Leven met de Vliegende Pijl – hoofdstuk 49 – Verhuizingen en meer….

Ik geef toenmalig directeur Cees Hoekstra achteraf tenminste een ding na, binnen de muren van het Pon-bastion wist hij zijn plannen aardig over de bühne te brengen. Daardoor kon een nieuwbouwplan voor onze Skoda- importorganisatie worden gerealiseerd dat er zijn mocht en voor ons merk een schitterende uitstraling zou verzorgen. Het gebouw werd onder architectuur gebouwd en stond gepland voor de toch vrij behoudende kantoren van Seat op het Pon-terrein in Leusden. Best een stevige investering, maar Pon sprak er als organisatie uiteindelijk het vertrouwen in de toekomst met Skoda mee uit. Bij Skoda in Tsjechie zelf was men daar intussen nog steeds niet zo van overtuigd. Men stuurde daarom in het voorjaar van 1998 een managementdelegatie naar Nederland die we omwille van de enorm beperkte eigen huisvesting van dat  moment toch maar liever ontvingen in het gebouw van Pon’s Automobielhandel. Daar mochten wij dan onze vijfjarenplannen presenteren, maar ook aanhoren welke wensen en verlangens men zoal voor ons in petto had. De nieuwe directeur van Skoda Verkoop, was een wat chique aandoende Duitser, de heer Detlef Wittig, en die wilde voor alle Europese Skoda-markten een marktaandeel zien van 4,5%.

Maar ook een veel betere klanttevredenheid bij de dealers, een nieuwe signalering aan de gevels en de nodige pilotdealers die een gebouw zouden neerzetten dat wat leek op het door ons als importeur geplande. Of was het nu zo dat wij ons gebouw hadden aangepast aan wat er in het internationale dealerland leefde? Het zal een combi zijn geweest. Vast staat dat deze delegatie tijdens het bezoek ook nog even rond wilde langs de toenmalige Nederlandse dealers. Dat bleek een op sommige plekken ‘interessante’ oefening. Oude en nieuwe dealers werden bewust opgezocht. Bij sommige oude wilden de Duitse managers van het merk met de vliegende pijl niet eens uitstappen. Soms werd in een aantekeningenboekje vermeld dat wij deze dealers binnen de kortste keren alsnog zouden opzeggen. Bij anderen had men wat twijfels. Sommige dealers uit die periode presenteerden zich persoonlijk overigens geweldig en kregen dan het voordeel van die zelfde twijfel.

Opvallend daarbij was het optreden van een van onze combidealers in het oosten van het land. Een man die zich kennelijk had vastgeklampt aan het feit dat we die Octavia kregen en de rest van het gamma maar bijzaak vond. Hij deed ook in een relatief klein Japans merk. Begon tijdens het bezoek aan zijn overigens nette winkel tegen Internationaal Marketingmanager Alfred Rieck een hele verhandeling over wat Skoda allemaal verkeerd deed. Zo zou er absoluut een driedeurs-versie moeten komen van de Felicia, ‘die kon hij wel verkopen’. Het was na het weer instappen direct ‘einde oefening’ voor de man. ‘Je leeft van het hele varken’ was de gedachte die Alfred Rieck er op nahield en kritiek op wat aangeboden werd was toen wel echt een doodzonde. Zo hard werd het spel intussen gespeeld en dat kostte opnieuw wat spaanders links en rechts. In ieder geval werd wel duidelijk dat we er als importeur een paar uitdagingen bij hadden toen de heren vertrokken. De druk werd verhoogd, de aanpak moest anders. Mijn rol werd meer die van de vent die landelijk de publiciteit en reclame en daaraan verbonden het imago van het merk voor elkaar moest brengen. Ik kreeg een collega voor de verkoop, en die omringde zich al snel met een aardig maar ook vrij groot team medewerkers die hem het werk uit handen moesten nemen. Ik zelf was als breed verantwoordelijke gewend geweest te werken met een enkele assistent, nu ging het er even anders aan toe. Mijn collega die administratie had gedaan, stamde nog uit de tijd dat het bedrijf onder De Binckhorst viel, kreeg boven zich een ‘controller’, jonger dan hij zelf, maar die moest de cijfers leveren waarmee Hoekstra de fabriek en directie van Pon kon overtuigen. We kregen ook een directiesecretaresse afkomstig uit de Pon-gelederen, en er kwamen mensen bij die de onderdelenstromen konden automatiseren en aansluiten op het Pon-denken.

Binnen de kortste keren zaten we met een groep van iets van 25 mensen in een tijdelijke nieuwe huisvesting.. Dat was een soort Portacabin voor meerdere mensen, met een toilet en keuken. Beter dan het voorheen was, nog steeds verre van optimaal. Maar we keken wel uit op de bouwplaats van het nieuwe gebouw en dat gaf hoop op betere tijden. Skoda werkte intussen aan een opwaardering van de Felicia. Die auto kreeg het nieuwe gezicht van Skoda, met een grote verchroomde grille en onderhuids de nodige verfijningen. De geweldig scorende Octavia kwam er nu ook als combi aan en dat bleek een gouden greep. Fijne auto’s met een breed gamma motoren en gek genoeg nu wel ruimhartig leverbaar. Al snel ontdekten veel zakelijke rijders dat er zoiets als het merk Skoda bestond. Onze buitendienstmensen gingen zelf ook heel snel over in die nieuwe wagens zodat we er als organisatie reclame mee reden en we testten ook nieuwe campagnes. ‘Skoda geeft iedereen de ruimte’ werd een begrip. Via radiospotjes ventten we dit uit en lieten verenigingen profiteren van wat we te melden hadden. De verkopen stegen, actieve dealers deden zelf een duit in het zakje en zij die als altijd afwachtend waren in hun marktbewerking profiteerden soms zelfs ook nog mee van de nieuwsgierigheid onder nieuwe kopers. Maar ik vond ook dat we een nieuwe weg in moesten slaan. Die van de sponsoring van min of meer uit de media bekende ambassadeurs. Die moesten dan in ruil voor wat we hen te bieden hadden (vaak een jaarcontract voor rijden in een Skoda)optreden in promotiecampagnes tijdens evenementen die we landelijk nog steeds organiseerden. We hadden nog veel uit te leggen over Skoda en dat kon niet alleen via de dealershowrooms of de actieve RAI-stands eens in de twee jaar.

Een eerste toepassing van dat principe werd ons eigenlijk via de toenmalige Haarlemse dealer op een presenteerblaadje aangeboden. Miss Nederland, of beter gezegd de toen verantwoordelijke man achter de organisatie van dat fenomeen, Hans Konings, meldde zich. Dat zorgde na wat vrolijke gesprekken voor veel publiciteit en een hoop plezier. We konden er zelfs een tweetal Felicia Fun Pickup’s op kwijt die voor de promotieteams bij onze dealerdagen of actiematige presentaties werden ingehuurd. Lekker gestriped bleken het prima reclamedragers te zijn. Het hielp de volgens ons eerder als ‘onverkoopbaar’ aangeduide geel gespoten en aantrekkelijk uitgemonsterde Felicia Pick-up’s aan een onverwachte omzet. En dealers kregen soms echt schitterende dames in hun omgeving die maar wat graag bereid waren folders uit te delen of een praatje te houden over ons merk. De echte sterren kwamen later…We maakten een stroomversnelling mee. En dat werd tijd!  Wordt vervolgd (Beelden: Yellowbird archief/Skoda)

 

100 jaar KLM – Zonder Fokker was het niet gelukt…

Hoewel de karakters van Albert Plesman als oprichter en directeur van KLM en dat van Anthony Fokker totaal niet bij elkaar pasten, bleken ze in de loop van de geschiedenis decennia lang min of meer tot elkaar veroordeeld. Plesman was een noeste visionair die ‘zijn’ KLM graag tot de meest belangrijke luchtvaartmaatschappij ter wereld wilde maken. Fokker wilde alleen maar vliegtuigen verkopen en haalde hiervoor elke truc denkbaar te voorschijn uit het ondernemersboek. Legaal of niet. Bedenk maar eens dat de man met hulp van de Nederlandse regering onder de boycot van de toenmalige overwinnaars van WO1 uit wist te komen en klandistien zijn complete productielijn overbracht vanuit Duitsland naar Nederland. Inclusief een reeks jachtvliegtuigen die bij de Nederlandse strijdmacht konden worden ingelijfd. Alsof je een reeks JSF/F35’s uit de VS haalt en ze zonder toestemming inzet in Nederland. Tijdens de ELTA (De Eerste Luchtvaart Tentoonstelling Amsterdam) van 1919 kondigde Plesman aan zijn KLM op te richten en hij zocht hiervoor passagiersvliegtuigen.

Nu waren dat in die jaren bijster fragiele toestellen die vaak werden gebouwd op basis van oorlogstoestellen waarin men een paar extra stoelen zette. Met zo’n Brits toestel ging KLM dan ook aan de slag. Fokker ontwierp in razend tempo de F.I, die drie passagiers moest kunnen vervoeren. Al snel afgelost door een wat groter ontwerp, de F.II. Die machine trok de aandacht van Plesman en die kocht er twee (kostten toen 45 mille in guldens). Die F.II was echt een simpel toestel, maar je kon er vier passagiers in meenemen. Navigeren deed men met een wegenkaart op schoot en men vloog graag boven spoorlijnen. Overigens zodanig dat de inzittenden niet konden zien dat de trein soms sneller reed dan de Fokker vloog. Maar het bleken in hun eenvoud aardige kisten. De piloot zat in de open lucht naast de motor, dat deed men zodat hij onderweg in geval van nood nog wat kon repareren. Al snel ontwikkelde Fokker een geavanceerder uitvoering, aangeduid als F.III. Een groter toestel met een krachtiger motor.

KLM nam ook deze versie in gebruik. Overigens werden die eerste toestellen in 1922 alweer verkocht om plaats te maken voor moderner Fokkers. Zoals de F.VII, waarmee acht passagiers konden worden vervoerd en waarmee Plesman naar toenmalig Nederlands-Indie wilde vliegen. De machine had nog steeds de bekende Fokker-constructie. Hout, linnen en een in de open lucht verkerende piloot, nu vergezeld van een BWK/Navigator. Met de F.VII begon KLM met wat serieuzere vluchten. In 1924 vloog KLM er mee naar Batavia, wat men overigens niet zonder slag of stoot zou bereiken. Een noodlanding in Bulgarije volgde op een motorstoring en de kist ging daar wat die motor betreft in de poeier. Maar na wat geimproviseerde reparaties kon de vlucht verder worden uitgevoerd en landde de machine 65 dagen na haar vertrek in Batavia-Stad.

Bewezen was dat men met die toen moderne kisten langere afstanden kon vliegen. Maar men wist ook dat eenmotorige toestellen de toekomst niet zouden hebben. Overigens werden die F.VII’s ook flink verkocht aan andere maatschappijen en soms in licentie gebouwd. Zoals door het Tsjechische Avia. Omdat Fokker nu ook in Amerika belangen had, werden die F.VII’s uitgerust met 3 motoren, aangeduid als F.VII-3m en kwamen deze kisten ook bij KLM in gebruik. Net als veel latere ontwerpen van de befaamde bouwer. Denk nog maar eens aan de bekende vlucht van de ‘Pelikaan’, een F.XVIII, die optisch leek op de oudere typen maar wel een hele slag groter en moderner waren uitgevoerd. Uniek was de enorme F.XXXVI, een toestel waarvan er slechts een zou worden gebouwd die ook bij KLM in gebruik kwam. Dat toestel kon in de enorme romp 32 passagiers en vier bemanningsleden vervoeren. Men noemde deze machine ook wel het vliegende hotel. Zoveel luxe kregen de passagiers aangeboden. Maar die fraaie machine had een nadeel, hij was nog steeds opgebouwd  zoals die eerste Fokkers. Hout en linnen en dat was in een klap ouderwets toen zowel Boeing, Junkers als Douglas metalen vliegtuigen aanboden.

En Plesman had al langer bij Fokker aangedrongen om ook soortgelijke vliegtuigen, aangeduid als ‘blikken Douglassen’ te bouwen. Het bleek tegen dovemansoren gericht. Fokker bleef vasthouden aan zijn vertrouwde bouwwijze. KLM kocht toen uiteindelijk de DC-2 van Douglas en later nog een reeks DC-3’s. Slim als Fokker was regelde hij met Douglas dat hij als agent voor dat Amerikaanse bedrijf in Europa zou optreden en zo nog steeds tussen de fabrikant en KLM kwam te zitten. Het was Plesman een doorn in het oog. Na de oorlog, die ondernemer Fokker zelf niet mee mee zou maken, hij overleed in 1940, nam KLM jarenlang geen Fokkers meer in gebruik tot men ergens in de jaren zestig F27’s inhuurde van de Luchtmacht voor de binnenlandse luchtvaartmaatschappij NLM. Diens vloot breidde al snel uit en tot in de jaren tachtig vloog men met F27’s en F28’s. Later kocht KLM ook de moderne F50, F100 en F70. Door wat vlootbeweging bij dochterondernemingen waren er altijd wel Fokkers in gebruik. Tot KLM in 2017 haar laatste F70’s afstootte en verving door Braziliaanse Embraers. Fokker was als zelf scheppende industrie toen door toedoen van het Kabinet Kok al een jaar of 20 gesloten. Geen vliegtuigen meer van dit befaamde ontwerphuis. En KLM bestaat onder Franse leiding nog steeds. Mede dankzij Fokker en zijn slimme ontwerpen. Waarvan er helaas maar zo weinig bewaard zijn gebleven in ons land. Zeker van die vooroorlogse kisten. En dat verdient deze voor ons land zo belangrijke fabrikant echt niet. (Beelden: Yelllowbird archief)

Nooit naief zijn….de les van 10 mei 1940!

Naïviteit is van alle tijden en als je wilt weten hoe politieke naïviteit er uit ziet hoef je niet eens zo ver te kijken. Zij die braaf achter de populisten op links of rechts aanlopen kennen deze karaktertrek vast. Het milieu moet worden gered door Klaver en c.s., de massa-immigratie tegengehouden door Geert Wilders en diens achterban. Beiden zullen wat ze roepen nooit waar kunnen maken, want het blijven splinters in een verdeeld politiek landschap. In 1940 was het niet zoveel anders. Alleen geloofde de burgerij in ons land haar leiders toen in meerderheid nog onvoorwaardelijk. Onze neutraliteit zou ons net als in 1914 wel beschermen tegen de boze plannen van de Duitse Fuhrer. Dachten we! Nederland mobiliseerde voor de zekerheid wel, maar laten we wel zijn, we schoten net zo vaak Britten uit de lucht als Duitsers voor die 10e mei 1940. Immers, die kwamen te dicht in de buurt van of vlogen door ons luchtruim. De Nederlandse strijdmacht stelde overigens niet zo veel voor. Al was het maar omdat we jarenlang waren geregeerd door linkse lieden die meenden dat oorlog voeren niet hoorde bij een beschaafd land.

Dus liepen de Nederlandse militairen in uniformen uit de eerste W.O. en waren ook de gebruikte wapens niet zo heel veel moderner. Bij de luchtmacht kreeg men net de eerste relatief moderne Fokker-jachtvliegtuigen en bommenwerpers geleverd en die stonden keurig geparkeerd op Schiphol of op de toenmalige vliegbases zoals die bij Bergen. Onze vliegende verkenners waren Fokker tweedekkers en die waren uiteraard niet geschikt voor de toen al moderne oorlogsvoering. Wat gelukkig nog wel een beetje functioneerde was de Marine. Maar de moderniteit van de schepen was nu ook niet meteen al te groot. Kortom, toen de Duitsers ons land in de vroege ochtend van 10 mei 1940 binnenvielen waren we als land ‘totaal verrast’. Voor de legerleiding door had wat er loos was hingen er al parachutisten boven Den Haag. Gelukkig kon de koninklijke familie nog net op tijd per schip ontsnappen, net als veel kernleden van het kabinet. Het land moest onder militaire leiding worden verdedigd. Wat men met verve deed.

Men schoot bij de verdediging van onze vliegvelden zoveel Duitse Junkers transportvliegtuigen uit de lucht of vernielde die op de grond op zodanige schaal dat de Duitsers daar nog lang last van zouden hebben. Maar al snel waren de Nederlandse vliegtuigen en kanonnen gedecimeerd. Overigens zonder aan de prestaties van de piloten en grondcrews ook maar iets af te doen. Een kanoneerboot deed zijn werk aan de Friese kant van de Afsluitdijk. De Duitsers kwamen er niet overheen. Bij de Maasbruggen onder Rotterdam hielden de mariniers stand. De Duitsers waren verbaasd over de taaie weerstand. En dus besloten ze tot het terreurbombardement van Rotterdam. De gevolgen zijn bekend. Dat brak de weerstand en na vijf dagen capituleerde Nederland voor de overmacht. Dat we het zonder terreur nog even hadden kunnen volhouden is duidelijk. Maar ja, ook Amsterdam, Utrecht en Eindhoven waren doelwitten voor de Duitsers als we niet hadden toegegeven. Nederland werd bezet en de gevolgen van die ellende dragen we nu nog in onze genen.

De regering sprak tot ons volk vanuit Londen, maar het lijden hier was ongekend. Met dank aan de naïviteit van die bovendanen die weigerden in te zien dat dreiging soms komt op momenten dat je het niet verwacht. Is dat nu anders? De defensie van ons land is bepaald niet op orde. We denken dat we nooit meer oorlog zullen meemaken, onderschatten de overal loerende terreur, hopen op goede bedoelingen van sommige stromingen en zetten daartoe de grenzen wijd open. Niks geleerd van 1940 zo lijkt het. Of van de invasie door de Japanners een jaar later. Want ook toen in dat Nederlands-Indië meenden we dat we het wel zouden redden. Ook die verhalen zijn bekend. En de gevolgen. Lessen leren…zo belangrijk. En niet naïef zijn. Nooit! Vrijheid is geen gegeven, het is een gunst. Laat je dat nooit afnemen. Door niemand! Zeker niet op 10 mei! (Beelden: Internet/archief)

Notabele voorvader…

Jaja, uw meninggever is voorzien van een voorvader die echt iets in de melk te brokkelen had. Een man (1816-1900)die notabel was, burgemeester zelfs van twee Nederlandse steden, en zorgde dat zijn nakomelingen door hun uitzwerven in ons land o.a. veroorzaakten dat ik het levenslicht zag. Hoe ik aan deze wijsheid kwam? Nou simpel, door vroegere medeblogster Pia die van genealogie een bijna professionele passie heeft gemaakt. Via Facebook doet zij vaak verslag van de meest ingewikkelde zoektochten naar mensen uit haar eigen familiegeschiedenis en elk lijntje dat zij tegenkomt zoekt zij dan nauwgezet uit. Bij mij is de zoektocht een stuk ingewikkelder. Allereerst omdat ik geen geduld bezit om allerlei archieven uit te pluizen als je nauwelijks weet wat of waar je moet zoeken. Mijn familiegeschiedenis in de generatie boven mij is al verstoord door scheiding en andere perikelen. Ik liep al snel vast toen ik het wel eens probeerde. Kwam voor mijn familienaam in een joodse lijn terecht of een van de Mormonen. Maar dat zijn echt de verkeerde verbindingen. Wist ik zeker.

Ik schatte ook de leeftijd van mijn natuurlijke vader wat verkeerd in. Wist wel ongeveer zijn overlijdensdatum, maar niet die van zijn geboorte. Thuis werd er niet zoveel over de man gepraat en door omstandigheden als….dan…negatief. Kortom een lastige zoektocht. Van mijn moeders kant was de situatie niet zoveel positiever. Ook daar een vervelende scheiding bij de grootouders, ver voor de oorlog. Wel wist ik dat er aan die familiekant lijnen liepen naar Hoofddorp en Scheveningen. Maar verder? Ik legde het onlangs weer eens neer bij Pia. ‘Hoe doe jij dat toch? Ik snap er geen moer van….’. Zij beloofde eens voor mij te zoeken als ik wel wat basisinformatie had. Die kon ik net aan leveren. En dus…..Twee dagen later was ze al zes generaties boven mij uitgekomen. En keek ik naar een overzicht waarbij die burgemeester passeerde maar ook de man die onze familie in Nederland zijn naam gaf, een uit Duitsland afkomstige huursoldaat die zich ooit (1765) in Nijmegen vestigde. En dat uit dat geslacht (met een Duitse H tussen de naamletters) ook een Groningse tak ontstond. Dus verre familie. Ik werd er helemaal blij en opgewonden van. Immers in onze huidige generatie en die voor of na ons, ligt Duitsland (en Tsjechie) na aan het hart. Dat bleek ook te gelden voor mijn vader en grootvader.

We vinden kennelijk het land fijn, het eten, de mensen. Nooit echt geweten waar het vandaan kwam. Nu wel….stukje familieband. En dat stemt toch in zekere mate vrolijk. Pia vertelde me nog waar ik op moest letten, dat bepaalde huizen uit die tijd nog bestaan en te bezoeken, en dat je bij allerlei archieven terecht kunt voor nog meer informatie. Nou, ik heb er weer een hobby bij. En vrouwlief wil uiteraard ook dat ik voor haar ga zoeken. Want opmerkelijk genoeg kent die vanuit een van haar grootouders net als ik een even onbekende maar wel vastgelegde link naar Nijmegen. Straks waren onze voorouders ook al met elkaar verbonden. Verborgen verledens…..Het blijft leuk allemaal! Zelf ook wel eens op zoek geweest? En? Gevonden??? (Beelden: Yellowbird archief/Zelhem/Wiki)

Tatra – revolutionair merk dat terug kwam..

Terwijl ik elke zondag tot nu toe en nog even hierna aandacht besteedde aan mijn leven met de Vliegende Pijl, oftewel dat merk met een logo waarin die pijl een hoofdrol speelde en speelt, was er in thuisland Tsjecho-Slowakije nog een automerk dat zich kon beroemen op een heel oude geschiedenis; Tatra! Dat merk had haar wortels al diep in de 19e eeuw. Als onderdeel van het Oostenrijks/Hongaarse rijk van toen zat het in dezelfde hoek waar ook mensen als Ferdinand Porsche in de rondte liepen. Nadat de Eerste Wereldoorlog een einde maakte aan het oude keizerrijk van Sissi en meer van die oude bestuurders, viel een deel van de auto-industrie ineens onder een ander landsbestuur. Tsjecho-Slowakije werd opgericht, in feite een samenraapsel van wat oostelijke provincies van het Keizerrijk Oostenrijk-Hongarije. Tatra werd geboren en genoemd naar dat bekende gebergte dat in deze streken zorgt voor een afwisselend landschap.

En dat Tatra ging verder waar het voor die eerste wereldbrand was gestopt, met auto’s en trucks bouwen. Na een paar jaar al onder leiding van de sublieme ontwerper Ledwinka die ik al eens eerder hier heb beschreven. Ledwinka vond van alles en nog wat uit, waaronder de onafhankelijke wielophanging en het ruggegraatchassis. Dat zorgde voor veel meer comfort bij de auto’s die er mee werden uitgevoerd. Maar nog belangrijker waren de stroomlijnmodellen uit de tweede helft van de jaren dertig. Tatraplan heetten die wagens en ze hadden steevast de motor achterin. Dat was volgens Ledwinka essentieel om die stroomlijn optimaal te maken. En zo ging hij door met een hele reeks wagens die tot ver na de Tweede Wereldoorlog werden gebouwd door de Tsjechen.

Na de oorlog kwamen die auto’s ook deze kant op. Zij het met wat voorbehoud, want door het ruilsysteem dat in die jaren bestond tussen Nederland en Tsjecho-Slowakije konden er maar beperkte aantallen deze kant op worden gehaald door importeur Englebert. Vooral de luxe versie 87 kwam maar heel mondjesmaat naar Nederland. Daarbij kreeg je een ook in die periode futuristisch ogende auto, met een grote rugvin, een 3 liter grote V8 met twee bovenliggende nokkenassen die een top bood van 161km/u. Een goedkopere versie was de 97 waar een viercilinder boxer het werk deed. Die auto stamde qua ontwerp uit 1936. En als je die zaken eens met elkaar verbindt zie je dat toen meneer Porsche een tijdje bij Tatra stage liep hij wellicht wat ideetjes opdeed voor zijn latere Kdf-wagen die wij leerden kennen als VW Kever.

Al was het maar omdat de Fuhrer, Adolf Hitler, zelf die stroomlijnwagens uit Tsjecho-Slowakije zeer wist te waarderen. Overigens kon Tatra net als Skoda de productie na de oorlog snel op starten en was men in staat om die geliefde stroomlijnwagens weer even snel te leveren. Uiteindelijk verdiende men het grote geld vooral met de fabricage van trucks. Ook die werden bij ons bekend. De personenwagens bleven buitenbeentjes. Al was het maar door de prijs en de zeer beperkte levering. Personenwagens bouwde men nog tot in de jaren negentig door. De laatste was de T700, waarover later nog eens meer. In dit geval ging het me meer om een stukje illustratie voor mijn vervolgverhaal en als aanvulling op het idee dat het huidige Tsjechië toch de bakermat is geweest voor heel wat grote maar soms wat vergeten automerken. Heb ik hiermee weer een stukje ingevuld…En o ja, Tatra bouwt nog steeds stevige trucks die tegenwoordig gelukkig ook weer in Nederland te koop zijn.  (Beelden: Yellowbird/Tatra/Wiki/Oost-Europa)

Glaasje wijn….

Ik ben op het gebied van alcoholische drankjes een beetje een saaie broeder. Pas laat ontdekte ik de geneugten er van, en zo was mijn eerste glas bier dat ik tot me nam er een van de beste soort. Namelijk, in 1978, in het toenmalige Tsjecho-Slowakije bij de Urquell-brouwerij afkomstig uit de stad Pilzen. Dat bier smaakte weliswaar bitter, maar ik kon het wel waarderen. Wijn ging min of meer langs dezelfde soort weg. Tot ergens in mijn volwassen jaren liet ik het drinken er van achterwege. Nu kan ik van een goed glas wijn zeker genieten. Maar echt een kenner? Nee! En daardoor zal ik zelf niet zo vlug een fles open trekken om mijzelf te bedienen of verwennen. Nee, als het wordt gevraagd en we in goed gezelschap verkeren doe ik mee, en blijk ik nog steeds aan mijn eerste glas te zitten als de rest van het gezelschap de bodem van de fles allang heeft drooggemaakt. Als ik al iets drink, dan toch vooral drankjes met een ‘zoetje’.

Martini Bianco on the rocks bijvoorbeeld, of het heerlijke Liqor43. Dat kan ik nog wel waarderen. Maar zelden zodanig veel dat ik er aangeschoten zou raken. Dat werd ik overigens heus wel eens hoor. Met name de Tsjechen hebben een drankenaanbod waarbij de alcohol rijkelijk is verwerkt in de smaak. Paar glaasjes en hup, je voelt je wazig. Nog wel eens meegemaakt. Thuis komt dat zelden voor. En heel eerlijk, als ik geen alcohol zou drinken om welke reden ook, zou me dat niet deren. Neemt niet weg dat ik dus dat glaasje wijn bij en met de lieve vrienden of familie zeker niet weiger hoor. Soms smaakt het spul prima, elke slok weer. Maar moet je daartoe een halve liter wegwerken? Neuh! Ik denk toch dat ik een soort tic heb overgehouden aan de jeugdjaren toen drankzucht best vaak kon worden gezien in de gezinnen om me heen. En mijn leasepa spuwde er ook niet in. Waarbij hij ongeveer alles dronk, behalve wijn. En ik mijn oma vaak zag genieten van een advocaatje met slagroom. Ze werd er een stuk spraakzamer door.

Maar dat kan ook mijn kinderlijke toenmalige verbeelding zijn. Volgens mensen die me echt kenden maakte het voor de gezelligheid niet uit dat ik indertijd en niets dronk. Kletsen doe ik ook wel zonder dat spul. En toen ook al. En o ja, hoe zit dat dan met dat bier? Wel, heel simpel, ik drink dat eigenlijk alleen als het buiten 30 graden of meer is, lekker in een koud gemaakt glas, op een terras. Lekkerste bier kwam ook nu weer uit Tsjechie, waar ik vaak verkeerde voor het werk en bier domweg hun standaard aanbod was bij welke onderhandeling ook. Qua smaak gevolgd door het vaak ook lekker straffe Duitse bier. Kan ik bij warm weer ook zeer van genieten. Maar om er nu trillende handen van te krijgen? Nee! Wij draaien vaak de zomervoorraad door als het koud wordt omdat de houdbaarheidsdatum regelmatig wordt overschreden. Dus ook als bierdrinker ben ik mislukt. Saai he? Nou ja, dat is dan maar zo. Maar omdat ik vrij nuchter blijf ben ik wel in staat om dit soort stukjes te tikken. Ben wel benieuwd hoe mijn lezers/lezeressen omgaan met een drankje en welke dan voor hen het meest aantrekkelijk is. Ik dank bij voorbaat voor de antwoorden en zeg uiteraard: ‘Proost’ op jullie aller gezondheid..(Beelden: Internet/Yellowbird)

Centro!

Ach, we hadden Keulen wel gezien na een volle dag rondlopen, er dreigden volgens de media regen en wind, dus ‘weet je wat, we stoppen op de terugweg naar Nederland even in Oberhausen Centro’. Bleek een goed plan. Nog beter zelfs toen ons na een uurtje rijden vanuit Keulen bleek dat Centro intussen is verworden tot een gigantische shopping-mall van allure. Anders dan wij uit de beginjaren van dit centrum buiten het echte van Oberhausen konden herinneren is alles hier op niveau. Elke winkel van enige importantie zit er. Van goedkoop tot exclusief, maar ook fan shops van de grote Duitse voetbalclubs. En dwars door elkaar ook nog. Zie je dat hier al voor je? Ajax en Feyenoord vlak bij elkaar? Verder is het hier etages vol, vleugels van het enorme complex vol, soms peperdure zaken. Overdaad schaadt er bijna. En alles prachtig en zeker sfeervol aangekleed.

Het leidt ertoe dat mensen van heinde en verre deze plek opzoeken. Nederlanders maken zeker voor 40% de klandizie uit. Al was het maar omdat parkeren in de zeven parkeergarages gratis bleek. Dat scheelt veel. Maar toen waren we nog niet buiten geweest. Even een luchtje scheppen in de door regen en wind intussen herfstachtige ambiance buiten maakte dat we een kerstmarkt ontdekten van een paar honderd stallen. Ongekend. En weer met heel andere zaken in de aanbieding dan we een dag eerder in Keulen zagen. En ook hier, ondanks het weer, geweldige sfeer en best gezellig druk. Dat Centro staat min of meer model voor de vele shopping-centra die je tegenwoordig in veel Duitse steden tegenkomt.

Alles onder een dak, beschermt tegen de weergoden, maar niet tegen de verleiding van al die artikelen en dat eten of drinken dat je wordt aangeboden. Een gevulde betaalrekening is wel handig. We genoten vooral van de sfeer en de mensen. Men genoot van deze ambiance en terecht. Dat Oberhausen zelf ligt op een uurtje rijden vanaf Arnhem of Venlo. Je kunt gewoon de navigatie aanzetten, want die kent het adres, en anders even op de borden letten in die omgeving. Voor ons was het een aardige aanvulling op het Keulse aanbod een dag eerder. Totaal anders dan die klassieke Duitse stad, maar daardoor bepaald niet minder leuk. Het maakte onze trip extra gedenkwaardig. De regen en wind die we later over ons heen kregen, net voor de Nederlandse grens en daarna tot thuis, spoelden die herinneringen niet weg…integendeel. We hadden het naar de zin gehad. Net als elk jaar. En ook elk jaar anders. Volgend jaar is alweer een nieuwe bestemming in de planning gezet. Heel andere kant op, maar vast ook leuk.

Op stap in Keulen…

Zoals elk jaar reisden we ook dit keer weer met onze Soester vrienden richting een van de Duitse steden om daar van de altijd aardige Kerstmarkten te genieten. De aankleding van die steden is ook altijd warmer en leuker dan waar ook in Nederland en de combinatie met de altijd goed gevulde winkels maakt die trips het onthouden waard. Dit jaar viel de keuze op Keulen. Prachtig gelegen aan de Rijn, gezellig, en met diverse kerstmarkten die verspreid over deze stad te vinden zijn. Ons hotel lag wat buiten het centrum aan de andere kant van de Rijn, dus waren we aangewezen op het Openbaar Vervoer. En dat functioneert in Keulen toch wat anders dan in andere steden die we bezochten. Het was vrijwel ondoenlijk om een kaartje voor vier personen uit de automaten te halen die in de voertuigen te vinden zijn.

Het menu bleek onbegrijpelijk. Maar met wat hulp (..) van een controleur van dat OV lukte het ons om een kaartje te kopen. Daarna moesten we dat kaartje op vier plekken afstempelen. Onze oude strippenkaart in het kwadraat. Na zes halten waren we dan in het centrum, stonden op de Neumarkt en waren meteen in het kerstgewoel. Want op de Neumarkt staat een van die genoemde kerstmarkten. En meteen ook een leuke. Het centrum van Keulen bruist er omheen. Alle bekende grote winkels zijn er te vinden, er zijn diverse overdekte promenades, en er is de Dom. Wie in Keulen is moet daar even gaan kijken.

De grootste kerk van Duitsland en eenmaal binnen zie je pas hoe groot dat gebouw is. Alles is daar gratis te bezoeken, maar de bijbehorende schatkamer kost geld. Geen geld kost het om je heen kijken. Devotie komt in alle vormen, kleuren en maten zagen we, zeker in de buurt van het befaamde Maria-altaar, waar een zee van kaarsjes brandt. Wij deelden mee in die lichtopbrengst, want er zijn altijd mensen die het lastig hebben (gehad) en dan mag een extra prevelementje wel even. Naast de Dom ook weer een kerstmarkt. En zo bezochten we er meer. De sfeer is er top, de stalletjes gevuld met allerlei kunstzinnigheden en niet met braderiemeuk zoals we dat hier zo vaak zien. Keulen is een leuke stad. Druk ook. Heel anders dan we wel eens meemaakten in andere steden rond deze tijd. Er hangt een zekere chique zonder de protserigheid die Düsseldorf ons een paar keer bood. Leuke bestemming. Bedenk wel waar je wat wilt eten overigens, want de horeca is er bepaald niet voordelig. Een glas (goede) rode wijn voor bijna 10 euro schenkt men zo maar voor je in als je niet oplet. En dan dat OV….Maar verder?? Aanrader die stad aan de Rijn.

Leven met de vliegende pijl – 14 – Tweede Wereldoorlog

En toen was het opnieuw oorlog in Europa. Een gruwelijke tweede wereldoorlog diende zich aan. Het voorspel daartoe raakte ook de Tsjechen heftig. Nadat de Nazi’s eerst Oostenrijk hadden geannexeerd deden ze dat even later ook met het door hen zo verguisde Tsjecho-Slowakije. Hitler gaf het grondgebied ‘terug aan de volks-Duitsers’ in Sudetenland die door de Boheemse en Moraafse bevolking zo zouden zijn geknecht. Binnen de kortste keren was het land door de Nazi’s bezet, waarbij de Tsjechen echt werden onderdrukt en de Slowaken een wat andere status kregen door hun houding t.o.v. de Nazi-onderdrukking. Men noemde deze vorm van bezetting een Protectoraat en de man die namens Hitler de boel bestierde was de beruchte en later door Tsjechische verzetslieden vermoorde Nazi-beul Heidrich. Al snel werd het door de Duitsers zeer gewaardeerde productie-apparaat van Skoda ingezet voor de fabricage van allerlei militair materieel.

De Duitsers namen ook hele voorraden van t.b.v. het Tsjechische leger gebouwde Skoda-tanks in beslag en vervoerden die naar de Heimat waar ze werden aangepast en ingezet voor de invasie van de westerse landen in mei 1940. Maar bouwde Skoda ook ambulances, militaire trekkers, en nog meer tanks die o.a. waren voorzien van door Porsche ontwikkelde motoren. Een deel van de uit Tsjecho-Slowakije geroofde tanks werd later ook door de Nazi’s ingezet tijdens de inval in de Sovjet-Unie in 1941. De beruchte Tigertanks, vrijwel onverslaanbaar geacht in de latere oorlogsjaren, kwamen naar verluid deels ook uit de Skoda-fabrieken vandaan. Dwangarbeiders deden daarvoor het werk. Helemaal aan het einde van de oorlog ontdekten de geallieerden kennelijk ineens dat de Skoda-fabrieken weleens van strategisch belang zouden kunnen zijn voor de bouw van Nazi-materieel en bombardeerden ze de tot dan aardig gespaard gebleven fabrieken in Mlada Boleslav.

Gelukkig voor de Tsjechen viel de schade na die bombardementen nogal mee en bleven de productiehallen voor totale vernietiging gespaard. Toen de Duitsers zich terug moesten trekken en de oorlog voorbij was, lag het land intussen in de door de Russen ‘bevrijde zone’ van Europa. In Jalta bespraken de toenmalige geallieerden de nieuwe realiteit van Europa. Met een enkele pennenstreek verdween het land Tsjecho-Slowakije achter het ijzeren gordijn, al voelde dat in eerste instantie nog niet zo. En werden de contouren zichtbaar van een land onder het communistische juk waar men zich zou moeten richten naar Stalinistische bestuursvormen. Het zou lang duren voor men daar eindelijk van werd verlost. En voor de creativiteit van de autobouwers bij Skoda was dit een gitzwarte periode. Wordt vervolgd (Beelden: Internet/Wiki)

Borgward komt terug

Geef Chinezen een vinger en ze pakken je hele hand. Zo gaat dat zeker vaak in de wereld van het grote geld en het zakendoen. Chinezen kochten intussen heel wat bedrijven en merken op in het westen en bouwen dan de boel om tot iets wat lijkt op… maar het net niet meer is. Laten we wel zijn voor veel mensen van mijn generatie is bijvoorbeeld Borgward een automerk om te herinneren. Ook al ging het al in 1961 failliet. De enige grote autofabriek van Noord-Duitsland met schitterende auto’s als de Isabella in de showroom en nog wat submerken als Hansa en Goliath onder haar beheer. Borgward was indertijd best wel een merk van enige statuur. Wie zo’n auto kon rijden was vaak directeur van een eigen textielfabriek of scheepswerf.

Nu, na een jaar of 55 is Borgward op de weg terug. Niet meer in eerste instantie uit Duitsland afkomstig maar uit China. De Chinezen kochten een paar jaar terug de merkrechten en beloofden dat ze er iets nieuws van zouden bakken. Met o.a. elektrische SUV’s, een markt daarvoor was zeker in China zelf zeker te vinden en die historisch sterke westerse naam goed voor de verkopen. Maar Borgward gaat ons verrassen. Want men komt ook met SUV’s met een meer dan betaalbare prijs waarin men een tweeliter benzinemotor monteert die 224pk gaat leveren en standaard vierwielaandrijving kent en een geflipperde zesbaks-automaat. De auto wordt aangeduid als BX7 en moet het kunnen opnemen tegen de gevestigde orde van o.a. VW en BMW.

Daartoe krijgt de nieuwe Borgward ook een vracht aan extra’s mee die je elders extra moet betalen. De prijs moet ergens rond de 45 mille komen te liggen en dat is dan nog maar het eerste model. Een kleinere BX5 en een BX-6 met coupe-achtige lijnen komt er aan, net als die beloofde elektrische versies. De wagen wordt in China al op de lopende band gebouwd en het zal niet te lang duren voor je in Duitsland de eerste exemplaren van dit retromerk kunt kopen. Later willen de Chinezen ook weer terug naar de wortels van het merk als ze de Borgwards voor Europa in Bremen gaan bouwen. Dat kent vele voordelen, ook v.w.b. de zekerheden die de moderne Euro-NCAP botsproeven en uitlaatgastests betreft. In Duitsland werkt met op moderne wijze via internet samen met Sixt, de autoverhuurder. Die zal er zelf wel een aantal gaan inzetten. Volgens de Duitse autopers komt Borgward in eerste instantie beschikbaar in Duitsland, Frankrijk en Italie. Men zoekt voor de kleinere Europese landen nu al naar importeurs en dealers. Want de opmars van Borgward zal niet te stuiten zijn. Zo zelfverzekerd is men wel. En ik denk…terecht! (Beelden: AMuS/Internet)