
Zo lang wij al zelfstandig wonen aan de zuidkant van Amsterdam kennen we het gigantische Tuincentrum ’t Oosten in Alsmeer. Aan de Aalsmeerderweg 393 in die plaats exploiteren ze daar intussen al ruim 60 jaar het grootste overdekte tuincentrum van Nederland en dat omvat alleen al 80.000m2 overdekt aanbod. Van planten voor binnen of buiten, meubelen, toebehoren, vissen, beelden, bedenk het en ze hebben het voor de klanten klaar staan. Dus komen wij er als regiobewoners regelmatig. Meestal voor iets groens of wat er tegenaan leunt. Maar soms ook in combinatie met een bezoek aan hun zgn. tuincafe dat intern wordt uitgebaat en vaak aardig gevuld is met bezoekers. Was het vroeger een soort petit-restaurant waar je de hele dag terecht kon voor maaltijden etc., tegenwoordig is het aanbod flink beperkt.

De corona-ellende deed die vorige horeca-gelegenheid sluiten en toen men weer open ging was het aanbod vermagerd, maar de inrichting wel wat opgefrist. Je kunt er nu terecht voor koffie/thee, een belegde broodje, frisdranken, maar zeker ook een lekkere tosti. En dat kost allemaal niet de wereld, al vonden we net geen vier euro voor een Cappuccino in een kartonnen beker best op het randje van prijzig. Gelukkig gold dat minder voor de smakelijke tosti die we bestelden en met een gulle glimlach door de dienstdoende medewerker werd geserveerd. Kortom, keep it stupid simple is hier wel heel sterk de bedrijfsfilosofie en daar is op zich wellicht weinig mis mee. Ik mis toch zeer de leuke en smakelijke snacks van vroeger. De toen ook zo aardige bediening en de kleine prijsjes, maar in de huidige tijden is dit nog steeds best een stopplek om even neer te strijken. Parkeergelegenheid (gratis) genoeg, toiletten schoon en ruim, en je moet wel erg weinig van groen of bloemen houden om na de koffie niet toch het een en ander in je karretje te stoppen. Rapportcijfer: 7.5 – en dat zit hem toch vooral in het magere aanbod i.v.m. vroeger en wat je elders bij tuincentra vindt in de daar evt. aanwezige horeca….(beelden: ’t Oosten website)







Onlangs las ik bij iemand een pleidooi om ons van de beste kant te laten zien en de verhoudingen met hen die van verre komen te verbeteren door gewoon een stapje terug te doen. Huh…? Doen we dat dan niet al jaren? Het idee beviel of bevalt me niet. Wil je een leuke verhouding met andere mensen moet je gewoon allebei een stap vooruit zetten tot je neus aan neus staat en dan mekaar omhelzen en kussen desnoods(nu even af te raden i.v.m. dat coronagedoe). Maar als een van de partijen achteruit moet om de ander ruimte te geven is het al mis. Ik denk dat als we echt en oprecht zouden mengen met elkaar alles een stuk leuker werd. De mens is in principe op elk gebied gelijk. Fysiek in ieder geval. Kleur onderscheidt wellicht, maar zou je van alle werelddelen en rassen baby’s vanaf moment een bij elkaar brengen en die op dezelfde wijze (heel humaan en zonder geloof) opvoeden ontstond een mensensoort die deze aarde vermoedelijk zonder oorlog of ellende zou laten voortbestaan.
Het is juist dat we zo prat gaan op onze eigen normen en waarden of ons ‘heilige geloof’ dat zorgt voor de ellende. Integratie was niet nodig als we ook zouden trachten macht uit te schakelen en te vervangen door respect. Ondenkbaar natuurlijk in een wereld waarin elke fractie meent dat de tenen worden betreden door anderen of dat wat ik heb bereikt niet voor anderen bestemd of omgekeerd. Er zijn wel eens experimenten geweest op dit punt, veelal niet op prijs gesteld door de grote kerken of machthebbers van andere orde. Het idee alleen al. We hebben behoefte aan jij en zij denken, aan onderdrukking van minderheden (geen onderscheid daarin, want komt overal voor) van vooroordelen en zo meer. Vrouwen (helft van de wereldbevolking) minder waard dan mannen.
Als je zoals ik nu even tijdelijk partner loos door het leven gaat houdt dit ook direct in dat e.e.a. gevolgen heeft voor het eten wat ik tot mij neem. Van alle kwaliteiten die ik wellicht bezit is koken er zeker geen van. Ik kan eieren koken, bakken, potjes en blikken openen en de inhoud op redelijke wijze verhitten tot een eetbare substantie en aardappelen koken of bakken. Maar meer moet je niet van me vragen. Het is er nooit van gekomen en verdiepen wat te veel gevraagd. Nee, koken is niet mijn ding. Wel (mee)eten. Altijd fijn om bij liefdevolle koks of kokkinnen aan te mogen schuiven in zo’n situatie. Gelukkig zijn er een paar die begrijpen dat het niet zo meevalt voor een man als ik in zijn eentje…. Dus komen er wat uitnodigingen die me naast een lekker maaltje ook een gezellige avond bezorgen.
De dank daarvoor en uiteraard de waardering zijn groot. Maar blijft toch de kwestie van het gebrek aan talent op dit gebied. Ik had de pech dat mijn moeder vroeger thuis met alleen mannen om zich heen min of meer gedwongen werd om het kookwerk te verrichten. Dat deed ze met duidelijke tegenzin en dat was soms goed te merken (of te proeven). Uitdragen van haar wellicht aanwezige kennis op dit gebied was zinloos. Wij mannen waren bezig met de dingen die bij onze sekse behoorden en daar paste al te veel huishoudelijk werk niet bij. Koken dus ook niet. En dat heeft zich toch wat gewroken. Nadat ik mij om allerlei positieve redenen bond aan mijn echtgenote voor de decennia die tot de dag van vandaag duurden, was zij automatisch degene die ging koken.
En door haar erfelijke connecties met goed kokende voorouders had ik daarna weinig tot niets meer te klagen. Ze maakt er vaak iets bijzonders van en dat is bijster smakelijk. Van puur-Nederlandse pot, maar dan net even smakelijker tot inheemse gerechten die dan weer op mijn smaak zijn gebracht door links en rechts wat al te scherpe zaken weg te laten. Je moet als man nu ook weer niet overdrijven natuurlijk. Zij kookt ook efficiënt. Kan een maaltijd op tafel zetten binnen een uur. En nog lekker ook. Elke dag iets anders. Knap staaltje kookkunsten vertonen. Maar als ze dan even op reis gaat heb ik het lastig. Want ik pikte in al die jaren maar weinig op van dat kooktalent. Nu komt dat wel vaker voor hoor, ze maakt de fraaiste trips en geniet daarvan. Maar voor mij is het dan altijd even wennen. En toch heeft het wel iets. Nog los van al dat lekkers dat me door de lieve gastvrouwen en dito heren wordt voorgezet is het ook best lekker om met enige trots je zelf bereide maaltijd naar binnen te werken. En gezien de belangstelling die beide harige huisgenoten tonen als ik dan aan tafel zit, moet er wel iets goeds aan te ontdekken zijn. Vandaar…Smakelijk eten allemaal……Doe ik het ook….
Laat ik vooropstellen, en dat doe ik met klem, onze zwarte kater Pixel, nu net 4 jaar oud, is een ongekende schat van een kat. Hij is dol op kroelen en wil het liefst tussen ons in zitten of liggen. Waarbij hij het bijster plezierig vindt als we hem aaien, strelen of onder de kin kriebelen. Kreunend geknor is dan ons deel en het geeft aan dat dit een ware mensenkat is. Het was dan ook met stomme verbazing dat we keken naar hoe hij de kleinere uitgave van zichzelf Punkie, toen die nog leefde (werd maar net twee jaar oud) soms door het hele huis heen joeg. Hij had dan grote zwarte ogen, wilde niet luisteren naar onze waarschuwingen en knokte als een wilde kat. De kleine gilde het dan vaak uit. We snapten het niet, want soms lagen ze echt ineengestrengeld op bank of het eigen bedje. Maar even vaak liep het gierend uit de klauw. Die kleinere versie was op zichzelf ook een enorme lieverd, daar niet van, maar dat hij achterna gezeten werd had een reden. Alleen kregen wij daar niet meteen inzicht in. Wellicht was hij toch zwakker dan zelfs wij konden inschatten. Sinds afgelopen zomer kwam ter completering van het stel, nummer drie hierbinnen.
Het Prinsje Percy, ik beschreef hem al eens uitgebreid. Breed van haar, stevig van postuur, en anders dan zijn ras eigenschappen doen vermoeden, een vechtersbaas. Hij werd niet meteen met gejuich ontvangen hier, de beide zwarte huisgenoten waren het over een ding snel eens, die nieuwe kleine kater was eng en hoorde hier niet. Dat onthield de koninklijke kat. Toen wij nummer 2 dus na een lijdensweg van dagen helaas moesten laten inslapen en hij niet meer mee terug kwam van de dierenarts werd door de beide overblijvers nog wel soms gekeken waar hij kon zitten of liggen. Men zocht maar kon niet meer vinden. Dat oogde nog wel lief. Maar ook vreemd. Daarna nam het gewone ritme zijn plek weer in.
En zagen we ineens dat de grote lieve kater veel last kreeg van de kleine vechtersbaas. Die kreeg weliswaar op zijn beurt best klop, maar deed geen stapje terug. Viel gewoon aan en op enig moment verjoeg hij die zwarte huisgenoot van ongeveer elke zit- of lig plek. De grote kater weet niet precies hoe om te gaan met dat langharige tuig, moppert wel, maar wordt niet boos. Gaat ‘af via de zijdeur’ als het nodig blijkt en hij het geknok zat is. De hiërarchie duidelijk gewijzigd. En we zoeken naar dat boze karaktertrekje wat hij nog wel had toen nummer 2 onder ons was. Ging dat dan toch een uiting van het feit dat die kat chronisch ziek was door zijn slechte start als kitten?! Het moest wel. We grijpen overigens niet in bij de verdeling van de macht hoor. Nog steeds kunnen ze mekaar hebben, maar de door zijn afkomst als meegaand bekendstaande jonge prinselijke kater is geen exemplaar om zonder handschoenen aan te pakken. Zoveel is ons wel duidelijk. Wonderlijk genoeg zijn ze midden in de nacht net zulke goede vriendjes als nummer 1 en 2 dat waren als de lichten werden gedoofd. Soms snap je die wereld van katten echt niet. Maar dat maakt ze ook zo boeiend. En vandaar dat ik er iets over schreef….
