60 jaar terug in de tijd..

60 jaar terug in de tijd..

Wie vooruit wil moet af en toe ook een terug durven kijken en met die kennis van toen zijn/haar kijk op het leven en wat ons bezighoudt eventueel bijstellen. Dus pakte ik even de historische cijfers van 60 jaar terug, 6 mei 1962, er eens bij om wat zaken te duiden. Zo was onze totale bevolking toen nog geen 12 miljoen mensen groot. Min of meer gelijk verdeeld tussen mannen en vrouwen. Over onzijdigen werd toen nog niet gerept. De totale immigratie van die periode bedroeg 66.000 mensen, de meesten daarvan afkomstig uit Europa en hier slechts naartoe gekomen om te werken.

We trouwden met zijn allen doorgaans relatief laat, mannen waren gemiddeld 27, hun bruiden 24. Qua levensverwachting hadden die dan beiden een jaar 50 te gaan tot ze het aardse voor het hemelse paradijs zouden verruilen. Mannen heetten Johannes, Jan, Cornelis, Petrus, Hendrik, Peter, Ronald, Willem, Robert of Franciscus. Dat zegt al veel over hoe men qua geloof in het leven stond. Bij vrouwen waren Maria, Johanna, Anna, Elisabeth, Cornelia, Wilhelmina, Catharina, Yvonne, Petronella, Adriana het meest populair. Je ziet bijna welke oer-Nederlandse keuzes toen nog werden gemaakt. Het was op die dag dat de gemiddelde temperatuur 13,1 graden celsius was en er gemiddeld 2,9mm regen viel bij een stevig windje.

Ik kan me dat niet precies herinneren trouwens, want was toen nog schoolgaand en dan richtte je je toch het meest op wat er zoal in de klas gebeurde. Qua prijzen was het ook wel een interessante tijd. Voor een kilo aardappelen betaalde je (omgerekend naar nu) 0,15 cent per kilo, 1 liter bier kostte je 0,47, een brood ging mee naar huis voor 0,21 en een kilo kaas was voor 1,53 in de boodschappentas te stoppen. Eieren kostten nog maar 0,07 per stuk en een pak koffie was 1,33. Moest je thuis dan wel zelf even malen. Een liter echte melk kostte maar 0,19 en dat spul zat dan nog in glazen flessen met een aluminium dop. Wie echt geld verdiende kocht zich een pakje roomboter voor 0,45, margarine kostte 13 cent per pakje minder. Het zijn best confronterende cijfers.

Er is veel veranderd in al die jaren. Niet allemaal ten goede om het netjes te zeggen. Maar ja, indertijd waren de verdiensten ook mager. Toen ik ging werken in die periode (en ja, in de avonduren stevig studeren ‘om verder te komen’) was mijn eerste maandsalaris 40 Euri (ook even omgerekend). Best weinig voor in eerste instantie nog 5,5 dagen werken. Doordat die zaterdagochtend op enig moment verdween als verplichting kon ik er een jaar later bij een ons bekende relatie in de tweewielerbranche nog wat bijverdienen. Tientje voor een dagje poetsen en rangeren. Was je de koning te rijk mee…. Maar ja, we waren toen met weinig tevreden natuurlijk. Want laten we wel zijn, pas toen werden er douches gebouwd in de huizen waar onze ouders zo lang hadden geleefd zonder. Op aardgasverwarming moesten we nog dik 5 jaar wachten, kolen was toen het verhaal en de winters waren nog heel erg koud. Afzien dus. Zelf nog herinneringen aan die tijd?? Laat maar weten. Nostalgie mag zelfs in dit jaargetijde best even hoor…..(beelden: Internet)

Verhuisde verhuizer…

Verhuisde verhuizer…

De al eerder beschreven geschiedenis van mijn woonbuurt in het toen als ‘Oud-Zuid’ aangeduide stukje van Amsterdam tussen Ceintuurbaan en Amstelkade omvatte ook die van de nodige bedrijven die daar hun domicilie kenden. Het barstte er van de middenstanders, voor zuivel, brood, vlees, groenten, sigaretten of een fietsenmaker hoefde je nauwelijks de deur uit. In onze straat alleen al barstte het van die lui.

Maar er zaten in die jaren ook de nodige grote bedrijven. Die uiteraard ook aan veel van de toen daar woonachtigen werk boden. Een daarvan het toen al grote verhuisbedrijf van Van Deutekom. Het stamde al uit de 19e eeuw en was op enig moment neergestreken in onze straat niet ver van de Amsteldijk. Wagens van het bedrijf reden meestal in de ochtend onze woonomgeving uit om er voor de avond weer terug te keren. Klussen geklaard. Heel andere trucks dan wij kenden van de meer bij ons in de buurt van ons huis gevestigde garage met transportbedrijf van Ouke Baas dat heel andere ritten klaarde.

Soms stond de straat vol met die wagens omdat er werd getankt en je door de (ook toen al) geparkeerde personenwagens dan niet verder kon. Vandaar dat ik die bedrijfsnaam aardig in me op kon nemen. In de jaren zestig verhuisde Deudekom naar Duivendrecht. Een nieuw bedrijventerrein, meer ruimte, en veel betere ontsluiting van de wegen richting de opdrachtgevers. Daar bouwde men de boel aardig uit. Meer in de breedte, nu ook bedrijfsverhuizingen, tentoonstellingen, beurzen, opslag van waardevolle spullen voor derden, en projectverhuizingen.

Men doet dat in binnen- en buitenland. Uiteraard behaalde men alle certificaten nodig om dit werk te kunnen doen, zoals ISO9001 en is er voor milieubewuste klanten ook een CO2 Bewust certificaat niveau 3 behaald. Voor stadsvervoer zet men nu veelal elektrische bestelwagens in. Zegt iets over het kwaliteitsgevoel bij deze oude verhuisfirma aan wie ik onlangs ineens moest denken toen ik in Duivendrecht langs hun vestiging reed. Toch een verbintenis mee, ook al zullen zij zich daar mij zeker niet herinneren. Maar ik zie nog steeds die toen met hout betimmerde vrachtwagens voor me, al dan niet met oplegger en het geroffel van die machtige dieselmotoren van wagens die nu allang zijn uitgestorven of in een museum beland. Uitgestorven zijn ook allang al die middenstanders en andere ondernemers in die vroegere woonstraat. Niks meer van over. Allemaal geschiedenis. Die met steeds minder mensen kan worden gedeeld…. Blijft jammer. (Beelden: Deudekom website)

Amsterdam Museum…tijdelijke lokatie..

Amsterdam Museum…tijdelijke lokatie..

Over het aardige Amsterdam Museum heb ik in het achter ons liggende blogtijdperk wel een paar maal eerder iets geschreven. Normaal te vinden tussen Nieuwezijds-Voorburgwal en Kalverstraat is het nu tijdelijk met een deel van de collectie neergestreken in een vleugel van dat fraaie gebouw van de Hermitage aan de Amstel.

Het eigen museumonderkomen wordt momenteel verbouwd en men is blij dan via deze oplossing toch nog iets te kunnen laten zien over het rijke verleden van de stad. Met de Museum-Jaarkaart mag je ‘gratis’ naar binnen en het is een aanrader. Ruim opgezet, van oud tot modern, wanden vol objecten die met de stad van doen hadden of hebben. In het midden van de zaal ruimtelijk opgezette ‘kamers’ met daarin speciale aandacht voor bepaalde aspecten uit de geschiedenis zoals de ruimhartige integratie van andere culturen, maar ook de revoluties die in de jaren zestig de stad op haar kop zetten en meteen de samenleving deden veranderen.

Amsterdam als progressieve stad, als bolwerk voor linkse lieden, krakers, drammers en meelopers. Seks als industrie en levensstijl, alles komt voorbij in deze erg goed ingerichte expositie. Een deel waarvan moet nog worden aangevuld met aan te leveren stukken. Juist op deze plek zo goed passend bij de bruisende stad er omheen. Ik genoot er van. Zeker na die wonderlijke expositie met kunst van de geest (zie 0104 jl) was dit een verademing. Ik nam er de tijd voor, zette wat dingen op de foto en genoot…. Wat een prachtige stad was en is het toch.

Ook al bloedt zij dan soms, en trachten provincialen haar te veranderen in een kopie van hun geboortedorp, over het algemeen nam of neemt de echt Amsterdamse bevolking na enige tijd het heft zelf in handen en kreeg of krijgt de stad weer een nieuw elan. Alleen daarom al zou je alle groenlinkse types die maar morrelen aan de leefbaarheid en schoonheid van onze stad, verplicht naar deze expositie moeten sturen. Valt veel te leren over die geschiedenis. Zonder welke niemand iets in de toekomst heeft te zoeken. Voor hen die gewoon nieuwsgierig zijn naar die geschiedenis, aanrader!! (Beelden: Prive)

De kracht van stoom…

De kracht van stoom…

Het scheelt maar een enkele letter maar vergis je niet, deze vorm van aandrijving bij machines zorgde ook voor een revolutie in de wereld van het vervoer, de landbouw en nog veel meer. Stoommachines, met dank aan mensen als James Watt een eeuw of wat terug, maakten dat wat voorheen ambachtelijke en zeer zware handarbeid was, door die machines kon worden gedaan in een fractie van de tijd en met een grote welvaart tot gevolg.

Al was die welvaart wat beperkt qua toegang en ging die veelal naar hen die investeringen hadden gedaan waardoor de introductie van dat nieuwe wondermiddel mogelijk werd. Stoom werd opgewekt door het verhitten van water middels grote boilers waarin je dan vooral kolen mikte en verbrandde. Met dank aan die stoom kregen we echte fabrieken met honderden arbeiders die van alles en nog wat maakten.

We konden als mensen ineens reizen maken in een fractie van de tijd die bijvoorbeeld een zeilschip of postkoets nodig hadden om ergens te komen. De trein baseerde zich ook op het principe. Een stoomloc trok dan wagons met passagiers of goederen in een uurtje van Amsterdam naar Haarlem waar je met een trekschuit een halve dag over deed. En al die schuiten kregen opvolgers in de vorm van stoomboten die nu nog af en toe door Sinterklaas wordt benut en wiens knechten door al dat gestook hun kenmerkende kleur opliepen. Roet overal als gevolg van het principe.

De uitstoot van al die machines was niet alleen zuivere stoomdamp natuurlijk, in Engeland gingen hele steden bijna ten onder aan de roet en smog die door die nieuwe industrie werd veroorzaakt. Maar ja, efficient, en duidelijk handiger dan alles wat daarvoor was benut. Die Britten ging nog veel verder. Want wat met treinen kon moest ook op de weg mogelijk zijn. En zo ontstonden met name vrachtwagenmerken als Leyland en Sentinel waar men trucks in elkaar stak die door stoom werden voortgedreven.

Er was een chauffeur voor nodig, maar ook een stoker die de vaak handzamer stoomketels voorzag van genoeg kolen om een rit te volbrengen. Beide mannen zagen zwart van het roet, kolengruis of wat ook, maar aan het principe werd vastgehouden tot na WO2. De eerste vliegtuigbouwers wilden ook wel eens kijken of die stoommachines hun vliegmachines in de lucht konden brengen maar dat bleek wat tegen te vallen. Deze waren bepaald niet lichter dan lucht en dat is toch wel een soort van voorwaarde om te kunnen vliegen in een toestel van houten frames met linnen omhulsels. Nee, vliegen kon je er niet mee, maar verder? Stoom als wondermiddel, meer dan 150 jaar actueel gebleven. Schoorvoetend kwamen andere bronnen van brandstofmotoren een beetje in zwang. Benzine als eerste, diesel later pas en ook nog eens gas.

Gelijktijdig deden de eerste elektrische apparaten en voertuigen van zich spreken. Al een eeuw terug. Maar dat laatste zette niet meteen door. Geen actieradius, die batterijen veel te zwaar en het systeem van opladen al te ingewikkeld. Stoom handiger, kolen overal te vinden, en dan wist je wat je had. Voor benzine was je nog afhankelijk van oude paardenhandelaren die er een handeltje bij gingen doen. En bij veel schepen hield men het op het bunkeren van kolen en water, net als in de treinenhandel. Of in de wegenbouw….stoomwalsen waren nog tot ver in de jaren zeventig gewoon in zwang en gebruik. Kortom, nog maar zo kort geleden.

Met het uitfaseren van al die stoommachines daalde het percentage smogdagen in de wereld met grote sprongen. De sterfte onder mensen die er altijd in of mee hadden gewerkt zakte ook weg en het comfort was daarnaast met sprongen vooruit gegaan. Nu bekijken we al die stoomboten en machines met de nodige nieuwsgierigheid en nostalgie. Net zoals we bezoeken brengen aan kolenmijnen. O nee, niet in China, waar men die kolen nog gewoon in massale hoeveelheden uit de grond haalt. Ten behoeve van enorme energiecentrales die met hun stoom stroom opwekken om zo de gemiddelde behoefte van de Chinees te bevredigen. Die rijdt nu af en toe in een EV en meent het milieu te redden. Maar eigenlijk houdt hij nog steeds vast aan 19e eeuwse technieken. Zal Kameraad Tsji een worst zijn….als hij maar rijdt….Toch? (beelden: Archief/internet)

Chauffeursziekte…

Chauffeursziekte…

Een van de toenmalige goede vrienden van mijn ouders was de in onze straat zeer goed bekend staande ‘Ome Karel’. Hij woonde tegenover ons in een benedenhuis dat hij huurde van zijn werkgever, het bekende verhuur- en transportbedrijf Ouke Baas. Die firma was in de jaren vijftig groot geworden doordat men naast de verhuur van luxe wagens ook trucks in dienst had voor allerlei transportopdrachten, deels o.a. grondverzet dat door de enorm uitdijende nieuwbouwwijken van de stad zorgden voor ‘altijd werk’. Ome Karel was chauffeur op een Scania Vabis truck en had al een lange staat van dienst in dat soort diensten. Noest, groot, sterk, de trucks altijd stevig in de knuisten.

Ritjes met de Scania met zijn eigen en onze familie staan me nog goed bij. Alles achter op de laadbak met kussens en onder het ladingzeil. Het kon allemaal nog in die jaren. Ik beschreef het al eens in mijn epos over ‘Leven met de Vliegende Pijl’ van 1-7-2018. Ome Karel had een vroeger leven, waarover niet veel werd gesproken i.v.m. met zijn nieuwe liefde, maar uit dat vroegere huwelijk had hij twee volwassen zonen, die beiden in de voetsporen van pa waren terecht gekomen en op vrachtwagens hun brood verdienden. Een echte chauffeur dus die Ome Karel en we zijn heel wat delen van het land met hem doorgetrokken. Later in luxe wagens, wij vaak in een Skoda, hij in een Citroen Traction Avant die hij bijna nieuw kocht en die nog jaren mee zou gaan.

De trucks bleven zijn broodwinning, maar rijden toch ook zijn passie. Tot hij op enig moment een vreemd fysiek verschijnsel ging vertonen. Hij begon te trillen tijdens het rijden. Dat was vreemd en voor hem en zijn vrouw beangstigend. Daarna ontstonden ook vreemde gedachten. Hij neigde er naar op bruggen en viaducten de reling op te zoeken. Corrigeerde dat dan wel, maar het was toch geen goede indicatie. Doktoren constateerden op enig moment dat hij leed aan een typische beroepskwaal, ‘chauffeursziekte’, waardoor vanuit de ruggengraat spierspasmen worden doorgegeven aan handen en benen en je zo de controle verliest over wat die ledematen allemaal zouden moeten doen. Het zou niet beter worden volgens de analyses. Het betekende einde carriere voor de man, en uiteindelijk werd hij min of meer een wrak. Het fijne wist en weet ik er niet meer van hoor, wel dat hij in dat benedenhuisje naast de garage zijn einde vond, maar dat was al na mijn vertrek uit die buurt. Geen van de betrokkenen leven meer, ik kan het niet meer navragen of opzoeken. Geen familieleden op de sociale media, maar wellicht moet ik het nog eens wat dieper uitspitten. Hoe dan ook zag ik toen ik er op Google naar zocht dat die Chauffeursziekte nog steeds kan ontstaan en vooral hen treft die vele jaren achter mekaar achter het stuur van een truck of taxi verkeren. Beetje bijzonder, maar ook voor altijd aan mijn persoonlijke geschiedenis verbonden. Want die stoere Ome Karel die helemaal geen oom was maar zich wel zo gedroeg, was ooit een baken van rust in mijn vaak zo turbulent verlopende jeugd en dit einde gunde ik hem zeker niet. (Beelden: Archief)

Print…

Print…

Als publicist van het eerste uur was voor mij de weg naar het papier, in eerste instantie gestencild, later gedrukt, een logische. Tussen alle zakelijke bedrijven door bleef ik daarvoor of in schrijven. De wereld van Print-media was een geduldige. Over de luchtvaart, auto’s, politiek of zelfs geloof, het kon niet op. Om die reden vulde ik door de jaren heen ook een bibliotheek op die een beetje OLB niet zou misstaan. En ik sla dagelijks nog wel eens iets na. Teneinde ook actueel op de hoogte te blijven waren er de abonnementen. Op bladen die mijn interesse-wereld onderbouwden. Met steeds weer nieuwe feiten en soms meningen. Ik ben daarnaast ook wel van de interviews.

Vind de mening van Pieter Elbers als CEO van KLM of diens voorgangers interessanter dan die van mevrouw dedain, Siegried Kaag, om maar wat te noemen. De bladen die me dat boden lijden echter net zo onder de huidige tijd als de uitgaven waarvoor ik zelf in het verleden mijn bijdragen leverde. De advertentiemarkt is de afgelopen jaren kapot gemaakt, digitalisering van het nieuws lonkt daardoor soms als reddingsboei. Maar hoewel ik intussen zelf daar best mijn weg ken en ook jarenlang allerlei relevante websites voorzag van dagelijks nieuws, ik zal er zelf niet zo snel een betaald abonnement op nemen. Kranten bieden me daarbij meestal het nieuws van gisteren. De grote persbureau’s, die ik volg, het nieuws van nu, of van pakweg een uur geleden. Toch bieden die apps en sites me vaak wel de nodige achtergrondinformatie die ik graag benut, ik ben op dat punt best wel eens dubbel in het denken.

Onlangs moest ik opnieuw helaas van twee geliefde en zeer interessante bladen afscheid nemen. Beiden stoppen er mee. Na door de jaren heen ruim 500 nummers te hebben uitgegeven stappen ze ofwel over naar de digitale wereld dan wel is het gewoon over en uit. Net zoals ik dat een jaar of twaalf geleden zelf meemaakte bij een uitgever die vrij onverwacht de pijp aan Maarten gaf en de door mij aangestuurde media qua print vrij plots uit de markt haalde. Daarna maakte ik nog wat boeken, maar het laatste in de rij haalde de printfase ook al niet meer en heb ik omwille van kosten/baten toen maar digitaal gepubliceerd. Het was voor een oude printlezer best onbevredigend, maar hield me wel van straat. U was er hier zelf ook deelgenoot van.

De titel Zakenreis stopte er dus mee dus. Afgelopen December verscheen het laatste nummer. De uitgever van vroeger kende ik goed, veel mee samen- en voor gewerkt. Zijn dochter hield het na zijn pensioen nog jaren vol. Maar nu kwam het einde. Weer een icoon verdwenen. En zo vergaat het ook Scramble. Een geweldig informatief luchtvaartorgaan barstens vol voor mij relevante informatie. Gaan over op digitaal. Ik verhuis niet mee. Maar ween in mijn hart wel om de beslissing. Zal vast nostalgie zijn. Maar ik houd nu eenmaal graag vast wat tastbaar is. Ook al zette ik zelf dit verhaal ook digitaal neer voor jullie, mijn trouwe en vaak best kritische lezers. Hoe sta je zelf in deze materie? Boeken/bladenlezers? Of toch meer van het digitale ontvangen van nieuws en meningen? Maak van je hart geen moordkuil. Nu kan het nog….(Beelden: archief)

Museum Weesp

Museum Weesp

Weesp, aardig en in mijn blogverhalen wel eens meer meegenomen als onderdeel van de inhoud, is een leuke kleine stad aan de Vecht. Dat kleine gaat er steeds meer vanaf, de stad groeit met de dag en wie dat wil zien moet eens gaan kijken daar. En als je er dan bent kijk meteen ook eens rond in het oude Stadshuis van deze Vechtstad dat echt centraal in het centrum uitkijkt op de omliggende straten en pleinen. Maar ook een verrekte aardig en door vrijwilligers bestierd museum herbergt op de bovenste etages. In diverse zalen en kamers daar exposeert men zaken die er uit de bodem zijn gehaald, men biedt er schilderijen aan met oude bestuurders van stad en omringend gebied. Want dat Weesp, was anders dan nu, voor een deel verantwoordelijk voor het hele gebied er om heen, inclusief de Bijlmermeer. Dat gebied werd op enig moment door midden gesneden door het toen nieuwe Amsterdam-Rijnkanaal en dat beperkte de invloed van Weesp direct.

In dat museum krijg je ook de indruk hoe welvarend dit stadje ooit was. De strategische ligging aan de Vecht maakte dat er heel wat industriele activiteiten plaatsvonden die vaak midden in Weesp terug te vinden waren. Zoals de chocoladefabriek Van Houten die daar decennialang dominant haar geur en kleur verspreidde. Tijdens ons bezoek aan het museum liep er net een expositie over dat bedrijf met die best grote naam dat begin jaren 70 het loodje legde doordat de concurrentie van grotere bedrijven en merken niet meer te bevechten viel.

De fabrieksgebouwen verdwenen. Dat zelfde lot trof de farmaceutische activiteiten die o.a. ooit van Philips waren en terug te vinden langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Gelukkig is er nog veel bedrijfsmatig ondernemerschap in Weesp te vinden, waardoor werkgelegenheid hier nog aardig wordt gegarandeerd. Dat museum kent buiten haar eigen onderkomens op die genoemde etage ook nog een soort dependance die een etage lager terug te vinden is. Daar is een ‘marmeren etage’ te vinden die compleet is opgebouwd met dit zware maar ook vrijwel onderhoudsvrije materiaal. Zeker ook de moeite van bezoek waard. Het oude stadhuis zelf diende ooit ook als rechtbank, cachot en op de binnenplaats als executieplek. Bizar bijna, maar wel efficient. Later werd het vastgebouwd aan een weeshuis voor armen en hulpbehoevenden.

Een heel complex dat van buiten en binnen duidelijk maakt hoe onze geschiedenis vaak is verbonden aan geloof en ondernemerschap. Zonder dat was dit een klein dorp langs het water gebleven. Nu een aardig plaatsje met fraaie forten uit de oudheid, mooie molens, geweldige horeca en leuke winkels. Weesp koos zelf om zich aan te sluiten bij de hoofdstad een paar jaar terug en dat zal heel veel invloed gaan hebben op de sfeer en bevolkingssamenstelling hier. Te hopen dat men het typisch Weespse karakter weet te behouden. Wat ik al eerder schetste rond de keiharde handhaving door het Amsterdamse Parkeerbeheer hier nadat men halverwege dit jaar betaald parkeren invoerde, geeft op dat punt te denken. Gelukkig is daar het genoemde museum waar je nog even terug kunt in de tijd en genieten van een groots verleden. Met de Museumjaarkaart krijg je ‘gratis’ toegang, er zijn liften voor hen die de monumentale trappen iets te veel van het goede vinden en er is een kleine museumshop achter de ingang. (Beelden: eigen archief)

Ultieme liefde..

O zeker, hij had er heel wat gekend, zowel oppervlakkig als intiem. Hij was er gek op geweest, achterna gelopen, had er kapitalen voor uitgegeven om hen goed gestemd te krijgen, had huizen verbouwd, vakanties georganiseerd, maar op enig moment toch ontdekt dat het kennelijk aan hem lag dat niets blijvends ontstond. Nooit de mooiste van de klas geweest tussen al die binken met hun strakke lijven, krullende haardossen, sterke verhalen en versierpogingen uit het boekje. Hij was wel slim en had daarbij de zakelijke genen van zijn vader overgenomen. Geld speelde op enig moment geen rol meer. Dus kon hij ‘kopen’ wat anderen met veel moeite bereikten. Maar hij was geen man met een wasbord als buik, licht kalend, hield van voetballen en auto’s, maar ook van zijn rust. Tuurlijk wilde hij dat allemaal delen met die vrouw van zijn leven die hem alles kon geven en echt ook het diepere van zijn wezen zag, maar buiten de eerder genoemden die vooral vroegen voordat ze iets gaven, was het geluk hem min of meer ontglipt. En dus nam hij een drastisch besluit. Voortaan hield hij het bij die blonde schoonheid die hem zoveel gaf en weinig vroeg. Die onbaatzuchtig was in de liefde, een eigenschap die hij bij al die vorige types nooit had ontdekt. Hij noemde haar zijn lieveling, en in feite was ze dat ook. Zeker als ze zich bij hem nestelde in zijn riante bed. Mira noemde hij haar, vond hij lekker klinken. En ze luisterde er ook naar…die lieve Labrador die hij als puppie in huis haalde en nu zo leuk jong volwassen werd. Hij verheugde zich op dat uitje naar het strand straks….Toch maar een goed jack aan doen, het zou vast fris zijn daar…..

Dakota…

Dakota…

Ik durf wel te stellen dat zonder dit vliegtuig de eerder al beschreven burgerluchtvaart nooit zo snel de ontwikkeling had doorgemaakt als we die in de afgelopen 60 jaar hebben gezien. Een vliegtuig dat door Albert Plesman, de oude voorman van de KLM, nog wel eens werd aangeduid als ‘die blikken Douglas’, was een machine die in zijn ontwikkeling vooral dank schuldig was aan de wat onstuimige ontwerper Donald Douglas. Die ging in op een paar specificaties van Amerikaanse luchtvaartbedrijven van voor de oorlog die een modern vliegtuig wilden zien dat op twee motoren van de ene kant van de VS naar de andere kon vliegen en daarbij sneller was dan de treinen van toen en ook meer comfort bood dan al die toestellen van hout en linnen die normaal het werk deden.

Ford had in die jaren al eens bewezen dat aluminium bruikbaar was als bouwmateriaal. Daarbij keek zijn bedrijf naar het Duitse Junkers voor dat materiaalgebruik en naar Fokker voor de manier waarop de zgn. Trimotor was opgebouwd. Maar die opbouw was in de ogen van Douglas ouderwets. Dus kwam hij met de toen revolutionaire DC-1. Glad, laagdekker, glimmend, intrekbaar landingsgestel en dus ook volledig van metaal. Een productieversie werd de DC-2, die wat groter was en meer aangepast naar de wensen van de kopers. De DC-2 kon in geval van nood ook op 1 enkele motor doorvliegen, een vereiste. KLM koos ook meteen voor die kisten en deed er goede zaken mee toen de PH-AJU ‘Uiver’ prijswinnend mee deed aan de befaamde Londen-Melbourne-race.

De naam en faam van KLM maar zeker ook Douglas waren gevestigd. Maar de Amerikanen wilden grotere toestellen, machines die verder konden vliegen en met nog meer comfort. De DC-3 zag het levenslicht. Groter, breder, krachtiger en duidelijk volwassener. Een toestel waarmee KLM zelfs naar Indie kon vliegen. De orders stroomden binnen. Ook uit Japan, waar men de licentierechten kreeg voor de DC-2 en de DC-3. Met motoren van twee keer 1000pk was die DC-3 een prima passagiersvliegtuig. Maar de oorlog dreigde en toen die eenmaal een feit was kwam Douglas met een herontwerp van wat al goed was en bood die als C-47 Skytrain aan. Een vrachtversie van de DC-3, met grote vrachtdeuren achter in de romp, een versterkte vloer, nog wat meer vermogen en voor militair gebruik aangepaste uitrusting.

Als parakist ideaal. Toen ook de Amerikanen aan de oorlog deel gingen nemen werden er duizenden van besteld. Een deel ging naar de Britten en die doopten de C47 om tot ‘Dakota’, een naam die het toestel haar leven lang zou blijven dragen. In zowat elke grote slag van WO2 deden de Dakota’s hun werk. Het toestel kon wat hebben, was simpel in onderhoud en bleek te vliegen door zelfs minder ervaren piloten. Na de oorlog, de machine was intussen ook in de Sovjet-Unie in licentie gebouwd als Lisunov Li2 en PS84, kwamen duizenden van deze machines beschikbaar voor gebruik in de civiele markt.

Diverse luchtvaartbedrijven in oost en west gingen er voor een prikkie mee vliegen. En de Dakota deed zijn werk tot in onze huidige tijden. KLM kreeg er tientallen, Martinair dankte haar start als onderneming aan deze kisten, maar overal elders in de wereld zag je Dakota’s de luchtvaart helpen heropstarten. En decennia lang bleven er honderden Dakota’s het inkomen verzorgen voor de ondernemingen die er mee vlogen. Later kregen die toestellen vaak een derde of vierde leven door er andere motoren in te hangen, of ze als museumkist tot nieuw te restaureren en dan weer in de lucht te brengen.

De meeste Dakota’s inmiddels dik 80-90 jaar oud. Een vliegend museumstuk, maar nog altijd veel mensen aansprekend met dat nostalgische geluid, die typerende staartstand als hij geparkeerd staat en het idee dat dit de machine was die ons vanuit de vroegere generaties aan het vliegen kreeg. De beperkte beschikbaarheid van benodigde hoog-octaan-benzine maakt het lastiger om de aloude Dak’s in de lucht te houden. Maar men schraapt vaak die benzine bij elkaar om het vliegende geheugen wakker te houden of te schudden. Een monument, klassieker, maar bovenal een bewijs dat wat oud is niet meteen behoeft te worden afgeschreven. De Dutch Dakota Association heeft haar vliegende exemplaar van dit type met veel liefde ondergebracht op Schiphol en maakt er af en toe vluchtjes mee. Het geluid van dat startende relikwie klinkt mij als muziek in de oren. Ook al was die DC-3 in het verleden in staat om mij als enige vliegtuig ooit tot een gevoel van luchtziekte te dwingen. Dubbele lading dus. Maar ik vergeef haar alles…..Als ze maar blijft vliegen! (Beelden: Eigen archief)

Tropen..

Tropen..

Een van de fraaiste musea in onze stad is niet een van de door toeristen zo geliefde adressen als het Rijks of Stedelijk, maar het in Amsterdam-Oost te vinden TropenMuseum. Het gebouw is niet zo lang geleden schitterend verbouwd en gerestaureerd. De sfeer en akoestiek zijn er geweldig. Komt ook door de belichting. Met wisselende exposities nam men afscheid van de soms wel erg donkere sferen en gevoelens rond Afrikaanse kunst. Men had op het moment van ons meest recente bezoek een expositie lopen op de bovenste (tweede) etage rond Winti, Sjamonisme en Hekserij. Over dat laatste schreef ik eerder (31-8jl) al een blog. In dit museum zie je dan deels hoe daarmee wordt of werd omgegaan.

Wat ik zelf ook leuk vond was de expositie over het geven van cadeau’s in diverse culturen. De uitleg is soms erg verrassend maar geeft je als bezoeker wel wat meer inzicht in hoe men bij verschillende volkeren bezig is met dat begrip. Een etage lager kom je vanzelf terecht in de wereld van de vroegere ‘Tropen’ toen Nederland nog een koloniale macht was en had en dat men toen bijna vanuit naiviteit omging met de ‘inheemsen’ zoals men deed.

Het superioriteitsgevoel van toen nauwelijks meer denkbaar in onze wereld anno 2021, maar paste prima in het tijdsbeeld van toen. Vrijwel alle grote Europese landen koloniseerden grote delen van de wereld. En elders deden landen als China niet veel anders. Wie de geschiedenis echt wil begrijpen moet toch eens langs gaan bij die TropenMuseum. Helpt meer dan vaak alleen maar politiek ingestoken propaganda rond het thema. Op de begane grond was op het moment dat wij het museum bezochten een stel losse exposities over o.a. Arabisch schrift en iets over Suriname. Een kunstenaar uit het Midden Oosten had een kunstwerk gemaakt met allerlei bootjes van blik en verbrande lucifers en noemde dat ‘De duisternis ontvluchten’. Je snapte vrij snel de insteek van het werk.

Een deel van de 1e etage was overigens ook ingericht met foto’s uit de World Press Photo tentoonstellingen, maar dan speciaal gericht op Afrikaans foto-journalistiek werk. Voor de liefhebber vast veel mooie beelden. Het museum is voor iedereen goed toegankelijk. Er is een lift, flink wat toiletvoorzieningen, kluisjes, een erg aardige koffieshop en er is een winkel met wat leuke spullen voor je eigen collectie thuis. De Museumjaarkaart is van toepassing, dus dat scheelt je het nodige entreegeld. Om het restaurant te kunnen bezoeken krijg je de toegangskaart mee en in coronatijd moest je ook een tijdspanne reserveren. Tijdens ons bezoek was het heerlijk rustig in het museum (buiten tropisch warm), terwijl het daar heerlijk koel vertoeven was. En wie klaar is met bekijken van al dat fraais kan om de hoek in het aardige Oosterpark nog even een stukje stadsnatuur opsnuiven. Want ook dat behoort bij de ambiance. Andere wijk dan het centrum maar zeker de moeite van het bezoeken waard dat Oost, al was het maar voor dat prachtige museum. (Beelden: eigen archief)