Van rijlessen en SUV’s….

Terwijl ik dus in mijn straatje nog steeds plezierig woon zijn er wel wat kanttekeningen te maken rond de ontwikkelingen in de buurt. Toen wij hier kwamen wonen, nu alweer zo’n 25 jaar geleden, leefden hier vooral wat oudere lieden. Rust was kenmerk. Is dat veranderd? Nou…wel een beetje. Verjonging vond in die jaren plaats, veel yuppen kwamen onze wijk in en dat zie je niet alleen aan de huizen (je moet zoeken naar originele ramen en deuren bijboorbeeld) maar zeker ook aan de gebruikte auto’s. Veel van die nieuwkomers houden er een kleine vloot voertuigen op na. Soms heeft men twee of drie auto’s en ook nog een reeks scooters. Het moderne leven vraagt er kennelijk om. En het succes van de hoofdbewoners maakt ook dat de eerste auto van zo’n gezin meteen groot en stevig moet zijn. Ik heb de strekkende meters in lengte, breedte en hoogte flink zien  groeien door de jaren heen. Een SUV moet het zijn of een crossover. Wagens die natuurlijk veel ruimte bieden, maar zeker ook niet te zuinig zijn en qua MRB en BPM het nodige mogen kosten. Kennelijk maakt het allemaal niks uit.

Opvallend, veel van die auto’s staan soms dagen stil op dezelfde plek omdat men voor het werk per (prima) Openbaar Vervoer forenst. Of het moet zo zijn dat men met die grote ‘bak’ niet durft te rijden. Want als ik zie hoe er soms mee wordt ingeparkeerd….treurig! Gebrek aan goede rijopleidingen of gewoon geen talent om met zo’n enorme mastodont te rijden? Er zijn altijd uitzonderingen. Expats vinden deze buurt ook leuk en een gezin dat tot die groep behoort rijdt in een enorme Toyota. Echt een soort Hummer. De vrouw van het gezin komt als ze tegenover me staat wellicht tot mijn borstniveau als zij zelf naaldhakken draagt.

Maar die pittige tante klimt in die enorme Japanner van haar en rijdt er mee of ze een dwergformaat Daewoo Matiz bestuurt. Aan de andere kant van de straat het tegenovergestelde. Mensen die zo nodig een soort rijdende zeecontainer moesten kopen, in de vorm van een Zweedse SUV waar je zowat met een ladder in moet stappen. Man en vrouw rijden er bepaald niet behendig mee en inparkeren lukt slechts als er banden of wielen op de trottoirs terecht komen. Hun buren kochten een enorme Ford (voorheen een meer bescheiden Skoda Fabia) en daar hetzelfde beeld. Als ze al met die bak onderweg gaan is in/uitparkeren voor zowel man als vrouw kennelijk een probleem. Het liefst hebben ze 30 meter ruimte om zich heen voor ze die auto netjes van of op zijn plek krijgen. Kortom, er wordt hier wat afgeleden in de buurt met die ego-auto’s. Gelukkig hebben ze allemaal de fiets (al dan niet van het bakfietsmodel) of de scooter. Waarmee steevast tegen de richting van de eenkantopstraat wordt gereden. Dat het altijd goed is gegaan is mij een raadsel. Nou ja, ik heb weer even een beeld gegeven van onze woonstraat. Waar het heel leuk leven is, maar waar je soms ook met vraagtekens gedrag van anderen opneemt…Want lachen om het kleine leed van die anderen ben ik nog niet verleerd…… (Foto’s: Yellowbird archief)

Over Japanners en onze Selfiecultuur…

Waar ik ooit geweest ben op plekken waar ook toeristen kwamen, altijd viel me op dat er een groep mensen was die elk monument of prachtig kunstobject vastlegde op foto of film met zichzelf of een van de familieleden er voor. Kom je thuis zie je Yamamoto of diens vrouw voor dat object staan. Ten bewijze van het feit dat men ‘daar en daar’ geweest was. Als ik indertijd fotografeerde vond ik het onderwerp toch echt 100 keer interessanter om vast te leggen dat die meninggever die er met zijn koppie voor moest gaan staan. Ik vond en vind mijzelf niet zo fotogeniek en heb meer bevestigingsdrift door de mening dan door mijzelf vast te leggen op de digitale beelddrager. En als ik dat ook zou doen (een enkele keer laat ik mij vast leggen voor een mooi vliegtuig of zo..) plaats ik het weer niet op de sociale media. Hooguit als het echt relevant is voor een verhaal. Zoals mijn persoonlijke vervolgverhaal. Dan past het. Maar dan zijn het vaak beelden die door een ander zijn geschoten.

Selfies vind ik eigenlijk niks. Alsof het universum slechts draait om hem of haar die een smartphone of camera zodanig weet vast te houden dat alleen jij en jij alleen er op komt te staan als je op de knop drukt. Al eerder besprak ik het fenomeen. Vloggers die zgn. beroemd worden omdat ze zichzelf als focuspunt van hun bestaan zien. Niets zien van de rest van de mensheid. Voorbij gaande aan wat er allemaal te zien of te bleven valt. En dat is triljoen keer zo interessant als elke dag weer een stapel beelden van jezelf. En dat mijn gelijk wordt bevestigd door gedrag blijkt wel uit het feit dat die lui ook altijd met zichzelf zijn ingenomen. Hun haar, kleding, koopgedrag, eten, drinken, vrienden, de katten, honden, vakanties. Alles met dat ene uiitgangspunt; IK! Zoals ik ooit in NLP-cursussen leerde, de belangrijkste mens in jouw bestaan ben je zelf! En dat klopte. Want als mensen die deze cursus ook volgden politiek correct waren gaven ze vaak het antwoord ‘mijn vrouw, moeder, zoon, dochter’ etc.

Maar in dat mijn zit ook IK besloten. En in die periode waren smartphones nog niet in. Kennelijk zijn sommige cursisten in het digitale tijdperk helemaal los geslagen. Ik, ik, ik, en tegen de rest zeg ik als selfist ‘stik’. Tuurlijk, ik chargeer het iets, maar toch. Let maar eens op. Men is zo bezig met het eigen leven(tje) dat men helemaal voorbij gaat aan de omgeving. Het wordt werken via al dat geselfie of gevlog, en bij een enkeling leidt dit nog tot inkomen ook. Knap gedaan. Wordt je toch nog een ster in je eigen leven. Maar is dat een verdienste? Kijk, dat belangrijke mensen iets van zichzelf laten zien is voor mij ok. Maar mister of miss nobody? En allemaal met dezelfde wens….beroemd worden. Thuis op de bank. Met filmpjes over zichzelf. Hoe bedenk je het. Nee, dan waren die Japanners toch een stuk hun tijd vooruit. En soms ook leuker. Want die kwamen er thuis pas achter wat ze onderweg niet zagen. Omdat ze met hun rug naar object of historie stonden. Net als die selfiemensen, die staan met hun rug naar de samenleving. Nou, daar heeft uw meninggever geen last van. Nog lang niet. Geen beelden van mij hier. Of er moet echt iets heel belangrijks te melden zijn. Zoals dat ik even moet stofzuigen…. (Beelden: Internet/Yellowbird photo-archief)

Leven met de vliegende pijl – 2 – Skodarijder…

Mijn eigen carrière had in eerste instantie niets van doen met het autovak. Ik koos na een paar jaar werken bij en op kantoor van een toen al grote bank voor de luchtvaart, een andere passie die me ook nu nog regelmatig bezighoudt. Dus kwam ik uiteindelijk op Schiphol terecht op kantoor bij een logistiek bedrijf dat zich als ware pionier had gestort op het vervoeren van vracht per vliegtuig van en naar Nederland. Het was letterlijk nog echt pionieren bij dat bedrijf, en daartoe behoorde ook dat ik als jong bureauventje diende te leren rijden. Toeval wilde dat je indertijd op de luchthaven nog zonder geldig rijbewijs in de rondte mocht karren, en mijn toenmalige chef was niet te beroerd om me als eerste achter het stuur te zetten van zijn persoonlijke bedrijfsvervoermiddel, een Ford Taunus 12M Combi, maar meteen ook te verlangen dat ik bij een Amsterdamse collega die hiermee iets bijverdiende, rijlessen zou nemen. Die combinatie zorgde er voor dat ik na precies negen rijlessen het benodigde roze papiertje kon ophalen bij de CBR. Van puur plezier mocht ik van Pa nog even rijden in een Skoda uit diens bedrijfsvoorraad, maar dat was niet zo’n succes. Die Octavia schakelde precies andersom t.o.v. de Ford Taunus en dat was net even teveel gevraagd voor iemand die ook nog in een Kever had leren rijden en het al zo lastig had met die stuurversnelling van de Ford. Het rijbewijs bleek overigens zoals verwacht een handige toevoeging aan mijn rol bij dat Schipholse kantoor waar iedereen datgene deed wat nodig was om de klanten tevreden te krijgen.

Ook ophalen of afleveren van luchtvrachtstukgoed behoorde daar soms toe. Mijn hard werkende chef deed dat zelf ook, ik volgde in zijn spoor. Al snel reden we ieder dik 40.000km per jaar, maar kwam ik nog steeds per brommer of Maarse & Kroonbus naar Schiphol om al dat werk te doen. Dit veranderde iets in mijn persoonlijke voordeel toen het bedrijf in 1967 een nieuwe VW Bus van het toen nieuwe T2 type aanschafte voor al dat vervoer en ik dat ding als ‘verst wonende’ mocht meenemen naar huis. Met de expliciete toevoeging dat ik in noodgevallen ook in de avonduren naar Schiphol moest om lading op het vliegtuig te zetten als dat door klanten werd verlangd. Dat busje was best groot voor een jong ventje als ik, maar je leerde er wel mee sturen. Al was het maar omdat die VW’s zeldzaam zijwindgevoelig waren. Het bedrijf expandeerde intussen als een gek, er kwamen steeds meer mensen in dienst, daaronder ook een echte beroepschauffeur die voortaan de afleveringen deed met de VW. De Taunus Combi maakte plaats voor een keurig nette 15M RS die in principe niet meer voor vervoer van pakjes mocht worden gebruikt. Voor mij bleef het vervoeren van en naar huis van diverse Amsterdamse collega’s en die spoedklussen in de avonduren. Carrière maak je niet zo maar natuurlijk. Toch was het wel heel lastig dat met die VW Bus geen meter privé mocht worden gereden en zo kwam het voor dat ik bij wijlen mijn schoonvader, bij wie ik indertijd met vrouwlief inwoonde, af en toe een auto uit het gamma van diens werkgever mocht meenemen. En zo kreeg ik ook de nodige rijervaring in een 2CV Bestel, een R4L Fourgonette en als het zo uitkwam een Renault Estafette, Franse tegenhanger van de normaal voor de deur staande VW Bus.

Toen we een paar jaar later als getrouwd koppel verhuisden naar de nieuwe Amsterdamse woonwijk Bijlmermeer mochten we de VW Bus niet meer gebruiken. Een van de beroepslui binnen het bedrijf nam het ding van me over. Ik koos er toen maar voor mijn eigen vervoer zelf te gaan regelen, we hadden er met al dat harde werken al het nodige voor gespaard. Met wat hulp van familie kregen we een bedrag bij elkaar dat zicht bood op een nieuwe auto. Een paar merken kwamen daarbij in aanmerking; Trabant waar je dan voor het gespaarde bedrag zelfs een ‘Luxe’ versie zou kunnen kopen, Vauxhall, waar men een Viva bood als tegenhanger van de hier veel populairder Opel Kadett, een Fiat 600 of 850, een vergelijkbare Russische Yalta of een Skoda S100. Die laatste werd medio 1970 bij de fabrikant de opvolger voor de 1000MB en baseerde zich qua techniek grotendeels op zijn voorganger, kreeg echter vlottere ronde lijnen en een verbeterd interieur. Een rijtest in het blad ‘De Lach’ uit die dagen was bijna doorslaggevend. Dat blad testte de auto en gaf hem een positief verslag mee, vooral de mogelijkheden om de banken door te klappen en daar dan een bed van te maken spraken aan. Maar ook de simpele bediening en de betrouwbare motor gaven de doorslag. En…ik kon het ding betalen. Cash, zonder afbetaling.

Met Pa nog even vooraf overlegd. Die vond van al die merken en modellen de Skoda (uiteraard)de beste keuze. Gaf me het advies de auto met respect te behandelen, ‘omdat het nu eenmaal een Skoda was’, en hij introduceerde me bij de toenmalige dealer in Amsterdam-Zuid, waar hij voorheen ook altijd zijn zaken mee had gedaan. Brouwer heette dat bedrijf en de eigenaar was een noeste wat bokkige man, die ik zelden heb zien lachen. Toch kocht ik er mijn eerste nieuwe Skoda. Rood van kleur, beige skai bekleding in het interieur en een 1000cc motor achterin die er na een lange aanloop iets van 45 pk uitperste. Het was een ruime wagen, vier portieren standaard, net als gescheiden remsysteem, twee snelheden op de ruitenwissers, een kachel die geschikt leek voor Siberië en een aantrekkelijk uiterlijk voor die dagen. Maar helaas mankeerden er technisch/kwalitatief gezien ook wel wat zaken aan. Al na een paar dagen gaf de startmotor het op, de spoorstangen waren ook al heel snel versleten, de Barum-banden waren weliswaar van het radiale type, maar echt sterk bleken ze niet. Toch was het een trouwe rakker, en we reden er in korte tijd waanzinnig veel kilometers mee. Zoveel zelfs dat we twee en een half jaar later al weer toe waren aan een nieuwe auto als opvolger. 75.000km in die periode gereden was voor een prive-rijder best veel.

Maar er bleek een klein probleem te zijn ontstaan. Dealer Brouwer, waar ik toch zo regelmatig voor onderhoud te gast was geweest met mijn eerste auto, bleek te hebben gekozen voor het nieuwe merk Toyota en stopte met Skoda. Hij kon of wilde me dus geen nieuwe auto meer leveren en dat maakte het noodzakelijk zelf weer op zoek te gaan naar een alternatief adres waar men wel een nieuwe Skoda kon of wilde leveren. Ik had me nooit zo bezig gehouden met andere dealers, nu was dat ineens noodzaak. Iets verderop in de Amsterdamse Pijp zat ook een Skoda-dealer zo bleek uit een dealerlijst en dat adres bezochten we op een donderdagavond in de zomer van 1973. Het bedrijf bleek gesloten. Maar wat we door de vet geslagen ramen binnen zagen deed besluiten dit dealerbedrijf maar over te slaan. Het was een grote puinhoop en ook de showroom was weinig overtuigend. Het volgende adres bleek te zitten aan de Amstelveenseweg in de chique wijk Buitenveldert. Daar aangekomen bleek dat men een soort werkplaats runde waar weliswaar ook in de avonduren keihard werd gewerkt, maar een showroom, een echte, was er ook niet. Toch was de ontvangst heel vriendelijk, zij het dat ik de (naar later bleek) eigenaar wel een heel aparte man vond. Hij kwaakte aan een stuk door, nam ons in de maling, maar gaf uiteindelijk een aardig bedrag terug voor de rode Skoda als wij een nieuwe bij hem zouden bestellen. Dat deden we pas nadat ik mijn Pa had gevraagd eens een gesprek met die mallotige eigenaar te voeren. Dat gesprek kwam er. Toen de mannen een paar uur met elkaar hadden zitten praten over van alles en nog wat en ik er voor spek en bonen bijstond, kon de koop worden gesloten. Het bleek een cruciale beslissing. Mijn leven zou door die bewuste aankoopbeslissing een niet meer te corrigeren wending nemen. Wordt vervolgd…. (Beelden: Yellowbird archief/Skoda – Alle teksten zijn eigendom van de auteur!) 

 

Leven met de vliegende pijl – 1b – Jeugd

Mijn ouders waren zo gek mee met die eerste rood/witte Skoda dat die een tijdlang binnen de familie in gebruik bleef. Die 1100 was trouwens een elegante auto die de Tsjechen hadden gebouwd op basis van hun vooroorlogse Popular. De auto had diens techniek overgenomen maar kreeg een ontwerp dat nog het meest leek op Amerikaanse auto’s uit die dagen, maar dan een heel stuk kleiner qua formaat. Maar rijden deed het ding goed, de motor was simpel, betrouwbaar en redelijk zuinig. Hij had nog richtingaanwijzers, de voorlopers van de latere knipperlichtjes. Toen Pa er een aardige prijs voor bleek te kunnen maken verdween de Skoda naar een nieuwe gebruiker. Maar Ma had die Skoda in haar hart gesloten en al snel kwamen er verschillende exemplaren achter elkaar die meestal niet langer dan een dag of wat voor de deur geparkeerd stonden. Kopers waren er altijd voor te vinden en het geld stroomde zo best binnen af en toe. Pa kocht zich daarvan een IFA, een keurig nette stationcar die een kopie bleek van de befaamde DKW 3=6 uit die dagen, maar net even minder ruimhartig was voorzien van luxe. IFA was afkomstig uit de DDR en in dat vroegere oosten van Duitsland hadden de Russen de DKW-fabrieken overgenomen toen dat deel van het land in hun handen viel aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Op basis van tekeningen en beschikbare techniek werd al snel een soort schaduw-DKW op stapel gezet die als IFA het levenslicht zag en ook in Nederland werd verkocht.

De import was in die jaren in handen van De Binckhorst, dat later ook met Skoda en Mazda heel bekend zou worden. Maar met die IFA’s viel de verkoop nog niet zo mee, temeer omdat het overgebleven Westduitse deel van DKW zich nogal druk maakte over de ‘merk- en modelrechten’ en zo meer. Vandaar dat Pa die mooie en redelijke jonge stationwagen zo voordelig had kunnen kopen. We knorden heel wat rondjes door Nederland met het ding, maar of hij er nu echt gelukkig van werd? Kennelijk niet, want op zeker moment was de Oost-Duitse DKW vertrokken en stonden er een stuk of wat Skoda 440’s voor de deur. Ingeruilde exemplaren die bij de dealer waar Pa nog eens een tijdje had gewerkt, waren opgenomen in de voorraad. Rood, blauw, bruin, wit, geel, alle kleuren waren leverbaar. Wat mijn stiefvader kon met zijn handen was ongekend, die handen waren echt van goud. Hij zorgde er voor dat de Skoda’s er binnen een paar dagen bij stonden alsof ze rechtstreeks van de fabriek afkomstig waren. Een van de wagentjes uit die dagen had hij bij een toen nog voorkomende ‘autoschilder’ met de hand laten opknappen. Die man had de auto een chocoladebruine tint gegeven, wat mooi paste bij het beige interieur. Die auto was voor privégebruik, de anderen gingen de deur uit. Met het ‘chocolaatje’ maakten we heel wat korte of langere trips. Mijn moeder was er gek mee, maar ze maakte telkens weer dezelfde ‘fout’ dit aan mijn leasepa te melden. Voor hem kennelijk aanleiding om die auto dan snel van de hand te doen, zo leek het wel eens… Zo ook het bruine exemplaar waarmee we zo veel plezier hadden gehad.

Maar een hemelblauwe met een wat moderner uiterlijk volgde de oudere bruine al snel op. En zo ging dat door. Met af en toe onderbrekingen omdat Pa zich liet verleiden voor eigen gebruik eens iets anders in te kopen dan alleen Skoda’s. En zo reden we in Ford’s, een Gangster Kapitan van Opel, een opmerkelijke Hansa, en op zeker moment in een werkelijk schitterende Studebaker. De lichtblauwe auto had een rood interieur en mijn moeder kreeg zowat een appelflauwte van genoegen toen ze dat slagschip voor de deur zag staan. Het was toen bijna gewoonte geworden om als gezin in Amsterdam-West aan de Burgemeester de Vlugtlaan in een horecagelegenheid het weekend in te luiden en daar dan gezelligheid te koppelen aan mogelijke nieuwe contacten voor de in- en verkoop van de handel. Ma mocht meestal mee, ik soms ook. In de Studebaker was dat geen vervelende gebeurtenis. Ma kleedde zich er op en keek vol trots in de straat in de rondte of iedereen wel zag met wat voor een schitterend glimmende slee wij ons nu weer verplaatsten. De rammel die bij fors optrekken na een tijdje uit het vooronder klonk werd door Pa afgedaan als de uitlaat ‘die los zat’. In werkelijkheid hield hij de toeren vrij laag, want er was wel iets meer mis met het motorische hart van de trotse Amerikaan. Na een paar dagen moest er flink gesleuteld worden, een uitgelopen lager deed de motor zwijgen. De lol voor Pa was er af, na reparatie deed hij de Studebaker direct van de hand. Een Skoda Octavia van 1962, een exemplaar met mooie open grille en staartjes op de achterschermen volgde de trotse Yank voor dat eigen vervoer op. Toch bleek het intussen lastiger te worden om die Skoda’s tweedehands te slijten. De jaren zestig waren aangebroken en de concurrentie had intussen ook heel wat betaalbare automobielen te bieden.

Sommige mensen konden zich nu zelfs een nieuwe Volkswagen, Opel of Austin veroorloven. En dus ging Pa voor een wat rustiger leven. De zekerheid had zijn prijs, de handel werd wat stil gelegd, hij zocht en vond een vastere baan en ging langer doen met zijn eigen vervoer. De laatste Skoda die ik als thuis wonende opgroeiende puber nog meemaakte was een 1000MB. Een auto waarvan Pa altijd had gezegd dat hij die nooit wilde hebben voor de handel. Omdat de motor in het achteronder zat en hij in die constructie helemaal niets zag. Zo hadden we nooit ook maar een enkele VW Kever voor de deur gehad. In dit tijd toch best een populair ding. Maar toen hij een echt fraaie, redelijk jonge en donkergroene MB op zijn pad vond kon hij hem kennelijk niet laten staan. De auto leefde trouwens niet lang, werd door een dronken automobilist in de Amsterdamse Van Woustraat zo heftig aangereden dat hij in de gevel van een daar gevestigde stomerij eindigde. Total loss, dat spreekt. Het was de laatste Skoda die mijn Pa ooit zelf bezat. Hij stapte over op een Toyota Crown, maar had wel altijd een klein plekje voor het Tsjechische merk in zijn hart besloten zitten. Wordt vervolgd…  (Afbeeldingen: Yellowbird archief/Skoda – Alle teksten zijn eigendom van de auteur!) 

Hondenpraat…

De vrouw die aan een tafeltje tegenover me zat in het restaurantje waar we nog wel eens neerstrijken voor een eenvoudige doch voedzame tosti met thee, zag er uit alsof de liefde voor een belangrijk deel aan haar voorbij was gegaan tijdens haar intussen toch wel wat gevorderde leeftijd. Zij zat samen met haar moeder, een dame van dik in de tachtig, ook wat lekkers te eten en dronk daarbij een rondje of drie koffie met slagroom. Het was aan haar figuur niet te zien, want best mager. Het wat grauwe uiterlijk werd nog wat versterkt door haar kledingkeuze. Tijdens een regenachtige dag zou je haar buiten op straat niet kunnen onderscheiden van de grijze achtergrond. Ze praatte relatief luid met haar moeder. Die gaf op alles vaak instemmende antwoorden. Maar bij het gesprek wat de vrouw toch vooral met zichzelf voerde betrok ze actief ook haar kleine hondje. In een boodschappenwagen naast haar zat dat diertje te kijken naar wat er zoal aan eten en drinken naar binnen ging. En omdat hij ook af en toe een lepeltje slagroom kreeg om af te likken, was hij een al al hondenoor als de vrouw weer eens het een en ander beweerde.

Want een fijn leven had ze niet. Dat bleek wel. Als zij het licht aan stak thuis sloegen de stoppen door, zij gaf doktoren die haar moesten helpen met haar vele klachten, steevast het advies om een andere baan te zoeken. Met de huisbaas lag ze overhoop en dat alles georeerd met een wat scherpe harde klank in de stem. Haar leven leek geen groot genoegen. Geen wonder dat de meeste prinsen op die bekende wit gekalkte paarden door waren gereden. Maar haar stem kreeg een heel andere klank als ze met de hond praatte. Gewoon tijdens het gesprek met haar moeder. Op een manier zoals een liefdevolle moeder praat met een klein kind. Het diertje spitste dan de oren en deed of het hem interesseerde wat vrouwtje hem allemaal vertelde. Zij vroeg ook telkens om bevestiging van het vierpotige langharige minihondje. ‘Ja toch he? Dat zei het vrouwtje….’. Haar moeder knikte dan net als de hond instemmend.

Het was een triogesprek met wonderlijke deelnemers. En ik keek en luisterde en genoot. Want hoe anders zou het leven zijn verlopen van deze vrouw als ze wel de aandacht had gehad van een liefhebbende man? Of zou er wel een zijn geweest maar was die op enig moment op de tram gestapt en nooit meer teruggekomen? Alles kan. Ik had een minuut of 15 de gelegenheid om haar te observeren. Grauwe huid, ongekamd wat grijzig haar, grijze regenjas, een blik in haar ogen zonder enige diepgang. Een gefrustreerd menstype dat als zo vaak haar affectie ergens vandaan toverde en richtte op haar huisdieren. Op enig moment gingen ze er vandoor. Met een klotsende buik zou ik denken. De oude moeder kwam kreunend overeind. Haar dochter duidelijk kwieker. Maar ze keek verder niet om naar de oude dame. Druk als ze was om haar ‘Fikkie’ uit te leggen dat ze nu naar de super zouden gaan en zo meer. Het hondje kwispelde. En daarom gaf ze hem een dikke kus op zijn kopje. Liefde, het komt in alle vormen, soorten en maten…(Beelden: Internet)

 

Observaties van de vijand…

Ik ben een vliegtuigspotter. Iemand die vanaf zijn jeugd is gefascineerd door het fenomeen van de vliegende metalen vogels. Net als duizenden anderen die dit zien als een serieus te nemen hobby. Elk vliegtuigtype kunnen onderscheiden en ook de maatschappij of luchtmacht die het toestel gebruikt. In die zin had ik een rol kunnen spelen bij een heel bijzonder fenomeen dat na de Tweede Wereldoorlog werd ingezet als verdedigingslinie van ons met kwade bedoelingen bezoekende vliegtuigen uit het Oostblok. In 1950 startte men in ons land namelijk met de bouw van een keten van torens die waren bedoeld om laag vliegende (onder de radarketen van toen) Russische vliegtuigen te spotten, hun richting en bedoelingen in te schatten en dat door te bellen naar de luchtverdediging van toen. Gebouwd op heel wat verschillende plekken, verspreid over heen Nederland. Bemand door het Korps Luchtwachtdienst (KLD) en actief gebruikt tijdens de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. In basis torens met een soort betonnen honingraatconstructie en wel op zodanige wijze uitgevoerd dat het niet te veel zou hoeven kosten.

Bovenop die torens een platform en dat was te bereiken met steile metalen of houten trappen. Het systeem heeft uiteraard nooit om het eggie hoeven dienen. De Russen kwamen niet, gelukkig maar, en onze radar- en afluisterapparatuur werd zodanig goed dat we de menselijke observaties niet meer nodig hadden. Van de oorspronkelijke 276 uitkijkposten (een deel was op bestaande hogere bebouwing gevestigd) bleven er maar weinig over. Naar verluid zijn er nog maar 19 zichtbaar in het landschap. Een daarvan bezochten we onlangs. In een plaatsje waar ik zelf nog nooit gehoord had zelfs, Strijensas, midden in de Mariapolder, aan het water niet te ver van de Moerdijkbruggen. Deze is gebouwd op een oude kazemat (1938) en heeft dus een behoorlijk fundament.

Tijdens de open dag die in de lokale krant werd aangekondigd en door een van onze lieve vrienden uit de omgeving opgepikt, beklommen we die toren (gevaar voor eigen leven..) en keken uit over de polder en de rivier. Voor mij is dat geen genoegen, want last van hoogtevrees, maar toch wel even een aardige indruk van hoe zoiets in de praktijk moet zijn gegaan. Kompas, verrekijker, op de rand van de toren aanduidingen van welke plaatsen in een bepaalde zichtrichting te vinden waren. Men houdt de boel hier in ere. Vrijwilligerswerk. En zo hoort het ook. De geschiedenis was mij onbekend. En ik vind het knap te bedenken dat al die lui die dat werk deden ook in dezelfde boekjes als ik indertijd hun basiskennis opdeden om al die Russische vliegtuigen te kunnen onderscheiden van de laagvliegers uit eigen gelederen. Ik ben blij dat ik dit heb gezien. Net als die polder, op de uiterste noordoostpunt van de Hoeksche Waard. Ik was verbaasd dat ook daar mensen wonen…maar dat is een andere discussie…

12 jaar blogactief…

Vandaag, twaalf jaar geleden alweer startte mijn weblogaanwezigheid. 12 jaren waarin voor iedereen en ook voor ons persoonlijk veel veranderde en soms, aardig genoeg, ook de nodige zaken hetzelfde bleven. Toch is het wel opmerkelijk om te constateren wat er zoal veranderde. Zo zaten wij hier bij de start van dat geschrijf op het internet in ons persoonlijke leven nog aan te hikken tegen de beslissing om evt. te verhuizen dan wel het huis zodanig te verbouwen dat het meer aan onze persoonlijke smaak zou appelleren. Uiteindelijk kozen we indertijd voor het laatste en is dat de reden dat ik vanaf 2008 met uitzicht op de omgeving kan werken aan mijn creatieve teksten en adviezen vanuit een toen compleet verbouwde en aangepaste ruimte. Die noemde ik daarna mijn ‘Man-Cave’ en ik voel me er nog steeds fijn bij. We hadden in dat ‘startjaar’ nog drie (andere)katten, onze hond dartelde hier nog vrolijk om de voeten en ik was toen drie dagen per week elders in de stad aan de slag met het maken van b-to-b bladen.

Van een crisis was ook in de marketing- en uitgeversbranche in die jaren nog geen echte sprake. Het was een dame die ik toevallig leerde kennen via een webforum waar ik nog wel eens voorbij fietste die me de tip gaf om mijn ‘zo leuk geschreven’ zielenroerselen en opinies eens in een weblogje te verpakken en wereldkundig te maken. Voordien schreef ik op websites van anderen of die fora af en toe eens een column, maar verder? Allles nog op papier! Het ging sindsdien snel. Ik leerde nieuwe mensen kennen. Medeloggers. Sommigen kwamen en verdwenen weer, anderen bleven behoren bij de grote vriendenkring die het webloggen met zich mee bracht en sommigen daarvan behoren intussen tot de ‘inner circles’ van ons leven. Mensen met een passie vaak, misschien wel meer zelfs, soms met een eigen logje en zo lief en aardig dat je ze daarom alleen al wilt omarmen. Allemaal het gevolg van het betere logwerk. In die jaren tijd heb ik ontdekt dat juist het geven van een mening over.. meer mijn ding is dan het plaatsen van zo maar wat foto’s of tekeningen.

Ik ben geen typische dagboekenier! Meer een soort maatschappelijk voyeur die wat hij ziet en meemaakt interessant genoeg vindt om het omgevormd via het www te publiceren. Het moet ‘ergens over gaan’. Soms lukt dat beter dan op andere momenten. Je bedient nooit elke keer iedereen gelijkwaardig. In die afgelopen jaren ben ik bezig geweest met in totaal vijf weblogs. Dit, waar u nu uw ogen over laat gaan, en twee die meer gespecialiseerd waren op het gebied van auto’s en luchtvaart. Daarnaast had ik nog een poetisch blog en een in Belgie dat diende als reddingsboot toen een van de blogaanbieders er ineens geen zin meer in had. Later volgden de sociale media. De speciale blogs verdwenen, groepen op Facebook namen die plek in en ik vond ook Twitter en Instagram op mijn publicitaire pad. De rest van mijn ‘gepassioneerde leven’ probeer ik hier onder te brengen.

Dat ik daarbij soms in uw lezersogen de plank mis sla is op zich niet zo erg, u blijkt gelukkig gemiddeld gesproken tamelijk vergevingsgezind. Daarbij, echte Amsterdammers zijn nu eenmaal ‘jenners’. We voeren soms de druk wat op of zetten u daarmee op het verkeerde been. Zelden of nooit kwam het daarbij tot serieuze persoonlijke problemen. Een enkele keer loop je tekstueel wel eens tegen de verkeerde persoon aan. Dan klikt het niet, wil het niet en lukt het nog minder. In die afgelopen jaren heb ik daardoor veel geleerd. Genoten ook, ik zal het niet verbloemen. Het schrijven van die logjes en alles wat er omheen hangt is een plezierige bezigheid. Maar het heeft geen enkele zin als er geen kip mee leest. En daarvoor dank ik al mijn logvrienden en passanten. Dank dat u de afgelopen twaalf jaar de moeite nam om hier te lezen wat mij zoal beroert, opwindt, bezighoudt. Als het de gezamenlijke scheppers behaagt en mij gegeven ga ik nog even een paar jaar door. Want aan onderwerpen mankeert het zelden of nooit. Vraag blijft of u ze allemaal even leuk zult vinden. Ik denk zeker te weten van niet. Maar dat is natuurlijk mijn mening!

De X van X-benen…

Met die letter X is het best lastig om er een begrip aan vast te knopen dat ergens over gaat. Dus doe ik dat maar niet. Ik ga het hebben over een intrigerend onderwerp. De loop van mensen in relatie tot de stand van hun benen. Meer speciaal hun looptechniek. Daartoe moet je wel even een studie maken van die wijze van lopen en ik ben daar nogal goed in. Al eens eerder schreef ik een blogje over dat lopen van ons mensen op twee benen. Een wonderlijke constatering eigenlijk. Zijn mensen wel gemaakt om op die twee onderste ledematen te lopen? Je zou zeggen van niet. Voortbewegen is een betere term. De een doet dat als een zeeman met uit elkaar staande voeten die vreemde bewegingen maken tijdens dat loopproces. Maar de meest voorkomende is toch het type X-been wat ik voor de kop van dit verhaaltje bedoelde. Waarbij de knietjes dus dicht tegen elkaar aan zitten en onder en bovenbenen op een of andere wijze uit elkaar staan.

Dat type mens loopt heel anders dan die zeelui. Ze zijn ook zelden in staat deel te namen aan sporten als hardlopen of voetballen. De stand van hun benen maakt dat ze niet snel genoeg zijn. Dus doen ze aan schaken of pakweg biljarten, maar dat zware fysieke werk is niks voor ze. Ook bij vrouwen kom je dit type benen veel tegen. Het zorgt voor extra slijtage van de hakken en zolen van hun schoenen en het zijn die types die zelden of nooit pumps dragen, ze zwikken er domweg bij door de enkels. Nee, sneakers en andere sportieve schoenen maken dat ze nog een beetje netjes door het leven gaan. Panty’s of kousen slijten door het langs elkaar wrijven, en ze zijn vaak eerder vermoeid door het lopen of wandelen. X-benen komen meer voor dan je denkt.

De vraag is maar waardoor dat komt. Is het iets wat je in de genen meekrijgt? Ik heb er geen idee van hoor. Maar jou zou het wellicht kunnen (af)leren? Dat moeten experts me maar eens trachten uit te leggen. Overigens is dit verhaaltje geen waardeoordeel over X-beners hoor. Zitten heel lieve en aardige tussen. En als ik ze niet ken kijk ik ze wel altijd met belangstelling na. Mits ze natuurlijk van die vrouwelijke soort zijn waar het zelfs nog iets mystieks heeft. Of zou dat komen omdat ik verder weinig kritisch aankijk tegen de achterkanten van de dames? Dat zal het vast zijn. Verder is deze observatie slechts bedoeld als een ironisch kijkje op ons loopgedrag en zijn er geen wetenschappelijke waarden of claims aan verbonden. Maar ben wel benieuwd waar jij, liever lezer(es) toe behoort. Zijn er ook mannequins onder jullie die de speciale modellenloop toepassen die hen is aangeleerd? Ben zo benieuwd….

 

 

Loopkunsten

leo-schaduw-voor-kruidvat-weesp-wp_004695Mensen onderscheiden zich van de gemiddelde hond, aap, kat of mier door een paar extra vermogens die maken dat wij ons zelf als superieure wezens in de ‘schepping’ of evolutie beschouwen. Zo denken wij (in veel gevallen) na over wat we doen, maken muziek, bouwen hele steden of landen, voeren oorlogen en zijn in veel gevallen tevreden met slechts een enkele partner. Maar wat ons ook onderscheidt van de dieren om ons heen, wij kunnen lopen. Op twee benen wel te verstaan. Een kind wordt al beoordeeld op het vermogen zo snel mogelijk op die twee pootjes te kunnen rond hobbelen en als het wat groter en halfvolwassen is op denkbeeldige exemplaren zelfstandig het leven in te gaan. Dat lopen lijkt dus vanzelfsprekend maar is het bepaald niet. Om te zien hoe bijzonder dat vermogen is moet je eens op een terrasje gaan zitten kijken naar wat er zoal voorbijloopt. En dan vooral naar het hoe!

wp_000084Elk mens heeft zijn eigen stijl. Je ziet schuifelaars, wijdbeners, x-beners, heupwiegers, mensen met een kromme rug, anderen met een rechte en de nodige zwaaiende armen. Er lopen er tussen met een vorm van chimpanseegedrag, armen wijd en een soort opvanghouding voor alles wat om hen heen beweegt. Mensen hobbelen, hinken, rennen of wat voor vorm van voortbeweging je ook maar wilt bedenken. Het is het gevolg van de evolutie. Want wij stammen allemaal af van een naakte aap of oermens die op handen en voeten liepen. We klommen in bomen, we deden allerlei zaken die we nu als primitief beschouwen. En de vrouwtjes showden met dat wat hun mannetjes kon aantrekken. De billen en later borsten, showen, pronken, dus aantrekken maar. Wie nu in het rond kijkt ziet dat gedrag nog steeds. De billen worden geaccentueerd door de vrouwtjesmensen die op zoek zijn naar erkenning, de borsten pront vooruit, de lipjes getuit. Kleding daarop aangepast.

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Maar het grootste wonder blijft toch dat wij mensen op die twee benen rondlopen. Best een kunstje en als je er lang naar kijkt soms gênant. Als je ziet dat er exemplaren tussen zitten die dat lopen min of meer bij toeval hebben geleerd en niet verfijnd. Waar de schoenzolen telkens snel versleten zijn omdat ze de voeten verkeerd neer zetten. Of waar de gewrichten door overbelasting stuk gaan en op termijn aan vervanging toe. Lopende mensen, het blijft bijzonder. En toch is het onderdeel van de evolutie. Waarin geleerden theorie na theorie bedachten waaruit zou moeten blijken dat wij mensen voortkomen uit een dolfijnensoort die ooit in de oersoep die de Aarde bedekte lekker rond robberde, en met elke tegenvoeter van het andere geslacht de voortplanting regelde. Tot we uit het water kwamen en gingen kruipen en later lopen. Toen werd het pas echt saai in de wereld. Behalve voor hen die op dat terras zitten en observeren. Die hebben de grootste lol. Nou ja, tot we zelf weer in de benen komen natuurlijk. (Beelden: Archief)

Zomerse ergernissen 1 – Het verkeer.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Echt van de lange vakanties zijn wij tegenwoordig niet meer. Nee, die maakten plaats voor korte trips, een dagje hier of daar en een enkele overnachting. Oorzaak is niet alleen dat we met twee jongen katten thuis de boel de boel niet willen laten, maar ook dat we door het hele jaar heen tegenwoordig min of meer kunnen doen wat of wanneer we willen. Het oudere jongere zijn heeft niet alleen maar nadelen. Er kleven ook wat stressvrije voordelen aan. En zo reden we de afgelopen weken een paar duizend kilometertjes over de Nederlandse en Duitse wegen. Van Zeeland tot Drenthe, van Den Helder tot Duitsland. En dan maak je onderweg ook best wel het e.e.a. mee. Ik blijf me daarbij wel verbazen over de kennelijk vaak slechte rijopleidingen, de stresskippen, het gebrek aan inzicht, maar ook het volkomen gebrek aan respect voor verkeersregels in ons land. Men wisselt op de snelweg constant en zonder richtingaanwijzers van baan, rijdt gemiddeld 20-40 km/u te snel, haalt in waar het niet mag of kan, rijdt met de auto over rijwielpaden, parkeert waar het niet mag of kan. Rijbewijzen worden kennelijk uitgereikt bij aankoop van een grootverpakking boter of zo, want je kunt mij niet wijs maken dat mensen die echt hebben leren rijden bij een erkende rijschool zo slecht omgaan met die gedragsregels.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Spiegels worden voor doedel gemonteerd aan auto’s, motoren of brommers. Althans zo lijkt het. Geen auto die zo snel rijdt als die van de baas en hybrides zijn auto’s voor watjes mits je er niet mee in de linkerbanen van de snelwegen verkeert. Snijden is normaal gedrag, zeker als je ‘last minute’ nog even wilt afslaan met je door de baas geleverde SUV. Ja mensen, ik zat en zit me te ergeren aan dat gedrag. Bedenk maar eens dat deze ervaringen stammen uit de laatste paar weken, toen half Nederland met vakantie was en de wegen relatief leeg. Leg mij nu eens uit waarom iemand op een snelweg met vijf banen zoals de A2, waarvan twee ‘bezet’ door zich aan de regels houdend verkeer, drammerig in baan 4 blijft rijden. Officieel mag je die niet rechts passeren, maar moet je naar baan vijf om hem met een kilometer of 5 snelheidsverschil te kunnen passeren. De opgestelde verkeerscamera’s lijken zich wel te richten op de snelheden van de dames en heren automobilisten, niet op gedrag van andere aard. Ook snap ik niet dat als je op een driebaansweg een vrachtauto passeert iemand in je nek krijgt met een of andere bestelwagen of zo’n SUV, die net zolang op een meter afstand achter je gaat rijden tot hij je aan de kant kan dwingen. Baan drie is vrij, daar kan men je gewoon passeren.

Autobahn - 1Maar nee hoor, liefst door de voorganger heen. Helemaal snap ik het niet meer als je dan verderop in de meest rechterbaan die snelheidsduivel ineens langzaam ziet rijden en daarbij constateert dat er driftig wordt gebeld zonder een handsfreeset. Uitzondering? Dochutnie! De gemiddelde Nederlander rijdt steeds asocialer en heeft maling aan zijn medeweggebruikers. Is dat alleen voorbehouden aan automobilisten? Bepaald niet. Kijk eens hoe er gefietst wordt in de grote steden. Het over de stoepen rijden met fiets of scooter is meer normaal dan uitzonderlijk gedrag en tegen de richting in rijden hoort ook al tot het standaard oeuvre van de gemiddelde tweewielende mens. En de politie doet daar in 99,9% van de gevallen niets tegen. Onlangs zag ik in een Amsterdamse straat hoe twee agenten in een auto langs de kant van de weg stonden te kijken wat er aan verkeerschaos plaatsvond. Maar optreden was er niet bij. Nee, de heren stonden iets te eten bij een snackbar. Pauze! En dan mag het hoofdstedelijke volk even doen wat het wil. Kortom, mijn observaties van dit jaar bevestigen nog eens wat ik al eens eerder op dit blog constateerde. In het verkeer zijn zelfs de meest politieke correcte mensen horken. En wie maling heeft aan de ander in het verkeer zal dat thuis ook laten zien. Of in de politiek. En dan maar klagen over vervaging van de normen….jaja…..haha!