Taboe…

Nederlanders zijn wonderlijke lieden. Ze pretenderen vaak dat alles bespreekbaar is  en ze zijn niet bang om bepaalde zaken met elkaar te delen. Zoals waar ze nu weer lekker aten, hoe hun haar zit na een winderige stranddag of in welk pretpark ze nu weer een ‘BN-er’ tegen kwamen met wie ze zo’n leuke selfie maakten. Het wordt al een stuk minder als we mensen vragen hoe hun financiele situatie in elkaar steekt. Of hoe het hun kinderen nu echt gaat. Dan gaat bij een (groot) deel van de Nederlanders de rem er aardig op. En natuurlijk zijn we zeer terughoudend met het weggeven van onze pincode. ‘Je mag alles van me weten, maar dat niet!’. Alles?? Nou dat dacht ik niet. Want vraag iemand naar zijn toiletgang of liefdesleven en vermoedelijk slaat het gesprek direct dicht. Terwijl we als mens daar elke dag mee bezig zijn.

Op dat punt verschillen we niets met de overige zoogdieren, alleen hebben wij geleerd dat bepaalde zaken min of meer toch taboe zijn. Pas bij diep doorvragen en ‘onder vrienden’ of bij de ‘specialisten’ vertellen we op dat punt meer tot veel. Blijft echter wel lastig om uit te leggen dat bepaalde zaken niet meer functioneren of dat een vrouw haar man afstotelijk vindt in bed, ook als hij verder lief is en zo goed kan klussen. Taboe is ook om anderen de waarheid te zeggen. Hoeft echt niet beledigend te zijn, maar soms is het even nodig. Ooit werkte ik in een kantoorruimte waar ook een jongedame actief was die stonk naar zweet. En niet een beetje. Als er al een douche in haar huis aanwezig was benutte ze die kennelijk niet, en kocht of gebruikte ze geen deodorant om alle geurtjes buiten het lijf te houden. Het resultaat was zodanig dat je bwvs tegen die geur kon leunen. Hoe gingen we dat uitleggen? Een van de brutaalste collega’s, een dame die ik zeer waardeerde om haar pittige karakter, deed na een paar weken echt een poging.

En die slaagde. De geur verdween en we konden weer adem halen op kantoor. Hadden we dat als taboe gehouden was de lucht niet gezuiverd. Taboes zie je ook in de wereld van de politiek. Er zijn stromingen die geloven in de ondergang van de wereld. Omdat wij in Nederland plastic zakken gebruiken of omdat we teveel in de auto rijden. Buhne-praat, ik wees er al vaker op. Het klimaat verandert, het warmt op. En 70 geleerden over de hele wereld zijn het met mekaar eens. De wereld stort in als we in Nederland geen drastische maatregelen nemen. Van financiele aard, uiteraard! Zij die daar tegen in gaan worden weggezet als mensen die een taboe doorbreken. Je mag daar niet tegen in gaan, ook al hebben 1430 andere geleerden verklaard dat er niet zoveel bewijzen zijn voor die stellingen over dat vergaan van de wereld. De discussie is taboe.

Zo blokkeerde NU.NL mensen die in dit kader maar bleven wijzen op de andere kant van de medaille. Mocht niet…Taboe! Net als kindermisbruik bij veel instanties en kerken, slavenarbeid in de kobaltmijnen van Afrika die werken voor de nieuwe elektrische auto’s, het feit dat overbevolking zal leiden tot de ondergang van de beschaving en zo meer. Taboe! taboe! Onbespreekbaar! Net zoals die al dan niet spannende seksuele avonturen van ons allen. Het evt. overspel, onze extra verzwegen inkomsten, het stille verlangen naar die of die, dat of dat! Taboe is meer dan het voor de hand liggende. Geldt dat ook voor u beste lezers en lezeressen. Mag ik u wel alles vragen behalve de pincode?? Ik ben benieuwd! (foto’s: Yellowbird archief/internet)

Discussie…

Volgens het dikke Nederlandse woordenboek zoals uitgegeven door van Dale is een discussie een ‘bespreking waarbij de deelnemers trachten door argumenten de oplossing voor een probleem te vinden’. Ook de term ‘gedachtenwisseling’ komt daarin voorbij. Oftewel het op enig niveau trachten consensus te vinden op inhoud voor een aangedragen onderwerp. Kijk, als je samen een doelstelling hebt om iets te bereiken kan dit redelijk goed verlopen. Maar o wee als de partijen met verschillende uitgangspunten of weinig bereidheid naar de ander te luisteren zo’n gesprek aangaan. De wereld vergaat zowat. En in dat kader vallen de discussies te bezien die op veel sociale media of in onze samenleving lopen. Over het milieu, de massa-immigratie, Zwarte Piet, het beleid van het kabinet of hoe bijv. de straattegels zijn neergelegd in ongeacht welke gemeente of woonstek van de deelnemers. Ingegraven zijn dan vaak de meningen. Men is fanatiek, soms sekte-achtig en het reflecteert meteen hoe de huidige maatschappij is veranderd in een soort loopgravenoorlog tussen voor- en tegenstanders van een bepaald onderwerp. Men gaat elkaar verbaal te lijf, maakt het al snel persoonlijk en schroomt niet om elkaar voor rotte vis uit te maken. Jijbakken is niemand vreemd zo lijkt het wel eens. Ik bekijk en neem soms ook deel. Niets menselijks is me vreemd tenslotte….

En kom er dan achter dat anders dan in die mooie volzin van Van Dale het elkaar overtuigen van het eigen gelijk een vrijwel onbegonnen oefening is. Eenmaal in de eigen loopgraaf is kennelijk slechts beschieten van die waarin de ander zich verschanst oplossing voor een slepend probleem. Het vocabulair waarmee deze discussies lopen is soms ongekend breed. En omdat men veelal toch de scholing of opvoeding mist die past bij het deelnemen aan het fenomeen discussie komen al snel verwensingen en ziekten voorbij. Of stelt men vast dat de tegenstander in de discussie wel moet behoren tot een door de ander verafschuwde groep medemensen. Racisten, fascisten, blanke of witte mannen, oud, ziek in de bol, uitkeringstrekker, ongewenste immigrant etc. Het zal u bekend in de oren klinken. Want het hoort ook bij de verruwing van de maatschappij. Niet in de laatste plaats opgehitst door de media, waar men de ene of de andere partij ook nog wel eens in de hoek zet. En daar doen populistische politieke stromingen van beide zijden van het spectrum ook graag aan mee. Nu is ook mijn standpunt relatief vaak gebaseeerd op zwart of wit. Nooit grijs. Dus kom je sneller in discussies aan de volgens anderen ‘verkeerde kant’ te staan omdat juist die lieden op mij werken als rode lap op een steenbokstier. Onlangs was het weer zo ver. Ging over de idioterie van het benutten van kinderen voor zgn. klimaatdemonstraties.

Een naar mijn idee toch redelijk zinnig weerwoord tegen het op een sociaal medium bejubelde enthousiasme over zoveel ‘spontaniteit’ van die kinderen werd gezien als aanmerking op het zelfstandig kunnen denken van die kinderen. Ik was een oude man, die de wereld mede had verziekt en zo meer. Nou nou, en ach ik liet me niet onbetuigd. Binnen fatsoensregels, maar die werden aan de andere kant niet in acht genomen. Men schold en vloekte en ik was een debiel die deze kinderen het recht op vechten voor een schoner klimaat ontzegde. Mijn stelling was dat ze beter op school taal, geschiedenis, rekenen en aardrijkskunde zouden kunnen bestuderen, om zo een eigen en beter gefundeerd oordeel te kunnen vellen over wie nu eigenlijk verantwoordelijk was of is voor die vervuiling. Maar dat was volgens de tegenstanders onzin. Beter nu vechten voor een beter klimaat en in vrijheid kunnen leven. De linkse vrijheid, dat spreekt. Nou ja, ik hield er maar mee op. En verwijderde mijn eigen bijdragen in de discussie daarna. Want ik merkte dat ik er enorm moe van werd. En besloot om maar een stevig afdakje boven mijn eigen loopgraaf te bouwen. Een waarmee ik de uitwerpselen van oraal geweld buiten mijn werk/slaapplek kon houden. Discussie laat ook zien dat debilisering van de maatschappij een gegeven is geworden. En dat stemt niet vrolijk. Het democratisch gehalte van uitwisselingen van gedachten is zowat verdwenen.  En dat op zich is een triest makende constatering. Heel triest! (Beelden: Internet)

Spreekfatsoen….

Stel je nu eens voor dat je tijdens een gesprek met je partner, vrienden, collegae of wie ook, telkens in de rede wordt gevallen als jij iets wilt vertellen. Wat doe je dan? Praat je door, ga je wat luider spreken of zelfs schreeuwen of houdt je de mond en laat jouw persoonlijke fatsoen zien?! Wie het eerste als reflex voelt zal naar mijn idee ideaal geschikt zijn als politicus anno 2019. Kletskoekers met een zelf bedachte boodschap kwaken dwars heen door de argumenten van anderen. Je stelt een vraag en als het antwoord je niet bevalt klets je daar dwars doorheen. Het resultaat, zo bleek recent bij het door RTL uitgezonden ‘lijsttrekkersdebat’. Met name de in de achterban bejubelde voorlieden van D66 en Groenlinks luisteren niet naar argumenten maar hadden van hun ‘spindoctors’ advies gekregen de ander er onder te kletsen. Schreeuwend desnoods!

De ‘goede groene zaak’ vraagt daarom volgens hun eigen redenatie.  We hebben nu de kans naar Noord-Koreaans model onze boodschap uit te dragen. Tegenstand is zinloos, en we schilderen die mensen met kritiek op onze heilige boodschap gewoon af als ‘nationalistisch’ of ‘niet ter zake kundig’. Intussen benutten we zelf onbewezen feiten en cijfers. Want winnen zullen we. Nu ging het in dat debat toch over de aanstaande verkiezingen van de Provinciale Staten die deels verantwoordelijk zijn voor het aan banen helpen van uitgefaseerde politici van de tweede garnituur die in de Senaat wetten zoals die idiote ‘Energietransitie’ moeten beoordelen op het realiteitsgehalte. Hoe groter het aandeel van links, hoe sneller we met zijn allen aann het financiele infuus hangen. Maar dat is voor die schreeuwers niet relevant. De man die het best bleek opgewassen tegen al dat verbale geweld was Dijkhof van de VVD. Aangename man, lastige boodschappen bracht hij netjes en duidelijke voor het voetlicht. En was uiteindelijk toch de morele winnaar van de avond.

Want slechts samenwerking en overleg kan ons land redden. En niet die loopgraven waarin Jetten en Klaver samen hun groene derrie zitten uit te poepen. Dat er dan aan de andere kant van hetspectrum wat lieden zijn die roepen over uit de EU stappen en zo voort neem ik maar mee met een korrel zout. Grappig ook om te zien dat de nieuwe erfgename van de SP zelfs de voorgekookte antwoorden van haar opponent uit haar hoofd kende en van de leg raakte toen die antwoorden anders bleken uit te pakken. Fatsoen, het was er niet en zo zag ik wat ik altijd al beweerde voor mijn eigen ogen afspelen. Het populisme komt tegenwoordig van links. Van partijen die vroeger het fatsoen hadden om tegenstanders uit te laten praten. Doet men nu niet meer. En dat is geen goede ontwikkeling. Ik voorspel derhalve dat ook deze verkiezingen op de 20e a.s. weinig overtuigde stemmers trekken. We geloven die lui niet meer. En rara aan wie ze dat zelf te danken hebben….. (Beelden: internet)

Nauw verbonden met de hoofdstad…maar niet altijd liefdevol..

Een van de grootste buurgemeenten van Amsterdam is Nieuwer-Amstel. Nu nog vooral bekend door de grote kern Amstelveen die het centrale bestuur van die gemeente vertegenwoordigt, maar vroeger toch vooral door het enorme uitgestrekte gebied waarin water en agrarische vormen van bestaan het meest belangrijk waren. Het gebied bestond vooral uit de stroom van de Amstel, aftakkingen, veenpolders en plassen en er woonden dan ook relatief weinig mensen. Maar de gemeenschap op zich was na het nog wat langer bestaande Ouder-Amstel, flink ouder dan die in Amsterdam. Anders dan in het drukke Amsterdam ging het leven nog vrij lang zijn gang op een bijna Middeleeuwse manier. Als je ziet hoe uitgestrekt dat gebied indertijd was en hoeveel inspanningen men deed om dat gebied min of meer droog te malen en ook bewoonbaar gte maken en te houden, overvalt je toch een gevoel van bewondering. Nieuwer en Ouder-Amstel zijn overigens nog steeds onderdeel van het grotere gebied Amstelland, maar daartoe behoort Amsterdam uiteindelijk ook.

De vele polders van Nieuwe-Amstel reikten tot ver in de omtrek. Bedenk maar dat Amsterdam in feite werd omsloten door haar grotere buurman in oppervlakte. En dat gaf voor de stedelijke bestuurders van de steeds groter worden buurstad gretige blikken op dat omliggende gebied toen Amsterdam steeds meer behoefte kreeg aan uitbreiding van haar woonwijken. Opvallend is dat langs de boorden van de Amstel door Nieuwe-Amstel werd gebouwd op plekken die we nu als Amsterdam beschouwen. Maar na een stevig staaltje landjepik door Amsterdam buiten haar eigen ‘Veste’ kwamen bijna 12.000 inwoners van de buurgemeente ineens in Amsterdam terecht, maar ook het werkelijk schitterende raadhuis van de gemeente dat Nieuwer-Amstel speciaal had laten neerzetten langs de Amstel om nog even aan te tonen van wie dit gedeelte van de Amstellandse polder eigenlijk was. Amsterdam bouwde de straten van haar nieuwbouwwijk Zuid overigens precies langs het patroon van de oude poldervaarten en als je daar nu rondloopt zie je ook dat die straten soms kilometers lang en kaarsrecht verlopen, of ergens halverwege een nauwelijks te verklaren verhoging van het straatniveau kennen. Alles van doen met die oude poldersituatie waar ook dijken moesten worden overwonnen.

Overigens kreeg Nieuwe-Amstel wel wat compensatie voor dat inpikken van polders en land. Later werd dat nog eens gedaan toen Amsterdam de Buitenveldertse polder benutte voor de bouw van flats en dure koopwoningen voor mensen die in de jaren 50/60 wat meer luxe wilden. Eerder al was een deel van de aan het Nieuwe Meer grenzende polderland omgevormd tot het Amsterdamse Bos. Ook de Bijlmermeer kwam op deze manier in handen van de hoofdstad. In latere jaren kreeg Nieuwer-Amstel zelf meer aanzien. Amstelveen werd uitgebouwd met dank aan de groei van Schiphol en de behoefte van met name welvarende joodse inwoners om in het groene land een woning te verwerven.

Afspraken met KLM en Fokker maakten dat Amstelveen intussen ook een stevige gemeente is geworden. Bovenkerk en Nes aan de Amstel behoren bij het huidige bestuursgebied van de gemeente. Van het polderland is nog maar weinig over al is het ten zuiden van Amstelveen tot aan Uithoorn nog steeds relatief open gebied. Intussen breidt Amsterdam toch weer uit richting de buurgemeenten. Men bouwt het groene landschap langs de Amstel (Amstelscheg)wat tot haar grondgebied behoort gewoon dicht. Over een jaar of 15 is dat een aaneengesloten bebouwd gebied. Jammer, maar helaas.

En de buurgemeenten profiteren mee van die bouwzucht. Voor hen die nog even naar de geschiedenis van die 19e eeuw willen kijken, langs de Amsteldijk op de hoek van de Tolstraat staat nog steeds dat fraaie oude stadhuis van die buurgemeente. Ingeklemd in de Amsterdamse bebouwing. Nu een hotel, voorheen het Stadsarchief van de gemeente Amsterdam. Hoe wrang kan het gaan. Ook op bestuurlijk niveau. En voor stadsgrenzen moet je ook goed uit je doppen kijken, want op veel punten zijn de twee buren fysiek echt met elkaar verbonden..(Beelden: Yellowbird fotoarchief)

Museale tram en bestuurlijke bedreiging..

Los van mijn meer bekende interessen op het gebied van luchtvaart en auto’s heb ik er nog een. Trams! Met name de soort die in onze hoofdstad rondreed en nog rijdt. Trams maakten zo lang ik al leef al deel uit van mijn observatorische gestel en ik heb er heel wat ritjes in doorgebracht. Van de oude blauwe trams met hun open balcons tot de moderne Combino’s. Een prima vervoermiddel dat je met een redelijke snelheid dwars door onze mooie stad heen brengt naar plekken waar je eventueel iets wilt bezoeken. Anders dan je zo vaak ziet in ons land waar het industrieel erfgoed betreft hebben we met die trams kennelijk nog wel iets, want elke grote stad met een tramwegennet heeft ook wel een of andere vorm van museale tramverzameling. En zeer terecht. Vrijwilligers werken zich vaak in het zweet om die uitgerangeerde wagens weer helemaal in nieuwstaat te brengen en oudgedienden brengen die fraaie ontwerpen dan weer op de rails. Een enkele keer op het stedelijke net, maar in Amsterdam ook op een eigen trace dat is aangelegd op het oude stoomtramspoor tussen Amsterdam Haarlemmermeerstation en Bovenkerk, net ten zuiden van de stad.

Duizenden mensen per jaar jaar vervoert men met die oude trams en dat is voor iedereen een plezierige beleving. Maar zoals zo vaak zijn bestuurlijke wegen soms ondoorgrondelijk. Het intussen tot een museaal spoorbedrijf omgevormde tramvereniging heeft een stel oude loodsen beschikbaar waar men al pakweg 40 jaar lang onder relatief primitieve omstandheden de oude trams onderhoudt. Daardoor raken die kwetsbare trams niet verloederd wat in open opslag direct op de loer ligt. Maar het terrein achter het ook al zo kenmerkende en museale station van de club is voor projectontwikkelaars goud waard en ook groenlinkse bestuurders zijn niet vies van een beetje geld verdienen. Men wil de grond gewoon verkopen en daar dan woningen neerzetten die in de huidge tijd goud opleveren. Maar ja, die trams en hun vrijwilligers dan??

Nou die moeten volgens die progressieve politici gewoon weg. Dus neem je ze eerst een stukje gemeentelijke subsidie af. We zullen ze leren! En daarna ga je vertellen dat de huur op hun onderkomen wordt opgezegd. Ze moeten opkrassen. Heen en weer rijden mag, maar opslaan niet. Deze kortzichtigheid van de stedelijke bestuurders in het Kremlin aan de Amstel zorgt toch voor enige paniek onder de mensen die genieten van die oude trams. Al eens eerder werd een oude remise van een andere club op dezelfde wijze ontmanteld en de collectie raakte daardoor heel snel in verval. Maling aan het verleden, lang leven de groenlinkse toekomst. Maar hoort een elektrische tram daar nu net niet bij dan?! De tramliefhebbers hebben intussen steun gekregen vanuit Amstelveen. Daar ziet B & W maar ook de Gemeenteraad wel het nut of de noodzaak van die museumtrams. Nu nog eens zien dat men wellicht daar een loods kan bieden om die unieke trams onder te brengen. Lukt dat niet wordt het wel erg lastig allemaal. En verdwijnt wederom een stukje van onze geschiedenis door kortzichtigheid van de politiek! Wil men dat stigma? Ik mag hopen van niet…… (Beelden: Yellowbird archief/internet)

Leven met de vliegende pijl – 17 – Praagse Lente

Het communisme was en is een totalitair systeem en hoewel de Tsjechische bevolking zich ooit in 1948 democratisch (..)had uitgesproken voor dat systeem, bleek het in de praktijk erg restrictief. Socialisme en communisme houden niet zo van individualisme, van persoonlijke vrijheden of de hier zo gekoesterde vrijheid van meningsuiting. In een aantal buurlanden had dit al geleid tot protesten, in de meeste gevallen werden die in de kiem gesmoord door een marionettenregering die precies deed wat men in Moskou had uitgedacht. De revolutie van 1956 in Hongarije lag nog vers in het geheugen van de naar vrijheden snakkende Tsjechen toen zij halverwege de jaren zestig werkten aan een versoepeling van de maatschappelijke en culturele regels om zo een iets plezieriger leven te kunnen leiden. Dit bracht zelfs een nieuwe regering aan de macht die de communistische doctrine verzachtte en zelfs sprak van onafhankelijke vakbonden en meerpartijenstelsels. Een politiek doodvonnis, want in Moskou en de omringende satellietstaten keek men met argusogen naar de zgn. ‘Praagse lente’.

Men was bang voor het domino-effect als de Tsjechen zich op het westen zouden oriënteren en niet meer op de moederpartij in het oosten. In augustus 1968 vielen troepen van het Warschaupact dan ook Tsjecho-Slowakije binnen. Daar riep men stakingen uit, belegde bijeenkomsten waarbij de Russische soldaten met woorden door de lokale bevolking te lijf werden gegaan. Het mocht niet baten. De Tsjechische regering werd naar Moskou afgevoerd, een nieuwe regering onder de hardliner Husak gevormd en het land teruggeworpen naar de ijzige periode van voor de Praagse Lente. Deze enorme dip zorgde ook voor een terugslag in de creativiteit bij de verschillende bedrijven die het land kende. Veel managers en arbeiders werden om politieke redenen gearresteerd en buiten de maatschappij geplaatst. Veel slimme en soms goed opgeleide Tsjechen waren hun land ook ontvlucht. Ook bij Skoda had men te maken met een flinke aderlating op dit gebied en men moest dus wel een pas op de plaats maken. Aan de productiebanden bij de fabriek en de toeleveranciers stond ofwel gedemotiveerde arbeiders, dan wel mensen die gedwongen werden dit werk te doen. Het hielp niet bij de kwaliteit van de op dat moment gebouwde wagens. En toch bleef het merk wonderwel goed verkopen. In 1970 werd de 1000MB opgevolgd door een model dat in feite niet meer was dan een faceliftmodel van die wagen, aangeduid als S100/110.

Nadelen van het concept waren niet echt weggenomen, maar de wagens oogden wel flink wat strakker en moderner. Door de prijzen laag te houden en de uitmonstering redelijk bij de tijd, wist men bepaalde doelgroepen van klanten, ook in het westen, wel aan zich te binden. Het gamma kende basis en luxe uitvoeringen en naar gelang je meer geld over had voor je vervoer, verschilde de bekleding en de motorisering wat van elkaar. In Nederland trachtte men de verkopen nog wat extra op te krikken door de vlot ogende TS-uitvoering, waarbij je een 110L kreeg met opvallende oranje lak en stevige breedstralers op de neus en wat fraaie striping voor een sportiever uiterlijk. Het hielp weinig omdat de wagens ondanks fraaie velgen en bredere banden, nog steeds niet veel sneller reden dan pakweg 135km/u. Dat deed men bij Simca met de bekende Rally-uitvoeringen in die jaren flink beter. Maar de ontwikkeling van de Skoda Coupe, officieel de S-110R, was weer wel een succes. Een erg aardige auto die een compleet ander interieur koppelde aan een vlot en gestroomlijnd uiterlijk, ook al stond ook daar nog steeds de relatief kleine 1100cc grote vierpitter achterin zijn 52 paarden te leveren. Toch een mooi gamma dat het zoals al eerder beschreven zou gaan uithouden tot en met 1976. Wordt vervolgd! (Beelden: Yellowbird archief)

 

Leven met de vliegende pijl – 15 – Heropbouw!

Het feit dat de totale vernietiging was uitgebleven tijdens de oorlogsjaren maakte dat de slimme Tsjechen op basis van hun vooroorlogse succesmodellen relatief vlot in staat waren hun autoproductie weer op gang te krijgen. Men had weliswaar wel wat schade opgelopen, maar inventief als men altijd was geweest (en nog is) lukte het de technici van Skoda om met beperkte middelen de productie van de Popular opnieuw op te starten. Het vooroorlogse model werd meteen goed verkocht, de behoefte aan kleine en betaalbare auto’s was na de oorlog onveranderd groot. Intussen werd het Skoda-concern genationaliseerd en in divisies opgesplitst. Weliswaar met dezelfde naam, maar ook verschillende taken. Skoda Pilzen behoudt haar eigen naam, de autofabrieken in Mlada Boleslav heetten vanaf 1946 AZNP, wat zoveel betekent als Auto Fabriek Nationale Onderneming. Het bekende beeldmerk van de vliegende pijl bleef behouden en de geproduceerde auto’s heetten nog steeds Skoda’s.

In Mlada Boleslav werden vanaf dat moment geen bedrijfswagens meer gebouwd. De productie daarvan werd ondergebracht bij andere divisies elders in het land. Voortaan dus alleen personenwagens uit Mlada Boleslav. Het zou nog lang duren voordat daar iets aan zou veranderen. Met veel enthousiasme was men in de fabrieken aan de slag gegaan om alles te herstellen, maar ook om al snel een modernere variant op de Popular te ontwikkelen. Deze auto zou het merk Skoda over heel Europa heen bekend doen raken en zorgen voor naar de tijd gemeten, enorme verkoopsuccessen. De 1100 Tudor was geboren. Een wagen die technisch nog verwant was aan zijn voorganger, maar uiterlijke lijnen liet zien die wat deden denken aan alles wat de Amerikaanse auto-industrie in die jaren uitbracht.

De auto had veel ronde vormen, in de schermen gemonteerde koplampen en een piramidevormige chromen grille plus kleine stadslichten op de voorschermen. Een gezinsauto die mateloos populair werd. In ons land werden er ook zoveel van verkocht dat Skoda in de laatste jaren 40 en begin 50 al in de top 10 van best verkochte merken kwam te staan. Een geweldige prestatie. Afgeleide versies waren o.a. een bestelauto en een erg fraai ogende cabrio. Maar Skoda wilde meer. En zo kwam er een jaar of vijf later al een opvolger voor die 1100 op de markt, die nog slechts als 1200 bekend zou worden.

Die auto had een heel andere constructie, een wat zwaardere motor maar presteerde ook wat minder goed dan zijn voorganger. Intussen waren in het westen flink wat moderne concurrenten te koop en namen de verkopen van de nieuwe Skoda’s in deze streken af. De 1200 was wel weer leverbaar als sedan, stationcar, bestelauto, pick-up en deed het in rallies ook weer voortreffelijk. Toch wilde het met de verkopen niet zo lukken en was het op enig moment zelfs zo dat de aloude 1100 meer klanten trok dan zijn wat grotere, modernere, maar ook duurdere opvolger. Skoda leerde daarvan snel en werkte aan een auto die beide modellen moest opvolgen. Dat werd de nu nog befaamde 440, die eerst als Spartak door het leven ging, later als Orlik, maar in zijn versie van 1958 en later vooral bekend werd als de oorspronkelijke Octavia. Intussen bouwde men ook nog allerlei fraais voor de circuits van  deze wereld of voor het pure rallywerk. Een erg mooi voorbeeld was de 1100OHC sportwagen die echt niet zou hebben misstaan als prototype voor een nieuwe Ferrari uit die dagen. Wordt vervolgd (Beelden: Internet/Skoda Museum/Yellowbird)