Ridder Brandewijn – 6 – de bosheks

Ridder Brandewijn – 6 – de bosheks

Steeds langzamer ging de groep met de ridder in het midden huiswaarts.

Niet alleen omdat een aantal van de eigen soldaten van Ridder Brandewijn gewond was geraakt, maar hij zelf ook en dat begon hem nu op te spelen. Ook onder de paar gevangenen waren een paar mannen er slecht aan toe en vielen soms zomaar neer. Dat vertraagde de thuisreis. Maar dat deed ook het slechte weer dat na de slag aan de rivier over hen heen was gekomen als een gordijn. De regen maakte de paden modderig en zwaar al spoelde het ook de bloedresten van de lijven en het vuil van de kleren die ze droegen. Toen ze weer in het woud terecht waren gekomen en de heuvels beklommen die richting Rosendael leidden werd het donker. Hoewel de bomen de regen wat tegenhielden was het wel duidelijk dat ze kamp moesten maken. Zo konden ze niet door en Ridder Rogier voelde zich niet goed genoeg om ook in de nacht door te trekken, al liet hij dat niet merken. Midden in het woud zagen ze ineens een lichtje. Zou daar iemand wonen? De Ridder stuurde zijn paard die kant op en hoopte dat het een boerderij zou zijn waar hij met zijn mannen onderdak kon krijgen en even op temperatuur komen. Het bleek echter een relatief klein hutje te zijn.

Niet veel meer dan dat. En om dat hutje heen zag hij allerlei voorwerpen in de struiken hangen die hem meteen deden vermoeden dat hier een heks moest wonen. Vanuit zijn geloof had hij daar een afkeer van, maar die heksen uit het woud konden met kruiden nog wel eens iets doen om wonden te verzachten. Dus stuurde hij een van zijn mannen naar de hut om de daar wonende bosfeeks te vragen om hulp. De vrouw die naar buiten kwam was niet oud, zag er niet vies uit, maar liep meteen op hem af en bekeek hem en zijn paard van boven tot beneden. ‘Heer, alles wat ik u kan bieden is ter uwer beschikking’ zei ze met zachte stem terwijl ze het paard langs de hals streelde. Ridder Rogier stapte af, wankelde en zou gevallen zijn als zij hem niet had tegen gehouden. Ook twee van zijn mannen hielpen hem en droegen hem bijna naar de hut van de vrouw die hen voor ging met een olielampje in haar handen dat ondanks de regen toch bleef branden. Ze legden Ridder Rogier in de hut op een bed van oude lappen en takken en ontdeden hem van zijn harnas. Toen pas merkten ze de vele wonden die hij in de strijd had opgelopen. Veel bloed was hij verloren. De vrouw stuurde de mannen weg. Vertelde waar ze bessen en ander voedsel zouden kunnen vinden en dat ze buiten hun kampement konden opzetten. Zij zou de wonden van de ridder wel verzorgen. Toen de mannen van Brandewijn waren verdwenen ontdeed ze Ridder Rogier van zijn zijn verdere kleding en pakte wat potten met kruidenzalf en andere smeersels en begon hem daarmee in te smeren. Zelf maakte hij dat nauwelijks meer mee. De vermoeidheid speelde hem parten, maar het bloedverlies had hem ook verzwakt. Op zijn paard was het nog wel uit te houden geweest, maar nu hij eenmaal lag….. De vrouw bleef een tijd met hem bezig, pakte toen een aantal bladeren en legde die op zijn verwondingen en pakte hem daarna in een soort van oude deken, gaf hem iets te drinken uit een kleine nap en legde haar hand op zijn voorhoofd. Maar dat maakte Ridder Rogier niet meer bewust mee….Hij sliep….koortsig als hij was en doodmoe van…..ja van wat ook al weer??

1948..

In de wereld zijn diverse plekken te vinden die voor de mens eigenlijk niet geschikt zijn om zich te vestigen. Bij of op vulkanen bijvoorbeeld, of in een streek die zo dicht aan zee ligt dat de eerste de beste storm hele dorpen of steden van de kaart kan vegen. In het recente verleden zagen we dat laatste in New Orleans, New York, maar ook in Aziatische streken waar tsunami’s dood en verderf zaaiden. Ook bij uitbarstingen van vulkanen zie je grote consternatie bij de bevolking, er vallen vaak doden en gewonden, maar toch keert men weer terug naar de gronden waar men nu eenmaal was gaan wonen. Veelal met allerlei argumenten. Van vruchtbaarheid van de grond tot het aantrekkelijke economische klimaat. Hetzelfde geldt voor Nederland. Waar met name het westen door haar ligging aan zee en riviermonden vruchtbare bodem biedt voor hen die geld willen verdienen aan handel en andere zaken. En waar men werkt wil men ook wonen. Weinigen nemen de gok door in het oosten van het land te gaan wonen voor de rust en elke dag op en neer te reizen naar die werkplek in het westen. Een werkplek die vooral zijn ont/bestaan dankt aan de omgeving waarin ook Schiphol, onze nationale luchthaven, een magneetfunctie heeft.

In mijn verhaal over mijn eigen carriere beschrijf ik tweewekelijks de ontwikkelingen van dat vliegveld en wat er allemaal omheen hangt. De groei van de luchthaven ging door de jaren heen snel. En dat had weer een enorme invloed op de omgeving. Er vestigden zich allerlei bedrijven en instellingen die juist om dat vliegveld in de buurt wilden zitten. Amsterdam groeide uit haar voegen daardoor, maar dat gold ook voor buurgemeenten als Haarlemmermeer, Aalsmeer, Zaanstad en zelfs Almere. Zonder Schiphol was die groei matig geweest. Internationale handel maakt dit ook mogelijk. Maar er was nog een dingetje dat we nu graag vergeten als we behoren tot de groep van namaakomwonenden en beroepsklagers rond het lawaai van die vliegtuigen. Het Plan Schiphol, waarop het huidige vliegveld in al zijn omvang baseert, stamt al uit 1946. Werd in 1948 met meerderheid van stemmen (ook uit de omringende gemeenten) aangenomen als plan voor de ontwikkeling van het vliegveld in de jaren daarna. In dat plan stonden 6 start- en landingsbanen! Voor de luchtvaart die toen nog wat in de kinderschoenen stond was dat best ambitieus. Maar men keek in dat plan meer dan 25 jaar vooruit. Hadden de provincialen die de omliggende gemeenten bestuurden dat ook gedaan, hadden we nu minder klagers gekend. Want die gemeenten naast Schiphol┬á begonnen driftig te bouwen. Verstening is nu eenmaal macht, het genereert ook belastinggeld en je kunt je breder maken in provinciaal overleg. Maling aan het toch duidelijke plan voor de nationale luchthaven, men bouwde vrolijk in de aan/uitvliegroutes van de vliegtuigen die men intussen wel hoorde, maar waarvan men het idee had dat het vanzelf zou gaan wennen. Nou nee dus. De toenmalige straalvliegtuigen ontwikkelden geluidsniveau’s van 120-130dB. Best veel. Protesten het gevolg.

Men ging er wel wonen, maar lawaai? Nee dat wilde men niet. En dat gaat nu al 40 jaar zo. En de verantwoordelijke gemeenten blijven maar bouwen. Voor mensen die meteen gaan klagen. Want zij willen wel wonen in een grote stad, hebben toch het liefst dorpse geluiden om zich heen. De bestuurders van die uitdijende gemeenten zijn daaraan schuldig want hadden maling aan de plannen. Intussen heeft de Minister van Binnenlandse Zaken besloten dat nieuwbouw in de zones die het meest getroffen worden door geluid van vliegtuigen en overig verkeer dan wel industrie, terughoudend moet worden benaderd. Ach en wee wordt er nu geklaagd door de gemeentelijke bestuurders. Daarmee worden hun plannen net zo doorkruist als het wegennet doet dat mede zorgt voor die meetcijfers die ten grondslag liggen aan de restrictie. Het is op zich een wijs besluit. Op basis van iets dat al 72 jaar bekend moest zijn en waaraan zoveel voorgangers compleet maling hadden gehad. Spreiding van bevolking over het land het meest logisch alternatief. Met name voor die groep beroepsklagers (90% van alle klachten komt van 2-5% van de omwonenden) een prima alternatief. Ga weg uit het westen, verhuis naar het oosten of noorden van het land. Maar let wel op de plannen daar. Soms zijn die ook al heel erg oud. En doe er verder het zwijgen toe. Want zij die niet klagen maar gewoon accepteren dat het westen druk is, worden er erg moe van. (Beelden: Yellowbird archief)