Boeren, burgers en buitenlui..

Boeren, burgers en buitenlui..

Terwijl het rumoer om de boerenstand in ons land, opgestookt door een linkse bakfiets of Teslarijdende elite uit stedelijk gebied, voortduurt, neem ik u even terug naar een tijdperk waarin het in hoofdstedelijke streken met name in de zomers lastig uit te houden was langs de nu zo bejubelde grachten. Stank, vuilnis, uitwerpselen, alles speelde mee om tijdens die vaak warme zomers met name de rijken naar buiten de stedelijke vesten te doen bewegen waar men zich vaak met het familiekapitaal achter de hand een ‘buiten’ deed bouwen met de nodige grond er bij.

Dan kon men zich landheer wanen of freule voor zover men zich de gewoonten van de toenmalige adel kon aanmeten. De koopmansfamilies van toen met het meeste geld zochten de boorden van de Vecht of de Amstel op, bij iets minder welgestelden waren er de boerenweteringen die vaak het watervervoer mogelijk maakten tussen agrarische gebieden en de stad. De huizen van die families waren veelal ruim van opzet, er zaten tuinhuizen bij en ze waren qua grondprijs niet te duur. Men leefde er de hele zomer lang en kwam dan in de winter weer terug naar de stad.

Die buitens hielden het relatief lang vol. Maar toen nieuwe arbeiders onze kant op kwamen, aangetrokken door de welvaart van de grote stad met zijn industrie en havens, moest er gebouwd worden. Met de buurgemeenten werden vaak lucratieve afspraken gemaakt en nieuwe stadswijken ontworpen waar de werkende klasse de plek ging innemen van boeren en buitenlui. De buitens het dichts bij de stad waren het eerst aan de beurt om het loodje te leggen. Die aan de Vecht of wat verder van de stad langs de Amstel bleven veelal gewoon intact en nu nog te zien.

Waar ooit sloten liepen bouwde men hele straten van kilometers lang. De huizen voor de arbeiders hadden zowaar vaak drie kamers, een gezamenlijk toilet op de binnenplaatsen en men vergat niet om af en toe wat groen aan te brengen ter verfraaiing van het geheel. Wie nu in de Amsterdamse wijken uit de 19e eeuw rondkijkt ziet wat ik bedoel. Boeren die moesten wijken voor nieuwkomers. Een fenomeen dat ook toen al opgeld deed. In het kader van de ‘vooruitgang’. Het model van nu, uitkopen of afpakken van grond en huis bij boeren anno 2022, mag je als een soortgelijke beweging zien. Stikstof het argument, maar goedkope grond voor de bouw van woningen t.b.v. nieuwkomers volgens velen de feitelijke reden. Een raadsel waarom daarover zo spastisch wordt gedaan door de politieke stromingen die er nu zo voor zijn. Wie weet levert het elders in het land wel net zulke (nu)aantrekkelijke woonwijken op als wij hier in Amsterdam zien als we een roze bril opzetten en door die lange straten van toen wandelen. Is dat niet het geval gaat het dus om leugens en bedrog. En snap ik die weerstand weer buitengewoon goed. (beelden: archief)

De Pijp…

De Pijp…

Een Amsterdamse wijk die van chique buurt naar volkswijk werd omgevormd en nu weer op weg is een van de vele yuppenbuurten van mijn stad te worden is de Pijp. In het zuidelijk deel van de stad gelegen kent deze wijk een bewogen historie die deels ook is verbonden met de geschiedenis van de buurgemeenten Ouder- en Nieuwer-Amstel. En met de naamgevende Amstel die aan de oostelijke kant deze wijk vol verschillende culturen nog steeds tot grens dient. De Pijp was ooit wat beperkter van omvang dan hij nu bestuurlijk is verworden. Stadsbesturen en deelraden maakten dat sommige straten het ene moment in Oud-Zuid behoorden te liggen, dan weer toegevoegd werden aan de Pijp.

Hoe dan ook, ooit was het grondgebied waar de woonwijk van nu al ruim 150 jaar op te vinden is gelegen in buurgemeente Nieuwer-Amstel. Een gemeente die ooit zelfs het bestuurlijk beheer uitoefende over heel Amsterdam, maar dit terzijde. Dat Nieuwer-Amstel kende wat agrarische bebouwing, sloten, vaarten, maar ook op enig moment de nodige luxe buitens. En die werden vaak bewoond door wat welvarender Amsterdammers die de toen nog veelal stinkende stad met haar vol vuilnis en kadavers gestorte grachten ontvluchtten en hier buiten de Veste Amsterdam hun heil zochten. Grond kostte nog niet zo veel, en zo kochten veel van die lui een landgoed dat soms wel een kilometer of 2 lang en honderden meters breed was.

Daarop verkavelden ze dan stukjes grond ten behoeve van kleine ambachtslieden die daar dan weer een kleine nering van wisten te maken. De patronen van de latere straten werden bepaald door de zandpaden en sloten die in dat hele gebied de verbinding verzorgden tussen Amstel en Boerenwetering die weer tussen stad en Haarlemmermeer afwatering verzorgde. Toen de stad Amsterdam groeide, de nieuwe economie met haar havens en handel in de 19e eeuw deed de stad opbloeien als nooit eerder, trok dat ook mensen aan van heinde en verre. Vaak immigranten uit de provincie. Drentenaren, Friezen, Groningers. En die wilden uiteraard net als nu allemaal een huis.

De parallel met nu is daarbij extra opvallend. Het toenmalige stadsbestuur zag wel iets in de expansie van de stad naar het zuiden toe en liet haar oog vallen op het gebied waar juist die rijkere Amsterdammers bij de buren onderdak vonden. Maar doordat het die rijkeren intussen minder goed ging en het proletariaat het steeds beter had, werd de strijd tussen de buurgemeenten uiteindelijk gewonnen door Amsterdam. Verkoop en ruil van grond en goederen maakten het gebied beschikbaar voor bebouwing met ellenlange straten vol etage-woningen. Veelal gelijkvormig en in hoog tempo gebouwd. Molens die tot dan de boeren dienden of de polders droog hielden werden gesloopt. Wetering werd gracht, de Amstel ingedamd.

Waar het kon behield men de oude bebouwing met name langs het water overeind, maar de tussenliggende straten volgden het patroon van veel voor weinig. De smalle straten, de redelijk kleine etagewoningen, winkels, handel, alles werd ingebakken in de wijk die door die smalle straten al snel de bijnaam De Pijp verdiende. Ambachtslieden, mkb-ers, arbeiders. Katholiek en protestants door elkaar, een levendige wijk. Goede scholen verrezen, een giga-kerk van Cuypers, de St.Willibrordus buiten-de-Veste en een nieuwe brug over de Amstel die Zuid en het ook al uitgebouwde Amsterdam-Oost met elkaar zouden verbinden. Begin 20e eeuw was de wijk af en zette Amsterdam stappen richting het volgende project dat door Berlage op poten zou worden gezet, het chiquere Nieuw-Zuid.

De scheiding van de Pijp en de rest van Zuid kwam eerst te liggen bij de huidige Tolstraat, later bij de Jozef Israelskade. De huizen totaal verschillend van elkaar, de huren ook van een andere orde. Na de Tweede Wereldoorlog was De Pijp nog een eldorado voor de arbeidersklasse en middenstand. Maar na de jaren zestig raakte de boel er in verval. Panden werden slecht door matig onderhoud en uitwoning. Oorspronkelijke bewoners weggetrokken, immigratie deed zijn invloed gelden. Dit keer van mensen uit andere landen en culturen. Verpaupering werd in de jaren 70/80 eindelijk stevig aangepast. Vernieuwde huizenblokken, de winkeliers verdwenen, veel garagebedrijven vertrokken. De lange straten werden rustiger van aard. Horeca kwam er voor in de plaats. Jongelui kochten beschikbare etages en knapten die op. De wijk weer levendiger, zelfs een beetje neo-chique. Wie er nu loopt ziet de veranderingen. Een leuke wijk met oude invloeden, nooit bedacht door de bouwmeesters van toen, want deze huizen en straten werden nooit gebouwd voor de eeuwigheid. En dat was bij sommige panden ook te merken. Bekende namen van bedrijven verdwenen. De hoofdstraten nu vol coffeeshops (echte, geen hash..) uitheemse groentenwinkels en bloemisten. De lange zijstraten winkelloos. Maar voor jongeren toch een leuke wijk. Helaas, ook hier…peperduur. Beetje etage van 45m2 kost je tegenwoordig 3.5-5.5 ton in Euro’s. Net of je terugkijkt in de tijd. Maar wel een wijk die een bezoekje waard is als je in onze stad op bezoek bent. (Beelden: archief)