Leven met de vliegende pijl – 18 – Tussentijdse ontwikkelingen…

Terwijl de fabrieken in het Tsjechische land dus relatief grote aantallen van die sinds 1970 gebouwde Skoda’s uitspuwden werkten technici aan hele series nieuwe ontwikkelingen die halverwege de jaren zeventig de opvolgers zouden kunnen vormen voor de zo om hun wegligging (motor achter) bekritiseerde S100-110 modellen. Soms deed Skoda die ontwikkeling alleen, dan weer in combinatie met de Oost-Duitse fabrikanten EMW Wartburg en Sachsenring Trabant. Die laatste merken hadden weliswaar wagens met voorwielaandrijving in de aanbieding, zij misten expertise op het gebied van viertaktmotoren en goede versnellingsbakken die de Tsjechen nu net wel bezaten. Prototypen van erg aardige modellen voor de toekomst verschenen zowel in de DDR als in Tsjecho-Slowakije. Die toonden aan dat Skoda in beide landen technisch de touwtjes aardig in handen kon krijgen als de politieke leiding van beide communistische staten durf had gehad op dit punt.

Die bleek echter niet voorhanden en alle pogingen om moderner auto’s te bouwen moesten van de hoge communistische leiders in die staten worden gestaakt. De Oostduitsers gingen daardoor gewoon door met hun pruttelende tweetakts en Skoda zocht naar een ultiem model dat de oude reeksen zou kunnen opvolgen. Daarbij maakte men gebruik van ontwerptekeningen voor een grote middenklasser die men ergens in 1974 had uitgetest. Een wagen met een 1400 of 1600cc motor voorin en de aandrijving op de achterwielen. Groot, ruim en comfortabel. Hoekige lijnen en bij sommige van die ontwerpen een opvallende hop-up bij de c-stijl zorgden voor een lekker modern uiterlijk. Omdat al die ontwikkelingen smoorden in politieke onwil bleef men bij de fabrikant zitten met veel frustraties. Die werden nog groter toen werd besloten dat om kostenbesparende redenen de opvolger voor de S100-110 reeks technisch gebaseerd moest blijven op die toen geproduceerde modellen. Skoda schoof daardoor inventief als Tsjechen zijn, twee zaken maar over elkaar heen. Slim wellicht, goedkoop zeker, maar eigenlijk ook wel wat achterhaald.

Men nam de carrosserie van die middenklasser, vijlde dat ontwerp links en rechts bij en hing er de techniek van de 100/110/serie onder en achterin. Waarbij de basismotor iets werd opgevoerd, net als die van het grotere luxe model. 1050cc en 1200cc werd de cilinderinhoud en men verzon het al eerder genoemde technisch wat risicovolle koelingssysteem met radiator in de neus en pijpen en slangen richting motor achterin. De nieuwe wagens kregen een opmerkelijke kofferbakklep, die naar opzij opende. Dat deed men om veiligheidsredenen. Immers, een normale koffer- of motorkap kon soms onder bepaalde omstandigheden aardig vervelende verwondingen of erger verzorgen bij inzittenden als een auto als deze frontaal botste. Door die zijwaarts openende kofferklep werd dat risico met ruim 50% verminderd. Maar het bleef wel raar staan als die klep open stond. De kofferbak zelf was door een wat slimmere constructie flink groter en het interieur schoot er een heel stuk op vooruit. De wagens waren ruim genoeg voor een gemiddeld gezin, waarbij je dan ook nog doorklapbare achterbanken kreeg met extra bergruimte achter de rugleuningen van de achterbank. Een doordachte auto, alleen die wegligging…….. Wordt vervolg! (Beelden: Yellowbird collectie/archief/Skoda)

Leven met de vliegende pijl – 13 – Geschiedenis

In mijn persoonlijke verhaal tot nu toe heb ik links en rechts al het een en ander aangegeven over de modellen die Skoda in die beschreven jaren voerde  maar het is wellicht goed om beknopt ook de bewogen geschiedenis van het merk tot begin jaren tachtig van de vorige eeuw nog eens de revue te laten passeren. Anders dan velen zouden kunnen denken is Skoda niet zoals Lada of Dacia een soort zelf verzonnen fantasienaam en al helemaal niet bedacht door communistische strategen van na de oorlog of zo. Nee, het merk vindt haar wortels al ver in de 19e eeuw toen er een Baron Emil von Skoda leefde die door hard werken en goed om zich heen kijken in staat bleek een staal- en wapenindustrie op te zetten die een geweldige naam en faam zou opbouwen. Het thuisland, de Tsjechische provincie Bohemen, lag nog in het toenmalige Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk waar veel van ook nu nog bekende namen in de automobiele wereld vandaan zouden komen. Skoda bouwde al vervoermiddelen als treinwagons en trams, maar het grote geld kwam voor de staalfabriek uit Pilsen toch vooral uit de productie van hoogovenstaal en wapens. Elders in het fraaie Bohemen vonden intussen twee andere ondernemers elkaar. Vaclav Laurin en Vaclav Klement heetten die lieden en die startten in 1895 samen met de productie van fietsen. Om deels nationalistische redenen overigens, de Tsjechen hadden genoeg van het verplichte Duits dat voor hun land gold doordat men in die periode dus aan dat oude Weense en Habsburgse keizerrijk was verbonden.

Onder de fraaie naam Slavia L en K werden de eerste tweewielers in elkaar gestoken, een paar jaar later hing men daar een benzinemotor in en ontstond de eerste motorfiets. Maar Laurin en Klement zagen in de wijde omgeving al snel dat een nieuw wereldwonder op komst was, de automobiel! Met wat technische kennis en steun vanuit Frankrijk wisten de twee ondernemers in 1905 hun eerste echte eigen auto te bouwen, aangeduid als Voituretta L en K 01A. Een goed en aardig ogend ding dat al snel succesvol werd. L en K bouwden namelijk al vrij vlot wat verschillende versies en er kwam ook een racewagen van de productielijn waarmee men door heel Europa de competitie aanging en ook zeker kon met andere fabrikanten uit die dagen. De Boheemse auto-industrie was onderweg succesvol te worden en flink te verkopen. Intussen werkte het staal- en wapenbedrijf Skoda aan militaire trekkers, die o.a. voorzien waren van deels elektrische aandrijving. De wagens konden zelfs op rails functioneren en als een soort noodlocomotieven wagons met munitie vervoeren. Aan personenwagens dacht men in Pilsen nog helemaal niet, wel aan vrachtwagens en die werden dan ook voor de toenmalige markten gebouwd. Vooral ook voor het leger. De eerste wereldoorlog zorgde qua civiele autobouw voor een pas op de plaats, maar na dat conflict waren De Tsjechen en Slowaken onverwacht door politieke keuzes elders samengevoegd in een eigen onafhankelijk land en was men los gemaakt van het vroegere Habsburgse regime in Wenen. Voortvarend werd de draad weer opgepakt bij zowel Skoda als Laurin en Klement.

 

Skoda zag nu toch ook wel iets in personenwagens en nam na wat pogingen om zelf een succesvol model uit te brengen, de licentierechten op zich voor chique en dure Hispano Suiza’s die in Tsjecho-Slowakije werden voorzien van fraai ontworpen carrosserieën. Auto’s voor de bovenklasse in de maatschappij. Een doelgroep die overigens deels ook door L en K werd bediend. Daar kwamen in die jaren steeds meer modellen uit die kopers aanspraken en goed verkochten. Stel je  daarbij voor dat in diezelfde periode het land waar men opereerde nog veel meer merken kende. Denk maar eens aan het fameuze Tatra. Maar ook Walter en Praga waren merken die er mochten zijn. De Tsjechen hadden als technisch volk een paar jaar later een geweldige naam opgebouwd en deden ook een paar uitvindingen die ze tot in lengte van jaren zouden benutten. Zo was het ruggengraatchassis met losse assen een enorme verbetering t.o.v. het ladderchassis en aan bladveren gehangen assen bij meer behoudende modellen van andere fabrikanten. Die zgn. pendelassen zorgden voor veel comfort en ook voor flinke wieluitslagen op slechte wegen, indertijd gezien als enorme voordelen.

Terwijl Skoda relatief weinig van die wel erg luxe in licentie gebouwde auto’s bouwde en die vooral sleet aan de hoog geplaatsten in dat nieuwe land, ging het Laurin en Klement intussen qua verkoop meer dan prima. Maar men had daar echter wel steeds minder geld in kas om nieuwe modellen te ontwikkelen of de productielijnen in Mlada Boleslav verder uit te breiden. Toen dan ook nog eens de financiële crisis van 1928 de wereld raakte, bleek een fusie met Skoda een wijs besluit. Het grote Skoda nam het kleinere L en K over. Het geld dat nu beschikbaar kwam werd gestoken in ontwikkeling van flink wat nieuwe modellen, waarvan de Skoda’s 412, 422, 645 en de 633 de bekendste werden. Kleine en soms wat grotere betaalbare modellen die al snel goed verkochten. Maar ook wagens voor de happy few uit die dagen. De export van het nieuwe merk Skoda was ook al snel goed verzorgd, de oude contacten van Laurin en Klement zorgden voor showrooms op de boulevards van Parijs en de high streets in Londen.

Skoda werd ook bekend doordat het slim doorging met racen. Dat was altijd de kracht van L en K geweest, het nieuwe automerk nam deze expertise met veel verve over. Dat deed men ook met de pendelassen. Nieuwe wagens met deze constructie waren kleiner, sportiever, comfortabeler en bleven ook betaalbaar. In de jaren dertig probeerde men nog wel om ook de rijken der aarde als klant vast te houden door onder meer de grote Superb aan te bieden, een auto met een staande achtcilinder in lijn, maar de aantallen die daarvan nog zouden worden verkocht tot de inval van de nazi’s in 1939 waren te verwaarlozen. Een van de belangrijkste nieuwe auto’s uit dat tijdperk was de Skoda Popular die liet zien waartoe men in Tsjecho-Slowakije in staat was. Naast al die brood-met-beleg auto’s experimenteerde men intussen bij Skoda ook toen al met wagens waar de motor achterin werd geplaatst. Al in 1932 reed de 932 rond met een 1,5 liter grote viercilinder in het achteronder. De vormgeving was geen succes.

Dat was bij de 935 uit 1935 al flink verbeterd, die auto leek sprekend op de latere Tatraplan. Wie daarbij naar wie had gekeken is niet zo duidelijk. Intussen werd de Popular steeds verder ontwikkeld. Er verschenen erg fraaie twoseaters van, open versies, en de bijzonder fraai gestroomlijnde ‘Monte Carlo’ die was afgeleid van een succesvol rallymodel. Bij die wagen had men zelfs metalen lamellen voor de koplampen aangebracht, volledig in stijl met de grote grille die de motor koellucht bracht. En voor de goede orde; die Populars hadden al bovenliggende nokkenassen in hun motoren zitten, toen best heel modern. Maar Skoda deed meer. Want men bouwde ook nog vrachtwagens, autobussen, tractoren, militaire voertuigen, vliegtuigmotoren en spoorwegmaterieel. Een zeer opvallende verschijning was de door Sodomka ontworpen en door Skoda gebouwde 606D luxe reisbus. Die kwam in 1938 op de weg. Wordt vervolgd – (Beelden: Yellowbird archief/Skoda Museum/Skoda Auto AS – Alle teksten zijn eigendom van de auteur.)

‘s-Lands historie in Arnhem…

Ook al zo’n museum waar je echt moet zijn geweest. Of beter, een paar maal, omdat men ook hier in staat blijkt de expositie steeds weer optimaal en bij de tijd te houden. Het Open Lucht Museum ligt in de buurt van Arnhem en kent een ruime entree met voldoende parkeerplaatsen. Toen wij er op bezoek waren in juni j.l. bleken er al heel wat toerbussen te vinden, die hun lading van allerlei soorten en pluimages mensen net hadden gelost. Een bestemming met enorme aantrekkingskracht dus. Maar zodra je de kassa’s bent gepasseerd valt die drukte enorm mee. Men is gek op de (schitterende) Rotterdamse trams die het park via een zestal haltes bedienen. En de hoofdhalte ligt tegenover de in/uitgang van het museum. Maar ga zelf in eerste instantie gewoon lopen.

De omgeving is er schitterend en gelegen in een groot bosperceel. Met af en toe een of meerdere attracties bij elkaar gegroepeerd. En die moet je dan echt even tot je nemen. Ik ben wat meer van de stedelijke historie dan die van het platteland, maar een oude boerderij bekijken en zien hoe de mensen daar vroeger in leefden of woonden is soms best contronterend. Armoede kwam in vele gedaanten. Goed dat men dus ook keurige nette arbeiderswoningen neerzette uit Tilburg, maar ook krotten uit de Amsterdamse Jordaan. Met bijbehorende geluiden en geuren. Voor hen die dat belangrijk vinden is er ook het een en ander te vinden over de huidige massa-immigratie en wat hieraan ten grondslag lag.

Met verschillende ogen bekeken komt je vaak tot dezelfde conclusies. De geschiedenis valt niet te veranderen, wel onderscheidend te interpreteren. Het O.L.M. heeft op diverse plaatsen ‘exponaten’ die er toe doen. Ik vond de tramremise met daar tegenover het Van Gend & Loosgebouw echt prachtig. Maar ook het Zaanse stukje met een oud bruggetje uit Ouderkerk a.d. Amstel mag er zijn. Diverse molens zorgen voor ambiance. Je komt er een oud dorpskerkje tegen en een schooltje uit Friesland waar kinderen in vroeger tijden nog met een open vuurtje in de klas warm gehouden moesten worden.

Je komt er levende dieren tegen, en een bijenopvang. Er is een kruidentuin plus een scheepswerf. Voor hen die daar behoefte aan hebben is er door het hele park heen iets te eten of te drinken, het grote restaurant bij de ingang (waar de trams ook starten en stoppen) biedt de grootste keuze aan gerechten en dranken. Toiletten zijn ook voldoende beschikbaar, dus ook op dat punt geen nood. En daarbij is de rolstoelvriendelijkheid op behoorlijk nieveau.

Het terrein is wel glooiend, er moet flink geduwd en getrokken worden door begeleiders, maar toch. Je kunt hier een hele dag doorbrengen zonder je te vervelen. Wie er heen wil moet rekenen dat men op 28 oktober a.s. sluit. Dan gaat men beginnen aan het nodige onderhoud. Veelal door vrijwilligers uitgevoerd. En op dat punt valt ook weinig af te dienen op de klantvriendelijkheid van die lui. Een zeer aan te raden bestemming en je leert er veel van over hoe wij Nederlanders leefden en wellicht nog leven anno 2018. (Beelden: Yellowbird Photo)

Op zoek naar luchtvaartglorie…

Het Themapark Aviodrome moet je als ware luchtvaartgek eens in de zoveel tijd absoluut bezoeken, dus dat deden we onlangs op een aardig warme dag in juni toen de schoolvakanties nog niet waren begonnen. Met de Museum-Jaarkaart is de toegang er gratis, het parkeren kost je evenwel 7 euro. Ongeacht de duur van je verblijf. Best pittig! Hoe dan ook, wat men hier uitstalt binnen en buiten kan de toets der kritiek prima doorstaan. Je krijgt zeker als je niet zo thuis bent in de materie, een aardig beeld van hoe ver die luchtvaart eigenlijk is gekomen in de eerste 60 jaar van haar bestaan. Daar helpen buitengewoon doordachte audio-visuele presentaties ook bij. Leuk is ook dat men bepaalde thema’s met overtuigende beelden en geluid aan elkaar heeft geknoopt en dat de echte oude vliegtuigen tegenwoordig worden vergezeld van soortgelijke twee- of vierwielers.

Een museum waardig. Dat dit eigenlijk ook een pretpark is, merk je vooral buiten. Daar zijn een paar pretparkonderdelen voor de kleintjes rond wat vliegtuigen gemaakt. En je kunt een deel van die oude toestellen van binnen bekijken. Daarnaast is voor de echte liefhebber ook een technische hangar beschikbaar waar je ziet hoever men is met het werk aan o.a. de unieke DC-2, en op te bouwen Noorduyn Norseman. Maar ook de Fokker Four S11’s staan hier onderdak naast een stel lichte en wat grotere vliegtuigen. Zo is de vleugelloze romp van de DC-3 PH-DDZ te zien in de kleuren van Martinair. Of die ooit nog zal vliegen is maar zeer de vraag. Voor de deur van het gebouw staan ook nog wat vliegtuigen. Aardig is ook de expositie over het oude Schiphol, toch alweer een eeuw oud, in het nagebouwde en zo kenmerkende stationsgebouw van ons nationale vliegveld van voor de oorlog.

Neem daar ook eens de tijd voor. Want je krijgt een aardig beeld van hoever we tegenwoordig zijn gevorderd waar het de vliegerij betreft. Groter tegenstelling met de ook buiten geparkeerde Boeing 747 ikv KLM kan dan bijna niet zijn. De enorme ‘Jumbo’ is de trekpleister van het museum, je kunt er de omvang van zo’n toestel aardig ervaren. De ingang van de romp is verbonden met het museum, je moet er even voor omlopen, maar dat is gezien hetgeen hier te zien is geen echt bezwaar. De gidsen zijn intussen allemaal nog steeds gepensioneerde vrijwilligers.

Sommigen daarvan kunnen aardige verhalen vertellen en zijn over het algemeen vriendelijk. De shop van het museum heeft een redelijke keuze, maar is wel aan de prijs. Maakt niet uit als je echt een souvenir daar vandaan wilt meenemen. Voor de koffie en iets lekkers adviseer ik overigens liever het restaurant Mart-inn dat niet ver van de verkeerstoren op het vliegveld Lelystad te vinden is.

Met name het buitenterras (gelegen boven op de Martinair-Vliegschool) geeft een schitterend uitzicht. En de prijs voor koffie en thee zijn binnen de perken gehouden. Voor broodjes moet je omwille van de prijs even goed kijken wat je bestelt. En ik geef dat advies omdat de coffeeshop van het Museum even buiten dienst leek door een verbouwing en men je slechts heel beperkt kan helpen aan een versnapering. Kortom, een aardig museum wat ik zeker eens in de zoveel tijd zal blijven bezoeken. Al was het maar omdat je niet weet hoe lang het nog die provinciale sfeer zal kunnen bieden die een vliegveld als dit nu nog heeft. Aan de overkant van het museum zie je op enige afstand al de terminal verschijnen van het ‘overloopvliegveld’ Lelystad Airport dat in 2019 klaar moet zijn. Leuk voor de vakantievliegers en Schiphol, toch iets minder voor dat rustige tempo waarin momenteel alles hier zich afspeelt.

Leven met de vliegende pijl 4 – Baanwissel…

Omdat ons gezin indertijd was uitgebreid met de komst van onze zoon, en ik juist in die jaren druk was op vele fronten, waaronder het afhandelen van chartervliegtuigen op vliegveld Beek bij Maastricht, vond vrouwlief dat het qua werkdruk wel eens een ‘tandje minder’ zou mogen. Gelijktijdig was ik met de nieuwe Amsterdamse Skoda-dealer zo tevreden geraakt, het bleken erg aardige en vakbekwame lieden, dat ik op Schiphol links en rechts reclame voor hen maakte. En al snel leidde dit tot verkopen van Skoda’s en andere auto’s aan concullega’s en zelfs buren. Het aandeel van Skoda in Amsterdam steeg daardoor, en toen we bij het bedrijf waar ik toen op Schiphol werkte de aloude VW Bus lieten opvolgen door een veel grotere Mercedes, ontstond er daarnaast ook behoefte aan een auto die het stadsvervoer zou kunnen regelen. Een tweedehands Ford Transit mocht dat werk gaan doen, mijn dealer mocht hem leveren. De contacten die we daardoor kregen werden hechter. Zodanig dat ik medio 1976 serieuze gesprekken begon te voeren met de eigenaar en zijn werkplaatssecondant over zijn bedrijfsvoering.

Hij moest van de toenmalige importeur Englebert nieuw bouwen, er kwam namelijk volgens de berichten een nieuwe Skoda aan, en zijn huidige pand aan de Amstelveenseweg was ver onder de maat voor de door de toenmalige importeur beschreven toekomst. Toen ik via Tsjechische contacten uit die tijd ook nog eens de eerste ‘geheime’ foto’s kreeg van de nieuwe Skoda die een jaar later zou verschijnen werd mijn interesse gewekt. Zou ik niet een professionele rol kunnen spelen bij de verkoop van die wagens? Desnoods in het dealerbedrijf op het moment dat die een eigen nieuwe showroom zou hebben gebouwd? Die gesprekken werden door de maanden die volgden steeds serieuzer, mijn onzekerheid of ik het wel zou kunnen week voor de liefde die ik had voor het merk en de behoefte daar iets mee te doen. Daarbij, het Schipholse bedrijf waar ik toen zat was nu voor de tweede keer overgenomen door een grotere onderneming, nieuwe mensen afkomstig van die grotere bedrijven kregen sleutelposities en voor mij als hardwerkende operationsmanager had men geen directiepost ingeruimd.

En dat viel bijzonder verkeerd bij iemand die zijn hart en meer vanaf de start aan dat bedrijf had gegeven. Begin 1977, net voor de AutoRAI van dat jaar waar de nieuwe Skoda werd geïntroduceerd, sloten we het akkoord over mijn indienst treding bij de Amsterdamse dealer voor Skoda. ‘Voor de verkoop’ dat sprak voor zichzelf! Tijdens de zeer belangrijke RAI, in februari 1977, kreeg Nederland de nieuwe Skoda te zien. Anders dan door velen gesuggereerd had die nog steeds de motor achterin zitten, ook al was de koets compleet nieuw en oogde als een ruimteschip naast de voorganger modellen. Die door Englebert overigens nog steeds werden verkocht. Men moest tenslotte van de laatste voorraden af van dat spul. Die dagen op de RAI leerden me veel. Praktijklessen op het gebied van verkoop en gedrag van mensen. Was ik op Schiphol toch meer gewend geweest aan business-to-business werken en een redelijk beschermde omgeving, in het autovak ging het heel anders toe. Ik zou er nog heel wat staaltjes van meekrijgen in mijn nieuwe rol. Wordt vervolgd! (Beelden: Skoda/Yellowbird Archief)

tHuis aan de Amstel – nog flink oefenen…

De locatie is meer dan geweldig. Langs de boorden van de Amstel, net voor de grote bocht van de voormalige naamgevende rivier de stad in. Waar tot en met 1965 een gasfabriek de wijken in de omgeving voorzag van energie. Die gasfabriek was tot de komst van de zgn. Utrechtsebrug die Amsterdam-Zuid met de nieuwe A2 verbond, bereikbaar met een Gemeentepont. Kortom historische grond. Een van de nog bestaande panden van die gesloopte fabriek was het zgn. ‘Ingenieurshuis’ dat werd bewoond door de directie van de er achter staande gasfabriek. Daarna werd de woning in gebruik genomen door een kunstenaar die het historische pand tot en met 2008 bewoonde. Daarna kreeg het een andere bestemming, de meest recente een fraai en klassiek ingericht restaurant. Met de bijpassende naam tHuis aan de Amstel.

Een onderdeel van de keuken bevindt zich in het hokje van de vroegere portiers, het hek om het terras doet ook historische links vermoeden. Kortom, met die lokatie is weinig mis. Maar waar het bij horecazaken om gaat is toch ook de service, ofwel de bediening. En die was tijdens ons bezoek op een zonnige junidag buitengewoon ineffecient. Een man van een jaar of 45 en een jonge dame bedienden de (vele) gasten op de diverse terrassen. Dat je dan even geduld moet hebben is logisch, maar exact 15 minuten wachten op iemand die een bestelling op komt nemen?? Daarna bleek dat de betreffende man niet goed had geluisterd, zelfs diverse malen op en neer moest lopen om correcties uit te voeren op zijn oorspronkelijke werk. Jeminee, je moet wel vergevingsgezind zijn om daar een goed cijfer op los te laten. De jongedame (zijn collega) bleek daarbij flink slimmer.

Die deed alles met een (zoals dat tegenwoordig gaat) mobiel computertje en liep ook echt een teentje sneller. Al met al geen beste eerste indruk. Maar dat uitzicht, de sfeer, het idee dat je hier buiten zit maar toch ook gewoon binnen de Ring. Een lokatie die je alleen daarom al met een 10 zou moeten beoordelen. Maar door die gebrekkige bediening niet boven de 7 uitkomt. Daar doen de klassiek ingerichte toiletten (brandschoon) niets aan af of voegen er helaas niets aan toe. Want als ik slechts voor het pand zou komen zou ik eerder naar een museum gaan. Nog even oefenen daar aan de Amsteloever, maar een aanrader is het wel…Zeker voor mensen die even een zakelijke meet-and-greet willen organiseren of op het gemakkie willen werken aan een rapport dat morgen klaar moet zonder gedoe met collega’s. Daar heeft men in dit fraaie pand meer dan voldoende ruimten voor beschikbaar. En je hoeft niet bang te zijn dat men je snel weg zal werken. Dat lukt hier gewoon niet.,..(Foto’s: Yellowbird/Photo)

Leven met de vliegende pijl – 3 – Reizen en trekken….

Voordat ik chronologisch nog even verder ga met beschrijven van al die Skoda’s die mijn leven beheersten (..) wellicht even goed om aan te geven waaraan die eerste auto moest voldoen en wat er zoal mee werd gedaan. Natuurlijk diende hij voor het woon-werkverkeer dat in die dagen nog vooral plaatsvond tussen de nieuwe Amsterdamse wijk Bijlmermeer en mijn werkplek op Schiphol. Maar we deden er flink meer mee. Ritjes naar en in Duitsland waren in die jaren ook al regelmatig aan de orde van de dag, week of maand. We hadden er familie wonen van mijn vrouw en die zetelden allemaal in het Ruhrgebied. Dus we gingen nog al eens op en neer. Maar ook een vakantietripje naar Moezel en Rijnland werd met de rode Tsjech keurig, zuinig en veilig uitgevoerd. Hellingen waren soms best een uitdaging, maar met vier man en een pak bagage kwamen we altijd boven en vertraagden ons op de motor en het gescheiden remsysteem ook weer veilig een weg naar beneden. Ook al was de auto in die jaren gevoelig voor onderhoud, ging er van alles en nog wat aan stuk (niks bijzonders in die dagen, want de meeste wat goedkopere auto’s waren zo in elkaar gestoken dat je bijna constant bij de garage stond..), als het er op aan kwam deed de ‘rode’ wat ik er van verwachtte. (Foto: De gele Skoda S100 die ik gebruikte van 1973-76 was van een heel andere orde dan zijn rode voorganger) 

Twee keer stond ik er in de 2,5 jaar gebruik onderweg mee stil. Een keer vlak bij Amstelveen toen een klein palletje van de rotor in het ontstekingssysteem afgebroken was. Precies halverwege werk en thuis. De wegenwacht kwam en repareerde het onderdeeltje met plakband. Ik kwam er mee thuis en de volgende dag naar de dealer. Onderweg in Duitsland staakte op enig moment het gaspedaal elke functie. De gaskabel (jaja, toen ging dat nog zo..) was precies bij het mechaniek achter het pedaal los geschoten. Met wat moeite en gevloek kon ik dat zelf repareren. Verder deed ik met de rode Skoda nog het een en ander voor het werk. We hadden indertijd nog wel eens wat te doen in Maastricht en dan reed ik met de rode Tsjech even op en neer. Er stond een aardige onkostenvergoeding tegenover, en dan kwam je met die Tsjechische auto’s aardig uit. Met de tweede Skoda, een okergele, die ik vanaf de zomer van 1973 tot mijn beschikking kreeg na inruilen van de rode, ging het eigenlijk precies hetzelfde als bij die eerdere S-100. Met een verschil. Of het nu in de kleur zat of in verbeterde kwaliteitszorg in het Tsjechische Mlada Boleslav, die gele auto was bijna een klasse beter. Hij reed fijner, was absoluut pechvrij, roestte minder en was op een of andere manier veiliger. (Op de foto met de rode Skoda in 1972 samen met de opa van mijn vrouw met wie ik een prima band had. Samen in Bottrop (D)) 

Toch ging ook hierbij de kilometerstand vrij hard omhoog, zodanig zelfs dat ik na een jaar of 2,5 weer dacht aan opvolging. Nu moest er maar eens een luxe en snelle versie komen. Skoda had die in huis met de S-110LS, een auto met een 1100cc motor die men wat had opgepept en die extra luxe was uitgerust. In de neus zat o.a. extra verlichting, die vooral goed was om anderen even een signaal te geven dat je er met de Skoda langs wilde. De auto bezat zelfs interval op de ruitenwissers……Kortom, een aantrekkelijk auto voor een Skodafreak zoals ik. Nieuw was hij wel wat boven budget, maar met wat steun van links en rechts uit de familie en het nodige gespaarde eigen geld kwam de nieuwe okergele LS medio 1976 in gebruik. Het was precies een jaar voor de opvolger van deze reeks zou worden verkocht, maar dat wist ik toen nog niet. Met de LS voelde ik me King-of-the-road en gedroeg me ook zo. De auto was vlot genoeg om er mensen mee te jennen die in langzamere modellen voortbewogen en de kleur opvallend genoeg om anderen te irriteren. Toch bleek het een prima wagen, die nog eens extra was uitgerust met een geweldige radio en zelfs bij bestelde mistlampen onder de voorbumper. (Foto: De S110LS uit 1976 was een lekker opgetuigd exemplaar dat buitengewoon goed reed) 

Al dat licht in een keer aanzetten was niet zo handig, want dan stotterde de motor onderweg…..Werd later trouwens keurig door de dealer opgelost. Die had ook op voorhand de startmotor voorzien van een andere (Bosch)bendix, waardoor uitval van die dingen niet meer kon plaatsvinden. Een euvel dat ik bij beide voorgangers wel had meegemaakt en kennelijk een echte Skoda-typische storing was in die periode. Het was een genoegen om met de LS op de Duitse Autobahnen of Franse snelwegen te rijden, plankgas reed je de wijzer zowat uit de teller en dan wees dat ding echt iets van 170km/u aan. In het echt zal het wel iets minder snel zijn geweest, maar voor een Skoda uit die dagen was het supersnel. Jammer was wel dat de ook extra ingebouwde oliekoeler telkens zorgde voor flinke lekkages. Op een ritje naar Parijs raakte het blok zowat compleet leeg. Werd de motor warm liep het smeerspul zo langs de afdichtingen…Werd later afgekoppeld, probleem opgelost! Wordt vervolgd. (Beelden: Yellowbird archief – Alle teksten zijn eigendom van de auteur) 

Hoorn – historisch genoegen!

Ik neem de lezer op mijn blog weer eens mee op trip. Naar Hoorn. Leuke stad, om meerdere redenen voorzien van grote historische banden met Amsterdam, VOC, koopvaart en zo meer. Een stad waar een prachtig historisch centrum wordt gekoppeld aan de nodige havens waar bruine, witte en nieuwgeldvloten naast elkaar aangemeerd worden. Een stad ook met heel wat fraaie kerken waarvan een deel niet meer als zodanig wordt benut. Ook hier sloeg de ontkerkelijking toe. De stad kent een paar musea. Zoals het Noord-Hollandse, maar zeker ook het Museum van de Twintigste Eeuw dat elke keer dat we er komen weer meer te bieden lijkt te hebben. Feest van herkenning. Ook voor de Soester vriendjes met wie we deze keer het Hoornse bezochten. Op een vrij kille junidag, waarop je zag dat veel van die boten worden bemand door Mooiweer vaarders. Want ze bleven voor de wal.

De echte schippers voeren uit, hezen de zeilen en gingen er met gezwinde spoed voor de wind vandoor. Hoorn heeft ook de nodige leuke winkels te bieden. De ooit wat oubollige V&D hier is net als elders verdwenen en het pand maakte niet de indruk dat men nu al nieuwe huurders had gevonden of dat Hudson Bay ook hier gaat proberen om ons te overtuigen van hun gelijk op onze markt te penetreren. Nee, de oude V & D is in verval. Wonderlijk genoeg helemaal niet passend bij Hoornse panden uit de oudheid. Want zelfs 16e -eeuwse pandjes staan hier, zij het scheef, nog aardig overeind. Dat Hoorn is in de jaren zestig en daarna toevluchtsoord geworden voor veel Amsterdammers die in hun stad geen redelijk huis in een veilige buurt vonden en derhalve maar uitweken naar wat toen de ‘kop van Noord-Holland’ was. Het deed de nieuwe woonstad bepaald geen kwaad. Overigens begreep ik later dat het V&D pand wordt gesloopt en plaats gaat maken voor nieuwbouw. Prima plan!

De economie floreert in Hoorn en dat zie je ook in de uitgestrekte wijken aan de rand en het stevige van grote winkels voorziene industrieterrein. Van autodealers tot meubelzaken, het is hier allemaal. Je hoeft dus niet speciaal naar Amsterdam om te kunnen winkelen. Daarbij is Hoorn goed bereikbaar, een behoorlijk lokaal wegennet sluit aan op het landelijke, er is een goed functionerend spoortraject, waarvan wij deze keer gebruik maakten, en voor de liefhebbers is er hier heel wat te fietsen. Kortom een erg aardige combinatie. Een leuke stad die o.a. trots is op dat elders zo vaak door nieuwe Nederlanders verguisde verleden. Jan Ptzn Coen wordt hier nog geëerd en dat hoort ook zo.

Ik bekijk dingen op dit punt toch met een blik in dat verleden zoals wij dat kennen. Dat er wel eens iets fout zal zijn gegaan, zeker! Maar was dat omgekeerd niet zo?! Daarbij, we kunnen nog wel even een discussie voeren over hoe de dingen door de tijd heen zijn veranderd qua denken bij sommigen. Maar in Hoorn heeft men daar minder last van. Misschien wel bewust!

Van de horeca maakten we gebruik toen de zon de temperaturen opstuwde en we ontdekten dat betaalbaarheid en kwaliteit hier ook nog eens redelijk samengaan. Hoorn is een erg aardige stad. Ik raad het echt aan om er eens een kijkje te nemen. Vergeet dan niet om je camera mee te nemen en bedenk ook maar dat een paar eeuwen terug de VOC-schepen hier voor anker lagen om hun lading over te hevelen op kleine boten die dan verder voeren naar Amsterdam. Een deel van de lading bleef in Hoorn. En diende dan weer als ruilhandel voor andere zaken die men hier deed. En dat is goed terug te zien aan de grandeur van sommige huizen en straten. Wij genoten weer! Hoop dat anderen dit ook kunnen doen in die aardige stad aan het IJsselmeer.

Proost! Of toch niet??

Medio april dit jaar verscheen een voor velen verontrustend wetenschappelijk onderbouwd rapport waarin werd aangegeven dat zelfs het nuttigen van een enkel glas alcoholica kon leiden tot eerdere sterfte van de consumenten die dat spul tot zich nemen. De impact van die conclusie was groot. Behalve bij hen die meenden dat het zo’n vaart niet zou lopen. Immers, een krat bier per week moest kunnen en was ook nog gezellig…toch? Anderen werden nerveus en zagen de handen al gaan trillen bij het idee te moeten afkicken. Alcohol als tikkende tijdbom. En veel experts die zich ineens uitspraken tegen het gebruik van dat spul. Na het roken, de koffie, thee, hashj, zout, suiker, vet, etc nu ook de alcohol in de ban. Het mocht wat. Alcohol is per definitie niet goed voor ons. Het spul zorgt voor een lekker gevoel, ook als je er niet zo goed tegenkunt, we durven daarna ook veel meer en dat is voor mensen met remmingen best een voordeel. Maar alcohol zorgt ook voor verhoogde bloeddruk en als je dat maar lang genoeg hebt gaat je lijf vanzelf over in een ziekmakende modus. Daarbij is overmatig gebruik van alcohol buitengewoon schadelijk voor je lever, de geest en zijn die fikse hoofdpijn veroorzakende katers toch ook niet alles.

Voldoende voorbeelden van mensen die zich letterlijk dood hebben gedronken toch? Maar dat ene glaasje wijn? Dat glaasje likeur bij de koffie in het weekend? Dat biertje met collega’s op de vrijdagmiddag. Allemaal laten staan?! Of schouders ophalen en gewoon doorgaan?! Jonge mensen zullen dat laatste zeker hebben bedacht. Die glanzen nog van zichzelf, voelen zich onkwetsbaar en ‘later’ is ongrijpbaar. Voor de echte ouderen onder ons is het ook geen thema. Die zijn al op leeftijd en voelen zich wellicht net lekker door dat ene glaasje spiritueel vocht. Nee, juist die tussengroepen, waartoe ook ik behoor werden er nerveus van. Mocht dit nu ook al niet meer?! Wat blijft er dan nog over in deze #Metoo en #antizwartepiet tijden?! Wordt ons dan echt alles ontnomen? Het lijkt er wel op. Nu ben ik zelf geen echte drinker hoor. Ik vind een glaasje op zijn tijd best lekker, vooral in het weekend, maar zelden of nooit doordeweeks en al helemaal niet als ik nog moet rijden.

Kortom een rechte rug. Niet verslaafd! En dat laatste was mij bepaald niet met de paplepel ingegeven moet ik zeggen. De voorbeelden waren echt niet geweldig indertijd. Maar ik verzette me met klem tegen die verslavingen als roken en drinken. Uit dat principe dronk ik daarom tot en met 1978 eigenlijk nooit van dat spul. Vond het ook niet lekker. Pas in de Urquell-brouwerij die ik in dat jaar bezocht in het fraaie land Tsjecho-Slowakije ontdekte ik de geneugten van het echte Pilsener bier. Ook al ben ik van bier in het algemeen ook nooit een ware liefhebber geworden. Dus daar ligt het niet aan. Maar als het je wordt ontzegd!? Kijk, ik zelf geloof ook niet meer in Sinterklaas, maar van de traditie moeten al die betweters en namaakkenners wel afblijven natuurlijk. Gelukkig bleek enkele dagen later dat de dunne alcoholische soep niet zo heet werd gedronken en dat het ene glaasje per dag (statistisch gezien) wel mocht. Mits het geen hele emmers werden. Nou, daar valt mee te leven toch!? Ik neem mijn glaasje likeur gewoon weer in het weekend. En wat drink jij lieve lezer(es)??? Proost in ieder geval…..geniet er van.

Stutz – Blijft onbekend hier…

Voor veel hedendaagse autokenners is het Amerikaanse merk Stutz een volslagen onbekende grootheid. Toch was het heel lang actief, zelfs tot en met 1989 en lagen haar wortels v.w.b. de autoproductie al in 1911 toen het merk door naamgever Harry C. Stutz werd opgericht. In eerste instantie bouwde Stutz slechts zeer sportieve auto’s die bedoeld waren voor o.a. de 500-mijlsraces van Indianapolis en werden er van de als ‘Bearcat’ bekend geworden racewagens ook uiterst potente civiele versies gebouwd. Maar die waren ook duur en dat ging allemaal goed tot de financiële crisis aan het einde van de jaren twintig in de vorige eeuw keihard toesloeg en Stutz failliet ging. Dat was aan het begin van de jaren dertig en daarna werd het even erg stil rond Stutz.

Maar een naam met eigen klank heeft ook een grote aantrekkingskracht (denk aan Bugatti) en zo werd Stutz aan het begin van de jaren negentig weer opnieuw gestart, haar eerste model was de grotesk aandoende Blackhawk. De auto was ontworpen door de befaamde ontwerper Virgil Exner en de wat bijzondere carrosserie zat vastgeschroefd op het chassis en de techniek van een Buick uit die tijd. Het hele verhaal werd in Italië geassembleerd. De opvallende verschijning van de Blackhawk mag dan voor ons Europeanen wat ‘over the top’ zijn geweest, heel wat bekende lieden uit sport- en showbusiness wilden er wel eentje bezitten.

Zo had Elvis Presley er ooit een, net als bokser Mohammed Ali, en de Duitse acteur Curt Jurgens. Toch bleef het een auto voor heel rijke lieden, en die hadden ook de keuze uit meer normale merken met bredere mogelijkheden. Al was Stutz niet terughoudend als klanten een bijzondere uitmonstering wilden. Zo zat in de auto van Curt Jurgens zelfs een verguld interieur. De Blackhawk bleef in productie tot en met 1989, daarna ging het licht opnieuw uit bij het merk. Sindsdien zijn het vooral in de VS wel gewilde klassiekers geworden, maar in ons land zijn ze niet geliefd en helemaal niet bekend. Vandaar dit verhaal….(Beelden: Internet)