Roemeense luchtvaartpionier…

Bij toeval vond ik vorig jaar tijdens een rommelmarkt die dit jaar niet meer wordt gehouden, maar dit terzijde, een klein schaalmodel van een Amerikaans racevliegtuig uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Het type was mij zeer wel bekend, de opschriften en roundels niet. Het bleek een Roemeens vliegtuig te zijn, althans de kleuren van de eigenaar waren zo. Opmerkelijk. Een mij bekende mede-verzamelaar stuitte op een verhaal rond die eigenaar en meldde me dat. Was ik in mijn vorige blog over Dacia al wat terughoudend over mijn kennis (lees interesse) over dat land en volk, dit antwoord deed geen bellen rinkelen. Dan maar eens zoeken op het internet. En ja hoor, een ware liefhebber van vliegtuigen gevonden. Maar dan wel een die dik een eeuw geleden in die vliegtuigen rond hing en vloog. Het gaat om George III Valentin, Prins Bibescu.

Geboren in 1880 en vanaf zijn prilste jeugd geinteresseerd in vliegtuigen en auto’s. Zoals zoveel mensen uit zijn adelijke kring, was de uitdaging om met die vervoermiddelen races en recordritten of vluchten te maken groot. Ballonnen en vliegtuigen haalde hij uit Frankrijk, op dat moment in de tijd toch een beetje de grond voor de wortels van die luchtvaart. Hij leerde zichzelf vliegen in een Voisin, maar dat werd geen groot succes. Pas nadat hij Louis Bleriot had ontmoet die met zijn vliegtuig demonstreerde boven Boekarest in 1909, vetrok de Prins naar Frankrijk en nam daar echte vlieglessen. Zijn brevet behaalde hij in 1910 toen hij 30 jaar oud was. In zijn eigen land zette hij daarna ook een vliegschool op en zette ook een eigen luchtvaartorganisatie op de been die luchtvaart in Roemenie moest reguleren.

Ook stond hij aan de basis van de FAI (Federation Aeronautique Internationale) die een grote rol speelt bij regelgeving op het gebied van de luchtvaart in de wereld. Los van zijn luchtvaart-enthousiasme deed hij ook aan autoracen. Dat zorgde er voor dat Roemenie een van de zes eerste landen was waar uberhaupt races werden georganiseerd. In 1904 won Prins Bibescu een race waarbij hij de voor dit tijd formidabele snelheid van 66km/u behaalde. Maar ook voor een lange tocht naar het toenmalige Perzische Rijk in 1905 schrok hij ook niet terug. Dat waren pas echte avonturentrips. Al in 1941 overleed deze pionier van het Roemeense vliegen en snelle rijden. Hij was toen slechts 61. Over dat racevliegtuig dat ik als model vond kon ik in de biografie over deze Roemeense prins nog niets vinden. Maar de zoektocht gaat verder. Dat beloof ik…al was het maar aan mijzelf…

Roemeense geschiedschrijving…

Mijn relatie tot het Roemeense volk is qua ervaring relatief beperkt en ook nog eens uitgerust met een dubbel gevoel. Beroepsmatige vervorming maakt soms blind voor de positieve dingen in heden of verleden. En bij mij is veel terug te voeren naar die beroepsmatige ervaringen. Met een ronduit matig automerk als Dacia dat ons als dealer in de jaren 1978-81 werd opgedrongen door de toenmalige importeur die ook mijn geliefde merk Skoda en een Pools alternatief als FSO op de markt zette. Dacia was toen een automerk dat een soort kopie van de Franse Renault 12 bouwde, overigens in licentie van de Fransen, maar dat zo slecht deed dat die wagens van een bedenkelijke kwaliteit waren. Wisten wij toen veel of we geloofden het positieve liever dan het negatieve in die lastige jaren. Het Roemeense ding had westerse (Franse) lijnen, voorwielaandrijving en aardige kleuren. Er was een sedan van te koop en een stationcar, en voor wie nog wat aardappelen naar de markt wilde brengen, een Pickup. Maar die laatste werd toen toen nog niet geimporteerd. Dacia dus!

Wij kenden als garagebedrijf al enige ervaring met een exemplaar van dat merk, omdat ik als ex-Schipholwerker de lokale vertegenwoordiger van de Roemeense luchtvaartmaatschappij Tarom onder dak wist te brengen voor onderhoud. Nou daar hadden we eigenlijk van moeten leren. Deden we niet. Mede doordat die importeur ons op het hart drukte dat de nieuwe Dacia’s absoluut beter waren dan die oudere exemplaren. Het was niet zo. Zelden kregen we zoveel gedoe over ons heen als met die Roemeense wagens. En we waren best wel wat gewend door onze Poolse vrienden. Bij de Dacia kon je tijdens het rijden zomaar je achterruit kwijt raken als je een voorrraam open deed, maar er mankeerde verder wel zoveel aan dat je blij mocht zijn dat klanten er 10.000km storingvrij mee onderweg konden. Toen de importeur (wellicht door al die garantieclaims) ten onder ging in 1980/1 was het over en uit. Geen Dacia’s meer en we bedienden de rijdende klanten in die wagens zo goed en kwaad als het ging met originele Renault-onderdelen.

Want voor die R12’s was nog wel het nodige te vinden. Later, we zochten uitbreiding van vooral ons lease-gamma, namen we bij een nieuwe importeur nog eens een paar van die Roemenen af. Met name de Combi’s die waren opgewaardeerd en nog wat leuker van uitvoering en kleur. Er was in de loop van de jaren niet zo veel veranderd. De wagens die goedkoop in de lease gingen bleken nog net zo beroerd van afwerkingskwaliteit als de illustere voorgangers van een jaar of wat eerder. Het zorgde er voor dat we er nu definitief mee stopten en gingen voor een Japans merk naast het nog steeds gevoerde Skoda. Dacia was voor mij dus niks. Intussen is het een budgetmerk geworden waar na de volksrevolutie die het kwalijke bewind van de de communisten met geweld verjoeg, nu Renault echt de scepter zwaait. Met erg aardige wagens waar nog steeds kopers voor te vinden zijn. Maar ik kijk er niet meer serieus naar. Te link, te slechte ervaringen. Maar ik doe daar vast de Roemenen deels mee tekort. Want in dat land werden buiten Dacia nog meer auto’s gebouwd, al dan niet van even bedenkelijke kwaliteit. Men bouwde ooit voor Citroen een model dat hier als Axel te koop werd aangeboden en er was een terreinwagen met de fraaie naam ARO. Zij die er ervaring mee opdeden moeten maar eens vertellen wat ze meemaakten met die wagens. Ik beperkte me hier op deze zondag maar even tot dat Dacia-verhaal. In de hoop dat u het aardig vond. (Beelden: DDR, J.R. de Witt)

Herdenking in vrijheid..

Morgen, 4 mei, herdenken we! Maar dat wordt wel steeds lastiger nu een hele generatie Nederlanders begint te verdwijnen die alle leed van de oorlog die woedde tussen 1940-45 daadwerkelijk meemaakte. Nu is er gelukkig nog een generatie die na de oorlog werd geboren en die niet meteen dat leed en die ontberingen van een oorlog meemaakte. Maar er wel op werd gewezen door de ouders en grootouders die de ellende van een oorlog of terreur wel moesten ondergaan. Wie een beetje oplette op school of tijdens de vertelde verhalen weet dus dat tijdens die oorlogsjaren hele groepen Nederlanders zijn afgevoerd naar Duitsland en verder. Een groot deel daarvan kwam nooit meer terug. Vernietigd door de Nazi’s. Maar ook in het vroegere Nederlands-Indië hebben mensen enorm geleden door de Japanse terreur. Wie daar in een kamp zat wist ook meteen dat het leven niet alleen maar rechten kende, maar vooral de plicht tot overleven. Wat voor veel mensen een wanhopig makende oefening bleek.

En wat daarna gebeurde was natuurlijk ook niet meteen een positieve bijdrage aan de geschiedschrijving van ons land. Je sprak niet over die ellende. Verwrongen (lees: gekwetste) geesten waren het resultaat. Leed, verdriet, soms totale wanhoop geeft een andere soort leven dan comfort, veiligheid en voldoende eten tot je erbij neervalt. Maar het ergst is toch wel dat je verwanten, familie, vrienden, kinderen of wie ook voor altijd kwijt bent geraakt. Voor sommige families was dat een pijnlijke constatering na een vrijwel totale uitroeiing. Joodse mensen kunnen ons op dat punt nog steeds bijpraten. Ongekend! Maar ook soldaten die krijgsgevangen werden gehouden, dwangarbeiders, communisten, homoseksuelen, enz. enz. mochten vrezen voor hun leven als de Duitsers of Japanners hen te grazen namen. Dat was dus geen rooskleurig beeld. Al die doden, ook die onder de Nederlandse strijdkrachten die een volkomen hopeloze maar ook heldhaftige strijd voerden tegen de invasiemachten van die terreurlanden die indertijd de As vormden. Heel wat jongens sneuvelden in de eerste dagen van de oorlog.

Net als burgers die slachtoffer werden van bombardementen op steden als Rotterdam of Den Helder. Dat zijn de ware slachtoffers. (Nederland kende 181.000 doden in wo2) En die moeten we blijven herdenken. Omdat die Tweede Wereldoorlog ongekend was in zijn heftige moordzucht. Ons landje was dat niet gewend, zeker, want in WO1 deden we niet mee. Waren we neutraal. Maar dat trucje lukte niet in WO2. We werden gewoon overlopen door Duitse en Japanse horden. Tegenwoordig zien we dat veel zaken worden toegevoegd om die herdenking voor jongere generaties al dan niet hier geboren Nederlanders acceptabel te maken. Maar geen daarvan kan zich qua ellende meten met het leed dat ons land in WO2 werd aangedaan. En om daaraan te denken houden we op die 4e mei 2 minuten stilte in acht. Twee minuten! Een evenement dat we nog jaren zullen moeten koesteren. Opdat we snappen wat het is om zoveel mensen te verliezen als we indertijd deden. Ook al zullen er wel weer lieden zijn die ergens een of ander stukje vervalsing van de geschiedenis toepassen om hun eigen frustraties om te zetten in semiwetenschappelijke onderbouwing van de eigen stelling. Maar die horen niet bij wat we op 4 en 5 mei herdenken. Al moet je zelfs die malloten rond de viering op de 5e mei hun mening laten uiten. Opdat ook de vrijheid van anderen die we nu nog koesteren niet verloren zal gaan. En we ook waakzaam blijven ten aanzien van het nieuwe anti-semitisme wat nu weer de kop op steekt, net als homohaat en afkeer van andersdenkenden. Gedenken mag dus best nog wat dieper gaan. Waarbij we onze normen en waarden beschermen als heilig en niet laten verdwijnen omdat door frustraties en slecht onderwijs minderheden menen dat zij de geschiedschrijving kunnen of mogen veranderen. Feiten zijn feiten! Toch iets anders dan een in vrijheid uit te spreken mening. Mits niet geschreeuwd natuurlijk…

Dag van de Arbeid!

Het salon-socialisme van de sociaal-democratie had er nooit zoveel mee, maar bij de diehard-socialisten en communisten was de 1e mei een dag om rekening mee te houden. Men vierde de Dag van de Arbeid en deed dat door optochten, parades en festiviteiten die alles van doen hadden met de wederopstanding van de arbeiders als factor in de samenleving om rekening mee te houden. En dat was in de achter ons liggende decennia vaak best nodig. Het grote probleem aan het begin van de vorige eeuw was vooral uitbuiting van de werkende klasse. De zgn. elite, veelal ondernemersfamilies die een bedrijf van de grond af opbouwden deden dat door onderbetaalde mensen liefst zeven dagen per week uit te knijpen. Slechts daar waar de toenmalige godsdiensten het voor het zeggen hadden werd de zondag een rustdag. Maar dat dienen van de Heer had ook zo zijn invloed op de werkenden. Want die moesten zich dan in hun beste pak hijzen (of jurk) om de kerk te bezoeken en aan te horen dat volgens de christelijke leer, werken in het zweet des aanschijns ook zorgde voor een plek in de hemel. Je moest dus lijden om naar boven te mogen kijken.

En wie zijn lijf kapot werkte was op het laatst fysiek zo uitgemergeld dat men vanzelf wel verlangde naar die Hemel. Eindelijk verlossende rust. Het communisme, met de oorsprong in Frankrijk rond de beruchte Revolutie, deed het denken van burgers veranderen. Arbeiders voelden dat er verbetering of verandering dringend nodig was. Ondernemers waren er niet gelukkig mee. En toen de Russische bolsjewieken bewezen dat de onderklasse een hele bovenklasse kon uitschakelen en zelfs vermoorden waren de rapen gaar. Stap voor stap werd ineens meegewerkt aan verbetering van de arbeidsomstandigheden, gingen de lonen wat omhoog en verbeterde ook de huisvesting voor de arme sloebers die tot dan in de fabrieken werden afgebeuld. In West-Europa waren communisten en socialisten het snel eens. Samen ten strijde tegen het groot-kapitaal. En dat laatste werd deels door acties en stakingen ook uitgewoond. Stakingen hielpen als middel tot bereiken van het gestelde doel, bezettingen van bedrijven ook. Stap voor stap werden arbeiders burgers, burgers ambtenaren en sommige mensen uit van oorsprong simpele gezinnen zelfs af en toe bestuurders. De grote volksbewegingen als SDAP namen het voor WO2 op tegen de gevestigde christelijke partijen.

En waren daardoor mateloos populair. Maar ook de communisten kregen veel aanhangers. Een stroming die het moest hebben van keiharde kaders, solidariteit en strijd. Lukte prima, maar ging ten onder toen Stalin en diens opvolgers satellietstaten met geweld in het gareel gingen houden. Oost-Duitsland, Hongarije, Tsjecho-Slowakije, Polen. De PvdA werd in ons land een bestuurderspartij. De macht belangrijker dan de achterban. En we hebben allemaal kunnen zien waar dat toe heeft geleid. Weggevaagd! Populistische stromingen als de PVV, FVD, GroenLinks of D66 nemen de plaats in van die oude sociale stromingen. De SP speelt een rol in de achtergrond. De arbeiders hebben het goed gekregen, de ambtenaren willen nu nog wel eens staken, of zelfs de zeer goed verdienende piloten. Maar de rol van de sociaal-democratie is uitgespeeld. Dus waarom zou je die 1e mei dan nog vieren? In Rusland enn andere staten waar men houdt van de grandeur van het paraderen gaat deze dag niet zo maar voorbij. Hier wel. Een roos kan daar niets aan veranderen. Doel en middelen…het is voorbij. En eigenlijk is dat best jammer.  (Beelden: Inernet/archief)

Hufters uit 2009

In 2009, intussen dus 9 jaar geleden, schreef ik op mijn toenmalige weblog (www.altijdeenmening.com) een verhaal over acties vanuit de reclamewereld tegen huftergedrag. Als je het nu leest zie je dat die acties maar weinig hebben geholpen. Integendeel. De wereld is sindsdien in een stroomversnelling gekomen wat huftergedrag betreft. En wie niet wil geloven dat dit zo is, moet af en toe toch even de kranten beter lezen. Maar ook hoe ik me al in dat jaar 2009 kritisch opstelde t.a.v. de doelstellingen uit uitgekozen onderwerpen…

‘Sire, een organisatie van reclamemakers met een maatschappelijk doel, komt met een campagne tegen huftergedrag. Ik ben het daar van harte mee eens, maar vrees toch dat men er geen Effie’s mee gaat verdienen. Voor hen die dat misschien niet weten, de reclamewereld geeft zich zelf het hele jaar door allerlei prijzen, slechts een mag zich verheugen op enige realiteitszin, de Effie. Die prijs wordt verstrekt op basis van effectiviteit van de boodschap en het gevolg op gedrag van de ontvangers. Ik kreeg er een in 1998 toen we een nieuwe auto introduceerden met zoveel reclameflair dat we direct in de leveringsproblemen kwamen, zoveel vraag was er naar die nieuwe auto ontstaan. Ziet u in dat kader zelf al de effecten onder hufters? Mensen die vanuit hun ego redenerend in feite een last zijn voor de samenleving?

En die dan door een serie spotjes aangesproken worden en daardoor hun gedrag veranderen? Ik niet! Zo cynisch ben ik wel. Een uurtje rijden over de vaderlandse wegen en je weet direct dat daar al een aardige dwarsdoorsnede te vinden is van wat Sire hufters noemt. Snijden, bumperkleven, links blijven rijden, geen richting aan geven, een deur openmikken zodat de achterop komende fietsers zich lens schrikken en ga maar door. En wat dat openmikken van die deuren betreft, het werkpaard heeft er weer een deukje bij. Opgelopen doordat een of andere hufter in zijn (hogere) suv zijn vette lijf kennelijk niet uit een iets bescheidener doorgang kon persen en dus die deur tegen die van mijn werkpaard liet rusten. Dader natuurlijk gevlogen, maar dat geldt niet voor het bewijs voor zijn daad. Stap je in het openbaar vervoer zie je dat de daar gratis beschikbaar gestelde krantjes na lezen worden achtergelaten. Niet op een zitplaats of op de plek waar ze voor het oprapen liggen, maar het liefst op de vloer. Net als etensresten, verpakkingen daarvan en kauwgum. Het mobiele telefoontje kan net zo goed worden afgeschaft, want mensen schreeuwen zo hard in zo’n ding tijdens een gesprek dat je de man/vrouw aan de andere kant van de verbinding ook ‘zo’ had kunnen toespreken. Hetzelfde geldt voor die leuke mp-3 spelers of iPod. Vaak staan die zo hard dat je via de vette oortjes van die apparaatjes de dito beat van de gedraaide nummers zo kunt volgen.

Hufters zitten ook onder de voetbalhooligans die het gebied rond de Amsterdam-Arena (en vermoedelijk alle andere voetbalstadions) het aanzien geven van een of andere achterstandswijk in Sarajevo. Bushokjes en abri’s gesloopt, talloze bierblikjes en andere troep over de grond en in de brand gestoken vuilnisbakken. En dan heb ik het nog niet over de wonderlijke vernielzucht in achterstandswijken, het opgefokte gedrag tegen hulpverleners als ambulancebroeders en wat dies meer zij. ‘Huftergedrag zit in ons allemaal’, zo laat Sire ons weten. En daarbij wijst men op een paar voorbeelden van zaken die daarmee van doen zouden hebben. Die voorbeelden staan niet in mijn lijstje. Echte hufters zijn zij die ik hiervoor al noemde, zonder respect voor de spullen van anderen, zelfs niet voor het bestaan van anderen. Echte hufters hebben geen respect voor anderen en laten we maar tot de conclusie komen dan dat ze dit dus ook zelf niet verdienen. Dat besef alleen al maakt dat de actie van Sire wel als geslaagd mag worden gezien als hij weer van de buis en uit de ether verdwijnt. Maar een Effie? Nee, daarvoor zit de hufterigheid al veel te diep verankerd in onze samenleving’.

Wie nu, anno 2018, nog wat wil aanvullen moet dat vooral niet laten hoor…..

50 jaar Bijlmermeer

Onlangs las ik ergens dat de Amsterdamse wijk ‘de Bijlmermeer’ in deze periode van het jaar precies 50 jaar bestaat. Of het reden is voor een feestje weet ik niet, maar ik zal het zeker niet meevieren. Mijn herinneringen aan die wijk zijn te zeer gemengd op dat punt. Daartoe even een stukje achtergrond. De Bijlmermeer werd in de jaren zestig gepland aan de Zuidoost-kant van Amsterdam op grondgebied van buurgemeente Ouder Amstel. Die kreeg voor de grond een aardig bedrag, maar dit besluit zorgde er meteen voor dat Amsterdam in feite een wig dreef tussen twee onderdelen van die buurgemeente zelf, Duivendrecht en Ouderkerk a.d. Amstel. Het polderlandschap waar Amsterdam haar zinnen op had gezet zou daarna in rap tempo worden omgevormd tot een grote wijk waar mensen die een wat hogere huur konden en wilden betalen zouden gaan wonen in hoogbouw die luxe moest zijn en comfortabel, maar ook omgeven door groen. Veel groen! Dat lukte aardig. De eerste bewoners woonden overigens nog een tijdje in een zandbak, maar dat schijnt niet anders te kunnen bij vaderlandse nieuwbouwwijken. Ook wij werden indertijd getriggerd door wat de Bijlmermeer te bieden had. Je kon er voor 245 gulden per maand (prijsniveau 1970) een splinternieuwe driekamerflat huren met CV, een opbergruimte op de begane grond en op termijn een parkeerplek in een van de nog te bouwen garages. (Wachtlijst voor woningen in de oude stad was op dat moment tenminste 7-10 jaar)

Een binnenstraat in de vaak enorme gebouwen zou de flatbewoners met elkaar in contact brengen en daarin zouden dan winkels komen waardoor je in feite in eigen omgeving alles zou vinden wat je zocht. Anno 1970 leek dat aardig te gaan lukken. Jammer dat men geen wegen aanlegde van enige importantie. De Bijlmer zou verhoogde straten en wegen krijgen, maar die waren op moment van oplevering flats nog (lang)niet klaar. Ook was er een magere buslijn naar het centrum van Amsterdam en beperkte het winkelaanbod zich tot een enkele supermarkt. En die kwamen nooit in die binnenstraten te zitten. Maar de eerste Yuppen (de term bestond nog niet, de soort bewoners wel..) meldden zich voor dit grootste avontuur op woongebied dat de stad te bieden had. Voorspoedig bouwde men de hele omgeving vol. De wegen kwamen er na enige tijd, net als de parkeergarages. De flats bleken in de praktijk aardig gehorig te zijn. Het liefdesleven (of het tegenovergestelde) van de buren was soms letterlijk te volgen. Maar de ruimte en de CV maakten veel goed. Langzaam aan verbeterde ook het winkelaanbod en kwam er wat beter openbaar vervoer. Wij settelden ons in onze splinternieuwe driekamerflat. In 1974 ruilden we die om voor een veel grotere op een andere etage van het zelfde gebouw. Vijf volwaardige kamers, een extra inpandige bergruimte die zo groot was als een slaapkamer en dan gespiegeld aan de buitenkant van onze flat nog een. Het kon niet op en het uitzicht op die negende etage van het gebouw was fabelachtig.

Tot…1975. Met de aankondiging van onafhankelijkheid van Suriname nam de halve bevolking daar per vliegtuig de benen en zocht vooral de sociale zekerheden in ons land. Een deel van hen werd opgevangen in de Bijlmer. Met huursubsidies die ons als reguliere en oospronkelijke huurders niet werden gegeven, bewoonde men soms met hele families flats en verbouwde die naar eigen behoefte. Met die intocht kwamen ook de echte problemen. Onveiligheid, criminaliteit, opvallend genoeg ook fysiek ongedierte als kakkerlakken en zo meer, die zich in die gebouwen waar het altijd warm was, nestelden alsof ze in de jungle zaten. De Bijlmer zuchtte. Veel van de eerste bewoners vertrokken. Zochten hun heil ergens anders. Voor die huur kon je immers in andere steden of dorpen rond Amsterdam een mooi eengezinshuis vinden. Veel van mijn toenmalige Schiphol-collega’s deden dat. Wij zaten het zelf nog even uit. Tot ook onze bergruimten werden geplunderd, de auto’s ontdaan van radio’s en zo meer en de politie vaste gast was in ons flatgebouw. Brand bij de Surinaamse buren, afval en tv’s die naar beneden werden gemikt, het ongedierte. Op enig moment was de maat vol en vertrokken ook wij. Richting het nieuwe land, waar je zoveel meer woongenot kreeg voor hetzelfde geld. De Bijlmer verloederde in rap tempo. Meer dan 100 nationaliteiten, drugsoverlast! Tot er een Boeing van ElAl op neer kwam in 1992 en de Gemeente Amsterdam ineens doorhad wat hier allemaal speelde. Voordien hadden achtereenvolgende colleges weggekeken en doofheid voorgewend bij rapportages over deze ‘prachtwijk’. Het resultaat werd meer reden voor een feestje. Veel economische activiteiten, afbraak van veel hoogbouw, verwijderen van al dat fraaie groen dat vooral zorgde voor veel onveiligheid, aanleg van meer normale straten en huizen. Een onherkenbare wijk waar nog steeds enorm veel van de bewoners zitten uit die periode waaraan ik niet graag herinnerd wil worden. Maar wellicht is het er nu wel weer goed toeven. Als ik er doorheen rijd moet ik trouwens goed kijken waar wat te vinden is.

De Metrolijnen maken me daarbij vaak duidelijk waar bepaalde van die vroegere plekken terug te vinden zijn. Een metro die overigens vanaf 1977 ging rijden en de Bijlmer nog eens extra blootstelde aan alle (drugs)ellende die een grote stad te bieden heeft. Ook in haar buitenwijken. Die overigens tegenwoordig meer onder eigen naam dan onder die verzamelnaam bekend staan. Zuidoost, Holendrecht, Gein, en zo meer. 50 jaar Bijlmermeer. Of hoe een stadsbestuur uiteindelijk de juiste weg wist te bewandelen om een onleefbaar gemaakt woongebied weer tot aantrekkelijk geheel om te vormen. Maar voor mij gaat dat niet meer op. Ik ben er zelf al 37 jaar helemaal klaar mee…

Spoorlijnen in de Haarlemmermeer en verder…

Wie met de auto rondrijdt in het gebied ten zuiden van Amsterdam moet de ogen wel dicht houden wil men niet zien dat in het landschap bijzondere gebouwen te vinden zijn die wel erg lijken op compacte spoorstations. En ook de contouren van oude spoorbanen zijn voor wie goed op let nog wel te vinden. Soms zelfs omgevormd tot vrije busbaan. De moderne tijd en zo. Maar die gebouwen en banen liggen of staan er niet voor niets. Ruim een eeuw geleden werd het regionale verkeer rond de hoofdstad verzorgd door heel wat kleine spoorweg- of trambedrijven die een prima aanvulling vormden op de hoofdlijnen van wat later de Nederlandse Spoorwegen zou gaan heten. Vanuit Amsterdam kon je via Amstelveen naar Aalsmeer, Haarlem, Hoofddorp, Leimuiden, Leiden, Uithoorn, Bovenkerk, Alphen aan de Rijn en Nieuwveen of Ter Aar. Die lijnen werden gereden met kleine treintjes die we nu als trams zouden omschrijven, getrokken door trouwe stoomlokjes. Ondanks dat de exploitant in dit specifieke gebied het plan had om al die lijnen elektrisch te maken, het zat ook in de naam van de firma (Hollandsche Elektrische Spoorweg Maatschappij), kwam dit er nooit van. De eerste lijnen werden trouwens een halve eeuw later dan gepland geopend in het jaar 1912.

In eerste instantie nog met een beperkt lijnennet, maar na een paar jaar werd het hele routenet gereden en men deed dit met zowel passagierstreinen als met goederenwagons. Toch duuurde dit avontuur niet zo lang. Door de economische crisis in de wereld was het rond 1930 voor een groot deel al weer voorbij. Wat bleef was de verbinding tussen Amsterdam en Amstelveen-Uithoorn  en verder door naar Nieuwersluis aan de Vecht. In 1950 was het ook hier over en uit en werden de lijnen ontmanteld. In 1972 brak men de boel definitief af, maar met dien verstande dat korte stukjes open bleven voor goederenvervoer, al dan niet ten bate van bouwprojecten elders. Het eerste stuk vanuit Amsterdam, werd omgebouwd en elektrisch gemaakt ten behoeve van de Stichting Museum Tramlijnen die er o.a. met normaal GVB-materieel op en neer rijdt naar station Bovenkerk in Amstelveen. Wat overbleef waren die bijzondere stationsgebouwen waarvan de bestemming door de loop van de jaren werd gewijzigd.

Het ene gebouw wordt nu bewoond, het station van Uithoorn is een restaurant geworden en het station van Aalsmeer Oosteinde een fietsenhandel. Het hoofdstation van Aalsmeer kreeg een makelaarskantoor onder dak en men zette er een oude diesellok voor de sfeer bij neer, maar die deden indertijd uiteraard geen dienst op deze lijn. Ook bij het oude station in Uithoorn zien we zo’n oud lokje staan. In datzelfde Uithoorn is de oude spoorbrug inmiddels omgebouwd voor de vrije buslijnen die het dorp verbinden op soortgelijke wijze als dat railvervoer uit die vorige eeuw. Het lijnennet van deze regiovervoerder was best fijnmazig en werd door de passagiers in die jaren zeer gewaardeerd. Later kwamen op al die trajecten bussen rijden. Efficient, warm en zo meer. Maar met veel minder sfeer. Al was het maar door die toch unieke stations die deze tramlijnen zo bepalend maakten in het veenlandschap aan de zuidkant van Amsterdam. En wie in Amsterdam zelf op zoek wil naar sporen uit het verleden. Bezoek dan eens het Haarlemmermeerstation. Begin- en eindpount voor deze tramlijnen in de hoofdstad en nu de thuisbasis voor die museumtrams.  (Wikipedia/Yellowbird)

Oude Kerk

Als wij met onze Soester vrienden onderweg zijn in Amsterdam is het niet alleen maar leut en gezelligheid. Cultuur hoort daar ook bij en zo kwamen en komen we nogal eens in museale gebouwen waarvan we de inhoud of het speciaal uitgestalde dan met veel plezier tot ons nemen. Zo ging dat ook aan het begin van deze novembermaand toen we weer zo’n culturele dag hadden afgesproken voor consumptie door ons viertal. Bij toeval had medeblogster Therese net een dag of twee eerder een verhaaltje neergezet over haar bezoek aan de hoofdstedelijke Oude Kerk, dus dat bleek een prima bestemming om eens in de plannen op te nemen. Immers, wij, geboren Mokummers, hadden dat gebouw nog nooit eerder van binnen bekeken. Mooie gelegenheid en met de Museum Jaarkaart mag je gratis naar binnen. En dat naar binnengaan is de moeite waard. Het is het oudste gebouw van Amsterdam, behoort tot de top 100 van Nederlandse Rijksmonumenten en stamt al uit 1308.

De kerk werd neergezet als tweede kerk naast die van het nu veel kleinere Ouderkerk aan de Amstel en viel qua kerkelijke verantwoording dan ook onder die gemeente. Het gebouw is intussen dus 711 jaar oud en dat is bouwkundig gezien best een hele tijd. De Oude Kerk bleef tot de reformatie Rooms Katholiek. Hij heette toen nog de Sint Nicolaaskerk, wat voor de toenmalige zeelieden de patrooon was van de schepelingen. Helaas kwam de Oude Kerk niet ongeschonden door de beeldenstorm. Fanatici en cultuurbesef gaan zelden samen. Nadat men alle katholieke ornamenten had vernield of verwijderd kreeg de kerk een protestantse bestemming. Maar al snel konden kooplieden er ook hun waren exposeren. Want ook voor de protestanten was handel, geld verdienen!

De eerste tentoonstellingsruimte van de stad was hiermee ook een feit. Opvallend is het gegeven dat de kerk op unieke wijze is gebouwd. Omdat men indertijd in deze omgeving niet kon heien tot de gewenste diepten bereikt werden die een dergelijk grote kerk nodig zou hebben, werd de constructie van het gebouw licht en is de hele plafondconstructie van hout gemaakt. Alsof je naar een oud en omgekeerd Koggeschip kijkt. Ook de houten steunbalken wijzen op die techniek. Het ziet er spectaculair uit. Het gebouw is groot in verhouding tot de hoogte. De enorme toren werd door de eeuwen heen verder ontwikkeld. Het eerste torentje was veel lager en heel simpel van constructie. Ergens in 1951 bleek bij onderzoek dat de fundering van het gebouw niet meer deugde en instorting dreigde voor delen van de kerk. Men heeft daarna 24 jaar lang gewerkt om dat probleem uit de weg te ruimen.

Intussen is de kerk op zondag weer een gebedshuis, doordeweeks een expositieruimte. Daarnaast liggen er de nodige bekende mensen uit hun tijd begraven. Je ziet oude burgemeestersgraven, maar ook Saskia (van Rembrandt) ligt er en telgen uit de familie Hooft. Maar ook admiraals, schilders, schrijvers en handelaren mochten in de kerk een groot of wat kleiner graf voor zich reserveren. Als je kijkt naar de gebrandschilderde ramen, de orgels, preekstoelen, en zo meer, vergeet je bijna dat men er ook die exposities houdt. Wat we daarvan zagen ging eigenlijk volledig verloren in de schoonheid van dat historische gebouw. Waar ik dus al die jaren nooit de moeite voor deed er eens binnen te kijken. Nou, dat is nu voorbij. Het is een schitterende kerk. Gaan we vast nog eens heen. Al was het maar om het ook andere geinteresseerden te showen. En als er dan een expositie wordt gehouden nemen we dat en-passant gewoon mee….

1917 – en wat er veranderde in een eeuw tijd…

Als je echt wilt weten wat er in een periode van 100 jaar zoal is veranderd in onze wereld moet je eens terugkijken naar een jaar als 1917. Noemen we de huidige wereld onrustig? In 1917 werd in de hele wereld al drie jaar lang oorlog gevoerd. Miljoenen mensen stierven of raakten gewond om een politiek van machthebbers die meenden dat alleen zij het bij het rechte eind hadden ten aanzien van claims op landen, grondstoffen en goederen. De wereld was een lappendeken van landen die met of tegen elkaar knokten. Opvallend; Japan zat indertijd ‘in het goede kamp’. Nederland was in 1917 neutraal en had geen directe last van de oorlog, wel een stevige indirecte. Immers, de Duitse onderzeeboten die op zee joegen op alles wat vijandig was, namen ook schepen uit neutrale landen (zoals het onze) onder vuur.

Doordat ook onze grenzen min of meer potdicht zaten kwamen er onvoldoende goederen en eetwaar binnen voor onze toenmalige bevolking en was dat goed te merken in de winkels. De toch vaak al niet zo welvarende Nederlandse bevolking leed daar stevig onder. Met hen ook de Belgische vluchtelingen die ondanks een door de Nederlandse overheid opgeworpen prikkeldraadversterking vermengd met stroomdraden aan de zuidgrenzen, toch deze kant op waren gekomen. Meer dan een miljoen mensen werden of moesten zo in Nederland opgevangen. Soms meer tegen wil en dank. In 1917 werden ook de Nederlandse Spoorwegen opgericht. Men reed toen uiteraard nog op stoom, net als de meeste regionale tramlijnen. Het autoverkeer was nog een pioniersverhaal. Maar in 1917 werd ook een Elfstedentocht gereden, de derde intussen, en dat kon vanwege de strenge winter van dat jaar, alweer een eeuw geleden.

In 1917 ontstond ook de Russische opstand tegen het tsaristische regime dat daar al eeuwen aan de macht was en de bolsewieken bleken in staat om het laatste tsarengezin standrechtelijk te excuteren. Wat daarna van Rusland terecht kwam weten wij anno 2017 wel. In 1917 ook raakten de Verenigde Staten betrokken bij de Eerste W.O. en stuurden troepen en materieel naar Frankrijk om daar aan de loopgravenoorlog deel te nemen. Wat ook in ons land plaatsvond in dat jaar 1917 was een grote ramp in Drenthe door een veenbrand. Dat kostte 16 mensen het leven en er werden heel wat huizen en (turf)schepen verloren. In Amsterdam krijgt Berlage toestemming van de Gemeente om het Plan van Zuid te bouwen.

Als we daar nu rondkijken zien we hoe ver deze architect zijn tijd vooruit was. Nog steeds een prachtige wijk aan de zuidkant van Amsterdam. In 1917 ook hielpen de Britten met name zionistische joden bij het idee om een eigen staat in Palestina (toen Brits protectoraat) te stichten. Staat nu bekend als de Balfour-verklaring. Een paar maanden later namen de Britten Jeruzalem in en verdreven de Ottomaanse Turken die daar een paar eeuwen lang op wrede wijze de dienst uitmaakten. Het zou trouwens nog tot in 1948 duren voor de onafhankelijke staat Isael kon worden uitgeroepen. Grootste tegenstand kwam toen van diezelfde Britten. In 1917 ook verklaarden de Finnen zich onafhankelijk van Rusland. Ze maakten gebruik van de chaos die in dat grote land was ontstaan na het omverwerpen van de regeringen die daar voorheen zaten. Die verklaring van onafhankelijkheid zorgde voor heel wat jaren lang durende conflicten tussen de Russen en Finnen. In 1917 was er in ons land geen echt telefoonnet, geen vliegveld van betekenis, nauwelijks autoverkeer, vrouwen hadden geen rechten, de katholieken en protestanten maakten op geloofsgebied de dienst uit, werd er vaak nog gewoond in krotten als je naar de grote steden of het platteland keek. Armoede was gewoon, rijkdom voorbehouden aan een kleine kliek.

Luizen en vlooien maakten het leven nog vervelender. Gebitten waren rond je 30e vaak al verrot bij gebrek aan goede zorg en we werden gemiddeld een jaar of 60 oud. Die eeuw die volgde zorgde voor veranderingen waarvan wij vandaag de dag nog de vruchten plukken. Toch goed om daar nog eens over na te denken. En ook te beseffen dat de wereld niet onveiliger is geworden dan toen. Alleen weten we nu veel meer. Want heel wat mensen uit die tijd lazen het nieuws vaak pas vele dagen nadat een feit had plaatsgevonden. Is nu een kwestie van minuten. Maakt echt veel verschil! Vandaar die soms wat paniekerige gevoelens over onze huidige tijd. Alles is derhalve relatief…  (Foto’s: Internet/Yellowbird)

Afscheid van Fokker

Fokker 70 PH-KVI

Medio oktober dit jaar eindigt een tijdperk in ons land. Het tijdperk-Fokker. Dan namelijk gaan de laatste Fokker 70’s uit dienst bij KLM’s dochter CityHopper. Opgevolgd door Braziliaanse regionale vliegtuigen. Met dank aan een D66-minister (Hans Wyers)die ooit de bekende vliegtuigfabrikant Fokker de nek om draaide en de toekomst van de Nederlandse luchtvaartindustrie gelijk vermoordde. Bij gebrek aan inzicht. Inzicht wat Fokker altijd wel heeft gehad. Precies de juiste vliegtuigen bouwend voor een alsmaar groeiende markt. Dat deed de ondernemer Anthony Fokker al ver voor de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de eerste variant van die wereldbrand koos hij opportunistisch voor de Duitse zijde en zette daar vele honderden van zijn befaamde jachtvliegtuigen af. Toen de oorlog voor de Duitsers verkeerd afliep was hij zo slim om zijn hele productielijn op de trein te zetten en onder te brengen in het neutrale Nederland. Waarmee ook onze luchtmacht ineens beschikte over hypermoderne jachtvliegtuigen en verkenners.

Alsof we ineens zouden kunnen beschikken over de JSF zonder aan de ontwikkeling mee te hoeven betalen. De door Albert Plesman opgezette KLM had snel behoefte aan betrouwbare vliegtuigen. Fokker sprong in dat gat. En KLM kocht ongeveer elk ontwerp van de slimme Fokker. Die overigens nog veel meer successen boekte in de Verenigde Staten. Maar een ding zag hij over het hoofd. De komst van metalen vliegtuigen. Fokker bouwde toen nog met hout, aluminium en linnen. Dus toen KLM alsnog koos voor de ‘blikken Douglas’ DC-2 leek Fokker naast de flinke orders van de nationale carrier te vissen. Maar slim zakenman als Fokker was, hij verkreeg de licentierechten voor zowel de DC-2 als de grotere DC-3 en werd zo opnieuw een grote leverancier van moderne vliegtuigen. Zelf zou hij de groei van zijn bedrijf niet meer meemaken.

Net voor de 2e Wereldoorlog overleed hij. Zijn bedrijf kwam tijdens de oorlog in handen van de Duitsers en bouwde voor de bezetter onder dwang Duitse vliegtuigen. Na de oorlog werd het bedrijf snel opnieuw heringericht en startte men met de bouw van trainers, zoals de fameuze S-11, bouwde men een sportvliegtuig (de Promotor) dat helaas geen echt succes kende maar kwam men ook met de Fokker F-27 Friendship. Een verkeersvliegtuig dat werd opgebouwd met een hoogdekker-constructie, gelijmde metalen delen en twee Britse Rolls-Royce turboprops. Het toestel werd een enorm succes, meer dan 700 verkocht en dat wereldwijd. Een straalopvolger werd de Fokker F-28 Fellowship uit de jaren zestig. Ook dat toestel werd een groot succes. In de jaren tachtig kregen die ontwerpen modernere zusjes in de Fokker 50, 100 en de latere 70.

Maar de wereldmarkt was intussen aardig veranderd. Veel kleinere fabrikanten legden het loodje, verkochten hun toestellen met flinke verliezen of werden opgeslokt door bedrijven als Boeing, Airbus of British Aerospace. Fokker leverde ook weer aan de KLM en uit die periode stammen ook die Fokker 70’s die nu verdwijnen. Vliegtuigen die ideaal bleken voor de regionale lijnvluchten bij KLM en haar dochter CityHopper. Maar in oktober is het voorbij. Geen Fokkers meer en de kans dat er ooit nog nieuwe vliegtuigen met die naam zullen verschijnen is verspeeld. De Nederlandse overheid heeft er geen geld voor over en de maatschappijen van nu kiezen voor vliegtuigen van de plank. Boeings, Airbussen, Embraers of Bombardiers. Fokker wees de weg, maar kon en mocht niet verder. Blijft jammer. Gelukkig staan er heel wat van deze fameuze vliegtuigen in diverse musea. En zo hoort het ook. Want deze naam mogen wij eigenlijk nooit vergeten. Ik doe dat zeker niet. Heb ik heel wat Fokkers mogen meevliegen en dat was een waar genoegen. Maar nu wordt dat pure nostalgie. Vandaar dit blogje…(Beelden: Yellowbird collectie)