Als je een deel van je werkend leven besteedde aan het versterken van een imago voor de automerken waarmee jij te maken had, wordt je toch wel iets jaloers bij dat wat kleeft aan het Italiaanse merk Ferrari. Bijna sekte-achtig is het gevolg van merkgekken in hun gedrag als het om Ferrari gaat. Ik mocht dat zelf een aantal jaren geleden ervaren bij een bezoek aan Maranello, een van de merkstekken. Ongekend om daar mensen te zien die elke auto welke de fabriekspoort verlaat om te worden getest op de foto zetten. Ik zag in dat Italiaanse stadje shops, een fraai museum, en waar je koffie dronk was ook alles ingesteld op het merk met het steigerende paard. Nu is Ferrari natuurlijk niet zo maar een merk en het verkocht nooit saaie auto’s. Niks voor het gezin, niet voor de gemiddelde leaserijder. Ferrari’s zijn peperdure raspaardjes. Het merk dankt haar naam aan de nu nog steeds als ‘heilig’ gevierde Enzo Ferrari die zijn fabriek in de jaren veertig van de vorige eeuw op de benen zette.
Hij maakte auto’s voor de rijken en sportieven van de wereld en bouwde al snel een geweldige naam en faam in dat segment. Met schitterende wagens, uitgerust met een V12 motor van soms maar net 2 liter inhoud. Snelheden van 200km/u toen al haalbaar. Toch waren de productie-aantallen veel kleiner dan we nu wel eens vermoeden. Maakt de nog rijdende en overgebleven exemplaren tot waanzinnig dure verzamelaarsstukken. Een deel van die wagens nu gekoesterd in musea over de hele wereld. Opmerkelijk dat Ferrari ook zo’n geweldige klank heeft in die wereld. Prestaties op het circuit hielpen daarbij. Zeker in de Formule 1 was Ferrari een niet weg te denken deelnemer, tot op de dag van vandaag. Maar ook op de circuits van Le Mans waren Ferrari’s heel lang dominant en bouwde men voor homologatie soms racewagens terug naar straatversies (Stradale).

Kijk eens naar de geschiedenis en de wagens uit die perioden en je wordt vanzelf iets als een liefhebber en daardoor blij. De inhoud van de V12’s groeide gestaag, de snelheden ook. 260-300km werd al halverwege de jaren vijftig bereikbaar. Gewoon op de weg. Samenwerking met Pininfarina maakte dat de Ferrari’s ook steeds fraaier werden van uiterlijk. Rood de basiskleur, maar ook wit, geel of groen (Prins Bernhard) leverbaar. Was het dan altijd koek en ei met die wagens? Nee hoor. Die eerste Ferrari-blokken waren zeer onderhoudsgevoelig en door de toegepaste klepconstructie ook nog eens niet meteen vrij van pech.

Maakte de rijders niet uit. Als het reed dan was het fantastisch! Vaak bij Italiaanse auto’s het geval. Talloos waren en zijn de modellen, vaak werden er maar een paar van een bepaald type gebouwd. Liefhebbersauto’s pur sang. Waar men al grotere series bouwde werden de doelgroepen van kopers weliswaar groter, liefhebbers hebben er toch minder mee. Een totale omslag vond plaats met de uit 1984 stammende Testarossa.
Met een vijf liter grote V12 achterin, een sterk wigvormige carrosserie opklapdeuren en een geluid dat alleen in superlatieven uit te drukken viel. De auto werd 7 jaar lang gebouwd en er kwamen er dik 7000 van de band. Zelfs een enkele ondernemer nam er een in de lease. Maar dat duurde vaak niet zo lang. Want wie met een Ferrari bij klanten komt voorrijden heeft toch iets niet goed begrepen. Of te veel zwart geld. In 1988 bestond Ferrari 40 jaar en bracht men een supercar uit in de vorm van de F40. 478pk in een meer dan opvallende carrosserie, een top van 325km/uuur en een inrichting die meer bij een circuitracer dan bij een wegauto paste. Meer dan indrukwekkend en goed verkocht, want er gingen er dik 1300 van weg. Wie er nu een zoekt moet in tonnen denken….best veel geld. Ferrari, tegenwoordig bouwt men aan de lopende band, alles met computergestuurde robots in elkaar gestoken. Fiat is haar moeder geworden, V8-motoren met de modernste milieuvriendelijk technieken beschikbaar en zelfs hybrides of vol-elektrische motoren in het vooruitzicht. Dominant tijdens de Formule 1, met een stel topcoureurs om de naam van het merk hoog te houden. En dan nog steeds die schare volgers. Een supermerk met prachtige wagens. Ferrari…..alleen die naam al…..(Beelden: Archief Yellowbird)

In de wereld zijn diverse plekken te vinden die voor de mens eigenlijk niet geschikt zijn om zich te vestigen. Bij of op vulkanen bijvoorbeeld, of in een streek die zo dicht aan zee ligt dat de eerste de beste storm hele dorpen of steden van de kaart kan vegen. In het recente verleden zagen we dat laatste in New Orleans, New York, maar ook in Aziatische streken waar tsunami’s dood en verderf zaaiden. Ook bij uitbarstingen van vulkanen zie je grote consternatie bij de bevolking, er vallen vaak doden en gewonden, maar toch keert men weer terug naar de gronden waar men nu eenmaal was gaan wonen. Veelal met allerlei argumenten. Van vruchtbaarheid van de grond tot het aantrekkelijke economische klimaat. Hetzelfde geldt voor Nederland. Waar met name het westen door haar ligging aan zee en riviermonden vruchtbare bodem biedt voor hen die geld willen verdienen aan handel en andere zaken. En waar men werkt wil men ook wonen. Weinigen nemen de gok door in het oosten van het land te gaan wonen voor de rust en elke dag op en neer te reizen naar die werkplek in het westen. Een werkplek die vooral zijn ont/bestaan dankt aan de omgeving waarin ook Schiphol, onze nationale luchthaven, een magneetfunctie heeft.
In mijn verhaal over mijn eigen carriere beschrijf ik tweewekelijks de ontwikkelingen van dat vliegveld en wat er allemaal omheen hangt. De groei van de luchthaven ging door de jaren heen snel. En dat had weer een enorme invloed op de omgeving. Er vestigden zich allerlei bedrijven en instellingen die juist om dat vliegveld in de buurt wilden zitten. Amsterdam groeide uit haar voegen daardoor, maar dat gold ook voor buurgemeenten als Haarlemmermeer, Aalsmeer, Zaanstad en zelfs Almere. Zonder Schiphol was die groei matig geweest. Internationale handel maakt dit ook mogelijk. Maar er was nog een dingetje dat we nu graag vergeten als we behoren tot de groep van namaakomwonenden en beroepsklagers rond het lawaai van die vliegtuigen. Het Plan Schiphol, waarop het huidige vliegveld in al zijn omvang baseert, stamt al uit 1946. Werd in 1948 met meerderheid van stemmen (ook uit de omringende gemeenten) aangenomen als plan voor de ontwikkeling van het vliegveld in de jaren daarna. In dat plan stonden 6 start- en landingsbanen! Voor de luchtvaart die toen nog wat in de kinderschoenen stond was dat best ambitieus. Maar men keek in dat plan meer dan 25 jaar vooruit. Hadden de provincialen die de omliggende gemeenten bestuurden dat ook gedaan, hadden we nu minder klagers gekend. Want die gemeenten naast Schiphol begonnen driftig te bouwen. Verstening is nu eenmaal macht, het genereert ook belastinggeld en je kunt je breder maken in provinciaal overleg. Maling aan het toch duidelijke plan voor de nationale luchthaven, men bouwde vrolijk in de aan/uitvliegroutes van de vliegtuigen die men intussen wel hoorde, maar waarvan men het idee had dat het vanzelf zou gaan wennen. Nou nee dus. De toenmalige straalvliegtuigen ontwikkelden geluidsniveau’s van 120-130dB. Best veel. Protesten het gevolg.
Men ging er wel wonen, maar lawaai? Nee dat wilde men niet. En dat gaat nu al 40 jaar zo. En de verantwoordelijke gemeenten blijven maar bouwen. Voor mensen die meteen gaan klagen. Want zij willen wel wonen in een grote stad, hebben toch het liefst dorpse geluiden om zich heen. De bestuurders van die uitdijende gemeenten zijn daaraan schuldig want hadden maling aan de plannen. Intussen heeft de Minister van Binnenlandse Zaken besloten dat nieuwbouw in de zones die het meest getroffen worden door geluid van vliegtuigen en overig verkeer dan wel industrie, terughoudend moet worden benaderd. Ach en wee wordt er nu geklaagd door de gemeentelijke bestuurders. Daarmee worden hun plannen net zo doorkruist als het wegennet doet dat mede zorgt voor die meetcijfers die ten grondslag liggen aan de restrictie. Het is op zich een wijs besluit. Op basis van iets dat al 72 jaar bekend moest zijn en waaraan zoveel voorgangers compleet maling hadden gehad. Spreiding van bevolking over het land het meest logisch alternatief. Met name voor die groep beroepsklagers (90% van alle klachten komt van 2-5% van de omwonenden) een prima alternatief. Ga weg uit het westen, verhuis naar het oosten of noorden van het land. Maar let wel op de plannen daar. Soms zijn die ook al heel erg oud. En doe er verder het zwijgen toe. Want zij die niet klagen maar gewoon accepteren dat het westen druk is, worden er erg moe van. (Beelden: Yellowbird archief)
Doordat de andere vestigingen minder werk te doen hadden en juist die luchtvrachtsector groeide besloot men op het hoofdkantoor in Rotterdam om zich wat meer te storten op die luchtvrachtkant voor de toekomst van het bedrijf. En dat deed men zowel in positieve als negatieve zin. Men opende vrij plotseling een nieuw kantoor op het toenmalige vliegveld Zestienhoven bij Rotterdam. Want ook daar was wel het een en ander te halen. Helaas werd dat kantoor niet onder de hoede van Ruud Breems geplaatst maar gaf men het een eigen lokale manager die direct aan het hoofdkantoor rapporteerde. Opmerkelijk keuze alhoewel het toch moet hebben gezeten in het karakter van chef Breems die toch vaak wel wat naast de gebaande paden opereerde. Hoe dan ook, de samenwerking met Rotterdam was daardoor in die jaren een moeizame. Een euvel dat we deelden met veel op Schiphol gevestigde luchtvrachtbedrijven die waren geplaatst door oude transport/expeditiebedrijven en ook een graantje wilden meepikken van die nieuwe transportvorm.
Bedenk maar dat waar men in de havens vaak toch wat meer met rust kon opereren, op Schiphol de vliegtuigen nooit wachtten en de concurrentie stevig was. Nu hadden we met Ruud Breems, ik haalde het al eerder aan, een geweldige verkoper in huis. Hij verkocht b.w.v.s. zijn schoonmoeder nog als het zo uit kwam, maar dat was ook meteen zijn grote euvel. Soms verkocht hij onze diensten wel erg scherp aan de kar, wat inhield dat we op bepaalde contracten weinig tot geen winst maakten, maar in andere gevallen zelfs verlies. Hij was helaas gevoelig voor bepaalde verleidingen wat inhield dat een dame met een mooi verhaal soms tarieven voor elkaar kreeg die echt onder de kostprijs zaten maar erger nog, waarvan de inningen van verschuldigde penningen soms leidden tot dagelijkse discussies met de boekhouders die zich langzaam aan zorgen begonnen te maken over het wel en wee van ons kantoor. Met name op zijn oude terrein van de import waar onze chef het meeste voor voelde liet hij de teugels vaak te ver vieren. Op export zat ik en ik geef toe indertijd aardig streng in de leer te zijn geweest.
Verlies bestond niet voor me en ik wist ook dat je van dit werk niet kon eten als er geen geld binnen kwam. Ook dat leidde nog wel eens tot discussies. Voor het eerst ontstonden breuklijnen. Niet in de laatste plaats omdat mijn chef toch vond dat import belangrijker was dan export en daarom alleen al steeds meer investeerde in die afdeling. Nieuwe mensen kwamen er bij en het volume steeg absoluut. Dat gold ook voor mijn kant van het bedrijf, maar ik moest toch echt met minder toe. Victor werkte net als ik keihard aan het klaren van de voorliggende klussen, daarnaast hadden we een allerliefste assistente, Marja Kroon, die een tijdlang onze administratie verzorgde. Soms deden we er omwille van de winstgevendheid ook bijzonder zaken bij. Zoals het agentschap voor een autoverhuurbedrijf uit Amsterdam. De auto’s die men daar aanbood bij reizigers, veelal Volvo’s, moesten dan in ontvangst worden genomen of afgegeven en soms moesten er een stuk of wat van die auto’s naar/van het kantoor in de Amsterdamse Van Ostadestraat worden gebracht of gehaald. Prima werk voor in de stille uurtjes en mijn importcollega en ik deden dat werk graag. Maar of het paste in ons managerschap? En om het daarover te hebben, ik was als oudste medewerker in jaren na chef Breems wel toe aan promotie vond ik toen. En ik drong aan op een managementsfunctie die toen nog gewoon een procuratiehouderschap inhield. In Rotterdam vond men dat weliswaar prima, maar dan wel na een lange screening door de verantwoordelijke onderdirecteur van het bedrijf, de heer Wijnen, die me uitgebreid informeerde over de verantwoordelijkheden die deze functie met zich meebracht. Maar uiteindelijk na vier jaar hard werken was het zo ver, en kreeg ik erkenning voor het werken en ook salarisverhoging. En dat laatste was uiteraard zeer welkom….(Archief Yellowbird)
Vraag mensen die iets verstand hebben van auto’s naar het merk DKW en al snel zal men een imitatie geven van de geluiden die de motoren van die wagens ooit maakten. Rengdednggdengggdenggg… DKW benutte voor haar wagens namelijk tweetakt-techniek. Was in de jaren voor de oorlog buitengewoon modern en goed toepasbaar in lichte wagens waarvan de eigenaren geen zin hadden in al te veel gedoe. Tweetakt hield in dat motorsmeerolie werd gemengd met benzine en dan verhit tot ontbranding gebracht. Het geluid was een aspect van dat verhaal, een grotere rookontwikkeling het andere. DKW werd opgezet in 1928 en startte met de fabricage van een auto die men had overgenomen bij een andere fabrikant. Het merk DKW werd gemaakt en opgezet in Berlijn, maar verhuisde al snel naar Zwickau in het oosten van Duitsland.
Door de jaren heen bouwde men diverse succesvolle kleine en wat grotere wagens, maar ook motorfietsen die over het algemeen een prima kwaliteit vertoonden. In 1932 werd het merk toegevoegd aan de Auto Union waartoe ook Horch, Audi en later NSU behoorden. De Tweede Wereldoorlog bleek een streep door de rekening van het merk. En met name de bevrijding van het oostelijke deel van Duitsland door de Russen zorgde voor grote problemen. Immers de fabrieken van DKW vielen in handen van de grote beer en die klauwde alles mee wat voorhanden was. Gelukkig niet de ontwerptekeningen voor een nieuw model dat DKW nog tijdens de oorlog had ontwikkeld en voor die tijd hypermoderne lijnen liet zien. Alleen lagen die tekeningen dus in Zwickau. De directie van DKW was intussen verhuisd naar Dusseldorf, maar de techneuten van het merk zaten in Zwickau.
En daarmee kwam aan beide kanten van het toen al gestikte IJzeren Gordijn de productie op gang van de nieuwe DKW’s. In het westen onder regie van Auto Union maar wel onder de oorspronkelijke naam, in het oosten onder regie van IFA en in eerste instantie ook onder die naam van DKW. De Oost-Duitsers waren qua bouw de West-Duitse vroegere zuster te snel af. Maar de West-Duitsers hadden betere juristen. De oorspronkelijke fabriek in Zwickau mocht de naam DKW niet meer voeren en zette voortaan IFA op haar identieke modellen. Opvallend genoeg zijn beiden ook in Nederland verkocht. Nog steeds hadden die modern uitziende wagens trouwens een tweetaktmotor, geen verschil van inzicht tussen oost en west. Alleen ging de ontwikkeling van nieuwe modellen in het westen een stuk sneller. Na de Meisterklasse kwam DKW met de Sonderklasse en weer later met de erg fraaie 3=6. Die was in maatvoeringen gegroeid, had weliswaar nog steeds dezelfde motor maar die leverde nu meer vermogen.
De topsnelheid ging nu naar 125km/u waardoor DKW vond dat de driecilinder tweetakt net zo goed reed als een zescilinder van andere merken. De ultieme stap bij het oermodel was de 1000 die nu ook als Auto Union 1000 werd aangeboden. Uit een 1000cc motor haalde men nu 50pk en een top van 135km/u. Prachtige auto’s, alleen flink duurder dan een VW Kever of Opel en dat hielp de verkopen niet. Fraai was de 1000Sp Coupe. Een soort mini-Thunderbird met prachtige lijnen, een panoramavoorruit en vinnen op de achterschermen. Met 140km/u nog sportief ook. Mits je dat motorgeluid en de rook voor lief nam. DKW ging maar door met ontwikkelen van nieuwe wagens maar dat zorgde ook voor problemen. In 1964 zette men de F102 neer, een fraaie sedan, met een 1200cc tweetaktmotor en de kenmerkende vier ringen op de neus.
De auto was mooi gemaakt, maar te duur. En het einde van Auto Union kondigde zich aan. Mercedes nam de boel over, Audi werd de nieuwe naam voor de DKW’s en de F102 gewoon Audi 60 maar wel met een viertaktmotor die goed verkocht. Daarmee kwam een bekend merk dat ook nog bestelwagens had verkocht overigens, tot een roemloos einde. Audi werd de nieuwe naam en al snel kwam die in bezit van Volkswagen. En wat die ermee deden is voor eenieder wel duidelijk denk ik. Overigens ging dat DKW in het oosten dus op in IFA en leverde dat weer uiteindelijk Trabants en Wartburgs op. Zelfde techniek en geluid, maar toch een andere beleving…(Beelden: Yellowbird archieven)
De compacte Tsjech die ik in juli 2015 nieuw kocht bij mijn vrienden van Korterink in Rouveen (wat je ver haalt is lekker..) deed zijn werk door de jaren heen met verve. Maar ook meteen met zeer beperkte dorst. Over 90.000 kilometers gereden in binnen- en buitenland behaalde ik een score van gemiddeld 1:20. En echt, ik rijd er niet bepaald op. Net als zijn zilvergrijze voorganger voelde de ‘Dinky Toy’zoals ik hem wel eens betitelde zich eigenlijk meer thuis op de snelweg of regionale routes dan in de stad. Al was het maar omdat het sportieve maar redelijk harde onderstel verkeersdrempels lastig te nemen vond. Nee, die lange ritten, dat was zijn ding. En ik genoot van de luxe, want de editie die ik indertijd kocht stond daar bol van. Leder en chroom, maar ook de nodige elektronica, het hoorde er allemaal bij of in. Hij werd ook nogal eens het slachtoffer van derden met een hekel aan blauwe auto’s zo leek het wel eens.
Krassen, deurinslagen van grotere auto’s, een aanrijding (ik deed er ook hier verslag van) door iemand die niet kon uitparkeren. Waar zijn voorgangers schadevrij bleven, de blauwe leed. En ik met hem. Toch je spaarcenten op wielen. En ik heb de tik dat ik vind dat je altijd in een nette auto moet rijden. Dus werden al die schadeplekken weer professioneel opgelost. Maar de leeftijd werd wel een dingetje. Vooral als je ook denkt in termen van restwaarde en een aankomende grote servicebeurt. Omdat daarbij de airco ook gevuld moest, best wel een prijzig iets. Dus…. goede raad was in dat geval niet eens zo duur. Maar eens kijken naar iets anders. Liefst iets soortgelijks, al was het maar om de kosten per kilometer. Maar dan wel van het laatste type, met allerlei vernieuwingen zoals Led-licht, regensensor, een fijne airco, cruise-control en de nodige luxe die ik al gewend was in de blauwe.
Zoeken op internet leverde heel wat wagens op die me zouden kunnen overtuigen van hun kunnen, maar dan bevielen me de adressen niet. Bij mijn ‘hofleverancier’, een Skoda-dealer (die ook Suzuki en Toyota voert) in Rouveen stonden een paar erg interessant aanbiedingen. ‘Weet je wat, we gaan er eens kijken en zien welke deal hij kan opbouwen voor me’ was de gedachte toen we onvoorbereid met een vuile blauwe vol boodschappentassen (want je weet nooit wat je nog tegenkomt)richting Rouveen vertrokken. De man die me al drie keer had geholpen aan iets leuks, luisterde naar het wensenpakket en nam me mee naar de auto’s die ook op internet stonden.
Een witte uitvoering en een rode. Beide even oud, heel weinig kilometers op de teller (5.500)en in de fabrieksgarantie. Maar die tornadorode….jeminee, wat een mooie uitvoering. Speciaal dashboard, automatische verlichting, speciale velgen met Conti banden, bedenk het, alles er op en aan. Machtig mooie stoelbekleding. Een proefrit maakte duidelijk dat dit een kanshebber was. En de deal kwam ook naar grote tevredenheid rond. Omdat de auto zo nieuw is, kon hij ook meteen mee als ik dat wilde. Dat was even een schok, want ik had de blauwe normaal helemaal gewassen en gepoetst als nieuw ingeleverd. Nu moest ik hem in deze gebruikte conditie achterlaten. Hielp wel met de emoties, want zelfs ik was erg verknocht geraakt aan die kleine blauwe rakker die me zo trouw en zo vaak naar Duitsland en Belgie had gebracht en zoveel comfort koppelde aan een pittig karakter. Alles overgelegd van de ene in de andere, uiteraard nog iets vergeten, maar detail, de nieuwe op naam en rijden maar. We moesten er zelfs even van bijkomen. Niet alleen vanwege de snelheid van handelen, ook vanwege die kleur. Zilvergrijs toch mijn voorkeur. Rood nooit. Maar ja, ervaringen uit het verleden zijn geen garantie voor negatieve zaken in de toekomst. En waar we de rode lieten zien in de afgelopen periode, hij maakte veel positiefs los. Veel meer dan die keurig nette blauwe. En verdraaid, door die grotere velgen en wat soepeler banden kom ik nu zonder gedoe over 95% van de verkeersdrempels….Ik ben dus aardig in de nopjes….We zullen zien hoe dat over vijf jaar is…(Beelden: Yellowbird archief)
Onlangs las ik bij iemand een pleidooi om ons van de beste kant te laten zien en de verhoudingen met hen die van verre komen te verbeteren door gewoon een stapje terug te doen. Huh…? Doen we dat dan niet al jaren? Het idee beviel of bevalt me niet. Wil je een leuke verhouding met andere mensen moet je gewoon allebei een stap vooruit zetten tot je neus aan neus staat en dan mekaar omhelzen en kussen desnoods(nu even af te raden i.v.m. dat coronagedoe). Maar als een van de partijen achteruit moet om de ander ruimte te geven is het al mis. Ik denk dat als we echt en oprecht zouden mengen met elkaar alles een stuk leuker werd. De mens is in principe op elk gebied gelijk. Fysiek in ieder geval. Kleur onderscheidt wellicht, maar zou je van alle werelddelen en rassen baby’s vanaf moment een bij elkaar brengen en die op dezelfde wijze (heel humaan en zonder geloof) opvoeden ontstond een mensensoort die deze aarde vermoedelijk zonder oorlog of ellende zou laten voortbestaan.
Het is juist dat we zo prat gaan op onze eigen normen en waarden of ons ‘heilige geloof’ dat zorgt voor de ellende. Integratie was niet nodig als we ook zouden trachten macht uit te schakelen en te vervangen door respect. Ondenkbaar natuurlijk in een wereld waarin elke fractie meent dat de tenen worden betreden door anderen of dat wat ik heb bereikt niet voor anderen bestemd of omgekeerd. Er zijn wel eens experimenten geweest op dit punt, veelal niet op prijs gesteld door de grote kerken of machthebbers van andere orde. Het idee alleen al. We hebben behoefte aan jij en zij denken, aan onderdrukking van minderheden (geen onderscheid daarin, want komt overal voor) van vooroordelen en zo meer. Vrouwen (helft van de wereldbevolking) minder waard dan mannen.
Tuurlijk, een taboe voor velen, maar als je bekijkt hoe lang we er al mee worstelen of dit acceptabel menselijk gedrag is of niet, wel een onderwerp om eens aandacht voor te hebben; masturbatie onder mannen en vrouwen. Het waarom zit toch vooral in de becijferingen die tijdens het hoogtepunt van de corona-ellende over ons heen kwamen. Al is de vraag in hoeverre mensen eerlijk antwoord geven op relevante vragen rond dit onderwerp. Zeker in deze toch wat vertrutte tijden best een extra groot taboe. Mensen die door virus en overheid opgehokt werden kregen volgens de media ineens ofwel minder zin in seks met de partner, dan wel meer, maar in het algemeen nam de frequentie van het zich zelf plezieren cijfermatig zeker toe. Nu is dat nog niet zo spannend omdat in die cijfers ook mensen zitten die geen partner bezitten en dus wel het risico lopen droog te komen staan in deze zware tijden. Maar ook onder gehuwden stegen de momenten van zelf opgewekt geluk flink. Men nam de tijd voor zichzelf en dat is verder uiteraard prima.
Zeker als je ziet dat het juist ook onder vrouwen opgeld doet. En dat is iets waar we toch even bij stil mogen staan als we bedenken dat pakweg een eeuw of anderhalf geleden vrouwen niet werden geacht zich seksueel te vermaken of te ontladen. Dat was voorbehouden aan mannen en de vrouw diende als opvangplek voor al het door hun partner voorgebrachte zaad, wat dan weer moest leiden tot zwangerschap. Dat een vrouw ook behoefte kon hebben aan een verlossend hoogtepunt was iets dat niet werd besproken. En masturbatie voor man en vrouw zat naar de normen van de toen zwaar het maatschappelijke (KERK)normbesef bepalende beleid en gevoel, in de verdomhoek. De geschiedenis van Onan uit de Bijbel vaak aangehaald als zondig en verspilling van zaad dat weer kon leiden tot nieuwe kleine mensjes die je tenminste kon dopen en aan de kerkvolkeren toevoegen. Op enig moment begon in de psychiatrie van toen een fenomeen de kop op te steken dat men omschreef als vrouwelijke hysterie. Vrouwen werden soms letterlijk bijna gek en kwamen dan in aanraking met de professionele hulpverlening van die jaren.
Toen die tot het inzicht kwam dat er iets fysieks ten grondslag lag aan die hysterie bedacht men na enige tijd en veel onderzoek een elektrisch instrument dat je nu mag zien als voorloper van alle hulpmiddelen die je via internet of speciale winkels gewoon kunt kopen voor de moderne naar ontspanning snakkende vrouw. Toen was dat zeer revolutionair, controversieel maar zorgde ook voor dusdanige verlichting van het leed (deels door de Victoriaans/christelijke moraal veroorzaakt) dat vrouwen na enige tijd als genezen de klinieken uitliepen en ineens wisten wat ze zouden willen van hun mannen. Niet dat die nu meteen begripvol reageerden. Indertijd was de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen nog best wel een dingetje. En in sommige culturen is dat nu nog zo. Een vrouw dient geen plezier te beleven aan de seksactiviteiten, de man dient dat plezier te voelen, de vrouw even niet. Die mag (be)dienen. Bedenk maar eens dat in sommige culturen de vrouwelijke genitalien worden verminkt om dat plezier voor altijd weg te nemen. Hoe barbaars mag het zijn?
Dan is zelfs het plezier van het eigen lijf je voor altijd ontzegd. Chagrijn en wellicht hysterie het gevolg. Maar laten we het leuk houden. Het fenomeen van het zelf plezier maken zorgt voor veel ontspanning, bestrijdt slaapgebrek, je hoeft er geen ingewikkelde relaties voor op te bouwen en je mag alle tijd nemen van de wereld. En als we iets hadden in die coronatijd, was het dat wel. Overigens ben ik wel benieuwd naar onze wereld over een maand of wat. Want al die seksgedachten zullen toch ook wel weer leiden tot de nodige zwangerschappen. Behalve daar waar men slechts aan het eigen plezier heeft gewerkt natuurlijk….daar niet. (Beelden: Internet – info uit het plaatje met cijfers dateert van voor de Cofid19-crisis )
Persoonlijk heb ik niks met bepaalde ver weg gelegen continenten, landen, steden of wat ook. Maar ik ben wel van de trips. Heb er in het leven heel wat gemaakt en hoop dat ook in het nieuwe normaal sommigen op het lijstje van wensbestemmingen nog invulling gaan genieten. Al ben ik niet meer van al dat gevlieg, je kunt ook met de auto een eind op streek komen. En het voelt als ‘afkicken’ als het om een of andere reden niet kan zoals nu in deze lastige periode waarin mondjesmaat vrijheid wordt gegeven van reizen die met plezier van doen hebben. Ik maakte uiteraard ooit ook vakantietrips. Toch wat meer in tijden van jeugdig kroost en dan naar plekken waar het warm was en het water van de zee al zo plezierig van temperatuur dat je toen al aan verandering van het klimaat had moeten denken. (Not!) De warmste plek ooit was Gran Canaria waar we als gezin in de tweede helft van de jaren tachtig precies in het hoogseizoen naartoe vlogen en een bungalow huurden met zwembad op een soort resort waar je zelf moest zorgen voor je eigen potje. Het was er druk, bloedheet, en de kakkerlakken van ongekende omvang.
Maar ook wel leuk met al die echt blote mensen op het strand die bil aan bil lagen te zwemmen in het eigen zweet vermengd met zonnebrandolie. Na een paar dagen waren mijn voeten ernstig verbrand om het over de rest van het naakte lijf maar niet te hebben. We vonden uit dat in bepaalde winkelcentra in dat gebied Nederlands of Duits standaard voertalen waren en je het kroost kon voeden met Nederlandse kroketten en friet. Ik zou er nadien nooit meer heen reizen. 45 graden in een brandende zon die recht boven je kop staat is geen genoegen voor een blondharig type met blauwe ogen en lichte huid. Ik was zelf meer van de trips naar Engeland en Schotland. Heerlijke sfeer en dat hele land prachtig. Tuurlijk zoek je dan niet de achterbuurten op, die zijn daar ook, maar wat we zagen was indrukwekkend. Omdat je ook de nodige cultuur vindt en er altijd ergens een heftig stuk geschiedenis wordt gepresenteerd.

De meeste uitvinders kunnen niet verkopen. De techneuten of goede koks onder ons ook zelden of nooit. Het zijn twee verschillende disciplines. Een enkeling kan dit combineren. En maken hun business tot succes. Wil je weten hoe dat al dan niet moet? Kijk dan (terug) naar het erg aardige programma van WNL, Dragons Den. Daarin moeten mensen met een nieuw bedrijf of product zien dat ze bij soms steenrijke investeerders geld los kunnen krijgen om hun zaken in de toekomst enig houvast te geven in de desbetreffende markten. Daartoe dienen zij naast hun nieuwe producten of diensten ook cijfers te overleggen, maar vooral te brengen. En wat je zo vaak ziet bij bedrijven van dit kaliber, velen zijn geroepen maar slechts weinigen uitverkoren. Kaf en koren worden meteen gescheiden door de beroepsinvesteerders in dit programma die in het verleden door slim zaken doen en steeds weer opnieuw goochelen en durven grote kapitalen vergaarden die ze nu (met een enkele uitzondering..) inzetten t.b.v. anderen. Het kaf komt overigens het meeste voor bij die presentaties.
Vaak slecht voorbereid, cijfers zonder onderbouwing, en een product dat meestal binnen een half jaar in China van de band rolt en daardoor elke exclusiviteit mankeert. Daarbij vergat men nog wel eens een patent aan te vragen (kosten) maar bleek men ook gewoon niet in staat om het ‘unieke’ concept te verkopen. Eigenlijk wil men het liefst zelf een beetje doorklooien en van het geinvesteerde bedrag een verkoper aan trekken om de boel in de markt te zetten. Nou, uit ervaring weet ik dat veel verkopers bepaald niet geschikt zijn voor het vak dat ze beoefenen en in veel gevallen zelf liever lui dan moe zijn. ‘Bent u geinteresseerd in ons unieke aanbod, neem dan contact op met…’. In autoland heb ik er te veel meegemaakt of op training gehad waarvan je echt zuchtend afvroeg waarom ze dat vak kozen. En als ik op Linkedin kijk wat daar allemaal wordt aangeboden zie ik vooral veel pro-passiviteit. Echte verkopers gaan er op uit, werken met sociale media, bellen, mailen en doen hun best om orders binnen te trekken.
Ze bouwen een netwerk op en weten dat ze na een tijdje klanten weer eens moeten opzoeken om dat contact warm te houden. Als die verkopers dat al niet hebben, wat moet je dan als niet commerciele ondernemer wel niet beheersen om je producten in de markt te krijgen., Nou de Dragons uit dat programma maken er veelal gehakt van. Pas als er een geweldige presentatie uitrolt met perspectief, rollen ook de centjes. En wil men zelf actief bijdragen met advies hoe het nog beter kan. Dat presenteren doet dus begeren, net als solliciteren. Wie dat goed doet kan veelal rekenen op een nieuwe baan. Wie dat niet lukt komt veelal achteraan in de rij. Het is een vak, je kunt er voor trainen, het is bij te leren. Maar niet in de genen? Vergeet het maar. Dan moet je iemand zoeken met passie die deze kunst wel verstaat. En neem van mij aan, na al die jaren ervaring in verschillende vakgebieden, het zijn de uitzonderingen die de regel bevestigen. Maar een goede voorbereiding is het halve werk. Als je zelfs dat niet beheerst, presenteer dan maar niets. Zeker niet bij investeerders als de Dragons Den.


