Lamborghini

Lamborghini

Naast Ferrari en Maserati kent Italie nog een groot sportwagenmerk en dat is Lamborghini.

Opgericht door de steenrijke industrieel Ferruccio Lamborghini was dit ooit ook een tractorenfabrikant die op enig moment startte met de productie van schitterende wagens met vermogens die het een beetje Ferrari-fan lastig moesten maken. In 1963 verscheen zijn eerste ontwerp, de 350GT. Fraaier van bouwstijl en techniek dan een Ferrari, een top die al op 250km/u lag en een V12 motor die 3,5 liter groot was en 270pk’s leverde. Daarmee kon je voor de dag komen. De carrosserie van de auto was van aluminium, toch wel een revolutionair materiaal in autoland indertijd. Om al dat vermogen goed op de weg te zetten was de auto voorzien van vier bovenliggende nokkenassen, zes dubbele carburateurs, onafhankelijke vering en schrijfremmen op alle wielen. Dat was in 1963 nog heel bijzonder en de naam van de fabrikant was meteen gevestigd.

Die eerste Lambo leverde 143 orders op. Soortgelijke aantallen scoorde Lamborghini met de volgende modellen. De 400GT en Islero. Maar van de schitterende en grotere Espada gingen er voor het eerst meer dan 1000 de showrooms uit. De eerste vierpersoons Lamborghini was hiermee een feit en de auto was meteen ook niet alleen peperduur, ook de meest comfortabele en ook duurste auto door het merk verkocht. Gebouwd tussen 1968 en 1978 was hij met zijn V12 van 4 liter en vermogens die opliepen naar bijna 400pk echt een rijkeluisauto.

Een van de fraaiste ontwerpen uit de Lamborghini-stal was wel de uit 1967 stammende P400 Miura. Goed voor snelheden tot 300km/u was het ontwerp zo fraai (getekend door Bertone) en de techniek zo potent dat dit een van de meeste geliefde sportwagens uit dat tijdperk werd, maar door de beperkte productie door de decennia heen ook peperduur bleef. Wie er nu een wil hebben in goede staat betaalt zoiets als de prijs voor een aardig huis in het westen van ons land. Van een totaal andere orde (en wellicht planeet) was de Countach uit 1973. Een beest van een auto, dat zag je er meteen aan af en laag van bouw met bijna agressief ogende wielen. Meteen goed voor 300km/u en in diverse vormen jarenlang gebouwd.

Toch verging het Lamborghini niet best. Het bedrijf maakte verlies en werd op enig moment overgedaan aan een andere rijke familie en zo zou de geschiedenis door blijven gaan. De bouw van de supersportwagens bleef intussen wel doorgaan. Diablo, Veneno, Murcielago, Huracan en zo meer maakten dat het imago van het merk nog vele jaren lang sterk zou blijven. En toen het Italiaanse supercarmerk eind jaren negentig werd ingelijfd door Audi en zo belandde in de kringen van de VW-Groep werd ook de kwaliteit van de techniek een stuk beter. Want hoe snel die Lamborghini’s voorheen ook reden, ze gingen ook nog wel eens voortijdig stuk en dat gaf dan weer een hoop kosten en ellende. Onder Duitse leiding werd dat heel anders. Nog steeds spannend van uiterlijk, maar ook inspirerend voor zowel de Italianen als de Duitsers. Uitwisseling van technieken nu normaal en het merk in rustiger vaarwater. Niet voor iedereen bedoeld, de meeste Lamborghini’s gaan toch naar de VS, China of het Midden-Oosten, een enkele komt ook onze kant op. Niet zo gek als je weet wat die wagens kosten. Maar wie er een heeft rijdt altijd met een grote glimlach op de bol. Want je weet zeker dat je de meeste ‘vlotte jongens’ achter je zult laten. En dat is sommigen veel geld waard. (Beelden: Archief)

Gillend gek imago – Ferrari!

Als je een deel van je werkend leven besteedde aan het versterken van een imago voor de automerken waarmee jij te maken had, wordt je toch wel iets jaloers bij dat wat kleeft aan het Italiaanse merk Ferrari. Bijna sekte-achtig is het gevolg van merkgekken in hun gedrag als het om Ferrari gaat. Ik mocht dat zelf een aantal jaren geleden ervaren bij een bezoek aan Maranello, een van de merkstekken. Ongekend om daar mensen te zien die elke auto welke de fabriekspoort verlaat om te worden getest op de foto zetten. Ik zag in dat Italiaanse stadje shops, een fraai museum, en waar je koffie dronk was ook alles ingesteld op het merk met het steigerende paard. Nu is Ferrari natuurlijk niet zo maar een merk en het verkocht nooit saaie auto’s. Niks voor het gezin, niet voor de gemiddelde leaserijder. Ferrari’s zijn peperdure raspaardjes. Het merk dankt haar naam aan de nu nog steeds als ‘heilig’ gevierde Enzo Ferrari die zijn fabriek in de jaren veertig van de vorige eeuw op de benen┬á zette.

Hij maakte auto’s voor de rijken en sportieven van de wereld en bouwde al snel een geweldige naam en faam in dat segment. Met schitterende wagens, uitgerust met een V12 motor van soms maar net 2 liter inhoud. Snelheden van 200km/u toen al haalbaar. Toch waren de productie-aantallen veel kleiner dan we nu wel eens vermoeden. Maakt de nog rijdende en overgebleven exemplaren tot waanzinnig dure verzamelaarsstukken. Een deel van die wagens nu gekoesterd in musea over de hele wereld. Opmerkelijk dat Ferrari ook zo’n geweldige klank heeft in die wereld. Prestaties op het circuit hielpen daarbij. Zeker in de Formule 1 was Ferrari een niet weg te denken deelnemer, tot op de dag van vandaag. Maar ook op de circuits van Le Mans waren Ferrari’s heel lang dominant en bouwde men voor homologatie soms racewagens terug naar straatversies (Stradale).

Kijk eens naar de geschiedenis en de wagens uit die perioden en je wordt vanzelf iets als een liefhebber en daardoor blij. De inhoud van de V12’s groeide gestaag, de snelheden ook. 260-300km werd al halverwege de jaren vijftig bereikbaar. Gewoon op de weg. Samenwerking met Pininfarina maakte dat de Ferrari’s ook steeds fraaier werden van uiterlijk. Rood de basiskleur, maar ook wit, geel of groen (Prins Bernhard) leverbaar. Was het dan altijd koek en ei met die wagens? Nee hoor. Die eerste Ferrari-blokken waren zeer onderhoudsgevoelig en door de toegepaste klepconstructie ook nog eens niet meteen vrij van pech.

Maakte de rijders niet uit. Als het reed dan was het fantastisch! Vaak bij Italiaanse auto’s het geval. Talloos waren en zijn de modellen, vaak werden er maar een paar van een bepaald type gebouwd. Liefhebbersauto’s pur sang. Waar men al grotere series bouwde werden de doelgroepen van kopers weliswaar groter, liefhebbers hebben er toch minder mee. Een totale omslag vond plaats met de uit 1984 stammende Testarossa.

Met een vijf liter grote V12 achterin, een sterk wigvormige carrosserie opklapdeuren en een geluid dat alleen in superlatieven uit te drukken viel. De auto werd 7 jaar lang gebouwd en er kwamen er dik 7000 van de band. Zelfs een enkele ondernemer nam er een in de lease. Maar dat duurde vaak niet zo lang. Want wie met een Ferrari bij klanten komt voorrijden heeft toch iets niet goed begrepen. Of te veel zwart geld. In 1988 bestond Ferrari 40 jaar en bracht men een supercar uit in de vorm van de F40. 478pk in een meer dan opvallende carrosserie, een top van 325km/uuur en een inrichting die meer bij een circuitracer dan bij een wegauto paste. Meer dan indrukwekkend en goed verkocht, want er gingen er dik 1300 van weg. Wie er nu een zoekt moet in tonnen denken….best veel geld. Ferrari, tegenwoordig bouwt men aan de lopende band, alles met computergestuurde robots in elkaar gestoken. Fiat is haar moeder geworden, V8-motoren met de modernste milieuvriendelijk technieken beschikbaar en zelfs hybrides of vol-elektrische motoren in het vooruitzicht. Dominant tijdens de Formule 1, met een stel topcoureurs om de naam van het merk hoog te houden. En dan nog steeds die schare volgers. Een supermerk met prachtige wagens. Ferrari…..alleen die naam al…..(Beelden: Archief Yellowbird)

Gek op Duitse waar….

Als het gaat om de smaak van automobilisten in ons land, laten we wel zijn, die wordt maar voor een deel bepaald door de particulier, zeker ook door leaserijders, blijkt dat men gek is op Made in Germany. Niet onterecht natuurlijk. Want de meeste merken die daaronder vallen zitten op veel terreinen op de eerste rij qua kwaliteit, comfort, luxe en veiligheid. We zijn er gek op, en dit al jaren. Van alle verkochte nieuwe auto’s in ons land was vorig jaar 37% Duits. Mercedes, Audi, BMW, Volkswagen, Opel, we zijn er gek op. En dat was eigenlijk al vrij snel na de oorlog zo. Want die Duitsers snappen veel van wat de gemiddelde automobilist zoal zoekt in zijn vervoermiddel. Maar vooral de betrouwbaarheid die spreekwoordelijk is voor een Duitse auto, sprak aan. Plus de relatief hoge inruilprijzen nog steeds.

Ooit was Opel decennia lang het best verkochte merk van ons land. Logisch, want men had een breed aanbod modellen, voor de particuliere koper altijd wat prijsvoordeel, en voor meneer de directeur auto’s die op Amerikaanse leest waren geschoeid. Ruilde je dan na twee jaar in, kreeg je zowat de nieuwprijs terug omdat er een ongekende vraag naar tweedehands wagens van het merk bestond. Zelfde zag je bij Volkswagen. En eigenlijk is er niet zoveel veranderd, al zijn de inruilprijzen dan iets veranderd door de aangepast bij de huidige automarkt.

Op grote afstand van die Duitsers bewegen zich de Fransen. Veelal toch voor mensen geschikt die kunnen leven met iets fraais waar af en toe toch een vlekje aan kleeft. Peugeot, Citroen, Renault de grote vertegenwoordigers. Wie graag naar Frankrijk op vakantie gaat is er veelal voor in, telt gevoel en aanbod bij elkaar op en ziet in alles dat typische Franse karakter. En dat gaat ook al jaren zo. Al loopt het aandeel Franse wagens elk jaar terug in de verkoopstatistieken. Vaak niet in de pechstatistieken, en wellicht dat dit e.e.a. verklaart.

Op plek drie, Japan. Vrijwel constant rond de 15% marktaandeel voor alle merken. En die merken hebben tegenwoordig veelal een wat grillige modelpolitiek en een breed gamma. Japanse auto’s zijn ook niet meer per definitie goedkoop. Je valt nu voor uiterlijk, uitrusting, techniek of baseert je keuze op ervaringen in de praktijk.

Een soortgelijke situatie zien we bij de Koreanen. In principe kent men uit die hoek twee grote merken, Hyundai en haar dochter KIA, een enkeling zal ook Ssangyong nog kunnen noemen. Koreaanse merken doen na wat de Japanners 50 jaar eerder deden. Op prijs en uitrusting trachten te scoren, maar sinds de invoering van EuroNCAP-botsproeven en de wens om op fatsoenlijke stoelen te kunnen zitten in zulke auto’s, zijn de prijzen bepaald niet meer laag te noemen. Fatsoenlijke auto’s zijn het veelal wel en de kwaliteit begint aardig op te lopen. Maar veel merkgevoel stralen die merken nog steeds niet uit. Je koopt er vaak een die je leuk vindt of aantrekkelijk lijkt qua uitrusting, dan wel om de nieuwe milieuvriendelijke aandrijftechniek. Enorm gegroeid is het aandeel Amerikanen in ons land. Vorig jaar steeg dat van 2,2% naar 7,2. En waar kwam dat door? Tesla! Fiscale voordelen op hun Model 3 zorgen voor flinke aantallen registraties. Of dat zo blijft? Ik betwijfel het.

Want deze wagens worden vooral fiscaal gestimuleerd, zijn puur bedoeld voor zakelijk verkeer en kosten ook het nodige. Van de andere Amerikaanse merken horen we weinig meer. Met een marktaandeel van 4,2% doen de Tsjechen het daarentegen uitstekend. Slechts een enkel merk uit dat Midden-Europese land houdt de ballen hoog; Skoda! Met Duitse techniek en Tsjechisch vernuft weet men telkens weer te verrassen. Van een puur-elektrische stadsauto tot een grote SUV, alles is nu te koop bij Skoda. Knappe prestatie. Uit Zweden komt tegenwoordig ook nog maar een enkel merk, Volvo. Al zetelt de moeder van dat bedrijf anno 2020 wel in China. Het is en blijft vooral een zakelijk merk en daar scoort men nog steeds goed. Tussen al die overige landen wil ik nog even naar de Italiaanse merken. Ooit giga-groot in ons land, met dank aan Fiat, nu verworden tot een autodwerg met maar 1,1% marktaandeel.

Waaronder dan ook nog Alfa-Romeo moet worden geteld. Niks meer van over. De ware liefhebber zal er voor blijven gaan en al het andere maar saai noemen, maar het zegt toch wel iets over de veranderend markt. Lancia totaal verdwenen, Ferrari alleen voor de echt rijken, net als Lamborghini of Maserati. Liefhebbersauto’s. En dat is best kniezen. Zeker als je ziet dat een vroeger submerk van Fiat, SEAT nu in haar eentje bij ons twee keer zoveel auto’s verkoopt als het vroegere moederbedrijf. Het kan dus verkeren. Zeker in de marges….(Beelden: Yellowbird archief)