1975

Ik beschreef eerder al; (blog van 4 augustus jl) het streven van sommige linkse en opgehitste lieden naar een revolutie op basis van wraakzucht en vermeend lijden. Om daar toch nog eens iets tegenover te stellen even een persoonlijk verhaal dat veel duidelijk maakt over wat ik aan ervaringen opsloeg in het geheugen en mijn mening over bepaalde zaken mede vormde. Het was in 1970 dat wij als familie besloten te verhuizen naar de splinternieuw gebouwde wijk Bijlmermeer. Net ten zuidoosten van Amsterdam, fraaie flats, veel ruimte, CV, Kabel-TV en een balkon om U tegen te zeggen. Amsterdam zorgde indertijd ook al niet zo goed voor haar eigen inwoners. Woningen waren schaars en als je geen 20 jaar inschrijving bij het CBH (Centraal Bureau Huisvesting) kon aantonen was je gedoemd op een zoldertje te blijven leven of zoals wij, inwonend bij de (schoon)ouders in een op zich aardig historisch maar slecht te verwarmen pand in het centrum van onze stad. Het was mijn schoonvader die ter verbetering van de situatie na een paar jaar stappen zette en plotseling kregen we binnen de particuliere huurmarkt een schitterende flat toegewezen in die nieuwbouwwijk die lonkte. De maandhuur was 50% van wat wij verdienden, maar goed, je kreeg er een heel mooi en nieuw eigen huis voor terug.

En zo genoten we van het comfort en de omgeving, we zagen de wijk steeds verder opbouwen, en om ons heen woonden veel mensen die ik van Schiphol (zie mijn vervolgverhaal) kende. Niveau, het mocht iets kosten. In 1973, we kregen gezinsuitbreiding en in dat flatgebouw bleken vijfkamerwoningen regelmatig beschikbaar te komen. Doorstroming deed haar werk, dus kozen ook wij voor verruiming van onze woonoppervlakte. En hoe. Prachtige flats, voor de hobby’s geen ruimteproblemen meer, en we waren gewend geraakt aan de hoge huur, waarbij ook de carriere zorgde voor een wat betere betaalbaarheid. Alles was wel bij ons aan boord. Rustig ook. Tot 1975! Suriname werd onafhankelijk. Prachtig zou je denken. Maar daar dacht de helft van de bevolking in die voormalige kolonie toch anders over. Ze werden als Rijksgenoten hier gezien als Nederlanders en konden dus als ze snel waren genieten van de gratis sociale voorzieningen in ons land. Mits ze in Nederland zouden wonen. En dat deed men. Massaal! Vliegtuigen vol kwamen deze kant op, een emigratiestroom die Nederland nog nooit had meegemaakt. En men zocht dus onderdak. Voor Amsterdam was er kennelijk maar een wijk die in aanmerking kwam voor dat opvangdoel, de Bijlmermeer.

De grote flats lonkten en omdat men door de wat hogere huren minder Nederlandse huurders vond voor de steeds maar weer nieuw opgeleverde gebouwen zette men de Surinamers er in die soms rechtstreeks uit de jungle afkomstig leken. Demografisch een rampzalige beslissing, voor de er al gevestigde samenleving ook. Deze nieuwe bewoners kregen bijstand en huursubsidie maar helaas vervielen er velen toch vrij snel in de drugshandel en criminaliteit. De Bijlmer kleurde zwart. Om ons heen zagen we ook ons ooit zo keurige, door een katholieke WBV geexploiteerde flatgebouw veranderen. Was die woningbouwvereniging waar wij huurden indertijd naar ons toe nog heel erg streng geweest met haar toelatingsbeleid, nu werd men onder druk van de omstandigheden gedwongen iedereen toe te laten met een Surinaamse achtergrond. Het werd een ramp. Onveiligheid, vervuiling, alles kwam over de wijk en onze flat heen. En diens bewoners van het eerste uur. Die nergens heen konden. Want volgens de Gemeente Amsterdam liet je bij optionele verhuizing naar andere delen van de stad ‘geen betaalbare huurwoning’ achter voor nieuwe bewoners. Kortom, klem! Voor veel Nederlanders bleef slechts de weg naar elders. Men verhuisde. Naar Hoofddorp, Leimuiden, Roelofarendsveen desnoods, maar men bleef niet zitten in de Bijlmer. Een Bijlmer woonwijk die steeds verder verloederde. Persoonlijk maakte ik enorme overlast mee van buren, vuurtjes op het balkon, live muziek die zo hard was dat je echt zat te trillen op je stoel, de auto werd leeg geroofd, fietsen gestolen, boxen op de begane grond compleet ontruimd zonder verzoek daartoe en schoonmama op straat overvallen. De linkse gemeente keek de andere kant op. Gaf de Bijlmermeer en haar inwoners gewoon op.

Met de komst van de Metrolijn naar het CS werd een nieuw probleem geintroduceerd, heroinehandel! En zo ging het maar door. Wij hielden het vol. Maar op enig moment was de maat vol. Ongedierte in de flat waartegen de WBV machteloos stond omdat Surinaamse bewoners niet wilden meedoen aan bestrijdingsacties. Wij zochten het elders. Almere! Waar we kwamen wonen in een schitterende nieuwbouwwijk met huizen die net zo duur waren als onze oude Bijlmerflat, maar dan wel met een aparte garage er bij en geen overlast van wie ook. Ik slaakte een zucht van verlichting. De Bijlmer gleed intussen steeds verder af. Telkens weer. Tot zich in 1992 een Boeing 747 van ElAl in een paar flatgebouwen boorde en de Gemeente Amsterdam ineens door had hoe erg het daar uit de hand was gelopen. Men pakte eindelijk de boel eens aan. Renoveerde, bouwde nieuw, investeerde in woningen, winkels en mensen. Er kwamen grote bedrijven aan de rand, de Arena-Boulevard, kortom, het bleek ineens wel te kunnen. Maar voor ons was het mosterd na de maaltijd. De bevolking die in 1975 daarheen kwam kreeg alles geleverd. Gewone Nederlanders als wij niets! Het linkse visitekaartje was afgegeven. En  mijn vertrouwen in die stromingen kwam nooit meer terug. Dat kwam te voet en vertrok te paard! En dat juist die genoemde bevolkingsgroep zich nu meldt voor excuses en schadevergoedingen is mij mede om die N=1 ervaringen een doorn in het oog. U wilt me wel vergeven dunkt me… (Beelden: Archief Yellowbird)#linksliegt

Naamgevende rivier…

Voor Amsterdam is de Amstel niet zomaar een watertje dat ergens in het zuidoosten de stad binnenkomt, nee het is de naamgevende rivier van de stad. Immers het was de Amstel die in zijn oervorm de omgeving vormde tot wat het nu is maar ook verbindingen mogelijk maakte met het achterland van de stad. De Amstel die bovenstrooms aansloot op de (Oude)Rijn, en uitmondde in het IJgebied en de Zuiderzee. De veengebieden rond de stad werden deels afgegraven en voorzien van dwarsvaarten en boerensloten, het poldergebied naast de rivier met molens droog gemaakt. In de oertijd was dat gebied rond Amsterdam vooral nat. Erg nat. Je had er grote meren, stromen, sloten en zo meer.

Bij slecht weer overstroomde het spaarzame land ook nog eens. Inpolderen de boodschap. Het gebied rond de Amstel werd ook naar de rivier genoemd. Ouder-Amstel was er daar een van, een gemeente die ouder is dan Amsterdam zelf. Vooral bewoond door boeren en vissers. Volgens de overlevering gingen heel wat vroegere vissers via het water van de Amstel stroomafwaarts om dan in het Amsterdamse gebied te blijven hangen en daar de nederzetting te stichten die als Amstel’radam furore zou maken. Nieuwer-Amstel was het tweede gebied, aan de andere kant van het stromende water gelegen dat uiteindelijk zou gaan zorgen voor expansie van het Amsterdamse grondgebied. De Amstel werd uiteindelijk ingedamd, beheerst, gekanaliseerd, in haar meest zuidelijke stroomgebied ‘Amstel-Drecht-kanaal’ genoemd en aan de stedelijk kant gedempt om via de grachten van de stad alsnog uit te monden in IJ.

De Amstel werd een recreatieve stroom. Vol pleziervaart en roeiboten. In de jaren achter ons nog wel bevaren door veel beroepsvaart, die met name de industrie van Uithoorn moest bevoorraden. Je had daar een asfaltfabriek maar ook de chemische industrie Cindu. Doordat veel van die industrie er niet meer is, verdween ook het grootste deel van de beroepsvaart al komt er af en toe echt nog wel een diep beladen schip de Amstel door. De rivier is ten zuiden van Amsterdam en tot pak weg Uithoorn op haar mooist. Slingerend, soms breed, prachtige huizen er langs.

De Waver een zijrivier en die weer verbonden met de Vecht. In de stad zelf via de Weespertrekvaart vertbonden met het Amsterdam-Rijnkanaal. Via de grote vaarten in Amsterdam Zuid en West ook weer verbonden met de Nieuwe Meer en de Ringvaart rond Schiphol of het Spaarne. Water als verbindingsweg maar zeker ook als aanjager van prachtige natuur. Gelukkig is er nog steeds een afspraak tussen Amsterdam en omringende gemeenten om bepaalde gebieden groen te houden.

Al zie je wel steeds meer dure huizen verschijnen tegen de Amsteldijken aan, the rich and famous willen er graag wonen. Zeker aan Amstelveense kant kom je nog wel wat opstallen tegen van BN-ers. De Amstel, ik ben er mee opgegroeid. Nooit heel ver van die rivier weg gewoond. Herinneringen vermengd met de moderne tijd. Van vroegere bootverbindingen tussen Amsterdam en Ouderkerk of zelfs Uithoorn, tot een dicht gevroren rivier begin jaren zestig. Van kolenboten aan de kade in Amsterdam Zuid tot de vele roeiverenigingen die door de jaren heen hun domicilie aan en op de Amstel vonden. Amsterdam zonder Amstel is ondenkbaar. Net als Rotterdam zonder Rotte of Maastricht zonder Maas. En wie er van wil genieten moet er eens langs gaan lopen. Zo prachtig, dat je als je enig talent bezit al snel staat te schilderen of fotograferen op zeer fraaie plekken. Ik doe dat regelmatig…. Aan te bevelen….(Beelden: Eigen archief)

Leeshonger…

Tuurlijk, ik kan als ik me nooit meer druk zou maken over de zaken die ik hier nog wel eens te berde breng, tot het einde der dagen met mijn in de eigen bieb verkerende boekwerken lezend de tijd doorbrengen. Geen behoefte meer aan een nieuwe uitgave. Gewoon de voorraad eens benutten waartoe hij is bestemd. Naslagwerken komen me overigens dagelijks vaak van pas. Je wilt soms wel even een paar feiten op hun waarheidsgehalte toetsen. Ik doe op dat punt meestal veel uit de bol, maar soms…. Kortom, boeken te over in ons huis dat toch veel weg heeft van een bibliotheekfiliaal. Wij zijn nog echte lezers van papieren gedrukte boeken. En sommige daarvan ruiken ook heel specifiek. Heerlijk. Soms even drie boeken door mekaar heen. Stripboek er tussendoor voor de smaak, maar ook wat zwaarder werk. Vrouwlief meer in de fictie, ik vooral in de non-fictie geïnteresseerd. Maar dat voldoende hebben staan is nooit reden om waar mogelijk niet even te neuzen naar iets wat ik nog niet in huis heb.

En vrouwlief doet dat op haar manier net zo. Het was en is dan ook bijna frustrerend dat we niet zonder ‘gedoe’ even kunnen binnenstappen bij een boekhandel of een goed gesorteerde kringloopwinkel. Al zijn die laatsten tegenwoordig niet meteen goedkoop, toch vind je er wel eens zaken die best bijzonder zijn. Maar al dat gedoe bij de ingang, je bent als je een beetje gaat winkelen bijna schoonmaker van mandjes en handjes met diploma. Jeminee, het ongedwongen kijken is bijna niet te doen. Toch weet ik dat ergens weer nieuwe dingen te vinden zijn die mijn leeshonger zouden kunnen stillen. Maar dat geldt voor meer dingen die me interesseren of aan de smaak appelleren. Net als de zgn. ‘huidhonger’ is ook de leeshonger stevig gegroeid in de afgelopen maanden. Is dat een goed of slecht teken? Heb ik dan nooit genoeg van het een of het ander? Kennelijk is dat leesvoer in de jeugd zo aantrekkelijk gemaakt dat ik vanaf boek 1 dat ik in mijn eigen kamer had staan ben uitgegroeid tot beheerder van een aardig archief.

Ook weer uitgelezen…..

Zal veel mensen van mijn generatie niet verrassen, want ik hoor/lees veel van hen die hetzelfde meemaken. Leeshonger, en niks fijner dan met een boek op de bank of in bed. Op het moment dat ik dit schrijf lees ik ondertussen een boek over alle zaken die met Amsterdam van doen hebben, daarnaast een boek over de luchtoorlog in Europa tussen 1914-45, een boek van Geert Mak over de politiek en samenleving vanuit zijn standpunt en een van mijn maandelijkse uitgaven (in miniboekvorm) over de actuele situatie in de luchtvaart. Daarnaast nog bladen, om het over de sociale media met al hun leeswerk maar niet eens te hebben…….. Ben jij ook zo’n lezer? Ik lees er graag over….(Beelden: Eigen bieb)

 

Spoedkliniek – tegen een prijs…

Als je echt op zoek gaat (of moet) naar een spoedkliniek voor dieren kom je zonder het te willen letterlijk en figuurlijk in een wat andere wereld terecht. Een wereld waarin je maar weinig van die voorzieningen zult vinden. Wij mogen blij zijn dat in onze omgeving een tweetal van deze klinieken te vinden is. Een daarvan benutten we net aan het begin van de corona-ellende voor een probleem met onze grote en trotse maar nog zo jonge kater Presley. Doorgestuurd door de dierenarts die er geen heil in zag zelf echt onderzoek te doen. Het kostte ons uiteindelijk 700 Euro om het diertje te kunnen laten behandelen, maar de uitkomst was dat men eigenlijk niet wist wat er loos was. Dier knapte op, we namen ons verlies en gingen verder met ons leven. Gelukkig deed Presley dat ook. Een andere kliniek zit in Amsterdam-Sloterdijk. Zat vroeger aan de Weesperzijde in onze stad en heeft een aantal ‘experts’ in huis op diverse terreinen.

Komt de gewone dierenarts er niet uit, of wordt jouw dier net ziek in het weekend dat de jou bekende dierartsenkliniek niet open is, ‘mag je’ naar de spoedkliniek. En dan is het te hopen dat je saldo op de rekening toereikend is. Zo niet? Jammer maar helaas. Onlangs maakten wij iets soortgelijks mee met een kat van een familielid. In de nacht ziek geworden, de dierenarts pas om 9 uur beschikbaar voor een afspraak (ben je nog niet binnen want afspraak maken) dus verwezen naar de dierenkliniek in Amsterdam. De woonplaats van het familielid is Almere, je zou toch verwachten dat men daar ook zo’n voorziening heeft intussen, maar nee, dus ik diende als spoedambulance in de vroege ochtend die door alle perikelen in het verkeer (Almere en files, het blijft een dingetje) lang deed over de weg heen en weer naar de hoofdstad. Eenmaal daar werd het dier aangenomen, een rapportje opgemaakt over de conditie van het (jonge) diertje en de kat meegenomen.

De baasjes mochten door de corona-protocollen niet mee naar binnen. Maar hopen dat men goed had begrepen wat er loos was. Wij konden vertrekken. In de middag belde een internist. Moest nog aan het onderzoek begonnen en wilde even weten wat er loos was. Geen rapport gelezen. Leek wel een mensenziekenhuis. Lang verhaal kort, volgende dag (diertje moest overblijven) mocht de trotse kater weer worden opgehaald. Men had van alles en nog wat gedaan, maar een echte conclusie over oorzaak en gevolg bleef uit. De hoogte van de rekening zodanig dat je daar een aardige tweedehandsauto van kunt kopen, zij het zonder garantie. Geen persoonlijk gesprek, vragen stellen moet via mail.

Dat laatste was nodig, omdat het dier eigenlijk nog steeds het euvel vertoonde waarvoor hij eerder al eens bij deze kliniek was geweest. Maar de mailvragen bleven lang onbeantwoord. Ach…voor dat geld… Het is jammer dat er zo weinig van deze klinieken bestaan. Ook dat dit allemaal zo peperduur moet zijn. Want laten we wel zijn, niet iedereen is bij machte deze goede vorm van zorg voor huisdieren te betalen. En zal wellicht besluiten om een ziek dier dan maar niet te laten nakijken met alle gevolgen van dien. Maar een gemiddeld maandsalaris besteden aan een kat, hond of ander klein huisdier is best een beslissing. En omdat er weinig van deze klinieken bestaan is er ook geen concurrentie. Kortom, het was even een dingetje allemaal. En iets om goed over na te denken. Wellicht dat dierenartsen zelf de boel eens wat kunnen opwaarderen en niet alleen meer onderzoeken zelf gaan doen, maar ook de openingstijden wat kunnen verbreden waardoor je als ‘baasje’ van huisdieren niet meteen wordt veroordeeld door de gang naar zo’n duur en exclusief instituut. Zelf ook ervaringen op dit punt? Ik ben benieuwd. (Beelden: Yellowbird archief)

Werken op Schiphol 9 – Bedrijfsstructuur en cultuur…

Om te duiden in welke omstandigheden wij werkten op dat altijd dynamische Schiphol is het goed om even uit te leggen hoe het bedrijf waar ik was aangetreden in elkaar stak. Het was een oud en traditioneel denkend expeditiebedrijf dat een hoofdkantoor kende in Rotterdam en werd aangestuurd door een telg van de naamgevende familie. Daarnaast waren er wat bestuurders te vinden met een leeftijd die weliswaar seniority in zich hadden, weinig op leken te willen krijgen met wat wij wilden; vooruit! Het bedrijf in Rotterdam werkte nog in het stukgoed, behandelde ladingen uit de scheepvaart, het wegtransport en ook spoorvervoer. Naast een hoofdkantoor was er ook een loodsencomplex en men hield daar heel wat mensen aan de slag. In alle eerlijkheid heb ik dat hoofdkantoor nooit van dichtbij of binnen gezien. Je was er niet welkom en had er eigenlijk ook niks te zoeken. Wij vielen in eerste instantie onder het Amsterdamse bewind van hetzelfde bedrijf waar men in die jaren ook nog steeds goed leefde door het behandelen van lading die per trein, schip of truck werd aan- of afgevoerd.

Ook daar was een tweetal heren verantwoordelijk voor het draaiend houden van die operatie, beide in de functie van procuratiehouder en er omheen hing een aardige staf aan kantoormensen, aangevuld door loodsmedewerkers en chauffeurs die actief waren in de loodsen die het bedrijf in Amsterdam-Oost onderhield. Ons Schipholse kantoor was eigenlijk min of meer een vooruitgeschoven verkenningspost in dat bijzondere wereldje van de luchtvracht. Een wereld die voor de beide hoofdkantoren toch een beetje buiten hun aandachtsveld viel qua meedenken en dat leidde vaak tot bijzondere gesprekken tussen ‘baas Breems’, zelf ook procuratiehouder, en die aanvoerders van de traditionele vervoersvormen. Elke pen of andere aankoop moesten we zien te verantwoorden en men was meer van de administratie dan van de omzet en winst. Men wilde inzicht in het proces en dus werden we genoodzaakt om onze administratie te doen op de bij de andere kantoren bekende wijzen.

Wat inhield dat we in enorme boeken onze zendingen moesten registreren, met zowel de inkoop- als verkoopprijzen. En dat alles met de hand en pen, plus rekenmachine. En dan moest je ook nog factureren. Zowel nationaal, internationaal als met de overheid, die haar invoerrechten en accijnzen veilig stelde middels stevige heffingen. We waren er als kleine staf maar druk mee. En eigenlijk was dit doodzonde van de tijd in die opbouwfase. Afstemming met onze kantoormanager Ruud Breems vond vaak plaats doordat een van de hogere heren even langs kwam. Met name de naamgevende directeur uit Rotterdam was een man die vrij kritisch kwam kijken of we wel voldoende deden op Schiphol en of we de procedures wel volgden. Af en toe een schouderklopje kon er net vanaf, maar vaker werd gewaarschuwd tegen die altijd weer opdoemende ‘wolken aan de horizon’ die de transportbranche nu of in de toekomst konden treffen’. Dat klopte zeker voor die traditionele kantoren, wij hadden alleen maar van doen met groei. Maar dit systeem van werken zou op den duur toch leiden tot ellende. Maar dat wist ik aan het einde van de jaren zestig nog niet. Wij knokten door en behaalden successen. Zonder echte steun uit Rotterdam of Amsterdam. Een eiland. En dat geeft toch een bepaald gedrag van de bewoners. Waarvan ik er een was…(Beelden: Yellowbird archief)

Werken op Schiphol 6 – veranderingen op komst…

Privé gingen er ook wat zaken anders dan voorheen. Om allerlei redenen bleek het handiger om te gaan trouwen. Dat paste ook bij de wens om samen een nieuwe toekomst op te bouwen. In 1967, dat jaar van de grote veranderingen rond de werkplek, vond die gebeurtenis plaats. Het gaf me qua thuisbasis een extra stuk rust. Immers, ik wist nu waar ik voor werkte en kon daardoor ook gaan denken aan meer dan alleen maar het bijdragen aan een schier bodemloze familiepot. Nu was het allemaal voor ‘ons’ en als ik dan hard werkte en extra uren draaide wist ik waar dat terecht kwam. Trouwen was ook verhuizen. En dat deed ik met veel plezier. Alleen kwam ik nu nog wat verder van het Schipholse werk af te wonen. De Puch bromfiets voldeed dan nog wel in de zomerse maanden, maar in de winter was het best een dingetje. Temeer omdat mijn werk ook inhield dat ik altijd stand-by moest zijn als bepaalde klanten belden om hun lading op het vliegtuig te krijgen. Een van die lui was de firma de Boer uit Nijverdal.

Een handelaar in levende dieren die altijd op het allerlaatst besloot om nog even een lading op de trein te zetten die ik dan in de avonduren met hard en snel werken langs de douane moest zien te krijgen en last-minute op de beoogde vluchten. In de zomer niet zo erg, maar ik heb heel wat koude ritjes op mijn Puch gemaakt met een doos of kist levende eenden tussen de knietjes vanaf het Amsterdamse CS naar Schiphol. Niet optimaal natuurlijk. Zeker niet in de winter. De onpraktische situaties die hier het gevolg van waren en het comfort voor die beesten (over mijn gezondheid werd niet nagedacht…business voor het mannetje) maakte dat een paar zaken ineens versneld werden ingevoerd. Zo werd een VW Bus van het nieuwe type T2 besteld voor de uitlevering van onze zendingen, maar ook het ophalen daarvan. Om die wagen een vaste berijder te geven kregen we in plaats van onze vrijmaker Rinus een nieuwe vent in dienst, Jaap Kunst.

Breed als een kleerkast, afkomstig uit een reeks van broers die allemaal werkten in ons Amsterdamse kantoor en/of loodsen en ook met de nodige rijervaring. Voor dat busje wellicht niet zo van belang, wel voor alles wat met douaneritten en zo meer van doen had. Want veel douanewerk speelde zich nog in Amsterdam af, de overheid had nog geen investeringen gedaan om de douane op Schiphol meer dan een uitvoerende taak te bezorgen. En dus moest je voor sommige formaliteiten op en neer naar de Amsterdamse Westerdoksdijk of zelfs Oude Hoogstraat om daar stempels op certificaten en zo meer te halen. Jaap Kunst kende die formaliteiten en wegen. Dat scheelde. Maar dat nieuwe busje was ook handig voor woon/werkverkeer. Ik mocht het als verst wonende elke dag meenemen, mits ik de collegae op werkdagen ophaalde en weer thuisbracht, en daarnaast stand-by bleef staan als Meneer de Boer weer wat gevogelte per avondvlucht wilde versturen. Nou dat wilde ik wel. Het scheelde me heel wat bevroren ledematen door de brommerritjes in mijn kantoorpak. Daarnaast werd de aloude Ford Taunus combi van Ruud Breems vervangen door een echte personenwagen, een 15M RS in de kleur groen. Net zo groen als ons VW-busje en passend bij de kleuren van alle andere voertuigen in dat aloude transportbedrijf dat ook in Amsterdam en Rotterdam zetelde. De verdere ontwikkelingen konden beginnen. Nou…die kwamen ook!  (Beelden: Yellowbird archief/internet)

Grote Klasse(n)!

Natuurlijk blijf ik wat ambivalent aankijken tegen het strenge katholieke onderwijs van vroeger. Maar een ding is zeker, grote klassen of niet, het onderwijs dat werd gegeven stond als een huis. Niet alleen wisten we hoe de Nederlandse taal in elkaar stak, we leerden goed rekenen, kregen inzicht in de geschiedenis van ons land, leerden cultuur (h)erkennen, er werd gedaan aan gymnastiek en zwemmen en men wist je ook nog bij te brengen dat de tien geboden er niet waren voor de lol van de kerk maar vooral om je als beter medemens de maatschappij ingestuurd te krijgen. En voor de goede orde, de klassen en scholen puilden ook toen uit. Niet in de laatste plaats omdat de geboortegolf van na de oorlog heel wat (katholieke) gezinnen flink wat nageslacht bezorgde. Maar de inzet van al die leerkrachten van toen, veelal van de degelijke soort met harde handen en een gevoel voor discipline dat er niet om loog. Wie niet wilde horen moest maar voelen. Ik heb er na een incident in de eerste klas waarna mijn stevig gebouwde stiefvader even verhaal ging halen toen ik door zo’n katholieke broeder en paar stevige rode wangen was bezorgd nooit meer last van gehad.

Wel een nadeel van dat onderwijs. Maar toch! Ook de inzet op zelfontplooiing die je werd bijgebracht. Wie verder wilde komen moest vooral hard werken (in het aanschijns des…) en flink leren. Ik kon er zelf goed mee omgaan. Nu kijk ik weleens mee naar al die discussies en protesten van de moderne leerkrachten die meer, meer, meer willen voor minder, minder, minder. Tuurlijk, de problemen zijn vast groot. Bureaucratie, regels, maar zeker ook een vrij pluriform aanbod van leerlingen, waarvan een deel de Nederlandse taal niet machtig is. Dus stress. Maar zou die stress vroeger ook niet hebben gegolden? Wij moesten ook op zaterdagochtend nog gewoon naar school. En je moest elke woensdag (en zondag) vroeg naar de kerk. Altijd waren er leerkrachten bij. En die hielden bij of je er was en hoe jij je gedroeg. Kerkbezoek als rapportcijfer. Maar voor die aanbieders toch ook extra werkuren. En ik denk niet dat ze er dik voor betaald werden. Immers, roeping en zo meer.

Navraag bij vrouwlief die hetzelfde meemaakte bij een nonnenschool deed me constateren dat die lui in die jaren toch heel bevlogen moeten zijn geweest. Een paar jaar na mijn stopzetten van de katholieke opleiding was het eigenlijk ook wat afgelopen in onze streken. Het moest anders volgens de Mammoetwet van de scholing en daarmee daalde het kwaliteitsniveau bij het onderwijs om zo de nivellering mogelijk te maken. De sterken moesten minder presteren om zo de zwakkeren mee te kunnen trekken. En tucht of orde ging in de ban. Jan en Piet of Klaartje kwamen voor de klas, U werd vervangen door Jij. Het lijkt ouderwets van me, maar dat is het zeker niet. Eerder realistisch. Onderwijs moet jonge mensen klaar zien te stomen voor een maatschappij die steeds meer van ze vraagt. Weet hoe de taal werkt, dat 1 en 1 gewoon 2 is, en dat Groningen niet naast Maastricht ligt. En dat de Nederlandse geschiedenis niet werd bepaald door slavendrijvers maar door mensen die geloofden in ondernemerschap en ontdekkingsreizen. Handel en wandel en niet zo geindoctrineerd bezig zijn met het milieu. Leer in plaats daarvan nu eens dat wat van een ander is niet mag worden afgenomen als dat jou zo maar bevalt. Opdat we geen stroom links-radicale of allen maar respectvragende rakkers  een plek bezorgen in een proletariaat van de groene gemeente. Pluriforme samenleving? Dan ook een tegengeluid verzorgen. Eenzijdigheid leidt maar tot revolutie. De kerken kunnen je daar alles over vertellen. Maar die hebben de kennis dan ook nog in huis en leerden daarvan. En intussen doen we ons best om het onderwijssysteem anno 2020 overeind te houden in de Corona-ellende. Wat op zich weer bijzondere zaken zal opleveren. Ook betere scholing? Ik betwijfel het! Maar wie het beter denkt te weten mag zich melden.  (Beelden: Yellowbird archief)

Fietstocht morgen!

Morgen zou het weer de jaarlijkse optocht van naakte fietsers door het centrum van Amsterdam geven. Altijd een leuk evenement, al moet je het weer wel een beetje mee hebben natuurlijk. Zeker in een stad als de onze waar men elke regel aan de laars lapt weet men deze optocht wel te waarderen. Meestal komen er minstens 200 deelnemers bijeen (worden er nu heel wat minder i.v.m. het Corona-gedoe) om zich al dan niet kleumend te laten aanschouwen op hun tocht van Nieuwmarkt naar Vondelpark. Waarom men dit doet ligt vooral in de geschiedenis. Ooit liepen hier in de stad Wederdopers door de straten die vonden dat naakt zijn de ware mens als gelovige liet zien aan de boven ons gestelde goden. Het liep slecht met hen af. En door de jaren heen werd deze groep herdacht door hen die er al snel een ander stukje invulling bij zochten.

In de jaren zestig deden er soms wel 1000 mensen aan mee, maar toen was men ook nog op weg naar de beha-verbranding en bevrijding van het vrouwelijk lijf. Later herdacht men er mensen mee die aan vreselijke ziekten als Aids waren verdwenen van de aardkloot. Ook toen kwamen vele honderden voorbij om zich de naakte huid toe te vertrouwen aan het weer en de fiets. Tegenwoordig is het vooral een ludieke tocht die aandacht vraagt voor de toenemende vertrutting en ontkenning van het bloot zijn door gefrustreerden of mensen met teveel taboes. Sommige deelnemers zijn al vele jaren aanwezig en dat is aan hun blote lijven te zien. Bij anderen kwam het gevoel van naakt protesteren juist kort geleden en zo is er een prachtig vermenging van oud en jong, man en vrouw, homo of hetero. Er is maar een restrictie van toepassing, geen elektrische fietsen!

Dat zou de stoet ook te veel uit elkaar trekken. Men wil toch juist als groep een statement maken. Kortom, wie ook mee wil doen, van harte welkom. Namens de organisatie geef ik als meninggever even aan dat de tocht morgen om 11 uur vertrekt van de Nieuwmarkt en dan door de Damstraat, Dam, Rozengracht en Mauritskade naar het Vondelpark rijdt. Geklede mensen zijn niet welkom, al zijn mondkapjes wel toegestaan en dat men minstens 1,5 meter uit elkaar rijdt en staat. Ik neem aan dat zij die niet meedoen maar deze groep wel een warm hart toedragen langs de kant staan met warme thee en wat lekkers? Met een beetje goede wil komt men na de finish samen in het Vondeltheater om nog wat leuke dingen door te praten. Veel succes! (Om op tijd te kunnen vertrekken vraagt de organisatie om het liefst een half uur voor vertrek aanwezig te zijn voor Cafe ‘De Wilde Markt’, waar een mobiel toilet beschikbaar is en ook een verkleedplek Uiteraard in deze tijden met veel reingingingsmiddelen en stapels toiletrollen .)    

Praktijkervaringen uit de verkoop 5 – De Dacia die verdween…

In mijn verhalen over het werken met dat merk waarvan het logo een vliegende pijl bevat beschreef ik ook dat wij als dealer indertijd min of meer onder dwang het Roemeense merk Dacia kregen toebedeeld. Nog even terug in de tijd voor de plaatsing van het geheel, Dacia was (is nog steeds) een Roemeens automerk met een sterke link naar Renault. Nadat men daar eerder al R8’s van dat Franse merk in licentie had gebouwd deed men dit met veel enthousiasme nog eens over met de latere R12. Dat was in oorsprong een vrij moderne gezinsauto met voorwielaandrijving, goede wegligging en een grote kofferbak. De Franse versie was in ons land ook mateloos populair geweest en dus zag importeur Englebert van toen er wel brood in om die Roemenen op de markt te brengen. Nu waren die wagens uiterlijk weliswaar compleet Frans, maar onderhuids had men onder druk van het communistische regime dat er toen de scepter zwaaide gekozen voor componenten die in eigen land waren gefabriceerd. Een grote vergissing. Daarbij zette men die auto’s met weinig plezier in mekaar en dat was goed te merken aan afwerking en kwaliteit.

Dat gold dus ook voor ons land. De auto’s die Englebert hierheen haalde had men eigenlijk door een technische mangel moeten halen, maar dat verzuimde men, dus alle ellende kwam terecht bij dealers en kopers. Tot die laatste groep behoorde bij ons toenmalige dealerbedrijf anno 1978 een man met een eigen haardenwinkel in Amsterdam. Hij was iemand met een grote voorliefde voor drama. Als hij een lekke band had waren alle goden tegen hem en lag het aan de fabrikant van de auto. Als jarenlang Skoda-rijder was hij op enig moment op zoek naar een geschikt alternatief waarmee hij geen lekke banden meer kreeg (ik chargeer het even..) en dus boden we hem de net in de showroom opgestelde Dacia sedan aan. Was te bestellen in een heldere kleur geel met een zwart of beige interieur. Beetje luxe er op en aan en hij zou apentrots worden. Dachten we. En ja, de aflevering verliep probleemloos en hij reed weg met zijn Roemeen als een glunderende kroonprins met Maxima. Helaas duurde het plezier niet te lang.

Op een of andere wijze stond hij ergens onderweg stil. Duizend bommen en granaten. Het ding sloeg af en wilde niet meer rijden. Gek genoeg was het wel zo dat toen wij bij de splinternieuwe Roemeen kwamen en de contactsleutel omdraaiden, de auto gewoon startte en de motor als een zonnetje draaide. Het moest wel aan de klant liggen. Hoe dan ook, een maand later was de man zowat aan de valium want de Dacia had hem een keer of tien laten staan. Zo maar ineens. Tijdens het rijden. Afslaan….Dat kon natuurlijk niet dus maakten we de afspraak om de auto uitgebreid te testen bij ons als hij vakantie vierde. Dat zou 14 dagen duren, dus we hadden nog even. En zo benaderden we het probleem. Even rijden, veelal zonder enig probleem. Tot ik als vrijwilliger hetzelfde meemaakte en de auto langs de Bosbaan in het Amsterdamse Bos afsloeg. Pas na een minuut of vijf ging hij weer aan de slag en was er niks meer mee mis. Vreemde storing. De auto werd voor de deur van de werkplaats geparkeerd en in de stille uurtjes af en toe even beetgepakt. Zonder resultaat. Op een slechte dag hoorde ik vanuit mijn kantoor een hoop geschreeuw. De Dacia was gestolen. Van voor de deur bij ons bedrijf. Een van de monteurs er achter aan, zonder resultaat. De Dacia was verdwenen. Ik nog lachen, die dief komt vast niet ver. Nou dat viel tegen.

Na aangifte bij de politie kwam de auto vijf dagen later boven water. In de buurt van Arnhem, waar hij was gebruikt voor een bankoverval. Een wat??? Kon toch niet? Wel zeker! Dus werd de auto door ons op een aanhanger teruggehaald. Hij bleek aardig uitgewoond en vervuild door de dieven. Dus hij moest weer teruggebracht naar nieuwstaat. Importeur Englebert stelde zich hiervoor gelukkig garant, mits wij de auto ‘even kwamen brengen’. Dat deed ik samen met mijn toenmalige chef. Maar op weg naar Voorschoten stond ik twee keer stil. Hoe hadden die bankrovers dit klusje voor mekaar gekregen? Geen idee. Hoe dan ook, de importeur maakte de auto weer nieuw en vond uiteindelijk ook het euvel. Een piepklein slangetje vlak voor de benzinetank zoog bij gas geven vacuum en sloot de toevoer af. Renault onderdeel er tussen gezet en euvel was opgelost. Klant na zijn vakantie dolblij. En zo was iedereen en alles weer gelukkig. Maar een raadsel bleef het. Wonderlijke auto’s die Dacia’s….Overigens voor dat land waar hij vandaan kwam net zo belangrijk als Lada voor de Sovjet-Unie of Skoda voor de Tsjechen en in grote aantallen gemaakt. Als die allemaal zo’n slangetje voor de tank hadden zitten….(Beelden: Yellowbird archief)

IJmuiden!

Veel Amsterdammers gaan richting Zandvoort of Bloemendaal als ze de zee willen zien of beleven, maar er is nog een aardig alternatief in de vorm van de wat noordelijker gelegen bad- en havenplaats IJmuiden. Tegenwoordig vooral bekend van de zeehavens met toegang tot het Noordzeekanaal en Amsterdam, of de Tatra Steel-Hoogovens die aan de Beverwijkse kant te vinden zijn. Maar dat IJmuiden heeft ook een geweldig (breed) strand en prachtige duinen in de aanbieding. Het ‘Kennemerstrand’ heeft dus al veel te bieden. Van oorsprong een gemeente met vooral hardwerkende inwoners en vissers, later kwamen er ook andere mensen wonen die hielden van het dynamische of de frisse lucht. Met name na de aanleg van dat kanaal naar zee waardoor Amsterdam niet meer afhankelijk was van de soms onstuimige Zuiderzee met haar zandbanken om de haven via de oostkant te benaderen of verlaten, bloeide IJmuiden door die westelijke ontsluiting op.

Het werd nooit zo mondain als die andere twee genoemde badplaatsen, daarvoor was er domweg te veel industriele verpakking, maar dat neemt niets weg van de aantrekkelijkheid of veerkracht. Die laatste hadden de inwoners van de stad wel nodig toen de Duitsers in de oorlog hier hele vestingen bouwden naast een  grote onderzeebootbunker. Onderdeel van de zgn. Atlantik-Wall en daardoor meteen ook aantrekkelijk doelwit voor geallieerde bommenwerpers die vaak hun ladingen mis gooiden en dan hele wijken van IJmuiden in de as legden. Van de bunkers in de duinen is overigens nog veel overgebleven. Wandel je door die duinen heen, en dat is zeer aan te raden, kom je veel van die Duitse complexen tegen. Meestal goed afgesloten omdat men geen ongenode gasten in die complexen toe wil laten.

Een enkele is gewoon open en te bekijken. Er is zelfs een bunkermuseum, waar je kunt zien dat het best zwaar was voor de daar gelegerden om het nog een beetje gezellig te hebben. Het strand kent een aantal strandtenten, horeca tegen de duinen. Vaak toegankelijk voor mensen met honden. En sommigen het hele jaar open. Wie houdt van lopen kan flink uit de voeten, want vanuit IJmuiden loop je simpelweg naar Bloemendaal of Zandvoort en wie de goede benen heeft kan zelfs tot Hoek van Holland komen. Wij deden dat bij ons laatste bezoek maar niet. Je moet niet meteen overdrijven natuurlijk.

Helemaal niet als je de auto aan het begin van het duincomplex hebt neergezet en dan bij het strand ontdekt dat er vlakbij de zee ook van die parkeerplekken zijn voor de auto. Maar goed. We genoten weer eens van de stad met die zware industrie van de Hoogovens altijd in beeld. En van de zeeschepen die hier in en uit varen en je bij goed zicht kilometers ver kunt blijven volgen. IJmuiden is een stille badplaats, maar daarom zeker niet minder interessant.

Mits je in staat bent door die industrie heen te kijken. Nog een aardig winkelcentrum ook waar elke zichzelf respecterende keten en meer te vinden zijn. En via wat aardige lanen en wegen kom je dichtbij ook Santpoort tegen of Driehuis. Kortom, aardige bestemming voor een dagje of wat genieten aan zee. Wij deden dat in februari jl. En raakten toch geinspireerd. Al was het maar omdat je hier ook de vliegtuigen ziet die van/naar Schiphol vliegen en de grote plas oversteken of staken…. (Beelden: Yellowbird)