Europese auto-economie…

Europese auto-economie…

Voor hen die denken dat we het best wel zonder auto-industrie zouden kunnen stellen is het wellicht goed te weten dat volgens Europese cijfers op dit gebied bijna 3 miljoen mensen hun brood verdienen aan deze tak van sport. 3 miljoen!

Ga je dan de aanpalende leveranciers daarbij optellen zijn die cijfers nog opzienbarender. De auto-industrie is gewoon heel belangrijk voor de werkgelegenheid. Kom daar maar eens om als je denkt met zeilboten, trekschuiten of paardentrams de toekomstige bevolkingsgroei en vervoersbehoeften te bevredigen. Wel is het zo dat er een groot onderscheid is waar je woont of werkt. Kijken we naar de aantallen geproduceerde voertuigen ligt Duitsland nog steeds veruit op kop.

De Duitsers bouwden alles opgeteld in 2019 (laatst bekende cijfers) bijna vijf miljoen stuks, gevolgd door Spanje dat ongeveer de helft minder bouwt op jaarbasis maar de Fransen op flinke afstand achter zich weet te laten. Deels komt dit door de vestigingen van merken uit Japan, Duitsland of Frankrijk die daar auto’s laten fabriceren. Op de vierde plek staat Tjsechie, waar men naast Skoda en Tatra ook nog de nodige fabriekslijnen kent voor merken als Hyundai of Kia. Engeland, toch altijd een top-natie op dit gebied geweest bouwt minder dan de Tsjechen en dan ook nog met dank aan Japanse autobouwers als Honda, Toyota en Nissan, terwijl men zelf nog wat Ford’s en Vauxhall’s in elkaar schroeft.

Een groeinatie is Slowakije, het oude zusterland van de Tsjechen, waar men toch vooral auto’s voor derden bouwt. Heel wat auto’s uit andere landen worden hier in mekaar gezet. Als je die twee oude fusielanden bij elkaar optelt zijn Tsjechie en Slowakije goed voor een meer dan sterke tweede positie na Duitsland en ver voor Spanje. Als je kijkt naar de productie van de Italiaanse merken zie je direct dat die in het totaal niets meer voorstellen. Nog geen 50% van wat de Slowaken bouwen komt uit dat Zuid-Europese land. De eerlijkheid gebiedt wel dat met name Fiat nog wel wat modellen laat fabriceren door de Polen die dan ook als auto-industriele natie worden gezien, net als de Roemenen die naast hun eigen Dacia’s ook voor anderen mogen bouwen.

Al was dat maar op de prijs. Zweden, ooit een grootmacht op dit punt, bengelt nu op een 11e plek toch wat onderaan. Maar nog altijd boven Nederland. Opvallend dat wij ook nog steeds op die lijst staan, Met dank aan DAF en VDL. Maar in aantallen stelt het niet zoveel voor. Het land waar de minste auto’s worden gebouwd is Finland. Valmet de grootste fabriek daar en die bouwen vooral ook voor derden. Kortom, een interessant landschap waarin je de grote landen ziet en de kleintjes. De uitwisseling daartussen maakt dat groei en krimp elkaar afwisselen. Na 2020 kon het wel eens anders worden allemaal. Maar dat is iets wat later nog eens aan de orde kan komen. (Beelden: Yellowbird archief)

Koreaanse gigant; Hyundai!

Koreaanse gigant; Hyundai!

In mijn eerder vervolgverhaal over werken met dat merk waar de Vliegende Pijl een hoofdrol speelt, maakte ik ook gewag van mijn dealerperiode en dat Koreaanse merk dat nog van deur tot deur garages af ging om nieuwe vertegenwoordigers te vinden.

Ik heb het dan over 1978. Hyundai, Koreaans, onderdeel van de gelijknamige industriele groep waar we hier in dit periode nooit van hadden gehoord. Maar gigantisch groot in eigen land, bouwden schepen aan de lopende band, treinen, trams, bussen, trucks en een paar jaar relatief compacte personenwagens. Die laatste tak van sport aangestuurd door Britse ingenieurs die samen met het Italiaanse ontwerphuis Ital Design van meneer Giugiaro een aardig autootje hadden ontwikkeld die de Koreanen als Hyundai Pony in de markt zetten.

Nederland proeftuin voor die nieuwe auto’s. Technisch baserend op Mitsubishi-motoren en bepaalde onderdelen herkenbaar afkomstig uit de Britse auto’s van toen. Simpel, niet meteen geschikt voor grote Nederlanders maar wel loei-betrouwbaar. Hyundai zette voet op Europese grond en expandeerde binnen een paar jaar tijd tot een grote. Na de Pony volgden meerdere modellen die met soms groot, in andere gevallen minder succes werden verkocht. Al snel een budgetmerk, maar daar wilde men qua imago graag snel vanaf. De organisatie steeds strakker geleid, het gamma auto’s steeds breder. Al vlot was Hyundai een gevestigde naam in heel de wereld. Je moet je best doen een land te vinden waar deze wagens niet rondrijden.

Konden wij indertijd als dealer slechts van dromen…. Hyundai heeft ook overal fabrieken staan die lokale of regionale automarkten bedienen. Zo heeft men een fabriek in Tsjechie waar de compacte modellen voor Europa worden gemaakt. Maar ook in Rusland, de VS, China, India, Turkije en Indonesie fabriceert men auto’s van het merk met de schuin geplaatste H in het logo. In totaal nu bijna 10 miljoen auto’s per jaar. En dat is nog niet alles. Toen het concurrent KIA een aantal jaren geleden niet goed ging nam Hyundai het bedrijf voor een deel over. Sindsdien werkt men veelal met gedeelde techniek. Moet je goed kijken om het verschil te zien tussen de ene Koreaan of de andere. Daarnaast zijn er ook markten waar men het minder goed aanpakte. Zoals Japan.

Men maakte daar de nodige marketingblunders en dat leidde er toe dat Hyundai in die lastige markt met haar personenwagens niet meer wordt vertegenwoordigd. Opvallend was ook de breuk van de Hyundai Motor Company met de rest van het concern. Hyundai ging samenwerken met Daimler uit Duitsland, wat er toe leidde dat een eigen ontwikkelingsafdeling in Duitsland werd gevestigd, maar die samenwerking is nu weer verbroken.

Hyundai is intussen allang niet meer dat budgetmerk uit het begin van haar bestaan. De Koreaanse auto’s zijn nu meer normaal van prijs, technisch op behoorlijk niveau en men schuwt bijzondere technieken niet. Elektrische modellen en soortgelijken in de planning en de strenge botsproeven onder controle. In ons land een merk in de top 20, al scoort ‘dochter’ KIA door haar lagere prijsstelling net even beter. Maar dat Hyundai een vast waarde is, zal niemand meer verbazen. Momenteel is de autobouwer uit Seoul de vierde autofabrikant ter wereld. En dat is conform de wensen en dromen van de toenmalige managers die met hun Pony leurden langs Nederlandse garagebedrijven. En waar ik zelf zulke ambivalente gevoelens bij heb. Maar ambitie kon en kan je die Koreanen niet ontzeggen. Integendeel! (Beelden: Yellowbird archief)

Oude bekende..Honda!

Oude bekende..Honda!

Steevast wel in de top van de kwaliteitsranglijsten maar qua verkopen helemaal onderaan in de top 50 van Nederlandse merken te vinden, Honda!

Terwijl het voor ons land al een oude bekende is. Want al ergens in de jaren zestig kwam Honda naar dit landje om haar eerste vierwielers te verkopen. Men had al enige naam met tweewielers en buitenboordmotoren, maar auto’s waren voor het merk toen nog nieuw. Vanaf 1962 nam men de handschoen op. Niet alleen op de weg, ook op het circuit en ging meteen met een Formule-1 auto van start die een V12 als aandrijfbron bezat. Nou die zocht je tevergeefs in die eerste personenwagentjes. Die rustte Honda namelijk uit met een kleine krachtbron afkomstig van hun motorfietsen en die dingen draaiden zulke hoge toerentallen dat je er nog aardig in mee kon komen op de snelweg. De N360 en N600 waren de eerste proeven van bekwaamheid en dat waren echt piepkleine wagentjes.

Maar de kwaliteit was al best redelijk en de prijzen aardig concurrerend. Nog overtuigender waren de sportief uitgemonsterde S600 en S600 die je als cabriolet of coupe kon kopen en die niet meteen bedoeld waren voor Europese coureurs maar voor de ondergemiddeld lange mens veel waar voor het geld leverden. Men stak met deze serie de Britse sportwagens naar de kroon maar zeker ook op het niveau van geluid en gebrek aan comfort. En toch werden die wagens door liefhebbers van het genre zeer gewaardeerd. In 1970 had Honda intussen al de 1-miljoenste auto gebouwd en bleef men op koers richting het wereldwijde succes dat men tegenwoordig kent.

Met de Civic uit 1972 werden de eerste fundamenten voor dat succes echt geslagen. Honda had hiermee een auto in handen die werd ‘gevreten’, ook in ons land. Compact, maar niet echt klein meer, potent, maar niet meer met van die enorm hoge toerentallen, en met een uitrustingsniveau dat je in een Opel of Ford niet snel kon vinden. Niet voor niets werd deze auto een succes. En de naam Civic bleef door vele generaties heen verbonden aan het merk. Latere modellen werden groter, sneller, luxer en helaas ook duurder. Uitvindingen schuwde men niet, het merk hielp op enig moment het Britse Triumph aan een nieuw model dat in feite een Honda was (Acclaim) en men bleef verbonden met de sportieve kant van het autovak.

Toch kreeg men ergens in de jaren negentig toch door dat men de concurrentie met de gevestigde orde niet helemaal meer aan kon. De prijzen waren te hoog, de innovaties toch wat te mager. Honda had intussen een productielijn in Engeland opgezet, had zo toegang tot de Europese Unie, bouwde nog steeds zeer goede auto’s maar zakte qua verkopen steeds verder terug. Dat gold minder voor de Amerikaanse en Chinese markten waar men nog steeds goede zaken doet. Hybrides kwamen uit, SUV’s waarmee men het gamma opvulde. Auto’s voor mensen met een specifieke smaak. In eigen land heeft men nog een hele trits van die kleine karretjes die specifiek voor de Japanse markt zijn bestemd maar vaak overtuigen door hun wonderlijke vormgeving en technisch vernuft. Maar hier wil het niet meer lukken.

De organisatie toch wat opgebroken en klanten winkelen nu bij Koreaanse merken of de Japanse concurrentie. En dat is best jammer. Overigens bouwt Honda ook haar eigen zakenjet, is nog steeds heel groot in motorfietsen, levert oa. de motoren voor het Red Bull team van Max Verstappen en verkoopt ook nog allerlei andere producten als grasmaaiers of de befaamde buitenboordmotoren. Breed, groot en bekend. Honda! (Beelden: Internet/archief)

General Motors

General Motors

Voor velen is dit een soort verzamelnaam van merken, voor mij zeker ook, maar het Amerikaanse GMC (de afkorting) had ook zo haar eigen modellen in de aanbieding.

Het concern was tot pakweg de jaren rond de recente financiele crisis, het grootste autoconcern ter wereld. Opel behoorde er toe, Vauxhall, Saab, Holden, Chevrolet, Buick, Pontiac, Oldsmobile, Cadillac, Hummer, Daewoo om er maar een paar te noemen. En men paste graag batch-engineering toe waardoor sommige modellen van het concern wereldwijd werden verkocht onder een andere merknaam. Soms was dit handig, in andere gevallen minder. Men had overal wel vingers in de pap.

Ook in de Amerikaanse regering. Obama redde het concern van omvallen toen hij net was aangetreden midden in die crisis. En dat redde GMC ook al moest men intussen dan wel de nodige submerken verkopen. Bedenk je maar dat GMC nog steeds groot is, maar niet meer de grootste. Toyota en Volkswagen passeerden het merk, en de Franse PSA-groep komt er aan nu het bezig is met de overname van Fiat/Chrysler. Daarmee is GMC nog steeds geen kleintje hoor. Zeker niet. Grote belangen in groeimarkten als Rusland maken het concern niet uit te vlakken als belangrijke speler.

Men verzet alleen de bakens. En daarmee verdween het ook vrijwel uit Europa. Verkocht een paar jaar terug Opel en Vauxhall aan de Fransen, Saab aan Spyker, nam Hummer van de markt en kromp haar eigen gamma aan merken aardig in. Chevrolet werd teruggehaald naar de markten waar het wel kon scoren. Beter korte pijn dan lange, al kost het sommige groepen klanten die zo’n submerk altijd trouw zijn geweest. Het eigen logo vindt je nog steeds op sommige grote en van oudsher onder eigen naam gebouwde Pickup-trucks of zware vrachtwagens en ander bedrijfsvervoer. Was GMC altijd sterk, dus nu nog steeds. En wellicht komen de oude tijden nog eens terug. General Motors, Detroit allang verlaten, zoekend naar een nieuwe toekomst. Maar nog lang niet uitgeteld. (Beelden: Yellowbird archief)

2050…

2050…de kans dat ik dat bewust ga meemaken is niet te groot. Hoewel…tegenwoordig worden we als mens allemaal ouder. Weliswaar gemiddeld, maar toch. Zou dat alsnog dus zo zijn ga ik meemaken wat een of ander Leefbureau van de regering voorspelde voor ons land. Een land met dan 22,5 miljoen inwoners, 40% daarvan uit andere landen en culturen afkomstig. Geen fijn vooruitzicht. Zeker niet als dat inhoudt dat ons land van karakter verandert. Ook al is dat kennelijk voor de linkse stemmers en uitvoerders van de leer die Marx en Lenin ooit bedachten een ideaalbeeld. Ik zie er weinig in. Nou ja, ik ben blij met goed opgeleide mensen uit Wit-Rusland, Polen of Iran, maar zie weinig in nieuwe uitkeringstrekkers uit Noord-Afrika of zuidelijker streken. En als ik daarmee iemand op de lange tenen stond, sorry op voorhand. Een samenleving bestaat slechts bij de gratie van de onderwerping aan de al bestaande cultuur en die is hier nu eenmaal Nederlands.

En die Nederlandse cultuur houdt in dat je hier de taal van het land goed leert benutten, vraagt waarmee je jouw land en medeburgers kunt helpen en niet wat je hier kunt komen halen. Daarbij is Nederland overwegend een niet gelovig, liberaal land. Ook al lijkt het er soms op dat we massaal het Gouden Kalf of andere afgod omarmen. Niets is minder waar. Nederlanders geloven in zichzelf, desnoods in hun buren of kinderen, maar zien overwegend een hogere macht niet meer als van groot belang voor het verder als keurig net en hardwerkend burger functioneren. Daarnaast is het voor mij een crime dat we ook vergrijzen. Ouder worden is leuk, maar moet je dan meteen vergrijzen? Kleur je haar, scheer de bol zoals ik, en blijf gewoon jong van geest. Als we dan langer moeten doorwerken van onze overheid, dan ook maar andere dingen doen die daarbij horen. Tot nu toe voel ik me zelf eerder 21 dan de leeftijd die mijn kalender me aangeeft, of die waarmee de spiegel me dagelijks confronteert.

Lol maken, genieten, reizen als het mag of kan. Rondkijken helpt vaak tegen verveling. En liefhebberijen zijn prima alternatieven voor achter de geraniums de groei van die planten bestuderen. 22,5 miljoen inwoners. We bengelen nu tussen 17,5 en 18 miljoen in. Weet je wat dat inhoudt? Verstening. De Randstad wordt gewoon een groot woon/werkgebied. Agrarische gedeelten verdwijnen, de immigratie dwingt tot verspreiding van mensen over het hele land. Provincieplaatsen veranderen in getto’s als we niet opletten en de voorzieningen moeten meegroeien. Wegen, treinen, de luchtvaart, scheepvaart. Maar ook de zorgsector. Kunnen we dat aan? Moeten alle boeren verdwijnen opdat we het hele groene karakter van ons land op kunnen offeren aan die ongebreidelde groei van het aantal inwoners? En dan is er ineens geen uitstootprobleem meer? Of is dat er alleen voor rechtse mensen die Nederland willen bewaren zoals het nu is (ook al erg druk) en niet voor linkse lieden die vol gaan voor de massa-immigratie?

Ik ben benieuwd wie daar een eigen mening op nahoudt op dit punt. Overigens als dat in Nederland zo gaat geldt dat vermoedelijk ook voor de ons omringende landen. De trek naar het ‘rijke westen’ zal ook daar zijn weerslag kennen. ‘Wir schaffen dass’ zei onze grote buurvrouw ooit. Spijt komt na de zonde. Bij de oosterburen is dat duidelijk het geval. Want als je dacht alleen doctoren en professoren te importeren blijkt nu dat kwantiteit voor kwaliteit ging en men is opgescheept met een groot sociaal/cultureel probleem. En dat is ook in ons land het geval. Dus zijn keuzes nodig. Dringend! Voor het te laat is….of ineens 2050! (Beelden: Yellowbird archief)

Wereldmerk van Chrysler; Dodge!

Met het vertrek van Chrysler uit Europa na de vorige crisis die de wereld trof verdween ook Dodge uit de showrooms van de dealers die dat merk trouw waren gebleven tot het laatst. Nu waren die laatste Dodges nog maar een flauwe afspiegeling van waar dat merk voor stond en staat. Even los van de RAM-Pickups die we nog steeds voorbij horen grommen en veelal in handen van bijzondere types hun kilometrages maken. Dat Amerikaanse merk Dodge heeft een wereldwijd bekende klank. Niet in de laatste plaats omdat het vaak werd benut om bijvoorbeeld trucks te verkopen in delen van de wereld waar men het oorspronkelijke merk niet eens kende. De grote drie van Amerikaanse autobouwers pasten op dat punt allemaal dezelfde (batch)trucs toe. Dodge, met een prachtige historie, werd ooit in 1914 opgericht door de Gebroeders met die naam.

Zij verdienden hun eerste dollars door motoren te bouwen voor Ford, maar produceerden in 1914 hun eerste eigen auto. Opvallend was dat de broers Dodge hun wagens een elektrisch systeem meegaven dat al 12volt leverde. Bedenk maar eens dat veel Europeanen tot ver in de jaren zestig gewoon op 6 volt alles deden. De Dodges waren sterk en betrouwbaar en kwamen al snel in gebruik bij het Amerikaanse leger. Als stafauto bijvoorbeeld. In die eerste jaren van haar bestaan verkocht Dodge zoveel auto’s dat het merk vierde stond in de verkoopranglijsten. In 1928 kocht Chrysler Dodge op (voor 175 miljoen dollar, toen een enorm bedrag) en ontwikkelde het merk zich door de jaren als het merk dat bij Chrysler tussen Plymouth en DeSoto zat qua prijs- en uitrustingsniveau. Tijdens WO2 werden veel Dodge trucks gebruikt door de Amerikaanse strijdkrachten.

Met name de zgn. Wapon Carrier bleek een populair ding en die bleven na de oorlog nog wel eens hangen in de gebieden waar de Amerikanen doorheen trokken en dan overgedaan aan civiele bedrijven die er van alles van maakten. Van ambulances tot kraanwagens. Dodge hielp bij de werderopbouw van Europa. Haar meeste personenwagens van kort na de oorlog waren klonen van Chryslers die tegen een andere prijs werden verkocht. Pas tegen de jaren vijftig begonnen Dodges af te wijken van de zustermerken. En kreeg het eigen auto’s met een wat moderner gezicht in de showroom.

In 1957 was de Coronet een totale omslag op modelgebied. Laag, breed en naar keuze nu ook met een V8 uitgerust. Torsiestaafvering aan de voorzijde maakte de Dodge een populaire auto. Wie extra geld besteedde kocht de versie met 310pk. In de jaren zestig kwam Dodge met zgn. Compacte modellen. Men noemde ze Dart of Lancer en een jaar later weer Polara. Helaas waren het weinig aansprekende wagens, want in feite gewoon geleend van zuster Plymouth. Compact in Amerikaanse ogen was trouwens voor ons Europeanen nog altijd fiks aan de maat. Pas bij de zeer sportieve Charger en Clallenger van eind jaren zestig kreeg Dodge naam in het wat sportievere deel van de markt. Wagens die naar de 200-230km/u opstoomden en een Ford Mustang er uit lieten zien als kapperscoupe’s. Met 425pk onder de klep was je zeker als eerste weg bij het stoplicht, maar stond je ook wel weer snel bij de volgende brandstofpomp. Ellendig genoeg wist Dodge haar imago lang niet vast te houden want in de jaren zeventig en tachtig maakte het wagens die leden onder enormer kwaliteitsproblemen.

Daarbij werd men gedwongen om sommige van Talbot/Simca overgenomen auto’s ook in de VS te gaan verkopen. Het imago daalde alleen daardoor al naar een nieuw dieptepunt. Compacts als de Shadow en zo meer konden dat tij nauwelijks keren. Met latere wagens lukte dat beter. De al genoemde Pickup-Trucks die onder de naam RAM uitkwamen waren van een ongekende kracht en sportiviteit. Ook de nieuwe Chargers en Challengers hielpen mee om het imago te redden. Dat deden trouwens de in diverse landen geleverde trucks ook. En zo kwamen de verkopen toch nog tot een redelijk niveau. Tot het moment dat Chrysler zich terugtrok uit Europa. Na de fusie met Fiat werden nog wat Dodges verkocht als Lancia maar daarover zweeg men het liefst in Amerika. En terecht. Wie nu een Dodge wil zien moet het zoeken in klassiekers of afgaan op het gebrul van die RAM Pickups als er weer eens een aannemer door de straten rijdt. Je kunt ook afreizen naar de VS waar uiteraard nog steeds Dodges bij de vleet worden verkocht. Maar dat is natuurlijk best een dingetje. Vandaar dat ik er even aandacht voor had….(Beelden: Yellowbird archief)

Verhoudingen…

Onlangs las ik bij iemand een pleidooi om ons van de beste kant te laten zien en de verhoudingen met hen die van verre komen te verbeteren door gewoon een stapje terug te doen. Huh…? Doen we dat dan niet al jaren? Het idee beviel of bevalt me niet. Wil je een leuke verhouding met andere mensen moet je gewoon allebei een stap vooruit zetten tot je neus aan neus staat en dan mekaar omhelzen en kussen desnoods(nu even af te raden i.v.m. dat coronagedoe). Maar als een van de partijen achteruit moet om de ander ruimte te geven is het al mis. Ik denk dat als we echt en oprecht zouden mengen met elkaar alles een stuk leuker werd. De mens is in principe op elk gebied gelijk. Fysiek in ieder geval. Kleur onderscheidt wellicht, maar zou je van alle werelddelen en rassen baby’s vanaf moment een bij elkaar brengen en die op dezelfde wijze (heel humaan en zonder geloof) opvoeden ontstond een mensensoort die deze aarde vermoedelijk zonder oorlog of ellende zou laten voortbestaan.

Het is juist dat we zo prat gaan op onze eigen normen en waarden of ons ‘heilige geloof’ dat zorgt voor de ellende. Integratie was niet nodig als we ook zouden trachten macht uit te schakelen en te vervangen door respect. Ondenkbaar natuurlijk in een wereld waarin elke fractie meent dat de tenen worden betreden door anderen of dat wat ik heb bereikt niet voor anderen bestemd of omgekeerd. Er zijn wel eens experimenten geweest op dit punt, veelal niet op prijs gesteld door de grote kerken of machthebbers van andere orde. Het idee alleen al. We hebben behoefte aan jij en zij denken, aan onderdrukking van minderheden (geen onderscheid daarin, want komt overal voor) van vooroordelen en zo meer. Vrouwen (helft van de wereldbevolking) minder waard dan mannen.

 

Dat humanistische beeld van onderlinge verhoudingen die zouden kloppen was ooit ook een ideaal van Baghwan of hippies. Geen vaste partners meer, maar gewoon diegene uitzoeken die je leuk leek of wellicht kon zorgen voor mooie kinderen. Een maatschappelijke chaos, want zeker in ons land moet alles in vakjes passen, maar toch! Juist vakjes maken het lastig om je te richten op hen in andere vakjes. De ingebakken vooroordelen doen verschillen tussen geloofsculturen telkens oplaaien. Heilige boeken als uitgangspunt voor de haat. Zou het niet mooier zijn als we die konden afschaffen en de blik naar buiten richtten? Triljoenen sterren in het heelal, nog meer planeten. Ze zijn er echt. En wij maar denken dat we uniek zijn. Komt dat? Slechts door geloof. Naar binnen gericht, navelstaarderij. Ieder voor zich en god voor ons allen. Ik droom nog even verder. Maar zou het prachtig vinden als we de grenzen op elk terrein eens wat zouden kunnen verleggen. Liefdevol, respectvol, maar ook met open ogen. Weg met die vooroordelen, de afkeer, die wensen en verlangens die vooral door kleinzieligheid en wonderlijke opvoeding vaak worden veroorzaakt. Corona maakte geen enkel onderscheid. Aids doet dat ook niet, kanker niet, tbc niet en voor een krokodil maakt het ook niet tot welke god je bidt als toevallig in zijn weg loopt. Waarom doen wij dat dan wel?? Leg het mij maar uit…Ik ben toevallig door al die zwart/wit-ruzies aardig in de stemming. (Beelden: Internet archieven)

Gekoesterde trips….

Persoonlijk heb ik niks met bepaalde ver weg gelegen continenten, landen, steden of wat ook. Maar ik ben wel van de trips. Heb er in het leven heel wat gemaakt en hoop dat ook in het nieuwe normaal sommigen op het lijstje van wensbestemmingen nog invulling gaan genieten. Al ben ik niet meer van al dat gevlieg, je kunt ook met de auto een eind op streek komen. En het voelt als ‘afkicken’ als het om een of andere reden niet kan zoals nu in deze lastige periode waarin mondjesmaat vrijheid wordt gegeven van reizen die met plezier van doen hebben. Ik maakte uiteraard ooit ook vakantietrips. Toch wat meer in tijden van jeugdig kroost en dan naar plekken waar het warm was en het water van de zee al zo plezierig van temperatuur dat je toen al aan verandering van het klimaat had moeten denken. (Not!) De warmste plek ooit was Gran Canaria waar we als gezin in de tweede helft van de jaren tachtig precies in het hoogseizoen naartoe vlogen en een bungalow huurden met zwembad op een soort resort waar je zelf moest zorgen voor je eigen potje. Het was er druk, bloedheet, en de kakkerlakken van ongekende omvang.

Maar ook wel leuk met al die echt blote mensen op het strand die bil aan bil lagen te zwemmen in het eigen zweet vermengd met zonnebrandolie. Na een paar dagen waren mijn voeten ernstig verbrand om het over de rest van het naakte lijf maar niet te hebben. We vonden uit dat in bepaalde winkelcentra in dat gebied Nederlands of Duits standaard voertalen waren en je het kroost kon voeden met Nederlandse kroketten en friet. Ik zou er nadien nooit meer heen reizen. 45 graden in een brandende zon die recht boven je kop staat is geen genoegen voor een blondharig type met blauwe ogen en lichte huid. Ik was zelf meer van de trips naar Engeland en Schotland. Heerlijke sfeer en dat hele land prachtig. Tuurlijk zoek je dan niet de achterbuurten op, die zijn daar ook, maar wat we zagen was indrukwekkend. Omdat je ook de nodige cultuur vindt en er altijd ergens een heftig stuk geschiedenis wordt gepresenteerd.

De Schotten ontzettend aardig en de steden gevuld met alles wat ik met mijn liefhebberijen ook zoek en kon vinden. Voor het weer was het soms even wennen. Dichte mist in juni gedurende daaaaaagen. Waardoor je bij 13 graden je ding moest doen. Of gietregens bij Bath in het zuiden en Stonehenge. Het Verenigd Koninkrijk moet je in je hart sluiten en niet nadenken over het weer. Vaak geweest en altijd leuk. Voor mij geldt dat ook voor de oosterburen. Vanaf 1965 regelmatig te gast en vaak erg leuk. Van Oost tot west, of van Noord tot zuid. Grote steden als Berlijn en Munchen fantastisch, maar de kleine plaatsjes langs de oostgrens regelmatig bezocht en zeer gewaardeerd. Los van het eten. Want dat is bij de Duitsers top verzorgd. Jammer dat we nu alweer enige tijd vast zijn gezet anders had ik de bezoekstatistieken van dat land flink verhoogd in de achter ons liggende maanden.

Met de Belgen heb ik iets dubbels. Ik vind het er meestal wel leuk, maar het is er vaak ook chaotisch. En die tweetaligheid vind ik maar niks. Leuke bezoeken herinner ik me overigens wel aan Brussel, Antwerpen, Gent, Brugge, Mechelen, Luik maar ook aan een relatief kleine plaats als Turnhout. In die laatste stad een paar jaar terug nog eens rondgelopen bij 40 graden. Ik puf er nu nog van. Met de Fransen heb ik minder. Parijs vaak bezocht, al was het maar ten tijde van de altijd interessante luchtvaartshows daar, maar ik vond die Parijzenaars maar niks. En ik ben ook niet van die taal, dus dan zoek je het ook niet op. De Tsjechen draag ik hoog, wellicht het meest bezochte land uit mijn historie na de Duitse trips. Prachtig van landschap, triest soms qua historie, maar wat een gastvrijheid. Zelfs in lastige tijden… Polen vond ik niks, gold ook wat voor Hongarije. De berglanden vond ik altijd indrukwekkend en mooi. De Scandinavische toch wat killig maar kan ook komen omdat ik daar steevast was in het najaar en dan is de sauna je lekkerste plek om op te warmen. Kortom in Europa is het veelal goed toeven. Ik ben er zeker nog een aantal vergeten. Portugal, Ierland en zo meer. Maar dat wilt u me als lezer(es) vast wel vergeven. Ben wel benieuwd naar jullie favoriete vakantieland uiteraard….(Beelden; Yellowbird archief)

Vernuftig goed – Daihatsu!

Hoewel wij in Nederland het merk Daihatsu pas ergens in de jaren zeventig echt leerden kennen was het in Japan zelf best al een oudje. Want opgericht als Hatsudoki in 1907 en actief met de bouw van vooral treinen en trucks werd het 1951 omgedoopt tot Daihatsu. Daarna duurde het nog even voor de eerste auto’s van het merk werden gemaakt. Eerst Midgets, driewielers voor stadsbestel en op enig moment de Fellow, een klein karretje met een tweecilinder tweetakt onder de achterbank.

Begin jaren zeventig nam men de stap om ook te gaan expanderen richting Europa. Met aardige en vooral goede kleine auto’s die een wat exclusiever karakter hadden dan die van Toyota of Nissan.  Zo had men een bescheiden tweepitter in het gamma waar je net met een klein gezin inpaste mits je geen boodschappen mee wilde nemen of een te grote hond. Cuore heette het karretje en het had in ons land een beperkte schare kopers. Iets groter was de Charade die een driecilinder in huis had, indertijd best heel bijzonder, en niet alleen relatief ruim was, maar ook qua styling modern genoeg was om klanten te trekken.

Daarnaast voerde men een kloon van de Toyota Corolla, aangeduid als Charmant en men leverde een potent terreinwagentje in de vorm van de 4WD Taft. Halverwege de jaren tachtig werd het gamma totaal veranderd. De Cuore kreeg een andere body, driecilinder motor van 850cc, veel meer ruimte en prima rijeigenschappen. De Charade groeide ook en kreeg o.a. een opgevoerde 1,0 ltr grote driecilinder die in de meest bijzondere uitvoering 101 pk leverde en was voorzien van een turbo en intercooler. Mateloos goed verkocht in die jaren.

Ook kwam de Charmant in een nieuwe body uit, en werd de Taft opgevolgd door de Rocky, een stoere terreinwagen. Daarnaast leverde men ook nog eens een reeks kleine bestelwagens (Hijet) en Pickups. Het gamma werd steeds breder, net als de klantenkring.

Eind jaren tachtig verdween de Charmant uit het gamma en werd vervangen door de technisch erg geslaagde Applause, die i.p.v. een sedan kofferdeksel  een grote en handige achterklep vertoonde. Naast de Rocky kwam de Feroza de gelederen versterken en werd o.a. een sedanversie van de Charade uitgebracht. In latere jaren zagen we het gamma constant evolueren, Daihatsu werd een volwassen merk, maar de prijzen stegen navenant mee en de omzet daalde in omgekeerde richting. Kwaliteit moet ook betaalbaar zijn. En zo kon het gebeuren dat in de jaren na de financiële crisis Daihatsu een jaaro of tien geleden besloot uit de exportmarkten terug te treden. De aandelen kwamen in handen van Toyota en het merk werkt vooral in de sector kleine auto’s in Japan voor haar moedermaatschappij. Men liet de Europese markten voor wat ze waren. Verkoopt nog wel in sommige Aziatische landen waar men een goede naam en faam heeft en zelfs lichte trucks en bussen levert. Bij ons is het avontuur voorbij. Duurde om en nabij 40 jaar. Mooi merk, niks van te zeggen. En zij die er mee of in reden zullen dat direct onderschrijven. (Beelden: Yellowbird archief/internet)

Het ligt aan mij…

Als regelmatige kijker naar films of series (maar ook als boekenlezer) kan ik mij soms verwonderen (ik vermijd nu de termen ergeren of storen..) aan het gebrek aan realisme in veel van die zelfde verhalen. Laten we wel zijn, de Nederlandse school op het gebied van films(series)maken was heel lang dat je dat realisme wel liet of laat zien. Maar daarmee was Nederland een eiland in de wereld. Want overal elders maken ze verhalen waarbij bepaalde normaal menselijke zaken buiten beeld worden gehouden. Zo zie ik heel vaak dat mensen die ‘s-morgens wakker worden omdat ze worden gebeld door iemand anders die een belangrijke bijdrage aan het bekeken verhaal levert, uit bed springen, in de kleren schieten, een boterham of koffie naar binnen gooien en meteen in actie komen.

Ik weet niet hoe dat jullie vergaat, maar ik moet altijd tenminste even plassen, vind een wasbeurt ook wel even lekker, poets de tanden, trek schone kleding aan, scheer me even en ga dan pas naar buiten. Kan snel, maar zeker niet zoals het in die films vaak toe gaat. Omgekeerd vind ik het knap dat met name dames vol in de make-up op bed gaan liggen en niets afgeven op hun kussensloop. Zelfs lipstick en plakwimpers blijven op de bestemde plekken aanwezig. Ondenkbaar. Nadat men een ongekende vrijbeurt heeft meegemaakt (veelal knap dat men daarbij het ondergoedje aan weet te houden..) houdt men bij nagesprek de lakens om de weke delen heen vast alsof de ander niet mag zien waar hij/zij net zijn/haar zinnen zette. En blijkt dat veel (Amerikaanse) vrouwen tijdens de slaap een beha onder hun (nacht)hemdjes dragen.

Ik geef toe, details, maar voor mij verstorend. Als er al kinderen meedoen in verhalen zijn ze ofwel godsgruwelijk ‘wijs’ dan wel maken ze er een zodanig chaotische rommel van dat je zou denken dat een beetje tucht en orde op zijn plek zouden zijn. Ook aardig is, overigens iets heel anders, dat hoofdpersonen die iets doen bij de politie, altijd een lastig gebied of zelfs gevaarlijke omgeving in hun eentje bezoeken. Komt in het eggie niet voor, altijd met tenminste twee personen. En als het goed gaat slaan ze dan ook nog twee slagen in een klap. Knap hoor, maar toch. Ik weet wel dat vertrutting op de loer ligt natuurlijk en dat in de VS bloot zo goed als taboe is. Maar dat geldt kennelijk ook voor Engeland waar men ook erg bang is voor het naakte menselijk lichaam. En dan heb ik het nog niet over verkeerde auto’s, muziek of kleding voor een bepaalde periode.

Foute vliegtuigen of helikopters in oorlogsverhalen. Allemaal simpele dingen als je iets van vooronderzoek doet. Ik moet altijd wat lachen als ik in Amerikaanse series zie hoe sommige mensen het door de Duitsers bezette Europa tijdens WO2 in en uit reizen alsof ze via een reisbureau een georganiseerde trip boekten. Kon niet, kan niet en oogt meteen lachwekkend. En dan zijn er de blunders. Verhalen die zich afspelen in de Middeleeuwen of soortgelijk, waarin plotsklaps het horloge van een van de hoofdrolspelers zichtbaar wordt…Of stukjes film die niet goed zijn gemonteerd waardoor een bepaald karakter dat eerder al werd gedood ineens weer rondloopt. Ik geef toe, het ligt aan mij….ik kijk te kritisch. Al die jaren al. Soms wordt ik verrast. Klopt er veel, zo niet alles. En dan ben ik meteen positiever over zo’n verhaal of reeks. Maar dat van die mensen die zo maar uit bed stappen en hup aan de slag zijn…dat blijft een dingetje. Of verwijt ik mijzelf nu dat ik dat niet kan noch kon??? Wellicht ben ik menselijker dan menig hoofdpersoon dan. En doe ik daarom al die bij een kwetsbaar mens passende handelingen.. (beelden: Yellowbird archief)