Zondagse klassieker; Shelby Daytona

Als eerste bewijs van de verhuizing van kennis, achtergrond en interesse vanuit mijn tien jaar lang bijgehouden autoblog naar dit toch meer algemene mening blog deel ik vandaag informatie met u over een buitengewoon bijzondere auto; de Shelby Daytona. De wat?? Zult u wellicht denken. En dus even wat achtergrondinformatie. Carroll Shelby was een Amerikaanse tuner die zich vooral richtte op modellen van Ford. Zo verbouwde hij de vermaarde Mustangs uit de eerste periode om tot meer dan respectabele sport- of circuitwagens en dat sloeg in de VS enorm aan. Maar Shelby kreeg pas echt een eigen naam en faam toen hij een Engels sportwagenontwerp overnam van AC en daar een werkelijk schitterend presterende open en zeer aansprekende auto wist te maken. De Shelby Cobra was geboren en zijn brullende motorgeluid en de zwarte strepen op straat bij vol gas wegrijden waren legendarisch.

Voor het echte racewerk waren die Cobra’s ook wel geschikt, maar bij de echte grote wedstrijden kwamen ze net niet voldoende uit de voeten. Dus besloot Shelby een bijzondere reeks auto’s te bouwen die op zouden kunnen tegen de vooral Europese concurrentie. En zo werd de Daytona Coupe geboren. Gemaakt in 1964 en 1965 en voorzien van de basistechniek die ook al bij de Cobra Roadster dienstdeed. De prachtig vormgegeven auto’s kwamen wereldwijd in actie en deden het bijzonder goed. Shelby verhuurde zijn wagens aan teams die er goed mee uit de voeten konden en zo won hij niet alleen prijzen maar kreeg ook extra vermaardheid. Aardig is dat deze racewagens van het begin af aan prima deden.

Met name toen een ontwerper bij vliegtuigbouwer Convair de achterkant van de Daytona nog eens opnieuw uitvond en de wagen daardoor langer werd en aerodynamisch verbeterd. De Daytona’s deden een paar jaar lang prima zaken voor de autobouwer die Shelby uiteindelijk toch was. Er werden in totaal zes van deze supersnelle en fraaie auto’s gebouwd. Een groot deel daarvan bestaat nog steeds en staat in musea of privécollecties uitgestald. Als eerbetoon aan een man voor wie ‘normaal’ niet goed genoeg was. Het kon altijd sneller, beter, vooruitstrevender. Zijn naam leeft voort in de vele auto’s die hij (ver)bouwde en nog steeds hoog op verlanglijstjes staan van petrolheads die niets moeten hebben van batterijauto’s. Nee een Shelby is bijzonder…de Daytona de eredivisie van bijzonder! (Beelden: Internet)

Over bruggen vliegen…

Mijn leasevader was een bijzonder mens. Hij had meerdere karaktertrekken die je nu toch het beste als te negatief of wellicht speels zou kunnen omschrijven dan dat je er veel baat van had als hij trachtte ‘wijze levenslessen’ over te brengen aan ons zijn beide ‘’stiefzonen’. Hij kwam uit een gezin waar men in ‘goeden doen’ was toen hij het huis uit trok. De grootouders van die kant waren woonachtig in een chic huis aan de Amsterdamse Amsteldijk en hadden naast een auto ook een eigen boot. Overgehouden aan een ondernemend leven in beide vervoersvormen. Mijn stiefpa was dus van huis uit een automens. Ik heb het elders al eens vermeld, maar dit keer wil ik het vooral hebben over zijn uiterst bijzondere rijstijl. Gedurfd is een zwakke uitdrukking, sportief ook. Hij reed zonder te remmen bij ons de straat uit, immers hij kwam ‘van rechts’ en nam dan ook zijn voorrang als hem dat paste. Hij reed in of op alles wat maar gemotoriseerd was. Een fiets heb ik heb nooit zien gebruiken. Nee, motoren, auto’s, vrachtwagens, alles wat een motor had en een stuur werd door hem benut. Vanaf de prille jeugd herinner ik me die wagens ook. En als hij tussen door weleens bij een bedrijf werkte met een ‘vloot’ nam hij altijd een auto mee naar huis voor zijn eigen of gezinsbehoeften. Excuus was dat er even iets ‘getest’ moest worden.

Nu was dat bij luxewagens nog niet zo erg, het werd pas link als hij een truckje meenam. Zoals daar waren indertijd de Ford Thames Traders, Renault Gallions of een Commer of Leyland. Hij kon overigens echt goed rijden, al wilde hij nog wel eens onvoorzichtig zijn als het weer eens gezellig (..) was geweest in de buurtkroeg waar hij vaak zijn klantjes zocht en vond voor zijn ook al goed lopende autohandeltje.  Toen ik mijn huidige partner en echtgenote leerde kennen kwam die als jong meisje af en toe op bezoek bij ons thuis. Na ‘aangenaam verpozen’ wat in die tijd echt niet zoveel inhield hoor, was stiefpa dan wel bereid om haar even thuis te brengen in de auto. Zou je nu niet meer doen bij gebrek aan parkeerruimte in de van vergunningen en betaalpalen wemelende hoofdstad, maar toen kon dat nog. En dan stapten we met zijn drieën in de Renault, Ford of wat ook en lieten ons vervoeren. Steevast koos hij dan voor de route langs de Amstel die in dat oude centrum liep richting haar woonadres via een viertal erg hoge bruggen over dwarsliggende grachten.

En dan wisten we na enige tijd dat wat we ook vroegen of zeiden niet zou leiden tot een rustige rijstijl. Nee plankgas die brug op en dan bovenop de bolling ontdekken dat er twee voorwielen loskwamen. Hij gierde het dan uit van de pret en vond ons maar chagrijnen dat wij de lol er niet zo van in zagen. In een tijdperk zonder riemen op de stoelen van die wagens was het ook niet meteen groot vermaak voor ons. Nee, eerder angstwekkend. Toch leerde ik wel nadenken voor ik zelf kon rijden. Zo moest het dus niet. En dat heb ik wel altijd goed nageleefd zonder al te tuttig of voorzichtig te zijn geworden hoor. Ook ‘leuk’ was zijn avonturenzucht in Limburg. Weggentjes oprijden die normaal alleen met een beetje tractor te bereiken waren en dan maar zien hoever de Skoda, DKW of Hansa kwamen als je gewoon over het weiland van de boeren daar door bleef klimmen tegen hellingen van 10-15%…Tot de banden op de steile hellingen doorsloegen en we teruggleden naar het uitgangspunt. Mijn moeder vond het niks, maar sloeg stom van ellende als hij dat weer eens uitvrat. Ging het altijd goed? Nee natuurlijk. Heel wat schade was ons deel. En soms de werkgevers… Die er niet zo om konden lachen als hij zelf wel deed. Soms als ik weleens terugkijk in een oud album van toen zie ik zijn grijns en de blik die mij verwijt dat ik het niet zo snapte. Had ie gelijk in. We hadden duidelijk niet dezelfde genen…Maar daarover later nog eens meer. (Foto’s: Internet/Model-car-world.uk/Yellowbird)

Werken met een Taunus Kombi

VW Kever 1965Toen ik eind van dat bewuste jaar overstapte van de bancaire kantoorwereld naar die van de luchtvaartlogistiek zat daar vooral een weinig rationele motivatie achter. Namelijk om dichterbij de vliegtuigen te kunnen komen dan me tot dan als jong vliegtuigspottertje tot dan gelukt was. Nou, dichterbij kon bijna niet, want het werk dat ik ging doen was tussen, aan en in vliegtuigen. Het bedrijf waar ik ging werken had een tweetal statige kantoren in Amsterdam en Rotterdam en exploiteerde ook de nodige opslag- en entrepotloodsen. Schiphol was voor hen nieuw, luchtvracht een business waar men nog maar weinig in zag. Mijn chef van toen, de al eerder beschreven professional Ruud Breems, nam de handschoen namens het bedrijf op en werkte zich al een half jaar voor mijn aantreden daar een slag in de rondte.  Tijd voor assistentie en dat werd ik. Zo’n malloot als ik die voor een minimaal salaris wilde werken in een handel die nog van de grond moest komen maar heel arbeidsintensief was hadden ze nog niet aan het bureau gehad. En dus startte ik hoofdstuk twee van mijn carrière op het toenmalige Schiphol. In een oud kantoor aan de buitenste rand van een oude hangaar, met een 120m2 grote opslagloods naast ons en een bedrijfsauto voor de deur.

Ford Taunus 12M Combi 1965Die bedrijfsauto was een Taunus 12M Kombi. Loeisterk en voor die tijd nog ruim ook. Het was de auto van chef Ruud, maar hij diende ook als vervoermiddel voor het ophalen van pakjes of het wegbrengen daarvan. Nu had ik zelf nog geen rijbewijs, maar rijden kon ik genoeg oefenen op het Schiphol van toen. Een rijbewijs was daar niet nodig mits je maar op het terrein van de luchthaven  bleef. Maar voor buiten de poorten was een rood papiertje wel handig dus ging ik lessen in een VW Kever, de standaard lesauto uit die tijd. Er zat wel wat verschil in die twee wagens. De Kever had de motor achterin en stuurde redelijk licht. De Taunus was zwaar op het stuur door de voorwielaandrijving en een stuk groter maar ook stiller dan die VW. Na 10 lessen had ik mijn rijbewijs. En kon meteen aan de bak, want de klantenkring groeide gestaag en die auto moest kosten voor zgn. ‘bodediensten’ voorkomen. Ik reed me direct suf. Net als chef Ruud zelf die ook zijn steentje bijdroeg. De Taunus leed en sleet. Het pionieren kende zo zijn prijs.

Fort Tauns combiAl snel werd de witte Kombi vervangen door een veel minder praktische auto, een Taunus 12M RS. Sneller, moderner, maar niet ruimer. En toch reden we ook hiermee heel wat kilometertjes met lading in de bak of op de achterbank. Het waren fijne wagens voor zover ik me herinner. En ik leerde er goed door rijden. Toen we een VW-Busje kochten, hier ook al eens beschreven, werd de Taunus meer de ‘directieauto’ en moest die VW het zware werk doen. Wat was dat een opluchting. En gelukkig hadden we vrijwel allemaal met een Kever leren rijden. Dus dat busje kon iedereen op kantoor (we waren al naar acht man personeel gegroeid in drie jaar tijd) berijden. Zo simpel. Met dank aan die Kever-lesauto’s….en zeker ook aan die eerste ritten in de trouwe Taunus Kombi.