we in bij een fraai maar best prijzig hotel in Valkenburg. Nu werd de glimlach van ma toch een stuk groter en mijn leasepa vond alles best als hij maar niet weer in die tent hoefde. Sindsdien was kamperen geen enkele optie meer. Altijd in hotels of logementen waar je comfort kreeg en lekkere ontbijten. Er werd een jaar lang voor gespaard, maar dan had je ook wat. En ik nam die gewoonte over. Meer dan mijn oudere broer die altijd iets is blijven houden met dat avontuurlijke van kamperen. Met de tent of caravan, hij smult er van. Ik niet, voor mij is het een gruwelijk idee als er geen bunkerachtige betonlaag zit tussen mij en de buitenlucht tijdens een verblijf in een ander dan mijn eigen bed. Nu ben ik op dat punt een lastige slaper, maar veel hotels bieden me voldoende comfortabele bedden en rust dat het alsnog na een tijdje lukt. Kortom, zoals ik al aangaf in mijn blogverhaal over tripjes (19-6-20), ik ga voor de steden en de hotels. Kort maar krachtig, en vol comfort. Het mag iets kosten, maar dan denk ik er ook vaak met meer plezier aan terug dan rond dat kamperen. Niks voor mij. Wie er wel van houdt moet het maar zeggen. Ik lees met plezier…of afschuw….Net hoe de pet staat….(Beelden: Internet/Archief)
Toen ik een paar weken terug het Oostduitse merk IFA even onder de aandacht bracht van de lezers hier, vermeldde ik al dat daar nog een aardig persoonlijk verhaal over te schrijven viel. Dat werd al een keer aangetipt in mijn vervolgverhaal over dat leven met de Vliegende Pijl. Maar hier dus nu wat uitgebreider. In die jaren waarover ik spreek deed mijn leasepa in auto’s. Altijd wel een paar verschillende merken voor de deur die moesten worden verkocht, en voor eigen gebruik dan even een paar weken een auto die op naam werd gezet voor uitstapjes en korte vakanties. Mijn wat oudere broer was toen in de leeftijd dat hij al brommer mocht rijden en die had een exemplaar gekocht bij de ooit hier ook al eens gepasseerde ‘Ome Leo’, een goede vriend van de ouders met een eigen fietsen- en brommerzaak naast een investeringsbedrijf voor panden in hartje centrum Amsterdam.
De brommer van mijn broer was overtuigend van lijn en kleur, leek het meest op een TT-racer met 50cc blokje en was voor normaal gebruik uitgevoerd met een bagagedrager achter de buddy-seat. Broerlief, helemaal 16 jaar oud, besloot om op dit ding samen met een aantal vrienden met soortgelijke vehikels naar Limburg af te reizen voor een feestelijke vakantie. Best avontuurlijk natuurlijk. De diverse ouders waren niet al te enthousiast maar broerlief had een karakter dat nog eens extra eigenwijs was door de situatie thuis, dus uiteindelijk mocht en vertrok hij. Leasepa richtte intussen zijn pijlen op de handel. En kocht zich een IFA Stationwagen in een muisgrijze kleur die in meer dan goede staat van dienst verkeerde, maar qua banden wel een opknapbeurt verdiende. Maar ja, handel….dus dan was dat niet het eerste wat je verving.


Het geweldige cadeau dateerde nog van vorig jaar toen we dat kregen voor onze halve-eeuw-samen-verbintenis. We zochten nog naar een goede besteding en die kwam dit jaar prima op zijn plekje. Het door de kinderen gegeven cadeau was voor een luxe hotelovernachting in een Kasteel, de cadeaudrager heette Bongo en onze gekozen bestemming Kastel Daelenbroeck in het Limburgse Herkenbosch. Dat bleek een meer dan goede keuze. Dat kasteel ligt aan de buitenkant van de rustige plaats Herkenbosch, omgeven door landerijen en wat bossages. Het oogt oud, maar is relatief nieuw. Het landgoed dateert uit de 14e eeuw en het grenst aan schitterende buurgebieden in Midden-Limburg. De indeling van dit hotel in kasteelvorm is bijzonder. In de grote en later toegevoegde toren is op elke etage een appartement te vinden, met terras.
Andere kamers zijn verdeeld over bijgebouwen. In een daarvan zaten wij onderdak. En hoe. We kregen een split-level-appartement toegewezen waarbij je beneden een suite hebt met minikeukentje en TV. Een uitgebreide zithoek zorgt ervoor dat je het prima kunt redden hier. Ook een huisdier zou hier eventueel mee naar toe mee mogen, een mand stond al klaar. Boven vind je een uitgebreide slaapkamer met heerlijke bedden, en een bijzonder ruime badkamer. Het ligbad alleen al was goed voor twee personen, maar je zou er ook met drie in kunnen als dat nodig zou zijn of gezellig…. En dat alles weer afgewerkt met de fraaiste en modernste materialen. Ook boven is een tv gemonteerd en er is airco maar ook wifi.
Grote ramen zorgen voor frisse buitenlucht als je daar behoefte aan hebt. Dit was overnachten op niveau. En dat werd nog beter toen we naar het centrale gebouw werden uitgenodigd voor het ontbijt. Wat een aardige dame die ons daar bediende en wat een keuze. Geweldig. En alles in de ambiance die hoort bij een kasteel. Wij genoten ervan. De geschiedenis van het gebouw is op zich al erg aardig om eens op te zoeken, wel is duidelijk dat wat oud lijkt het eigenlijk helemaal niet is. Delen van dit complex zijn pas recentelijk opnieuw opgeleverd. Er is vele jaren besteed om het in oude luister te herstellen, want het was ooit een vervallen ruïne.
Het kasteel dient ook als ontmoetingsplek voor zakelijke activiteiten. Je zou hier kunnen vergaderen, en tegelijk met je collegae wandelen of fietsen. Roermond ligt niet te ver weg, maar ook het witte stadje Thorn is relatief dichtbij. Ik raad dit kasteel zeker aan voor dit soort doeleinden. Is er dan niks op aan te merken? Nou ja, toch wel. In onze kamer zat precies waar de trap een draai maakte een gordijnroede voor de raambedekkers op de benedenetage. Prachtig, maar deze waren geheel in stijl gemaakt van een soort smeedstalen speerpunt. Als je uitglijdt van die trap en je komt daar fysiek met de bol tegenaan lijkt mij het leed niet te overzien. Daarbij kwam ook dat de parkeerplaatsen (uiteraard gratis) op plekken liggen onder vruchtdragende bomen. Van eikels tot appels. En dat spul viel tijdens ons verblijf regelmatig uit de bomen. En dat is vervelend als jouw auto net getroffen wordt. Men waarschuwt wel met kleine bordjes voor dat fenomeen, de combi van deze bomensoort en glimmende bolides is naar mijn idee niet zo handig. Maar dat zijn maar kleine opmerkingen. Rapportcijfer 9.0 is wat ons betreft meer dan verdiend. Een cijfer 10 kan worden bereikt als je ff die speerpunt weghaalt en netten onder de bomen hangt…(Beelden: Yellowbird archief)


geregelde wereld anno 2016, maar een jaar of 50 geleden ging het qua bijzonder zaken doen toch nog een stukje anders in ons land en zo kon het gebeuren dat er ondernemers opstonden die nog een avontuur aangingen. Terwijl ze in feite de wind tegen hadden maar zich daar niet door lieten leiden. Een van die lui was luchtvaartpionier John Block. Een man die bij Martinair vanaf het begin bij dat bedrijf deel uitmaakte van de directie, maar qua karakter niet zo goed paste bij de degelijke en strenge Martin Schroder. Block was een totaal ander type. En dus zocht hij naar mogelijkheden om een eigen charterbedrijf op te zetten. Vanwege alle tegenwerking vanuit zijn oude werkgever, maar ook de KLM en de regering, besloot hij in eerste instantie om op het Maastrichtse vliegveld Beek zijn vergunning aan te vragen.
Transavia zou de maatschappij gaan heten en voor de (on)duidelijkheid voegde Block daar ‘Limburg’ aan toe. Vliegtuigen waren toen nog genoeg te vinden. DC-3’s, DC-4- en DC- 6 toestellen stonden wereldwijd te kust en te keur te koop. Block financierde zijn onderneming via allerlei wegen, en wist ook langs diezelfde wegen uiteindelijk aan een vloot DC-6 toestellen te komen die al snel werden gespoten in het nieuwe kleurenschema van zijn onderneming. En zoals het hem als proactieve ‘baas’ van het spul betaamde verkocht hij al vluchten voor opdrachtgevers terwijl hij nog niet eens mocht vliegen. Maar op 14 november 1966 kwam die vergunning er dan toch en twee dagen later steeg de eerste DC-6 van Transavia op. Richting Italië met het Nederlands Danstheater gezelschap als passagiers.
Sindsdien is er veel gebeurd. Transavia werd een begrip op de chartermarkt, later op de vakantievluchtenmarkt en sinds een aantal jaren als low-budget-airline onder auspiciën van Air France-KLM waar het als een van de weinige divisies winst maakt. Transavia wordt al heel lang niet meer geleid door ondernemers als Block. Die verdween al snel toen Transavia een meer gestructureerde vorm aan nam met nieuwe aandeelhouders. De vloot veranderde. De oude propellervliegtuigen verdwenen en er kwamen Franse Caravelles in dienst. Er zijn vast nog mensen die zich herinneren dat je met de TROS met zo’n toestel naar Groningen kon vliegen om daar een uitzending van die omroep bij te wonen. Het hield de machines ook in de wintermaanden actief. Op enig moment, lang geleden, kocht Transavia splinternieuwe Boeing 737’s.
Een toestel dat nu, in zijn nieuwste vorm, nog steeds de ruggengraat vormt van het bedrijf. De kleuren van Transavia veranderden ook, net als haar rol in de luchtvaart. En anders dan je bij Martinair zag dat na vertrek van de oude garde werd ontmanteld door de aangestelde managers zonder visie of kennis van de markt, bleef Transavia succesvol actief. Nu dus al weer ruim 50 jaar. Toch iets om even bij stil te staan. Vandaar dit blogje… Heb je zelf ervaringen met Transavia door de jaren heen? Laat maar lezen hier. Ik vind dat zelf erg aardig. (Foto’s: Yellowbird, LPAC, internet, archief)

