Dakota…

Dakota…

Ik durf wel te stellen dat zonder dit vliegtuig de eerder al beschreven burgerluchtvaart nooit zo snel de ontwikkeling had doorgemaakt als we die in de afgelopen 60 jaar hebben gezien. Een vliegtuig dat door Albert Plesman, de oude voorman van de KLM, nog wel eens werd aangeduid als ‘die blikken Douglas’, was een machine die in zijn ontwikkeling vooral dank schuldig was aan de wat onstuimige ontwerper Donald Douglas. Die ging in op een paar specificaties van Amerikaanse luchtvaartbedrijven van voor de oorlog die een modern vliegtuig wilden zien dat op twee motoren van de ene kant van de VS naar de andere kon vliegen en daarbij sneller was dan de treinen van toen en ook meer comfort bood dan al die toestellen van hout en linnen die normaal het werk deden.

Ford had in die jaren al eens bewezen dat aluminium bruikbaar was als bouwmateriaal. Daarbij keek zijn bedrijf naar het Duitse Junkers voor dat materiaalgebruik en naar Fokker voor de manier waarop de zgn. Trimotor was opgebouwd. Maar die opbouw was in de ogen van Douglas ouderwets. Dus kwam hij met de toen revolutionaire DC-1. Glad, laagdekker, glimmend, intrekbaar landingsgestel en dus ook volledig van metaal. Een productieversie werd de DC-2, die wat groter was en meer aangepast naar de wensen van de kopers. De DC-2 kon in geval van nood ook op 1 enkele motor doorvliegen, een vereiste. KLM koos ook meteen voor die kisten en deed er goede zaken mee toen de PH-AJU ‘Uiver’ prijswinnend mee deed aan de befaamde Londen-Melbourne-race.

De naam en faam van KLM maar zeker ook Douglas waren gevestigd. Maar de Amerikanen wilden grotere toestellen, machines die verder konden vliegen en met nog meer comfort. De DC-3 zag het levenslicht. Groter, breder, krachtiger en duidelijk volwassener. Een toestel waarmee KLM zelfs naar Indie kon vliegen. De orders stroomden binnen. Ook uit Japan, waar men de licentierechten kreeg voor de DC-2 en de DC-3. Met motoren van twee keer 1000pk was die DC-3 een prima passagiersvliegtuig. Maar de oorlog dreigde en toen die eenmaal een feit was kwam Douglas met een herontwerp van wat al goed was en bood die als C-47 Skytrain aan. Een vrachtversie van de DC-3, met grote vrachtdeuren achter in de romp, een versterkte vloer, nog wat meer vermogen en voor militair gebruik aangepaste uitrusting.

Als parakist ideaal. Toen ook de Amerikanen aan de oorlog deel gingen nemen werden er duizenden van besteld. Een deel ging naar de Britten en die doopten de C47 om tot ‘Dakota’, een naam die het toestel haar leven lang zou blijven dragen. In zowat elke grote slag van WO2 deden de Dakota’s hun werk. Het toestel kon wat hebben, was simpel in onderhoud en bleek te vliegen door zelfs minder ervaren piloten. Na de oorlog, de machine was intussen ook in de Sovjet-Unie in licentie gebouwd als Lisunov Li2 en PS84, kwamen duizenden van deze machines beschikbaar voor gebruik in de civiele markt.

Diverse luchtvaartbedrijven in oost en west gingen er voor een prikkie mee vliegen. En de Dakota deed zijn werk tot in onze huidige tijden. KLM kreeg er tientallen, Martinair dankte haar start als onderneming aan deze kisten, maar overal elders in de wereld zag je Dakota’s de luchtvaart helpen heropstarten. En decennia lang bleven er honderden Dakota’s het inkomen verzorgen voor de ondernemingen die er mee vlogen. Later kregen die toestellen vaak een derde of vierde leven door er andere motoren in te hangen, of ze als museumkist tot nieuw te restaureren en dan weer in de lucht te brengen.

De meeste Dakota’s inmiddels dik 80-90 jaar oud. Een vliegend museumstuk, maar nog altijd veel mensen aansprekend met dat nostalgische geluid, die typerende staartstand als hij geparkeerd staat en het idee dat dit de machine was die ons vanuit de vroegere generaties aan het vliegen kreeg. De beperkte beschikbaarheid van benodigde hoog-octaan-benzine maakt het lastiger om de aloude Dak’s in de lucht te houden. Maar men schraapt vaak die benzine bij elkaar om het vliegende geheugen wakker te houden of te schudden. Een monument, klassieker, maar bovenal een bewijs dat wat oud is niet meteen behoeft te worden afgeschreven. De Dutch Dakota Association heeft haar vliegende exemplaar van dit type met veel liefde ondergebracht op Schiphol en maakt er af en toe vluchtjes mee. Het geluid van dat startende relikwie klinkt mij als muziek in de oren. Ook al was die DC-3 in het verleden in staat om mij als enige vliegtuig ooit tot een gevoel van luchtziekte te dwingen. Dubbele lading dus. Maar ik vergeef haar alles…..Als ze maar blijft vliegen! (Beelden: Eigen archief)

Chinese logica..

Chinese logica..

Een periode terug, voor de Corona-ellende, maakten wij samen met onze Soester vriendjes na een lange stadswandeling met museumbezoek gebruik van de diensten van een Chinees restaurant aan de Amsterdamse Zeedijk. Ik was toen, ook hier, nogal lyrisch over de keuken, de bediening en iets minder over de staat van het toilet. Best een aardig cijfer nog gegeven. Onlangs waren wij daar opnieuw. Twee maal zelfs. Eerst samen met vrouwlief, een week of wat later opnieuw met de Soester vrienden. Dat heerlijke typisch Chinese eten, onvergelijkbaar met die bekende Chinees om de hoek zoals je ze overal in Nederland tegenkomt, en de atmosfeer deden verlangen naar een herhaling van wat we toen meemaakten. Nou, die eerste keer met vrouwlief alleen, bleek het zelfs nog beter te kunnen dan voorheen.

De boel lijkt overgenomen, de toiletten keurig netjes en vernieuwd, de bediening nog steeds aardig, maar de taal ook nu een dingetje. Want toen we bij een bepaald gerecht ‘noodles’ bestelden om zo de maaltijd wat op te fleuren (..), kregen we een extra gerecht vol vlees en zo meer. Zalig hoor, daar niet van, maar wel wat veel allemaal. We sloegen ons er kranig doorheen. Het was de lieve jongedame die ons alles serveerde niet uit te leggen dat we net als een schaaltje witte rijst zonder inhoud verder, ook noodles wilden. Het was een gerecht of niets, zo bleek de logica, dus laat maar. Na een wel erg copieuze maaltijd zijn we daarna maar een lange wandeling gaan maken door de mooie binnenstad om het wat te laten zakken. Met onze Soester vrienden ging het kort daarna eigenlijk ook een beetje zo. De bestelling werd duidelijk doorgegeven aan een voor ons nieuwe, Nederlands sprekende en duidelijk hier geboren jonge man. Voorgerecht, hoofdgerecht, water, rijst etc. Onze vriend H wilde een apart gerecht met veel pepers, hij kon er tegen stelde hij, en dus vertrok de man die ons verzorgde richting keuken. Al snel nadat we in een als altijd humorvol gesprek zaten kwamen de gerechten. ‘Huh?’ Waar is het voorgerecht?? ‘O ja, vergeten…’. Dus dat kwam ook op tafel tussen al die andere zaken die er zo heerlijk uitzagen. En smaakten.

De kwaliteit is hier echt consequent prima voor de bakker. Maar dat speciale gerecht voor H bleek wel even een dingetje. Al snel zagen we hem zuur kijken. En dat zat niet in de scherpte van het gerecht. Hij zat op iets te kauwen wat hij niet weg kreeg. Even later weer. Het bleek dat de pepers die in het gerecht zaten verwerkt zo hard waren als karton. Niet weg te krijgen. Eigenlijk ook niet eetbaar. De rest van het maal was prima te doen, maar H had al snel een stapel op zijn bord liggen dat te vergelijken viel met wat een mosseleter aan schelpen opzij legt. Beetje jammer, en zonde van de centen. H was geprikkeld, en dat kwam niet door de gepeperde smaak. We vroegen de jongeman uit de bediening hoe dit gerecht in elkaar stak, want een dergelijke situatie hadden we nog nooit meegemaakt. Hij ging het navragen in de keuken. Bij terugkomst daar vandaan meldde hij keurig netjes dat het zo bedoeld was. Je moest die pepers uitkauwen en dan opzij leggen. ‘Tja, maar waarom leggen jullie dat dan niet even uit bij de bestelling??’ was de terechte vraag. De man had er geen antwoord op en putte uit in excuses. Maar de sfeer was wel wat bedorven. Net als dat gerecht. Je wilt een volledig gerecht en ook meer uitleg. Dat ging die eerste keer dat we hen bezochten toch beter. Zo zie je maar, elke verandering is niet meteen een verbetering. In dit geval zeker niet. Volgende keer nemen we wel een een Chinees woordenboek mee, wellicht dat dit helpt de communicatie te verbeteren. Overigens barst het hier elke keer van de Aziatische eetgasten. Die zullen het wel begrijpen….wij niet. (Beelden: Prive)

Tevreden…

Hij viel op rond en blond maar koos voor klein en donker. Hij viel op groot maar koos voor klein. Hij viel op luidruchtig maar koos voor stil. Hij viel op duur maar koos voor goedkoop. Hij viel op uitstraling maar koos voor ingetogen. Hij hield van zijn dorp maar woonde in de stad. Hij wilde een tuin maar had een balkon. Hij was gelovig maar ging nooit naar de kerk. Hij wilde op kantoor maar werkte met zijn handen. Kortom, hij deed in zijn leven zelden iets wat paste bij wat hij als smaak of voorkeur had ontwikkeld. Hij zuchtte, dronk zijn glas leeg en stapte naar buiten. Waar zijn rode Toyota Aygo op hem wachtte. Hij startte de motor en scheurde naar huis. Eigenlijk had hij een prima leven. En dat karretje deed alles wat hij er van verwachtte of wilde. In feite was hij gewoon verliefd op zijn eigen bescheiden leven. En hij glimlachte tevreden. Niks mis mee. Toch?

Tropen..

Tropen..

Een van de fraaiste musea in onze stad is niet een van de door toeristen zo geliefde adressen als het Rijks of Stedelijk, maar het in Amsterdam-Oost te vinden TropenMuseum. Het gebouw is niet zo lang geleden schitterend verbouwd en gerestaureerd. De sfeer en akoestiek zijn er geweldig. Komt ook door de belichting. Met wisselende exposities nam men afscheid van de soms wel erg donkere sferen en gevoelens rond Afrikaanse kunst. Men had op het moment van ons meest recente bezoek een expositie lopen op de bovenste (tweede) etage rond Winti, Sjamonisme en Hekserij. Over dat laatste schreef ik eerder (31-8jl) al een blog. In dit museum zie je dan deels hoe daarmee wordt of werd omgegaan.

Wat ik zelf ook leuk vond was de expositie over het geven van cadeau’s in diverse culturen. De uitleg is soms erg verrassend maar geeft je als bezoeker wel wat meer inzicht in hoe men bij verschillende volkeren bezig is met dat begrip. Een etage lager kom je vanzelf terecht in de wereld van de vroegere ‘Tropen’ toen Nederland nog een koloniale macht was en had en dat men toen bijna vanuit naiviteit omging met de ‘inheemsen’ zoals men deed.

Het superioriteitsgevoel van toen nauwelijks meer denkbaar in onze wereld anno 2021, maar paste prima in het tijdsbeeld van toen. Vrijwel alle grote Europese landen koloniseerden grote delen van de wereld. En elders deden landen als China niet veel anders. Wie de geschiedenis echt wil begrijpen moet toch eens langs gaan bij die TropenMuseum. Helpt meer dan vaak alleen maar politiek ingestoken propaganda rond het thema. Op de begane grond was op het moment dat wij het museum bezochten een stel losse exposities over o.a. Arabisch schrift en iets over Suriname. Een kunstenaar uit het Midden Oosten had een kunstwerk gemaakt met allerlei bootjes van blik en verbrande lucifers en noemde dat ‘De duisternis ontvluchten’. Je snapte vrij snel de insteek van het werk.

Een deel van de 1e etage was overigens ook ingericht met foto’s uit de World Press Photo tentoonstellingen, maar dan speciaal gericht op Afrikaans foto-journalistiek werk. Voor de liefhebber vast veel mooie beelden. Het museum is voor iedereen goed toegankelijk. Er is een lift, flink wat toiletvoorzieningen, kluisjes, een erg aardige koffieshop en er is een winkel met wat leuke spullen voor je eigen collectie thuis. De Museumjaarkaart is van toepassing, dus dat scheelt je het nodige entreegeld. Om het restaurant te kunnen bezoeken krijg je de toegangskaart mee en in coronatijd moest je ook een tijdspanne reserveren. Tijdens ons bezoek was het heerlijk rustig in het museum (buiten tropisch warm), terwijl het daar heerlijk koel vertoeven was. En wie klaar is met bekijken van al dat fraais kan om de hoek in het aardige Oosterpark nog even een stukje stadsnatuur opsnuiven. Want ook dat behoort bij de ambiance. Andere wijk dan het centrum maar zeker de moeite van het bezoeken waard dat Oost, al was het maar voor dat prachtige museum. (Beelden: eigen archief)

Vera…

Vera…

Ik ben o.a. van de Engelse detectives en vind die vooral leuk als ze een zekere Brits-provinciaalse traagheid kennen zonder dat die meteen leidt tot in slaap vallen bij gebrek aan actie.

Een van de favorieten is de reeks Vera. Hoofdrolspeelster is Brenda Blethyn (geboren als Brenda Anne Bottle) die een centrale functie bekleedt als chef van een erg aardig in elkaar stekend team medewerkers en die als leider van het team dan weer humorvol en charmant kan zijn, het volgende moment bot en soms zelfs echt onaardig. Maar ze komt wel altijd tot haar doel. Maakt die reeks meer dan het bekijken waard. Opvallend is dat de actrice die Vera neerzet is aangekleed als een wat boersig type met een hoedje op, een waxcoat aan, stevige kousen en platte schoenen. Ze loopt bijna kittig maar echt veel vrouwelijkheid is er niet aan te ontdekken. Dit terwijl ze in haar rol best wel af en toe een beetje aandacht vraag of verdient. Als dat niet de kwaliteiten zijn van de hoofdrolspeelster, dan niks. Die actrice is intussen 75 jaar oud, is in Engeland zelf een bekendheid, speelde in tientallen films en series en won daarmee ook de nodige prijzen voor haar acteerprestaties.

Ze debuteerde overigens best laat op het witte doek, pas op haar 44e, had ze wel al de nodige ervaring opgedaan in tv-series. Haar grote successen echter toch vooral in de jaren negentig en later. Haar prestaties vielen ook het Britse hof op, want in 2003 kreeg ze een eretitel, Officier in de Orde van het Britse Rijk. Toch niet voor iedere Marietje Johnson met een bijrol weggelegd. Nee, die Brenda Blethyn is een echte. Qua liefde was ze een vroegbloeier, want ze trouwde al in 1964, ze was toen 18 jaar oud, maar dat huwelijk duurde maar 9 jaar. Pas in 2010 trouwde ze opnieuw, en dat huwelijk houdt tot nu toe keurig stand. Wat me ook opviel bij de voorbereiding van dit verhaaltje, dit was op jeugdige leeftijd best een mooie dame.

Die glimlach behield ze, de ogen, maar het haar werd voor Vera totaal bijgesteld en het zou me niks verbazen als ze onder haar dikke jassen en vesten dikmaakmaterialen draagt om de popperige gestalte van Vera extra te benadrukken. Afgelopen maanden keken we weer naar haar. Het tiende seizoen was te zien, maar ook op een andere zender het 4e tot 7e. Genieten dus. En daarom verdient Vera even extra aandacht mijnerzijds. Wie haar niet kent moet echt even gaan kijken. Het speelt zich allemaal af in het Midden van Engeland, tegen de Schotse grens, en het terrein er omheen is wijds, leeg en bij een beetje wind extra guur. Dan snap je als kijker wel waarom ze gekleed is zoals ze is en zich gedraagt zoals ze doet….(Beelden: Internet)

Bedacht merk; Mercury!

Bedacht merk; Mercury!

Zoals Toyota ooit Lexus bedacht en er wel meer voorbeelden zijn in autoland van door grotere moeders bedachte automerken, deden de grote drie in de VS die al ver voor de Tweede Wereldoorlog. Men bedacht een merk en vulde daarmee dan weer stukjes van de markt met wagens die in feite gewoon uit de moederfabriek kwamen maar met een wat afwijkende vormgeving of uitvoering. Dat deed dus ook Ford met Mercury. Dat in 1938 opgezette merk moest het opnemen tegen Buick, Oldsmobile en Pontiac van GM of DeSoto en Dodge bij Chrysler. Men voegde de nodige zaken toe bij Mercury waardoor kopers van dat merk altijd net even beter in de luxe en prestaties zaten dan de oer-Fords uit eigen huize.

Zo kreeg je na de oorlog bij een Mercury al een V8 motor waar Ford nog werkte met 6-cilinders in lijn. Mercury bouwde al tijdens de oorlog haar wagens en wist er ook nog klanten voor de vinden. Een van die oorlogsmodellen bouwde men nog een paar jaar door na 1945 en dat deed men vooral omdat vernieuwing van de modellen door de economische gevolgen van de oorlog in die jaren er na financieel onhaalbaar was. De ronde rug van de Mercury tussen 1946-48 was 1 op 1 afkomstig van Ford. Een revolutionaire verandering was bij Mercury zichtbaar toen men in 1949 kwam met een schitterende lage auto (Step-down) die meteen onafhankelijke wielophanging voor kreeg en de V8-motor gelijk meer vermogen leverde.

Die wagen kwam er als sedan, coach en cabriolet. Geliefde wagens, en later vaak benut voor ombouw tot zeer sportieve Custom-cars. Deze Mercury bleef drie jaar in productie. Toen verscheen de Monterey die al wat oogde als de later zo bekende ‘Amerikaanse sleeen’. Een voorruit uit een stuk, panoramische achterruit en meteen 25 pk meer uit dat bekende V8-blok. De potentiele snelheden gingen gestaag omhoog. De Mercury-rijder werd voor vol aangezien. De wagens van volgende bouwjaren deden daartoe nog wat schepjes metaal en vermogen bij het al bestaande en het aantal modellen groeide ook. Een prachtige Coupe uit de jaren zestig was de Marquis die standaard een vinyl dak kende en een bruut vermogen bood van 330 pk’s. 190km/u was nu in zicht voor eigenaren en die genoten vooral van de er bij behorende luxe.

Een tegenhanger voor de van Ford afkomstige Mustang werd de wat uitbundiger vorm gegeven Cougar die sportieve lieden de 200km.u deed aanraken. Bij de Cougar altijd een V8, een Mustangrijder kon nog een 6-in-lijn kiezen. Gek genoeg besloten de Mercury-voormannen om de volgende Cougar’s ook als sedan en zelfs stationcar uit te brengen. Prachtige, ruime en luxe wagens met een berg vermogen, maar geen Mustang-achtige sportieve auto meer natuurlijk. Een mastodont was ook de Marquis uit bouwjaar 1975. Over de tweeduizend kilo zwaar en bijna 6 meter lang, en ook leverbaar als stationcar was dit echt een wagen voor de verwende koper. Er tegenover zette Mercury later de Bobcat neer, een compacte auto op basis van de Ford Pinto met nu ineens een zuinige 4 cilinder of 6-in-lijn. Alles bedoeld om klanten weg te trekken bij vooral de Europese concurrentie. Wie de geschiedenis kent van de Pinto weet dat de Bobcat niet bepaald populair geworden is. In drie jaar tijd werden er net 80.000 van gebouwd en verkocht. Intussen is Mercury verdwenen. Rationalisering bij de grote Amerikaanse merken deed hen besluiten afscheid te nemen van veel van die submerken en zich te concentreren op de basis-modellen uit eigen huize. Mercury’s worden nu vooral gewaardeerd als klassiekers of youngtimers. Een deel echt gekoesterd. Maar je moet je wel een stevige brandstofrekening kunnen veroorloven om er nu nog mee rond te rijden. Want ze stammen veelal uit de tijd dat benzine nog 35 oude centen de liter kostte. En dat is heel lang geleden…(Beelden: Archief)

Stel dat…

Stel dat…

Ik weet soms wel hoe het de gemiddelde lezer van mijn schrijfselen vergaan is tot nu toe, maar ik realiseerde me onlangs weer eens dat veel wat mijn leven of carriere bepaald afhing van het toeval. Al zullen gelovigen er meteen een hogere en sturende macht bij willen halen, naar mijn idee is alles ontstaan door al dan niet gestuurd toeval. Maar dan op menselijk niveau. Het leven is er door gelopen zoals het deed. Het mijne zeker. Zo bedenk ik me dan wel eens (ik mijmer wel eens vaker heel diepgaand..) dat ik op school indertijd eigenlijk geen benul had van wat ik later wilde worden, behalve dan dat ik iets in de luchtvaart wilde doen. Het waarom zat hem in het feit dat ons huis bij toeval vaak werd overvlogen door die oude kisten van/naar het Schiphol van toen.

Daarbij speelde ook een rol dat onze straat in de jeugdjaren een bepaald levendige was en ik er in de praktijk van alle dag ook mijn eerste kennis van het automobiele wereldje opdeed. Opgeteld moest het dus wel iets worden in die hoek, maar hoe daar te komen? Wist je veel als jong mens. Het lot bepaalde anders. Op die school uit de jeugd dus werd ik net als een stuk of wat klasgenoten gewoon geronseld voor een baan op een grote bankinstelling. Inclusief bijbehorende studies en interne opleidingen. Het hield in dat ik op mijn 14e aan de slag ging in de financiele wereld. En op die bank ontmoette ik niet alleen een van mijn nu nog oudste vrienden, maar ook mijn aanstaande echtgenote. Ware ik niet geronseld was dat allemaal niet gebeurd.

Zo ging het ook later. Na de bank kwam de luchtvaart, ik berichtte er al eerder over in mijn verhalen over die wonderlijke carriere. Daarna weer zo’n toevalligheid…. Ergens halverwege moest er een andere auto komen en mijn merktrouw deed me dus zoeken naar een alternatief voor de dealer die me die eerste nieuwe Skoda had verkocht maar nu ineens in Toyota’s deed. Op die zoektocht stonden we niet alleen voor een gesloten deur bij een van die uit een lijstje gehaalde andere verkopers, maar vonden we dat daar ook een echte vieze troep binnen. Door naar de volgende dus. En dat klikte. Het resultaat was dat met die vent de relatie zodanig werd dat ik voor ik er uiteindelijk zelf zou gaan werken de nodige auto’s verkocht aan vrienden en collega’s op Schiphol en ook het bedrijf waar ik toen nog zat voorzag van nieuwe bestelwagens.

Dat leidde weer tot de overstap naar de autowereld waar ik dan opnieuw door toeval iemand leerde kennen die me later naar importeur Pon zou halen. Alles toeval, was ik in het begin een andere kant op gegaan hadden al deze zaken niet plaatsgevonden. Van sommige moet ik nu toch even niet willen bedenken dat ik ze/hen niet had ontmoet of het leven verder mee gedeeld. Van anderen kan ik me voorstellen dat het leven een stuk simpeler was geweest als het toeval me net even anders had gestuurd. Je zou er een filmscenario van kunnen maken. Toeval bestaat wel, zeker! Na die jaren in dienst van anderen kreeg ik opnieuw door toeval opdrachten in de publicitaire en trainingswereld. Ook dat was weer erg aardig en dat deed ik tot ik besloot om na dik 55 jaar hard werken iets anders te gaan doen. Maar ik weet ook zeker dat de gemiddelde lezer(es) soortgelijke ervaringen kan vertellen. Over keuzes onderweg die leidden tot wat men nu meemaakt in het heden en wellicht in de toekomst. Een woonkeuze, werk, liefde, van alles. Kom maar door…. Delen is leuk!! En mijn voorbeelden maar heel beperkt, want er is nog veel meer…..(Beelden: Archief)

Oma…

Oma…

Zag ik onlangs iemand die ik al jaren niet had gezien. ‘Jeminee, die is best flink ouder geworden’ was mijn eerste reactie achteraf. Vrouwlief, nooit wars van enige kritiek op wat ik zoal oreer, gaf meteen aan dat ik maar eens in de spiegel moest gaan kijken. Sinds ik de 60 kruisjes passeerde is ook mijn uiterlijk vertoon toch meer grootvaderachtig dan puberaal geworden. Confronterend. Sinds dat moment kijk ik ineens heel anders naar oude beelden van prachtige meiden uit het verleden. Pronkend met hun boezems en billen, lange benen en spiegelgladde huidjes waren het in mijn ogen toen seksbommen. Daartoe ook uitgekozen vaak om op de foto te worden gezet. Maar ja, ook voor hen zal de tijd niet hebben stil gestaan, net als voor mij of voor de lezer die intussen ook 40/50 jaar opschoof in de tijd.

Dus die fraaie dame van toen, zal ze geweest zijn, 20/25?, is intussen ook 70/75, en dus allang moeder geworden en/of oma. ‘Jeminee, die is ook oud geworden zeg…’. Oud worden is een natuurlijk proces bij leven en welzijn uiteraard. En het ene leven is het andere niet, en je krijgt ook het nodig mee in de genen. Zat daar een perkamenten huid in de familie krijg je die hoogstwaarschijnlijk ook, net als de dikke buiken van opa en oma, ooms en tantes en zeker je ouders. Het wordt allemaal gratis en voor niks doorgegeven. Niet gratis is het werk dat sommigen doen om er jong uit te blijven zien. Strak laten trekken wat volgens de normen strak moet zijn, wanhopig de borsten of billen blijven oppompen en waar nodig de sportschool bezoeken om de stramme leden nog een beetje soepel te houden. Ik heb er zelf voorbeelden van gezien waarbij je meteen wist dat de plasticindustrie zich voorlopig geen zorgen hoefde te maken over de omzet in de toekomst.

Spuiten dat spul. De uitdrukking volledig uit het gezicht of de hals verdwenen en om het af te maken natuurlijk een boezem die niet eens meer trilt als je er tegen aan zou tikken. Strak en stijf, niet slap en hangend. Oud is voor de dommen. Of zij die de spiegel zelden benutten om er in te bekijken hoe oud men geworden is of welke rimpels nu weer waar zijn verschenen. Toch blijft het confronterend. De strakke lijven van toen nu te zien lubberen. De fraaiheid van uiterlijk en glimlach te zien uitblussen bij mensen die je toch vroeger hoog achtte en vooral ook bewonderde. Er zijn heel wat vroegere sterren die dat niet aankonden of kunnen en op zekere leeftijd gewoon in de anonimiteit duiken. Die het haar niet meer verven, de make-upkoffer bij de kringloop neerzetten en genieten van incognito. Blijft jammer. Beetje styling kan wonderen doen. Goede kleding en wat verzorging door een kapper of visagist(e) ook. Lekker ‘luggie’ er op en hup. Klaar voor de confrontatie. ‘Mooi oud geworden, charmant gebleven’ is dan veelal mijn mening. En natuurlijk ben ik zelf het goede voorbeeld. Nou ja, op mannelijk vlak dan…. Toegeven dat we oud zijn geworden is niet mijn ding. Dus kijk en wijs ik liever naar anderen. ‘Oud geworden zeg…’ en weet ik al wat vrouwlief daarop te zeggen heeft. Blijft confronterend….. (Beelden: Archief)

Biertje…

O, er was nooit iets mis geweest met hun relatie in het begin. Hij deed zijn best om het haar naar de zin te maken en zij omgekeerd voor hem ook uiteraard. Dat leidde al snel tot haar zwangerschap en bevalling. Daarna was ze niet meer echt actief geweest in hun relatie. Het ging niet, het kind vroeg te veel en te vaak haar aandacht en dat vermoeide haar en daarvoor was ze tenslotte ook moeder. Hij veranderde in de loop van de tijd. Werkte keihard, kwam daarna thuis en nam een biertje om te ontspannen. Maar na dat ene volgde vaak een tweede, derde en soms nog veel meer. Hij werd onberekenbaar, soms maakte hij ruzie om niks en op die bewuste dag in november kreeg ze van hem een pak slaag. Haar gezicht lag in elkaar en door het lawaai werd hun baby wakker en zette het op een krijsen. Daardoor hield ze haar pijn en snikken in en vluchtte naar de douche waar ze haar tranen droogde en met verband haar kapotte neus verzorgde. De blauwe plekken die later omhoog kwamen werkte ze met make-up weg. Het speet hem natuurlijk achteraf. En het bleef een tijdlang goed gaan tot hij op een dag weer aan het bier zat en het opnieuw leidde tot een stevige mishandeling van haar, zijn lieve vrouw die hij volgens eerdere beloften zo aanbad. Weer zat ze volledig in de kreukels. En dat ging na een tijdje iets van regelmaat krijgen. Hij sloeg haar om het minste geringste en begon haar ook met opmerkingen te kleineren. Ook in het bijzijn van anderen. Haar hele wezen werd onderuit gehaald. Ze was niet meer wie ze ooit was geweest. Maar op een mooie pinksterdag besloot ze dat het nu genoeg was geweest. Ze haalde giftige onkruidbestrijdingsmiddelen uit de schuur van hun huis, wachtte op het juiste moment, nam een flesje bier wat hij altijd dronk, gooide de helft van de inhoud weg, vulde het flesje af met gif, nam zelf ook een biertje voor de sfeer en gaf het bewuste flesje aan hem. Beduusd maar aardig dronken keek hij haar vals aan, ontspande wat toen ze met hem proostte en nam een fikse teug. Daarna dronk hij flink door, het biertje smaakte hem. Zij keek verbaasd toe. Toen hij na een half uur opzij zakte op de bank, overgaf, nog wat murmelde, pakte ze haar koffers, nam de baby mee en vertrok. Toen hij dagen later werd gevonden zat zij al halverwege Frankrijk in een trein die haar naar het zuiden zou brengen. Nooit meer zou een man haar slaan of negatief bejegen…En ze zou haar kind bijbrengen dat ook nooit toe te staan.

De Pijp…

De Pijp…

Een Amsterdamse wijk die van chique buurt naar volkswijk werd omgevormd en nu weer op weg is een van de vele yuppenbuurten van mijn stad te worden is de Pijp. In het zuidelijk deel van de stad gelegen kent deze wijk een bewogen historie die deels ook is verbonden met de geschiedenis van de buurgemeenten Ouder- en Nieuwer-Amstel. En met de naamgevende Amstel die aan de oostelijke kant deze wijk vol verschillende culturen nog steeds tot grens dient. De Pijp was ooit wat beperkter van omvang dan hij nu bestuurlijk is verworden. Stadsbesturen en deelraden maakten dat sommige straten het ene moment in Oud-Zuid behoorden te liggen, dan weer toegevoegd werden aan de Pijp.

Hoe dan ook, ooit was het grondgebied waar de woonwijk van nu al ruim 150 jaar op te vinden is gelegen in buurgemeente Nieuwer-Amstel. Een gemeente die ooit zelfs het bestuurlijk beheer uitoefende over heel Amsterdam, maar dit terzijde. Dat Nieuwer-Amstel kende wat agrarische bebouwing, sloten, vaarten, maar ook op enig moment de nodige luxe buitens. En die werden vaak bewoond door wat welvarender Amsterdammers die de toen nog veelal stinkende stad met haar vol vuilnis en kadavers gestorte grachten ontvluchtten en hier buiten de Veste Amsterdam hun heil zochten. Grond kostte nog niet zo veel, en zo kochten veel van die lui een landgoed dat soms wel een kilometer of 2 lang en honderden meters breed was.

Daarop verkavelden ze dan stukjes grond ten behoeve van kleine ambachtslieden die daar dan weer een kleine nering van wisten te maken. De patronen van de latere straten werden bepaald door de zandpaden en sloten die in dat hele gebied de verbinding verzorgden tussen Amstel en Boerenwetering die weer tussen stad en Haarlemmermeer afwatering verzorgde. Toen de stad Amsterdam groeide, de nieuwe economie met haar havens en handel in de 19e eeuw deed de stad opbloeien als nooit eerder, trok dat ook mensen aan van heinde en verre. Vaak immigranten uit de provincie. Drentenaren, Friezen, Groningers. En die wilden uiteraard net als nu allemaal een huis.

De parallel met nu is daarbij extra opvallend. Het toenmalige stadsbestuur zag wel iets in de expansie van de stad naar het zuiden toe en liet haar oog vallen op het gebied waar juist die rijkere Amsterdammers bij de buren onderdak vonden. Maar doordat het die rijkeren intussen minder goed ging en het proletariaat het steeds beter had, werd de strijd tussen de buurgemeenten uiteindelijk gewonnen door Amsterdam. Verkoop en ruil van grond en goederen maakten het gebied beschikbaar voor bebouwing met ellenlange straten vol etage-woningen. Veelal gelijkvormig en in hoog tempo gebouwd. Molens die tot dan de boeren dienden of de polders droog hielden werden gesloopt. Wetering werd gracht, de Amstel ingedamd.

Waar het kon behield men de oude bebouwing met name langs het water overeind, maar de tussenliggende straten volgden het patroon van veel voor weinig. De smalle straten, de redelijk kleine etagewoningen, winkels, handel, alles werd ingebakken in de wijk die door die smalle straten al snel de bijnaam De Pijp verdiende. Ambachtslieden, mkb-ers, arbeiders. Katholiek en protestants door elkaar, een levendige wijk. Goede scholen verrezen, een giga-kerk van Cuypers, de St.Willibrordus buiten-de-Veste en een nieuwe brug over de Amstel die Zuid en het ook al uitgebouwde Amsterdam-Oost met elkaar zouden verbinden. Begin 20e eeuw was de wijk af en zette Amsterdam stappen richting het volgende project dat door Berlage op poten zou worden gezet, het chiquere Nieuw-Zuid.

De scheiding van de Pijp en de rest van Zuid kwam eerst te liggen bij de huidige Tolstraat, later bij de Jozef Israelskade. De huizen totaal verschillend van elkaar, de huren ook van een andere orde. Na de Tweede Wereldoorlog was De Pijp nog een eldorado voor de arbeidersklasse en middenstand. Maar na de jaren zestig raakte de boel er in verval. Panden werden slecht door matig onderhoud en uitwoning. Oorspronkelijke bewoners weggetrokken, immigratie deed zijn invloed gelden. Dit keer van mensen uit andere landen en culturen. Verpaupering werd in de jaren 70/80 eindelijk stevig aangepast. Vernieuwde huizenblokken, de winkeliers verdwenen, veel garagebedrijven vertrokken. De lange straten werden rustiger van aard. Horeca kwam er voor in de plaats. Jongelui kochten beschikbare etages en knapten die op. De wijk weer levendiger, zelfs een beetje neo-chique. Wie er nu loopt ziet de veranderingen. Een leuke wijk met oude invloeden, nooit bedacht door de bouwmeesters van toen, want deze huizen en straten werden nooit gebouwd voor de eeuwigheid. En dat was bij sommige panden ook te merken. Bekende namen van bedrijven verdwenen. De hoofdstraten nu vol coffeeshops (echte, geen hash..) uitheemse groentenwinkels en bloemisten. De lange zijstraten winkelloos. Maar voor jongeren toch een leuke wijk. Helaas, ook hier…peperduur. Beetje etage van 45m2 kost je tegenwoordig 3.5-5.5 ton in Euro’s. Net of je terugkijkt in de tijd. Maar wel een wijk die een bezoekje waard is als je in onze stad op bezoek bent. (Beelden: archief)