
Het is een aardig weetje dat een van de grootste bosprojecten in onze omgeving ooit in 1928 werd bedacht door leden van de Amsterdamse bestuurderskring toen men het zgn. Bosplan aannam. Het moest komen ten zuiden van de toenmalige stad aan de rand van de Buitenveldertsepolder, de Amstelveenseweg en de Amstelveense Poel. Vele bosbouwdeskundigen en andere hoge jongens uit die tijd deden een paar jaar over het definitieve plan dat volgens de papieren vijf jaar noeste fysieke arbeid zou vragen van tenminste 1000 arbeiders. Het plan werd beetgepakt door o.a. uitkeringstrekkers die in de toenmalige financiele crisis echt in de problemen waren gekomen te verplichten hard te gaan werken voor hun geld.

Het plan zou overigens zeker meer dan vijf jaar duren (in 1970 werden de laatste bomen aangeplant..) en heel wat arbeiders werkten zich er letterlijk kapot. Maar toen het eenmaal werd opgeleverd en de naam Amsterdamsche Bos werd geplakt op die van het Bosplan, had Amsterdam er een uniek stuk natuur bij. Het toen nog parkachtig gebied was 20 maal zo groot als het Vondelpark en en kende toen bijna 900 ha qua omvang. Later zou men na WO2 nog een extra stuk toevoegen aan de Aalsmeerse kant van de A9 snelweg (toen nog Schipholweg genoemd..).

Voor de oudere Amsterdammers is de term Bosplan nog steeds standaard opgenomen in hun vocabulaire. Het bos zelf kent heel vele kantjes. Er zijn sportvelden te vinden, bijzondere dieren, waterpartijen, de fameuze Bosbaan (t.b.v. de roei/kanoverenigingen in 1937 aangelegd), je kunt er wandelen, fietsen, er zijn zonne/speelweides, er loopt een trimbaan doorheen, maar er is ook heel veel groen. Een deel van het nieuwe bos beschreef ik al eens na mijn bezoek aan de Japanse tuin die in het voorjaar zo fraai in bloei staat. Amsterdammers weten de weg naar het Bosplan wel te vinden. Maar dat geldt ook voor Amstelveners en Aalsmeerders. Of werkenden op Schiphol waar het bos toch aardig tegenaan ligt. Het zgn. Nieuwe Meer (een uitgegraven stuk van de oude Haarlemmermeer) zorgt voor watersport en naturistisch plezier. Tegenwoordig wordt er veel gedaan aan natuureducatie. Opvallend genoeg liet men in de jaren negentig het zgn. Bosmuseum vervallen. Daarmee is de geschiedenis van het bos toch wat uit het oog verdwenen. Wie er op nostalgische wijze heen wil kan o.a. gebruik maken van de Museumtramlijn die start in het fameuze Haarlemmermeerstation en eindigt in Amstelveen bij de Bovenkerkerweg. Kortom, dat Amsterdamsche Bosplan is een bezoek meer dan waard. Wij komen er naar traditie graag. Zijn er ook mee opgegroeid en voor ons in Zuid was het allemaal per fiets bereikbaar. (beelden: Prive)









































Wie met de auto rondrijdt in het gebied ten zuiden van Amsterdam moet de ogen wel dicht houden wil men niet zien dat in het landschap bijzondere gebouwen te vinden zijn die wel erg lijken op compacte spoorstations. En ook de contouren van oude spoorbanen zijn voor wie goed op let nog wel te vinden. Soms zelfs omgevormd tot vrije busbaan. De moderne tijd en zo. Maar die gebouwen en banen liggen of staan er niet voor niets. Ruim een eeuw geleden werd het regionale verkeer rond de hoofdstad verzorgd door heel wat kleine spoorweg- of trambedrijven die een prima aanvulling vormden op de hoofdlijnen van wat later de Nederlandse Spoorwegen zou gaan heten. Vanuit Amsterdam kon je via Amstelveen naar Aalsmeer, Haarlem, Hoofddorp, Leimuiden, Leiden, Uithoorn, Bovenkerk, Alphen aan de Rijn en Nieuwveen of Ter Aar. Die lijnen werden gereden met kleine treintjes die we nu als trams zouden omschrijven, getrokken door trouwe stoomlokjes. Ondanks dat de exploitant in dit specifieke gebied het plan had om al die lijnen elektrisch te maken, het zat ook in de naam van de firma (Hollandsche Elektrische Spoorweg Maatschappij), kwam dit er nooit van. De eerste lijnen werden trouwens een halve eeuw later dan gepland geopend in het jaar 1912.
In eerste instantie nog met een beperkt lijnennet, maar na een paar jaar werd het hele routenet gereden en men deed dit met zowel passagierstreinen als met goederenwagons. Toch duuurde dit avontuur niet zo lang. Door de economische crisis in de wereld was het rond 1930 voor een groot deel al weer voorbij. Wat bleef was de verbinding tussen Amsterdam en Amstelveen-Uithoorn en verder door naar Nieuwersluis aan de Vecht. In 1950 was het ook hier over en uit en werden de lijnen ontmanteld. In 1972 brak men de boel definitief af, maar met dien verstande dat korte stukjes open bleven voor goederenvervoer, al dan niet ten bate van bouwprojecten elders. Het eerste stuk vanuit Amsterdam, werd omgebouwd en elektrisch gemaakt ten behoeve van de Stichting Museum Tramlijnen die er o.a. met normaal GVB-materieel op en neer rijdt naar station Bovenkerk in Amstelveen. Wat overbleef waren die bijzondere stationsgebouwen waarvan de bestemming door de loop van de jaren werd gewijzigd.
Het ene gebouw wordt nu bewoond, het station van Uithoorn is een restaurant geworden en het station van Aalsmeer Oosteinde een fietsenhandel. Het hoofdstation van Aalsmeer kreeg een makelaarskantoor onder dak en men zette er een oude diesellok voor de sfeer bij neer, maar die deden indertijd uiteraard geen dienst op deze lijn. Ook bij het oude station in Uithoorn zien we zo’n oud lokje staan. In datzelfde Uithoorn is de oude spoorbrug inmiddels omgebouwd voor de vrije buslijnen die het dorp verbinden op soortgelijke wijze als dat railvervoer uit die vorige eeuw. Het lijnennet van deze regiovervoerder was best fijnmazig en werd door de passagiers in die jaren zeer gewaardeerd. Later kwamen op al die trajecten bussen rijden. Efficient, warm en zo meer. Maar met veel minder sfeer. Al was het maar door die toch unieke stations die deze tramlijnen zo bepalend maakten in het veenlandschap aan de zuidkant van Amsterdam. En wie in Amsterdam zelf op zoek wil naar sporen uit het verleden. Bezoek dan eens het Haarlemmermeerstation. Begin- en eindpount voor deze tramlijnen in de hoofdstad en nu de thuisbasis voor die museumtrams. (Wikipedia/Yellowbird)