Leven met de Vliegende Pijl – 26 – Klantenkring en kwaliteit!

Skoda kende als merk een bijzondere klantenkring die je voor een deel kon opsplitsen in de periode van voor de verplichte APK (1983) in ons land en die van daarna. Het Tsjechische merk had in die eerste jaren vooral politiek principiële of sterk prijsbewuste rijders. Mensen die net als ik zelf indertijd gingen voor het merk, er ook iets mee hadden. Soms koos men dan voor het Tsjechische merk vanuit overwegingen waarbij ook het Russische Lada of Scaldia een rol speelden. Communistische sympathieën kwamen soms ook voorbij, maar vooral toch die financiële overwegingen. Wie nieuw wilde rijden en niet al te veel eisen stelde aan zaken als imago of wegligging had er in die periode een prima auto en merk aan. Dat werd compleet anders toen de APK-keuringen in ons land werden ingevoerd aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Mensen met een Franse of Italiaanse auto die meenden dat hun vlotte of modieuze auto nog jaren mee kon ontdekten toen tot hun schrik dat veel van die wagens na een paar jaar gebruik al compleet verrot waren en die jaarlijkse verplichte technische keuring niet meer door zouden komen. Het waren vooral ook mensen die best wat spaargeld hadden of in de huizenhausse uit die dagen geld hadden overgehouden dat ze via een persoonlijke lening of zo konden besteden aan een nieuwe auto. En dat zorgde voor veel nieuwe klantenaanwas voor het Tsjechische merk. Voor veel van hen was het dan soms wel wennen aan de bijzondere eigenschappen van die toenmalige Skoda’s. Zwaarder sturen (tot en met 1984 worm en rol stuur) plus toch ook de zijwindgevoeligheid die hoorde bij het concept van de motor achter, het soms matige starten als je de gebruiksaanwijzing niet had gelezen, allemaal dingen die men soms niet gewend was. En de gebruikersklachten stegen daardoor soms wel. Sommige Skoda-klanten meenden oprecht dat ze een Mercedes-Benz hadden gekocht voor een prijs die nu nog steeds belachelijk laag is. Omgerekend E. 3.400,- kostte toen een splinternieuwe S-105S en dat was dus best goedkoop. Zo goedkoop, dat Skoda er ook trots mee adverteerde. En strijd leverde met het Russische Lada om wie nu wel de goedkoopste auto van Nederland kon verkopen. Imago telde daarbij wat minder, lage kosten ook. Maar helaas waren al die Oost-Europeanen in de dagelijkse situatie net als veel westerse tegenvoeters met een lage prijs, niet zo goedkoop als ze leken.

Waren die Skoda’s dan nog best redelijk betrouwbaar, je kwam ondanks de genoemde praktische punten meestal wel op de plek van bestemming aan. Bij Polski-Fiat/FSO of Dacia was de kans dat je door mechanisch falen niet aankwam veel groter. Vooral die Poolse wagens blonken negatief uit door grote technische problemen. Veroorzaakt door de slechte lagers die de Polen gebruikten in de toch ook al erg oude en in licentie gebouwde Fiat-motoren. Versnelling- en cardanassen, motorblokken, alles liep in de soep bij die auto’s en daarbij had je dan ook nog het probleem van de vele elektrische defecten. De klanten voor juist dit soort wagens kwamen veelal uit andere Oost-Europese of Italiaanse modellen, waren wel iets gewend op dat punt, maar dit was wel erg vervelend. Nog een geluk dat wij er zo weinig van verkochten… Ik beschreef ze al eerder. De Hyundai’s van de eerste generatie die wij een tussen 1978 en 1983 verkochten waren technisch goed in orde. Daar vond je mechanisch geen echte problemen. Maar in tegenstelling tot wat we bij Skoda gewend waren, roestten die Koreaanse karretjes letterlijk zowat al in de showroom. Het was soms verschrikkelijk en je moest wel heel veel geluk hebben wilde die auto’s een jaar of zes mee gaan. En het aantal klachten over dat fenomeen werd door de Koreanen in die eerste jaren weinig adequaat verminderd. Integendeel! Kostte veel klanten! Dat deed men bij het Daihatsu zoals wij het vanaf 1985 leerden kennen veel beter. Klanten die voor dat merk kozen kregen een meer dan betrouwbaar stuk vervoer.

En glimlachten om de problemen van hen die gingen voor iets anders dan Japans. Nu was in het gebied waar wij de wagens op de markt brachten Japan nog een beetje beladen begrip. Veel klanten uit Amsterdam-Zuid/Buitenveldert of Amstelveen waren vaak ietsjes ouder, hadden de oorlog, en meer speciaal die in Nederlands-Indie meegemaakt en wilden nog niet dood gevonden worden in een Japanse auto. Aan de andere kant woonden er ook mensen die in hun familie nogal wat voorbeelden hadden gekend van slachtoffers die niet meer terug kwamen uit de Duitse kampen en daarover weer hele verhalen wisten te vertellen rond Slowaken of Polen. Je moest als dealer met alles rekening houden. Toch waren het over het algemeen plezierige mensen die we in onze merken mochten zetten. Skoda hield gelukkig ondanks de genoemde klachten links en rechts redelijk wat klanten trouw. Zeker toen men begon met de veel beter sturende en er aardige uitziende modellen van na 1984 werden klanten fervent positief wat zich later zou vertalen in een veel groter probleem dan gedacht, inruilen van een paar jaar oude Skoda’s van dat technisch wat oudere type op de toen (1989) revolutionaire Favorit. Maar daarover verderop in dit vervolgverhaal meer. – Wordt vervolgd – (Afbeeldingen: Yellowbird archief/Skoda)

Leven met de vliegende pijl – 19 – Nieuwe neuzen!

Ergens in de jaren tachtig werd duidelijk dat de tot dan geleverde Skoda-modellen met worm en rol stuurinstallaties en de nog uit de jaren van de 1000MB stammende bumpers toe waren aan een facelift. Een stevige meteen die ergens in 1984 werd ingezet. De toenmalige Skoda’s kregen een totaal nieuwe neus, kunststoffen bumpers, andere binnenbekleding, en een veel beter aanvoelende tandheugelinstallatie voor de bestuurde wielen van de luxere modellen. Doordat die wielen ook wat verder uit elkaar werden gezet, verbeterde de wegligging opmerkelijk, al werden die wagens in die jaren nooit echte liefhebbersauto’s. Maar voor de gemiddelde Skodakoper, vaak afkomstig uit andere wat goedkopere merken, was dit een enorme stap vooruit. Daarbij kwam nog eens dat naast de serie 105/120 nu ook een 130 werd geleverd, die o.a. positief opviel door een zelfde achterasconstructie als de aloude Rapid Coupe.

En om het nog mooier te maken kwam er ook een S130G Coupe, die ook weer als Rapid in de prijslijst verscheen en geweldig reed. Door de 1300cc motor was het ook bepaald een vlotte wagen die flink wat nieuwe klanten wist te trekken voor het merk. De kritieken vanuit de autojournalistiek werden er, als verwacht, niet meteen veel beter door, maar men werd wel iets milder in het oordeel. De Skoda’s stuurden veel fijner, het geluidsniveau in het interieur was, mede door een voor sommige modellen beschikbare vijf-versnellingsbak, verlaagd, en die nieuwe neuzen zorgden voor een sterk gemoderniseerde blik. De verkopen bleven op niveau, ook bij ons in het dealerbedrijf, al zochten we wel als managementteam van het dealerbedrijf naar verbreding van het totale gamma. Juist voor klanten die ‘iets anders wilden dan een Skoda’. En dat waren er best veel…. Maar voorlopig had Skoda weer een paar jaar haar zaakjes voor elkaar en het moet gesteld, de kwaliteit was nu op behoorlijk peil voor een fabriek uit die streken. Wordt vervolgd! (Beelden: Yellowbird archief)

Schnitzel aan de Rijn..

Altijd als we even in die buurt vertoeven trachten we ook een typisch Duitse schnitzel tot ons te nemen in de soorten en maten die dat land nu eenmaal haar bekwame eters voorschotelt. Dat doen we dus ook in Kleve/Emmerich, waar we best wel eens voorbij komen. Liefst op een terras aan de Rijnboulevard waar we dan dat schitterende uitzicht op de voorbij varende schepen er bij krijgen. Zeker bij zonnig weer een bonusplekje. En we hebben op die lokatie onze vaste adresjes. De keren dat we eens iets anders tegenkomen en daar dan neerploffen valt het veelal toch tegen. Maar onlangs kregen we bij Himmer’s Bistro 852 een schnitzel geserveerd die zijn weerga niet kende.

Niet alleen door de malsheid, maar ook omdat het ding zelf zat volgestopt met ham en kaas als een Gordon Blue. Daarbij heerlijke verse frietjes en wat salade als dressing. Het was niet alleen ‘werken’ om dat enorme stuk vlees weg te werken, zonder ook maar iets af te doen aan de kwaliteit trouwens, je wilt ook niet dat de boel koud wordt. Nou, dat werd het niet. Bloedheet, zoals het hoort en gewoon genieten van alles om je heen. Die Rijnboulevard in Emmerich is veelal rustig, en de enige passanten die er passeren zijn vaak Nederlandse of Duitse dagjestoeristen op de fiets. Er wonen volgens mij vooral pensionado’s in de appartementen en flats aan die boulevard en die wandelen er ook wat op en neer.

Die gemoedelijke sfeer is goed voor de spijsvertering en dat maakte de Schnitzel Gordon Blue extra smakelijk. Men bediende op het terras ook met een vriendelijke glimlach, efficient, en ook nog eens betaalbaar. Want met alles er op en aan, inclusief fooitje, waren we drie tientjes kwijt voor ons twee. Waarbij vrouwlief dan een andere variant op het schnitzelthema had uitgekozen. En ook nog eens de helft daarvan mee moest nemen naar huis i.v.m. de omvang van dat stuk vlees. Himmer’s Bistro 852 krijgt een dikke 9.0 van uw meninggever. Meer dan verdiend. Aanrader!

Mozes

Hittegolf-temperaturen zijn vaak lastig om mee om te gaan. Zeker als je onderweg bent van punt A naar B en onderweg een plek wilt vinden om het gezelschap op te splitsen dat een paar dagen intensief met elkaar rond trok door Brabant en Belgie. Maar op enig moment jammer genoeg toch de eigen weg huiswaarts weer moet aanvaarden. Onze keuze viel dit keer op het plaatsje Goirle dat net ten noorden van de Belgische grens gelegen is en vlak onder Tilburg op de landkaart staat. Aardig plaatsje met de nodige voorzieningen en een aardig aanbod in horeca. Maar dan moet je niet zoals wij dat wilden, iets ‘kleins’ willen eten en vooral het nodige drinken om de vochtreserves aan te vullen bij een tropische temperatuur van 35 graden. Het bleek lastig. En in Goirle zijn sommige zaken op dit gebied echt aan de prijs. Een nieuwe trend in  de horeca is om prijzen op de kaart te zetten in enkele cijfers. Dus niet E. 6,99 of zelfs E. 7,00, maar gewoon 7! Het blijft bijzonder.

Na wat rondlopen en proberen op andere terrassen (druk, weinig schaduw, geen plek) kozen we voor Mozes. Meteen al leuk doordat men er aan de Bergstraat een kei voor de deur heeft staan die wordt vastgehouden door twee metalen staanders. Leuker was natuurlijk een opengemaakte zee of zo, maar daar zal men geen vergunning voor hebben gekregen. Die steen staat vermoedelijk voor het Stenen verbond uit de Bijbel of die ene steen die uiteindelijk de tien geboden bevatte volgens dat heilige boek. Hoe dan ook, het terras lag aan de westkant van het pand en daar was nog wat plek. Ondergaande zon, beetje wind, gezellige sfeer.

Het was er goed uit te houden. De drankjes stonden snel op tafel, net als het in potten opgediende ijs, maar de bestelde snacks kwamen niet. Was men vergeten! Dat viel wat tegen, want verder had men de zaken aardig voor mekaar met leuke meiden die hard werkten in dat warme weer en die fraaie ambiance. Toiletruimte was hier bescheiden maar netjes. Kortom, Mozes verdiende uiteindelijk een rapportcijfer 8.0! Keurige zaak, goede keuze als je hier in de buurt bent.

De Toekan in Eindhoven

Als we samen met onze Zuid-Hollandse vriendjes ons jaarlijkse tweedaagse uitje plannen is ManGoud meestal degene die de planning doet op het gebied van waar we voor een relatief lage prijs kunnen verblijven in een hotel met het nodige comfort. Ik ben dan weer altijd degene die aandringt op dat comfort. Bad, wifi, airco en vrij parkeren zijn toch wel de zaken die er toe doen stel ik dan. En het lukt hem vrijwel altijd om aan die wensen te voldoen. We hebben dan wel middels dat wensenpakket door de jaren heen op allerlei wonderlijke plekken gelogeerd, maar nooit met spijt achteraf of zo. Dit jaar kwamen we terecht in Van der Valk Eindhoven. Een groot hotel met de toekan op het dak, vlakbij de doorgaande snelwegen richting Duitsland, Limburg of het noorden. Ik kende het hotel van vroegere zakelijke ontmoetingen of een kopje koffie met een vriend(in) na een leuke trip. Maar echt gelogeerd? Nee! Nou dat was bepaald een gemis. Zo bleek wel bij ons recente verblijf daar..

Want dit hotel is door- en door comfortabel. Het personeel buitengewooon gastvrij en aardig en de kamers tip-top op orde. Gewoon veel ruimte voor het bedrag wat men vraagt. Tijdens de bloedhitte die ons land trof in de tweede helft van de maand juli was de airco goed in staat om de kamer tot een oase te maken en het geluid van dit systeem zodanig op de achtergrond dat ik zowaar nog lekker sliep ook. En dat is iets wat me bepaald niet overal lukt. De grootste verrassing was echter het ontbijt. Echt, ik ken mijn plekjes op dit gebied en zelfs bij andere Toekan-vestigingen werd ik altijd overweldigd door het aanbod, deze keer sloeg echter alles. Ik heb zelden zo’n assortiment aan brood, fruit en drankjes of hapjes gezien en daarnaast biedt men ook nog een kok aan die allerlei zaken vers voor je klaarmaakt terwijl je wacht.

Het maakt ontbijten hier tot een feest. En dat feestje vierden we ten volle. Het was een geweldig verblijf. Wellicht dat je een aanmerking kunt maken op het feit dat koffie en thee hier uit automaten moet worden gehaald, maar dat is kniesorenwerk. Het hotel kent bij de hoofdingang een geweldig leuke visvijver waar je met een bruggetje overheen wordt geleid. Er is een zwembad (niet benut dit keer) en er zijn leeshoeken en kleine convienience-shops in de lobby. Positieve indrukken die door een enkel klein feitje een half punt aftrek zouden verdienen. Vanaf de hoofdingang loopt een zebrapad (prima!) naar de parkeerplekken voor het hotel. Alleen heeft men een ondoordringbare heg neergezet tussen de twee grote onderdelen van die parkeerplaatsen. Gek genoeg loopt die zebra aan de andere kant door. Maar die heg moet dus daar gewoon weg. Nu moesten we met bagage een aardig eindje in de hitte over de rijbanen lopen om weer bij de auto te komen. Maar goed, dat maakt ons zeer positieve rapportcijfer dan 9,5 ipv 10. Verder is dit een heerlijk hotel om te verblijven als je in deze omgeving wilt of moet verkeren…(Beelden: Internet/v.d.Valk)

Leven met de vliegende pijl – 9 – Hundie!

In die jaren waaraan ik nu even refereer, zo tussen 1980-82, verging het ons dealerbedrijf dus wat minder goed. We waren dealer van het Tsjechische automerk met die lange traditie, maar de bevooroordeelde pers fakkelde zowat bij elke rijtest alles af wat die Tsjechen zoal produceerden. Dat was wellicht voor een deel nog te verklaren, maar het werd me een aantal jaren later duidelijk dat er indertijd achter de schermen ook wat rekeningen werden vereffend met vertegenwoordigers bij de toenmalige importeur door de mannen die zichzelf zagen als ‘goden’ in dat vakgebied. Het zichzelf autojournalist noemende volk had ook commerciele belangen. Geen advertenties, geen goede pers! Zo simpel was het. Als dealer moest je intussen toch wat, dus we zochten naar expansie via andere kanalen. En op dat moment in de tijd kwamen we dus in contact met dat automerk wat we nu, anno 2018, allemaal zo goed kennen. Ik had er indertijd zelf nog nooit van gehoord toen de eerste vertegenwoordigers van wat later de importeur zou worden, voor ons bedrijf stopten.

Het bordeel paarse interieur en de beperkte binnenruimte nam je uiteindelijk dan maar op de koop toe. We zagen er toch wel iets in en gingen in zee met de nieuwe importeur. Die was zelf gezeteld in een piepklein kantoor achter een caravanhandel in Leidschendam, maar de sfeer was er goed en de service vriendelijk. Al snel stonden de Koreaantjes in onze showroom en reden we rond in een demonstratiewagen. Wat lastiger bleek, voor de meeste Nederlanders was die naam even onbekend, maar meteen ook onuitsprekelijk.

Wij zelf maakten er Hie Joen Dai van, maar onze collega-dealer in Amsterdam-Centrum noemde zijn nieuwe merk Joen Dee en de Koreanen spraken het uit als Oendee of zo. Gelukkig heette dat eerste model dat ze jaren zouden voeren gewoon Pony en dat was voor veel mensen wel uit te spreken. Tot die ene keer dat er een plat Amsterdams sprekende potentiele koper binnen stapte en mij op luide toon vertelde dat hij wel eens wilde proefrijden in een ‘Hundie Ponnie’. Kijk, toen wisten we dat er nog heel veel werk te verrichten viel. Het succes en zeker de winst werd ons uiteindelijk niet gegund met en door Hyundai. De match was er na een paar jaar niet meer toen het merk naar een nieuwe importeur overging en die daarop aan het redelijke grote dealerkorps van die eerste paar jaar zulke eisen stelde dat wij daaraan gewoon niet konden maar vooral ook niet wilden voldoen. Intussen waren we wel veel wijzer geworden. En ik leerde zelf in die jaren dat als je klanten iets wilt verkopen de naam van het merk tenminste herkenbaar en uitspreekbaar moet zijn en de communicatie op dit punt overduidelijk. Maar als pioniers waren we daar toen nog lang niet zo mee bezig. Maar mijn creativiteit op marketinggebied wel gewekt. Wordt vervolgd op 09-09 a.s. (Foto’s: Yellowbird Photo – Alle teksten zijn eigendom van de auteur) 

 

Overdekt terras; Harrels Lelystad!

De provinciehoofdstad van Flevoland is nog altijd Lelystad. En dat is niet meteen een garantie voor grote aantrekkingskracht. Maar als je er in de buurt bent omdat het Aviodrome (zie blog 31-07 jl)je lokt en je ook nog even een rondje kringlopers deed om links en rechts nog wat aardigs te scoren voor je collectie, krijgt de trek in iets eten of drinken je vanzelf te pakken. In het voor ons nieuwe overdekte winkelcentrum Lelycentre zochten en vonden we een plek om even onderuit te zakken. Dat kon goed bij Harrels daar. Gevestigd naast de Kik-winkel en tegenover een Bijbelse boekhandel zit je er op de gemakje en wordt er geweldig bediend. Aardige dame, dito kok. Gerechten heet en lekker, net als de thee. Ik kan over thee serveren een hele verhandeling houden maar heb een paar opmerkingen daaromtrent even opgenomen in dit verslagje. Bij veel tentjes waar je neerstrijkt serveert men soms de meest wonderlijke theesoorten, maar gewone normale ontbijtthee lijkt wel op de bon soms. Earl Grey is dan het meest in de buurt komende alternatief.

En dat is best klantonvriendelijk als je voor een bakkie thee gemiddeld toch al snel 2 euro of meer betaalt. Bij Harrels geen thema, gewoon lekkere thee die men zelf al in een zeefje in de thee stopt waardoor je al snel ziet dat het water verkleurt. Top geregeld. Een tweede voorwaarde, en dat heeft met dat verkleuren van doen, is dat het water heet genoeg is om de thee te doen trekken. Ook daarover vaak klachten, maar niet hier. Deze Lelysteedse horeca-ondernemer heeft zijn/haar zaakjes voor elkaar. Geldt ook voor de  uit de prachtig verzorgde menukaart bestelde hapjes. Helemaal top en goed betaalbaar. Daarbij zit je hier prima in een rustige ambiance. Voor de prijs/kwaliteitsverhouding moet je het zeker niet laten. Je moet er even naar zoeken wellicht, wij kenden dit centrum helemaal niet, wel het andere dichtbij het station van Lelystad. Maar hier in Lelycentre heeft men naast de nodige aardige winkels ook deze goede diensten aanbiedende horecazaak. Aanrader met een rapportcijfer 9.0!! Zeer verdiend.

Leven met de vliegende pijl – 6 – Polen en Roemenen!

Terwijl de dealerorganisatie van Skoda toch wat zuchtte en steunde onder de technische problemen die de nieuwe Skoda’s S-105/120 van dat eerste bouwjaar opleverden, besloot importeur Englebert dat men het merkengamma maar eens wat verder moest uitbreiden. Het Poolse Polski-Fiat werd in die jaren los gekoppeld van de toenmalige Fiat-importeur Leonard Lang, en nu separaat geïmporteerd. Die Polski’s waren op het oog noeste uitvoeringen van de aloude Italiaanse Fiat 125 uit de jaren zestig. Door de Polen gebouwd was het een ruime en luxe auto, die wel ongelooflijk zwaar stuurde, en achteraf bezien echt uitermate beroerd in elkaar stak. Reed je er niet te hard mee bleef de brandstofconsumptie nog wel binnen de grenzen van het toenmalige redelijke, maar veel zuiniger dan een op tien werd het vaak niet. Voor veel van de dealers uit die periode was het echter wel een aardige aanvulling op het Skoda-gamma. Niet elke koper wilde meer in een auto met de motor achterin rijden, en zo’n Polski kreeg je nauwelijks door een bocht gestuurd, laat staan dat het ding zijwindgevoelig was. Daarbij kon je er ook stationcars van bestellen en die waren echt gigantisch groot. Zeker als je keek naar de niet al te hoge prijzen die de Polen er voor vroegen.

Slim als men was bij de toenmalige Skoda-importeur, werden dealers min of meer opgezadeld met een dwangcombinatie van dealerschappen. Wilde je Skoda blijven verkopen moest je die Poolse Fiat’s er bij gaan doen. Het was bij ons intern direct een fikse discussie waard. En die werd ook gevoerd. Maar uiteindelijk besloten we met de deal in zee te gaan. Het zou ons nog veel meer grijze haren opleveren dan normaal al op de toen nog relatief jonge bol zouden kunnen of mogen verschijnen. Maar het kon nog erger. Importeur Englebert zocht en vond in Oost-Europa nog een merk dat hier toen nog volstrekt onbekend was, Dacia! Een Roemeense kloon van de aloude Renault 12. Een auto met voorwielaandrijving, een fatsoenlijke wegligging en aardige prijs. Wisten wij veel. ‘Doe die Dacia ook maar’, besloten we naïef als we waren en door de dalende omzetten van Skoda na een jaar ook wel iets gedwongen. En zo waren we binnen een jaar nadat ik dienst was gekomen bij het Mokumse dealerbedrijf, ineens dealer voor maarf liefst drie Oost-Europese merken.

Het werden avontuurlijke tijden. Waren die Dacia’s slechte auto’s, er viel van alles van af wat bij een originele Renault gewoon vast bleef zitten, die Polski’s waren echte rampen op wielen. En neem van mij aan, we waren wat gewend geraakt met die Skoda’s uit het eerste bouwjaar van het toen nieuwe type. Bij de Poolse Fiat’s waren het vooral lagers die zorgden voor veel en ernstige problemen. Maar ook de elektrische installatie was een drama. Importeur Englebert geloofde er echter in en bleef onze garantieclaims ook keurig belonen. Dat ik soms zelfs moest bijspringen om al die claims te ordenen en in te dienen bij de importeur deed er niet toe. Ik denk dat 45% van alle werkplaatsomzetten indertijd van doen hadden met al dat garantiewerk. Skoda had bij haar nieuwe modellen als eerder gesteld, gekozen voor een constructie waarbij de aloude techniek van de S100/110 gelepeld was in de koets van een auto die volgens mij ooit bedoeld was voor iets heel anders. Het bleek in die eerste periode technisch een soort van wangedrocht. Men had o.a. de koelvin voorin de neus van de auto gezet, die via een pijpen- en slangenstelsel moest zorgen voor binnen grenzen houden van de motortemperatuur.

Zou hebben kunnen werken, als er geen bochten en andere obstakels in dat koelsysteem hadden gezeten. Luchtbellen waren vaak het gevolg en die zorgden voor heel veel koelproblemen en soms zelfs vastgelopen motoren. Daarbij hielp ook niet mee dat de zelfdenkende vin voorin het nu net niet deed op het moment dat die het hardste nodig bleek. De startmotor van fabrikant Pal gaf nog net zoveel problemen als bij de vorige modellen en de wegligging was er beslist niet beter op geworden. Dat kon je trouwens simpelweg oplossen door er brede sloffen onder te hangen met goede banden van Michelin of zo en die dan te combineren met Koni-schokdempers. Als zodanig werd mijn eigen Skoda 120L uitgerust die ik in 1978 in gebruik nam. Een knalrode weer, die van een klant werd ingeruild die toch maar in een Dacia ging rijden. De nieuwe Skoda voor mijn privégebruik had nog geen 9000 km gereden. Een buitenkansje. En verder moest Skoda vooral veel doen aan wegwerken van de kinderziekten. Dat lukte de Tsjechen een stuk beter en sneller dan de Polen en Roemenen. Het was intussen 1978 geworden! Wordt vervolgd (Beelden: Yellowbird archief/internet – Alle teksten zijn eigendom van de auteur) 

 

Budgetkleding – een waar genoegen….

Laat ik voorop stellen, ik ben geen liefhebber van shoppen voor kleding. Een echte man, hier wijken mijn al dan niet bestaande vrouwelijke karaktertrekken voor mijn ware macho-aard. Kleding is noodzakelijk om je te beschermen tegen koude of hitte, maar echt een genoegen vond of vind ik dat nooit. Alleen al het passen in een veel te klein hokje zonder haakjes of redelijke belichting is een crime. Maar goed, ik ben al heel wat jaartjes keurig getrouwd en dan is de wederhelft nog wel eens geneigd mij mee te nemen voor haar eigen shopsessies. Al was het maar om mijn mening af te lezen van mijn gezicht als ik weer eens voor zo’n paskamer geparkeerd sta of zit en het beoogde kledingstuk moet aanschouwen. Van de meegenomen artikelen gaat 90% weer terug naar het rek. Er is een reden voor. Veel van die kledingzaken maken het echt lastig om goed te kiezen. En die pashokjes zijn in veel gevallen een drama. Zelfs een groot warenhuis op dit gebied als C&A heeft nog nooit gehoord van redelijke haken in die hokjes. Ik snap wel dat het voor dames (of wat daar voor door moet gaan…….) lastig is om kleding uit te trekken en dan weer aan. Voor mij als observant valt altijd weer op wat een geklungel dat met zich meebrengt.

Het kan heel anders. Paar keer gezien dat bijvoorbeeld de winkels van Marlies Dekkkers (Lingerie) mensen in dienst hebben met verstand van zaken en daarbij de klant ook nog juist adviseren. Een maatje anders kan veel verschil maken in draagcomfort. Maar het meest ultieme op het gebied van winkelgenoegens brengt toch wel de in ons land nog redelijk nieuwe Primark-keten met zich mee. Wil je weten hoe graaien er uit ziet? Hup naar de Primark! Leuk en fris ingerichte zaken met een afgedwongen looproute van en naar de roltrappen, enorm veel laag geprijsd spul en met wat geluk ook nog aanbiedingen die je afvragen of er een bodem is qua prijsniveau. Wie daar in de buurt zit met een op eigen smaak gebaseerd modewinkeltje kan de WW nu al vast beter regelen. Primark heeft alles voor de modebewuste (jongere) man of vrouw. Wil je daarin mee? Stap daar dan zeker binnen. Ook ik val voor de charmes van dat bedrijf. Ooit kocht ik er een jeansbroek die ik echt jarenlang heb afgedragen. Onverslijtbaar. En voor dat geld? Ook shirts, shorts, boxers, sokken, een das voor winters gebruik, ik ga er voor. En nee, ik vraag me dan niet af waar het vandaan komt en wat het ooit kostte.

Omdat ik ook wel snap dat een T-shirt met opschrift Amsterdam dat voor 2 euro in die winkel hangt bij productie hooguit 20 centen heeft gekost. Maar ja, er is markt voor en mensen die werken in die slavenateliers hoeven op de steun van Sylvana Simons niet te rekenen. Die kijkt alleen maar terug in de tijd in de hoop op een vergoeding die haar frustraties een beetje kunnen dempen. Nee, die moderne loonslaven krijgen van weinig organisaties steun. En reken maar dat ze voor alle grote ketenwinkels in binnen- en buitenland aan de slag zijn. Zoals wij ook best weten dat iPhones gemaakt worden door pessimistische loonslaven in China of zoiets. Neemt me toch niet weg dat ik die Primark een erg aardige winkel vind en dat ook de mensen die er werken een compliment verdienen. Ik moet de eerste nog tegenkomen die klantonvriendelijk gedrag vertoont. En dat is bij andere zaken met duurdere artikelen vaak heel anders. Net als die pashokjes. Sluitpost denk ik bij veel winkels. Wellicht toch eens wat meer tijd besteden aan kijken hoe de succesvolle concurrent het doet. Want laten we wel zijn…ook een keten als de Action bewijst dat goedkoop niet meteen hoeft in te houden dat je in een soort akelig verlichte budgetwinkel je inkopen doet. En daar schort het elders nogal eens aan. En ik constateer slechts…

Zuidelijke horeca…

Alweer een tijdje terug dat ik een review kon schrijven over ervaringen in de vaderlandse horeca. Komt toch vooral omdat we er relatief weinig gebruik van maken en ook omdat we een deel van die bezoekjes dan niet vermelden omdat we terugvallen op bekende adressen. Wat bevalt moet je koesteren. Maar eenmaal onderweg, zoals hiervoor beschreven in mijn verhaaltje over Den Bosch en Nijmegen, strijken we op de gok neer bij een lokale uitbater om daar dan te ondergaan wat gastvrijheid of kwaliteit/prijs-verhoudingen zoal doen met onze meninggever. Zo ook in Den Bosch waar we dus aan de Markt bij ’t Opkikkertje plaats namen op het in de zon gelegen en met leuke planten ingerichte terras.

De parasols waren bij onze komst nog niet uitgeklapt maar er stond voldoende ochtendwind om het in de zon vol te kunnen houden. De gastvrouw was vriendelijk en efficient, de cappuccino (tweede kop gratis..) werd geserveerd in wel erg kleine kopjes. De thee bood een tea-for-one pot, met een uitleg over hoe je met de aangeboden Earl Grey (waarom is Breakfast tea vaak zo lastig te bestellen…?!) thee moest omgaan. De Jan de Groot Bossche Bol was vers en kwam met bestek. Kijk, zo hoort het. Dat geldt ook voor het toilet. Is dat schoon moet je constateren dat men proper is van zichzelf, zo niet…opletten in de keuken. Maar bij ’t Opkikkertje was alles voor mekaar. Binnen is het een klein zaakje, voral waar de kassa staat is ook meteen een trappenhuis gesitueerd en komen mensen elkaar ongewild nog wel eens tegen. Afrekenen bracht wel aan het licht dat men hier weet dat er veel toeristen komen. Maar goed, het terras was geweldig, de service goed en de sfeer vriendelijk/gezellig. Rapportcijfer: 8.0

Onderweg in Nijmegen vielen we ook zonder echt na te denken neer op het fraai opgestelde terras van Wijncafe Pinot aan de Grote Markt in die stad aan de Waal. Om ons heen wat zitjes en alles voorzien van kussens. Ook hier weer in de zon, en vriendelijke gastvrouw die ondanks de drukte oog had voor haar klantjes. De lunch die we bestelden (met oerbrood) was buitengewoon smakelijk en mooi opgemaakt. Dit keer dronken we een glaasje wijn en wat bier, en zaten we echt een uurtje heerlijk te genieten. Dat terras ligt aan een drukke wandelroute, maar ook komen alle stadsbussen van Nijmegen er voorbij. Opmerkelijk beslissing in en stad die zo links wordt bestuurd. Maar het restaurant kan daar niks aan doen. Ook hier weinig kritiekpunten. Alles netjes, smakelijk en voor elkaar. Rapportcijfer: 8.0