Tax..

Tax..

En nee dit blogverhaal gaat niet over opnieuw een door de linkse elite aan ons opgelegde extra belasting omdat we het wagen om te leven zoals we doen, het gaat over een artiest met die naam, Wally Tax.

Aanleiding was de toevallige confrontatie met zijn graf op de fraaie Oosterbegraafplaats in Amsterdam. En het besef dat voor de meer bekende Herman Brood onze stad nog een ander fenomeen kende met een stevige rock en roll imago. Tax was de zoon van een Nederlandse vader en Oekrainse moeder. Hij werd geboren in 1948 en werd voor het eerst bekend met zijn band de Outsiders. Daarbij viel op dat de Engelse teksten een wat duidelijke Mokumse tongval meekregen van de al snel langharige Wally Tax. Overigens was Wladimir zijn officiele doopnaam, maar ja, Amsterdammer, dan heb je al snel een bijnaam. En die adopteerde hij zelf ook maar. De band waarmee hij optrad, De Outsiders, maakte hun hoogtijdperiode mee in de jaren 60 en scoorden ook heel wat hits. Vaak had men dan een behoorlijke kwaliteit ingebouwd voor de achtergrondmuziek en akoestiek. Aan het einde van de jaren zestig zakten de successen in en stapte Tax over op een ander project. Een nieuwe band werd opgezet, Taxfree, die zelfs nog een plaat op kon nemen bij Jimi Hendrix. Maar dat nummer werd nauwelijks verkocht. De band viel al snel uit elkaar en Tax ging alleen verder

Een typisch fenomeen uit de jaren zestig. Leven als God in Frankrijk, maar ook zoekend naar vastigheid. Die meende hij te vinden in een partner. Dat pakte ongelukkig uit toen die dame door invloeden van buitenaf en een zware ziekte op relatief jonge leeftijd overleed. Wally Tax zocht zijn heil toen steeds meer in drugs en drank. Zijn grote frustratie dat een deel van de natie hem domweg niet meer herkende. Dat gedrag maakte ook dat een reunie die men in de jaren 90 opzette met de andere leden van de oude band The Outsiders, op niets uitdraaide. Er verscheen nog een biografie over hem, gemaakt voor zijn 50e verjaardag, waarin hij zinspeelde op vriendschappen met de groten der aarde. Elvis, Janis Joplin en zo meer. Of dat allemaal waar was?

Kan ook branie gecombineerd met frustratie over uitblijvende erkenning zijn. Volgens sommigen maakten een getraumatiseerde jeugd dat Tax het leven maar moeilijk aan kon bij tegenslagen. Afkicken van de heroine kon en wilde hij niet. In 2002 verscheen de laatste CD van Tax, gitaarrock waarmee hij ooit was begonnen. Het werd niks. Zijn naam was weg, zijn imago intussen verwoest. Op 10 april 2005 overleed hij. In Amsterdam, waar hij zoals ik al schreef, ook werd begraven. Zelf zo arm als een kerkrat werd zijn fraaie grafsteen met bij elkaar gesprokkeld geld van vrienden en collega’s neergezet op de plek waar ik het zag staan. Een Amsterdams fenomeen met veel minder naam en faam dan zijn later zo bekend geworden collega Herman Brood. Beiden verslaafd, maar de een toch lichtmoediger dan de wat zwaar op de hand zijnde Wally Tax. Ik ken hem nog wel van ‘ontmoetingen’ in de stad waar hij nog wel eens door het centrum zwierf. Op zoek naar mogelijkheden om weer een shot te scoren. Maar ook een man die schreeuwde om erkenning. Een typisch mens uit de jaren zestig. Kortom uit de periode van voor de vertrutting waarin we nu verkeren. (beelden: Internet)

Kroegvrienden…

‘Iedereen’ mocht hem. Althans dat gevoel had hij zelf altijd gehad. Henk, lekker populair in zijn jeugd. Veel vrienden, met wie hij uitging en op de meiden kon jagen. Zijn vader had een eigen bedrijf en hem was zelden iets te kort gedaan. Financieel zeker niet. Hij liep er echter wel de kantjes van af. Het bedrijfsleven was eigenlijk niks voor hem, maar toch had zijn vader hem opgenomen in de onderneming. Ook omdat ‘die ouwe’ dan een oogje in het zeil kon houden. Henk was een vrouwenjager, en daarbij hield hij wel van een glaasje bier. Hij was nergens goed in waar het nuttige zaken betrof, maar kon wel goed biljarten, voetballen, en onderhield zijn sociale contacten. Maar het leukst vond hij toch wel de kroeg. Ook toen hij in dienst zat was hij toch vooral een ‘drukker’ om daarna in de vrije ruimte vooral lol te trappen met zijn maten. Die hadden Henk altijd hoog zitten. Sloegen hem op de schouder en wilden nog wel eens een stapje extra voor hem lopen. Logisch want de meeste rondjes in de kantine betaalde hij. Net als bij het voetballen. Altijd was Henk de gevierde jongen. Toen zijn vader overleed en hij de onderneming erfde moest hij even wennen aan het nieuwe leventje. Hij werd wat serieuzer, maar onderhield wel goede contacten met sportverenigingen en zo meer. Zijn sponsorschap daarvan maakte dat hij vaak werd uitgenodigd voor een hapje en drankje en daar genoot hij met volle teugen van. Het werken ging hem redelijk af. Hij gaf leiding aan dat bedrijf, maar had ook prima mensen om zich heen verzameld op wie hij kon bouwen en die hij graag wilde vertrouwen. In het weekend was er dan het gezin, ja hij was ook nog getrouwd met ongeveer de vijfde vrouw met wie hij een soort van liefdesrelatie had opgebouwd en met wie hij twee zonen kreeg. Op zondag zat hij bij de clubs. En genoot, deelde rondjes uit en werd op het schild getild. Nu hij wat ouder werd, de kinderen in de zaak en hij met een soort pre-pensioen, genoot hij nog het meest van zijn dagen en avonden in de kroeg. Hij genoot van de verhalen, van de sfeer, van de drank. Tot hij ontdekte dat al die drank ook betaald moest worden. Het inzicht dat hij wellicht vriendschap (…) kocht was confronterend. En dus deed hij een stapje terug. Het bleek heel vervelend te werken. Niet alleen werd het ineens een stuk ongezelliger, maar al die ‘vriendschappen’ stelden uiteindelijk niks voor. Als hij geen rondjes gaf, kreeg hij er maar heel weinig van anderen. Zag men hem als een gierige kapitalist. Het werkte ontnuchterend. Hij stopte er mee. Wel jammer dat intussen zijn vrouw was vertrokken en zijn zoons hem niet meer op de zaak wilden zien. Henk, eenzaam mens, door niemand meer gezien. Hij pakte er nog maar een pilsje bij en voelde de tranen in zijn ogen opwellen…. Zoveel jaren voorbij…. en weer alleen!

Do….

Do was letterlijk en figuurlijk een vrolijke tante. Voor haar neefjes en nichtjes, zij had altijd plezier, leefde zich uit, hield zich niet aan welke norm of waarde ook. En bij de familie was wel bekend dat Do in haar leven heel wat mannen (en wellicht zelfs vrouwen) had versleten voor ze iets tot rust was gekomen. Verhalen over haar jeugd, dat dorp waar ze alle mannen het hoofd op hol had gebracht met haar lijf en gedrag. Do hield wel van een verzetje. Een drankje of rokertje ging er altijd wel in, en als ze dan zin had in gezelschap nam ze dat mee naar een plek waar de rest van de samenleving haar niet kon bespieden. Men kon slechts raden wat zij daar dan deed. Maar haar naam was wel gevestigd. Later verhuisde ze naar de grote stad. Kreeg een aardige baan. Eerst in een tankstation, toen bij een notaris. De klanten waren gek op haar. Want service ging Do voor alles. Tevredenheid moest volgens haar in alle toonaarden worden geboden en haar werkgevers waren alleen daarom al gek op haar. Alleen vastleggen aan iemand was niet haar ding. Ze hield van feesten, met alles er op en aan, ze experimenteerde met pillen en poeders, kende de Kama Sutra zowat uit haar hoofd, maar bleef dezelfde vrolijke Do die eigenlijk gewoon Dorine heette maar dat maar een stomme naam vond. Do was ook een graag geziene gast op de familie-bijeenkomsten. Ze kon geweldige verhalen vertellen en maakte de jongere generaties wijs dat als je vandaag niet leefde je morgen spijt zou hebben omdat het dan niet meer kon. Haar ouders, broers, zussen, en goede vrienden, ze luisterden vaak met opgetrokken wenkbrauwen naar wat ze allemaal oreerde maar ook over wat ze droeg aan kleding. Of beter, wat ze bijna niet droeg. Optische verrassingen waren haar niet vreemd. Do was dus een vrolijkerd. En ze werd node gemist toen ze ineens overleed. 80 jaar oud. Geleefd voor tien. Maar haar motto leefde voort…..Leef nu, morgen is het misschien te laat. Maar haar familie zette haar portret toch maar niet zo dominant op de schoorsteenmantel. Het stigma van het fatsoen en zo…..

Klooster..

Klooster..

Toen ik opgroeide tot puber was het intreden in kloosterorden nog een fenomeen dat in katholieke kring als redelijk normaal werd gezien.

Velen werden geroepen, weinigen uitverkoren. Jonge mannen en vrouwen die bewust kozen voor een leven met God. De ene orde nog strenger in de leer dan de andere. Maar veelal Urbi et Orbi als uitgangspunt en dus vaak centra van nijverheid voor de omgeving. Immers, ook nonnen en priesters of monniken bleven gewoon mensen en aten of dronken dat wat de normale mensen ook deden, mits ze dat al niet zelf hadden gebakken of gebrouwen. Sommige van deze orden waren echter zodanig streng van opzet dat men geen contact zocht met de meer normale wereld buiten. Alles speelde zich af binnen de muren van deze vaak erg massale instituten.

Toen de burgers buiten zich soms wel eens afvroegen wat er zoal binnen die ommuurde vestingen van het geloof afspeelde kwamen ook de meest fantastische verhalen naar buiten. Drankgelagen, orgieen, duivelsaanbiddingen. Men maakte er soms wat van en heel wat verhalen, boeken of films over het onderwerp namen met die waarheid wel een erg vrije loop. Men projecteerde de wens op de fantasie, en liet de fantasie zo werkelijkheid worden. Al was het maar omdat men het idee had dat mensen die bewust kozen voor het celibaat nooit zo konden leven omdat het fysiek dat niet zou toestaan. Seksloos door het leven, het was een gruwel voor hen die door de pastoors, kapelaans of andere geestelijken zelf werden opgeroepen om de ‘daad’ toch vooral veel te beoefenen opdat er nieuwe kinderen, derhalve aanwas voor de heilige kerk van Rome van zou komen. Nonnen waren veelal te vinden in het onderwijs, de zorgsector, kraamhulpen en zo meer. En ze deden dat met verve. Zeker toen de katholieke kerk in de jaren zestig onder druk van de sociaal/culturele revolutie moest inbinden, bleven veel kloosterlingen nog steeds actief in die sectoren. En men deed dat prima. Maar dat celibaat…. Het bleek pas achteraf dat met name mannelijke kloosterlingen of afgeleiden die zich bezighielden met verspreiding van de Leer zich schuldig maakten aan het misbruiken van jongens en meisjes die aan hun geestelijke zorg werden toevertrouwd. Alsof je Dracula een kudde maagden aanleverde en aan hem vroeg daar geen bloed te zuigen.

De drang te groot om de consequenties te overzien. Dat kwam later. Bleek overigens geen katholiek privilege, in vrijwel elke geloofsstroming of sekte is het juist d a t wat als groot nadeel naar voren kwam. Hoe de nonnen dat deden laat zich raden. Zal vast ook wel eens tot uitspattingen zijn gekomen. Of is dat nu die fantasie van de gemiddelde man en burger?? Hoe dan ook, kloosters komen maar moeilijk aan nieuwe aanwas. Men wil wel in de Heer geloven, maar een leven zonder heer of dame lijkt voor veel jonge mensen van nu toch een brug te ver. De heer in zich voelen ervaart men liever anders. En zo komen de nodige kloosters leeg te staan. Worden omgebouwd tot van alles en nog wat. De tuinen verkocht, oude ambachten die normaal daar werden beoefend verdwijnen. Blijft natuurlijk jammer. De nieuwe gelovigen vooral bezig met internetdiensten of thuissessies om zo het contact met de Heer overeind te houden. Niks mis mee. En ook geen verkwisting van menselijk vernuft of dna. Want het blijft zonde als jonge mensen kiezen voor zo’n celibatair leven. Hoewel ik best voorbeelden zie van lieden die daar best eens een jaartje of tien gedwongen tot rust zouden mogen komen. Maar dat is een andere discussie. Zelf ook wel eens gedacht aan hoe het moet zijn om te leven in zo’n gelovige gemeenschap? Hoe Bid en Werk voor jou zou uitpakken?? Zou je het aankunnen?? Ik zeker niet. Maar ja, hetero en zelf een mannetje….. (Beelden: Internet/archief)

Werken op Schiphol 27 – Nieuwe frustraties!

Werken op Schiphol 27 – Nieuwe frustraties!

De organisatie bij dat fusiebedrijf was net een beetje op orde, op elke afdeling hadden we nu voldoende man/vrouwkracht om de enorme stroom lading aan te kunnen, toen de volgende verandering zich al weer aandiende.

Het enorme moederbedrijf in Duisburg (D) dat de hele boel op enig moment had overgenomen legde alle logistieke aansturing in handen van een groot Duits transportbedrijf uit de buurt van Frankfurt. Daardoor moest de systematiek overal ter wereld waar men kantoren had opnieuw op de schop en alle voertuigen plus drukwerk opnieuw compleet worden aangepast. Eigenlijk wilde men vanaf moment een weer met de teller op nul beginnen. Marketing/verkooptechnisch een ramp natuurlijk. Met een zeer beperkt reclamebudget moesten we zien dat we ook deze boodschap over de buhne kregen.

Een persconferentie werd belegd waarbij ik de ‘chef’ van dienst moest ondersteunen. Maar dat was geen echte prater in het openbaar. Daarbij kwamen er ook nog mensen over uit het hoofdkantoor om te zien hoe wij dat aanpakten. En daar kwam ineens een adder uit de mouw op persoonlijk vlak. De manager die ik al zo vaak had zien ruzie maken met mensen uit de organisatie in New York en anderen, dronk zichzelf moed in bij veel gelegenheden maar ook voor deze zo belangrijke persconferentie. Mijn haren stonden daardoor recht overeind. Ik wist ineens ook waarom dat sollicitatie-traject zo vreemd was verlopen. De man had een Januskop. Twee gezichten. Hoe dan ook, we knokten ons door de persmiddag, ik ontwierp een aardige reclame-campagne voor in de vakbladen, we gaven opnieuw opdracht aan de spuiter om de bestelwagens van andere kleuren te voorzien en een relatie die ik nog kende uit mijn dealertijd kwam langs voor nieuwe naamstriping. Intussen legden we in woord en beeld onze klantenkring (en die was groot) uit wat die nieuwe naam voor hen betekende. Nog meer potentie, meer service, meer mogelijkheden.

Maar intern kraakte de boel daarna wel. Administratief raakten we steeds meer achterop. Automatisering moest gaan plaatsvinden, maar dat stond nog in de kinderschoenen. Via een andere oude relatie uit mijn dealertijd haalden we wat computers en wat boekhoudsoftware in huis om zo de boekhouding juist te kunnen voeren, we huurden een vent in die dat werk goed aan kon maar al snel commentaar gaf op de drankzucht van de ‘baas’. En die kritiek deelden wij als MT zelf ook. Het was een serieus probleem aan het worden. Ook klanten klaagden er nu over. En ik kreeg dat als Sales/Operationsmanager van dienst niet meer recht gepraat. De druk steeds groter, de klantenkring idem, maar intern een zootje. Gemor en geklaag steeds groter. Toen er op enig moment een gigantische planten- en bloemenshow die we samen met Nederlandse export-instituten zouden opzetten in een Zuid-Amerikaans land compleet verpest leek te worden doordat onze chef in dronken conditie allerlei wonderlijke beslissingen nam zonder overleg, en zelfs de door het hoofdkantoor in Duisburg bij ons geplaatste vrouwelijke Financial Controller daar schande over sprak was de boot aan. Met een aantal collega’s uit het MT stuurden we een brief naar Frankfurt. Dit kon niet zo doorgaan…toch? Dat pakte daarna fout uit. Als aandeelhouder was de verantwoordelijk manager in ons kantoor vrijwel onaantastbaar. Het MT werd in plaats daarvan aangepakt. Men hield niet zo van klokkenluiders in Duitsland. De Duitse dame werd teruggeroepen en opzij gezet, wij namen als groep onze verantwoordelijkheid en vertrokken. Ik laat de details voor wat ze zijn, maar het werd een leegloop. En zo eindigde mijn tweede optreden in de Schipholse logistiek. Tijd voor iets anders. Ik had intussen mijn eigen reclame-adviesbureau, een studie afgerond op dat gebied, de eerste klanten bediend. Maar er lonkte ook een bijster leuke en avontuurlijke job in autoland. Daarover schreef ik in mijn andere verhaal al uitgebreid. Een paar maanden na het avontuur op Schiphol stapte ik over. En dat was weer een avontuur op zich….Maar heb ik al beschreven….(Beelden: Yellowbird archief) (voor het vervolg zie: Leven met de Vliegende Pijl – 31 en 32 van 030219 en 100219)

Drankzucht

Drankzucht

Drank maakt meer kapot dan….

Ja dames en heren, ik drink ook wel eens een glaasje. En kan daar dan bijster van genieten. En zeker, ik ben in mijn leven ook wel eens een pietsie dronken geweest. Veelal in veilige omgeving, en zeker nooit in die staat achter het stuur gezeten. Toch is dat nu net gedrag wat je bij heel wat stevige drinkers nog wel eens ziet gebeuren. Kacheltje lam achter het stuur, er van overtuigd dat men de auto of ander voertuig nog wel kan beheersen. Vaak een dure of zelfs fatale beslissing. Drank maakt meer kapot dan je lief is. En het spul werkt zeer verslavend. Bij velen is de rem verdwenen als ze er eenmaal aan beginnen. Doorgaan tot het gaatje, hoewel dat zelfde gaatje soms een sinkhole in de grond blijkt te zijn, omdat er nogal eens wat wordt verbroken aan relaties door dat drankgebruik.

En eerlijk gezegd, ik zelf ben niet alleen een gematigde maar ook late drinker. Pas ergens in 1978 leerde ik de alcohol als consument kennen. In een bierbrouwerij van het toenmalige Tsjecho-Slowakije. Wie dat bier uit die hoek ook wel eens heeft gedronken snapt waarom. Thuis was ik in de jeugd wel wat gewend op drankgebied. Er werd soms getankt. En niet alleen in ons eigen gezin, ook in dat van veel vrienden in de ouderlijke kring. De oorlog en zo, er waren veel frustraties en dat moest verdoofd. De eigen leasepa vierde nog wel eens uitgebreid zijn verkoopsuccessen en verkregen winsten. Ik schaamde me daarvoor stevig, maar hij vond dat heel normaal. Ik niet. Daarbij rookten de leden van het gezin waarin ik opgroeide als schoorstenen zo heftig, ik zelf raakte geen sigaret aan. Nooit gedaan. Geen behoefte. Blijft toch vreemd.

Later in mijn leven kon ik de zware drinkers zo scheiden van de gezelligheidsnippers. Net als ik, glaasje, nipjes, lekker, maar nooit een halve liter. Nou ja, die enkele keer in Tsjechie toen ik met een Duitse collega aan de drankjes uit dat gebied de politieke situatie in heel Europa zat door te nemen. Het waren bijzondere tijden. De volgende ochtend wist ik waarom ik er niet voor geschikt was…… voor de drank dan, wel voor besturen van Europa uiteraard…, want mijn plannen waren bijster goed, vond ik zelf…. Hoe dan ook mensen, drankjes zijn lekker, tuurlijk, maar doe vooral rustig aan. En ga niet rijden als je wat te veel op hebt. Ik maakte dat in de Schipholse werkkringen vaak wel mee. En dat ging niet altijd even goed. En wie wel kan rijden met een slok op, mag het hier en nu vertellen. (Beelden: Yellowbird archief)

Werken op Schiphol – 22 – Peyton Place en Ricoh…

Het Vrachtgebouw waarin wij indertijd zetelden was negen etages hoog en alle kantoren waren gesitueerd rond een centraal lift/trappenhuis. Op die manier kon men er per etage een twintigtal kantoren aanbieden. Sommige bedrijven (zoals het onze) nam een aantal aaneengesloten kantoren af waardoor men wat ruimer in de jas zat, andere bedrijven hadden slechts een relatief bescheiden kantoortje op een van die etages. Een wat grotere huurder was begin jaren zeventig ook het Japanse bedrijf Ricoh. Dat zocht en vond een markt in Nederland (en Europa) en startte bescheiden in dat Vrachtgebouw op dezelfde etage als waar wij zaten. Binnen de kortste keren zat chef Breems bij die lui binnen en regelde dat wij hun  in/uitvoer en entrepot-opslag mochten verzorgen. Een slimme set. Al was de communicatie met die Japanners best ingewikkeld. Soms hadden ze de documentatie voor hun zendingen gewoon niet voor mekaar, maar bleek dit door de lastige communicatie niet uit te leggen.

Daarbij hadden zij ook een soort reparatie-afdeling in eigen huis waarvoor je dan weer speciale afspraken met de douane moest maken. Hoe dan ook, het was een aardige klant en ze groeiden als kool. Ik hield er zelf nog wel eens een camera aan over die ze wilden testen op bruikbaarheid. Zo kreeg ik eens een compactcamera met een opwindsysteem van die lui, waardoor je tien foto’s achter elkaar kon maken. Ongewoon in die tijden. Maar het bleek ook niet zo’n geweldige constructie, want het ding gaf het na enige maanden gebruik op, de veer gebroken en Ricoh intussen verhuisd naar Amstelveen. Voor zover mij bekend werd het systeem nooit op de Nederlandse markt gebracht. Een ander gevolg van die indeling van dat gebouw was dat het er net Peyton Place was. Er werden verhalen verteld, geroddeld, er waren kroegvrienden (beneden in het gebouw zat een horecagelegenheid) die de nodige sprookjes de wereld in hielpen. En niemand had daarbij een onbevlekt blazoen.

Het leek een verslaving. Kwam ook omdat het gebouw werd bevolkt door mannen en vrouwen, veelal van niet al te gevorderde leeftijd en het leek dat sommige wel wat oudere lui een soort geestelijke tik hadden voor ze in die luchtvaartwereld waren toegetreden. Uitsloverij leidde nog wel eens tot schade. Zowel in de relationele als fysieke sfeer. Daarbij was men graag op de hoogte van wat de concurrentie nu weer voor klanten had binnengetrokken en werden op het oog ‘spontane vriendschappen’ soms benut om informatie los te krijgen ten bate van het eigen bedrijf. Vertegenwoordigers van airlines die nu wel regelmatig over de vloer kwamen waren soms geweldige bronnen voor dit nieuws, al wist je wel dat wat zij jou toevertrouwden soms wel met een korreltje zout te nemen was, terwijl je ook besefte dat ze nieuws over jouw handel graag weer met anderen zouden delen. Ik had daarom alleen al met sommigen echt een mindere band dan met anderen.

Maar dat had ook andere redenen. In mijn luchtvaartperiode dronk ik niet. Nooit gedaan, geen behoefte. Maar was daarmee een witte duif onder de zwarte eksters. Die kroeg beneden was een magneet voor sommigen en soms kwamen vaak heel wat lieden lichtelijk beschonken van beneden om hun werkdag min of meer af te maken. En dat was soms best frustrerend. En omdat ik als ‘saai’ door het leven ging was elke roddel die mijn persoon betrof natuurlijk interessant. Ik heb er best wel eens last van gehad. Overigens was ik zelf op dit punt zeker niet heilig, al had ik de neiging net de verkeerde dingen te geloven en dan met open ogen in een val te trappen die door anderen was opgezet. Misschien had ik dan toch meer moeten drinken. Was het me vast vergeven. Want achteraf is me gebleken dat onder de toenmalige drinkebroers dat gedrag nog steeds normaal is. (Beelden: Yellowbird archief/internet)

Drank!

Voorop gesteld, ik veroordeel niemand die een drankje neemt voor de gezelligheid hoor. Echt niet. Maar als je een beetje stevig door drinkt en ontdekt dat je er eigenlijk ook niet buiten kunt ontstaan er vaak wel wat problemen. Ten eerste, je bent eigenlijk niet meer jezelf omdat je kennelijk die roes of verdoving nodig hebt om als mens te functioneren. Ten tweede, drank is per definitie niet goed voor je. Zeker als het gaat om wat meer drank dan de gemiddelde mens tot zich neemt. Wonderlijk verschijnsel, juist hoger opgeleiden drinken bovenmatig veel. Vermoedelijk doordat ze meer inkomen hebben en daardoor een grotere keuze aan drankjes. Maar ook 65-plussers spuwen er gemiddeld genomen niet in. Uit diverse onderzoeken komt naar voren dat al die drank weliswaar verdovend werkt, dat vrouwen minder remmingen ervaren in hun seksleven na een paar drankjes, maar dat die drank, meer speciaal de alcohol, helemaal niet goed is voor ons mensen.

Bloeddruk stijgt er door, we worden er dikker van en ons brein wordt er langzaam maar zeker door aangetast. Ook slapen we minder goed, al denken we zelf van niet, voelen ons minder fit (al was het maar door de katers), de lever wordt er door aangetast, we krijgen mannen met niet alleen erectieproblemen maar ook een veel lagere spermaproductie en er is een verhoogd risico op kanker. Zet dat eens af tegen dat leuke en lekkere van drank en we zien hetzelfde beeld als we bij roken tegenkomen. We weten het allemaal wel, maar drinken vrolijk door. De hoger opgeleiden vaak wat sterkere drankjes of wijn, de lager opgeleiden vooral bier. Want hoe vreemd ook, bier wordt er in gegoten als water. Zeker bij jongeren. Zelf bekijk ik dat altijd met enig ontzag of noem het verbazing. Want hoe je in vredesnaam 10-20 biertjes achter mekaar naar binnen kunt werken is mij een raadsel. Al dat vocht. Je zou er lek van raken. Ik ben overigens in mijn leven heel wat mensen tegen gekomen die drank toch tot een probleem maakten.

Waar overmatig drinken een bijna dagelijkse conditie werd en waar beslissingen nauwelijks meer op redelijke of rationele gronden genomen werden. Soms lag er een oorzaak in de jeugd, dan weer in een overmatig gevoel van zelfmedelijden of frustratie. Denk maar eens aan de eenzame huisvrouwen die liters sherry of witte wijn nemen om een dag door te komen en het nog een beetje plezierig te hebben. In landen als Duitsland of Tsjechie (om er maar een paar te noemen) drinken mannen gemiddeld honderden liters alcohol houdende drankjes per jaar. Veelal bier. Maar honderden liters! En neem van mij aan, ik kwam en kom er nog vaak, men drinkt geen ‘fluitjes’ maar pullen vol van dat spul. En na een kroes of wat van dat straffe bier of erger weet je als niet zo ervaren drinken echt niet meer hoe je heet. Welk een lol. En toch laten we onze jeugdigen zijn/haar gang gaan en zich letterlijk klem zuipen. Elk weekend weer. Verkeerd signaal. Want echt dronken jongens of meisjes lopen ook nog eens drie/vier keer zoveel risico op misbruik of diefstal. Geen idee wie ze onheus bejegende, immers…’ik was dronken’. Nee, we zouden ons toch eens moeten afvragen waarom we wel zo meegaand zijn als het om drank gaat en zo weinig waar het drugs betreft. Het effect is vaak gelijk. Ik heb het daarbij nog niet eens over rijden onder invloed. Ernstig misdrijf vind ik dat. Meteen rijbewijs kwijt de sanctie. Maar ja, al zolang ik leef is daarvan bij hoogst uitzonderlijke situaties sprake. Moet anders kunnen. Dus….drinken we of drinken we niet (meer)?? U mag het zeggen. Ik zal het nuchter beoordelen… (Foto’s: Yellowbird archief/internet)

Bakken…

Wie mij de afgelopen jaren regelmatig heeft gevolgd weet dat ik niet zo van de stranden ben. Hoe fraai het weer is, hoe warm ook, laat mij maar in de schaduw zitten of lopen. Lekker in de relatieve koelte, niks zand en verbrande lijven. Ook al zijn sommige van die lijven het aanzien meer dan waard, daar hoort het mijne niet bij. Ik ben bijna van het Brits-transparante huidtype, dus wit van kleur en kan slecht tegen de invloed van de zon. Die volgens alle milieugekkies en andere onheilsprofeiten toch al een slechte invloed heeft op onze lijven als we er te veel gebruik van maken. Die zon is onze bron van bestaan, maar je hoeft de affectie niet te overdrijven. Toch heb ik in het verleden best vaak stranden bezocht, er zelfs op gelegen. In de tijd dat dit nog een echt uitstapje was. Zandvoort was de standaard badplaats van de gemiddelde Amsterdammer, Bloemendaal voor het iets chiquere deel van de bevolking en veel Noord-Hollandse badstekken voor hen die al dan niet in een vakantiehuisje of caravan van de zomer(vakantie) genoten. Meestal bleef het voor mij persoonlijk bij een haat/liefde-verhouding.

Ook in het buitenland wilde ik wel eens een enkele keer het strand uitkiezen als bestemming. Meer voor de andere leden van ons gezin dan voor mij zelf. Ik was en ben niet zo van het Spaanse of Turkse. Portugal kon me meer bekoren. De Algarve met haar toen nog vaak wat ongerepte witte stranden waar langs rode rotsen en groene bomen of struiken prachtig combineerden met de blauwe zee en dito luchten. Ik kwam er dan nog wel eens chocoladebruin vandaan. All-over, dat spreekt, want bloot was toen nog niet taboe. Heel anders verliep mijn strandervaring op het op zich erg fraaie eiland Grand Canaria. Playa des Ingles als onze verblijfstek (helemaal fout in veel opzichten) en een soort woestijn om de hoek. Ook daar kon je in de blote billen over het enorme strand paraderen, was vrij normaal nog toen, maar de invloed van de zon was zo rond of op de evenaar van een ongekende en andere orde. Blaren op de voeten en een vuurrode huidskleur. Britser kon niet. En daarover gesproken….dat eiland werd overstroomd door Britten die met name ‘s-nachts tot leven kwamen en zich zes slagen in de rondte dronken.

Overdag vielen ze dan massaal op het strand in slaap en waren echt doorgebakken als ze wakker werden. Zoveel ‘gekookte menselijke kreeften’ als toen zag ik nooit eerder. Wat die lui soms bezielde was me een raadsel. Was ik nog een kind bij. Gelukkig maakten we veel gebruik van de regionale bussen, excursies en wandelden ons mal in de zon, maar dan zag je meer dan dat wat Adam en Eva elkaar in het Paradijs toonden. Het bleek leuker te zijn dan gedacht, maar dan moest je wel weg van die stranden. Nog steeds ben ik een beetje ‘anti-strand’ als het er op aankomt. Al is een wandeling in het najaar over een strand dat leeg is en min of meer bevolkt door de bij die omgeving behorende dieren nog wel aantrekkelijk. Met onze lieve hond Purdy wandelden we nog wel eens door duin- en strandgebied bij IJmuiden. Dat was altijd leuk. En je kon dan ergens koffie drinken in een strandtent die ook honden welkom heette. Dat waren nog eens tijden…. Maar voor de rest? Dakje, airco, koelte, boek, ontspanning. Of een stedentrip(je). Meer heb ik niet (meer) nodig. Later vertel ik daar meer over! Dus…braden jullie maar lekker. Ik zal het niet nadoen en ben ook niet jaloers. (Beelden: Yellowbird archief)

Drankvliegers…

Al eens eerder beschreef ik in een blogverhaal dat ik zelf niet zo’n notoire alcoholtanker ben. Maar ik ben vrees ik een uitzondering op de regel dat je toch vooral veel van dat spul naar binnen moet werken om gezien of vooral ook gehoord te worden. Het begint al heel jong en zet door in de volwassen jaren. Soms met heel negatieve gevolgen. Die gevolgen zie je ook in de luchtvaart terug. Nog los van het feit dat men soms piloten betrapt op een te hoog alcoholpercentage in het bloed, stappen ook passagiers soms kacheltje lazarus aan boord. En dat blijft dan niet gezellig of zo, maar soms worden die lui agressief als ze niet nog meer te drinken krijgen dan ze al op hebben. In de steeds maar groeiende luchtvaartsector een probleem dat men op allerlei wijzen tracht te tackelen.

Al was het maar door minder te schenken of er dik voor te laten betalen. Maar er zijn ook non-alcohol-vluchten en als je dan zo’n zuipschuit aan boord krijgt is het snel hommeles. Uit recent onderzoek (Zakenreis 508-2019) blijkt dat het aantal onhandelbare passagiers aan boord van vliegtuigen in 2018 weliswaar daalde maar dat met name in het Verenigd Koninkrijk deze trend niet gelijk op gaat. Britten zijn echte alcoholtankers en je moet met wetgeving komen om ze te weerhouden stomdronken aan boord te stappen. En dat ze kunnen drinken weten we wel uit eigen waarneming. Wie wel eens een ‘vrijgezellenparty’ van Britten meemaakte of observeerde weet dat men pas stopt bij een total loss of control. Zowel mannen als vrouwen en als de tank vol is vallen alle remmen weg. Wonderlijk volk. Ik zag ze ooit eens tijdens een vakantie op Gran Canaria en snapte niet waar men al dat vocht liet.

Maar gek genoeg waren ze overdag dan zo dronken dat uitslapen tot de eerste avonduren nodig was om weer bij te komen. Of men ging al dan niet compleet ‘in the nude’ op het strand liggen waar men dan werd gebakken tot medium rare biefstukken met menselijke attributen. Om de pijn van het verbranden in de zon dan de volgende avond weer weg te drinken. Hoe dan ook, die Britten blijven bijzondere types. Moet je wel even bedenken dat ze qua drankzucht nog een flink eind achter liggen op landen als Duitsland of Tsjechië, dan wel Polen. Daar tankt men nog veel meer, soms honderden liters op jaarbasis. Maar is men toch minder agressief. En dat maakt veel uit. Soort stille drinkers….(Beelden: Internet & eigen archief)