Kamperen…

Nu geen middel onbeproefd lijkt om ons met zijn allen in eigen land vakantie te laten vieren en we bepaalde buitenlanden niet meer mogen of kunnen bezoeken, lijkt het er op dat veel mensen de tent weer in ere doen herstellen en daarmee op stap gaan. Je kwakt zo’n ding zo achterin je auto of op het dak, dan wel in de overhaast aangeschafte aanhanger, en hup…op weg naar Texel of Vaals. Ter plaatse lekker uitpakken, je tentje opzetten (uuuuuren werk) en dan maar hopen dat het niet gaat regenen of dat je net die ene plek uitzocht waar ook een op grasniveau gebouwde wereldstad te vinden is vol bosmieren of steekmuggen. Dan ga je koken op een gasstelletje, of je neemt je Action-bbq en doet je best om dat aan het branden te krijgen. Elke keer dat je moet toiletteren loop je langs tientallen andere tentbewoners naar het vaak centraal gelegen sanitaire gebouwtje waar het natuurlijk altijd stinkt en plakt. Ook het eventuele douchen mag je daar doen. De uitzonderingen daargelaten is dat het beeld wat ik zelf kreeg van campings of wat daar voor doorgaat.

En ik heb het niet van een vreemde. Ooit, in mijn vroege jeugd, besloten mijn ouders dat een kampeervakantie wellicht een leuk (en betaalbaar) idee was met de kinderen samen. Nou, die kinderen waren klein, maar zagen er weinig in. Toch werd met een geleende tent het plan doorgezet en stonden we na een paar uur (door)rijden in het Limburgse Berg & Terblijt in een boomgaard tussen andere tenten te genieten van de kwetterende vogels en het lekkere weer. Ik ruik nog het spiritusstelletje waarop werd gekookt en de vriendelijke glimlach van mijn moeder die vond dat het eigenlijk wel meeviel met dat gevreesde gebrek aan comfort. We hadden nog niet geslapen natuurlijk. En dat kwam er ook niet van want midden in de nacht brak een onweer los dat het midden hield tussen een wolkbreuk en het einde der tijden. Omdat mijn leasepa ook niet meteen een kampeerder was had hij geen gleuven gegraven rond de tent, dus stond binnen de kortste keren het water op het grondzeil.

Drijfnat werden we. En wij kinderen mopperen. Gelukkig mochten wij in de auto slapen, wat we graag deden. Die was tenminste droog en veilig. Mijn ouders hielden het nog even hozend en gravend vol. Maar ‘gek genoeg’ werd de volgende dag, het was opnieuw prachtig zomerweer geworden en de tent weer snel gedroogd, besloten dat de kampeeroefening voorbij was en checkten we in bij een fraai maar best prijzig hotel in Valkenburg. Nu werd de glimlach van ma toch een stuk groter en mijn leasepa vond alles best als hij maar niet weer in die tent hoefde. Sindsdien was kamperen geen enkele optie meer. Altijd in hotels of logementen waar je comfort kreeg en lekkere ontbijten. Er werd een jaar lang voor gespaard, maar dan had je ook wat. En ik nam die gewoonte over. Meer dan mijn oudere broer die altijd iets is blijven houden met dat avontuurlijke van kamperen. Met de tent of caravan, hij smult er van. Ik niet, voor mij is het een gruwelijk idee als er geen bunkerachtige betonlaag zit tussen mij en de buitenlucht tijdens een verblijf in een ander dan mijn eigen bed. Nu ben ik op dat punt een lastige slaper, maar veel hotels bieden me voldoende comfortabele bedden en rust dat het alsnog na een tijdje lukt. Kortom, zoals ik al aangaf in mijn blogverhaal over tripjes (19-6-20), ik ga voor de steden en de hotels. Kort maar krachtig, en vol comfort. Het mag iets kosten, maar dan denk ik er ook vaak met meer plezier aan terug dan rond dat kamperen. Niks voor mij. Wie er wel van houdt moet het maar zeggen. Ik lees met plezier…of afschuw….Net hoe de pet staat….(Beelden: Internet/Archief)

Apenvirus…

Terwijl we in deze maand een beetje bij komen van de pandemie die afgelopen half jaar over de wereld raasde en niet alleen een gezondheidsrisico voor iedereen in zich had, maar ook een economische crisis met grote gevolgen, is het goed om eens te kijken naar een ander virus dat wij als mensen nog steeds niet hebben kunnen bedwingen. Wel de gevolgen, niet de infecties. Ook al zou dat laatste wel moeten. Het waarom ligt vast in veiligheidsmaatregelen. In dit geval bij intermenselijk verkeer. Of dat nu geslachtelijk is of via bloedtransfusies. Want dit virus verspreidt zich langs de wegen van het lichaamsvocht. HIV (Human Immunodeficiency Virus) heet het en het stamt volgens de moderne geschiedschrijving over dit onderwerp uit Centraal Afrika waar het te vinden is in apen. In de jaren zeventig en vooral tachtig sloeg het ongenadig toe in bepaalde gemeenschappen. En net als bij het huidige COVID-19 virus ging het vanuit slechts een enkel persoon heel snel. Het waarom zat ook in de manier waarop mensen indertijd leefden. De seksuele moraal was erg veranderd, we wisselden sneller van partner en we lieten ook actieve homoseks toe.

En dus springt het virus mee met al dat vocht dat wij mensen daarbij rond sproeien of via ons bloed en nestelde zich in de volgende mens. Zonder dat de dragers het merkten. En die brachten dat dan weer over op anderen. Vanuit Afrika trok het virus naar Haiti, van daar naar Amerika. Binnen de kortste keren sprong het van de een op de ander. Raakte ook mensen die aan de drugs waren en vervuilde spuiten gebruikten. Man/man, maar zeker ook man/vrouw-contact op seksgebied de primaire verspreidingsvorm. Het waarom er zo weinig mee werd gedaan zit vooral in de gluiperige aard van dit specifieke virus. De ziekten die het veroorzaakt komen pas na een jaar of tien naar buiten. En dan is het eigenlijk oncontroleerbaar te laat. Het virus trekt je hele immuniteitssysteem aan stukken en een simpele keelontsteking kan al dodelijk zijn. Patienten die ziek werden kregen de verwante ziekte AIDS en hadden meestal nog maar heel even te gaan voor ze er bijzonder pijnlijk aan overleden. We kennen allemaal nog wel de ernstige beelden van vermagerde slachtoffers met de meest vreselijke kwalen, overdekt door vlekken en zweren.

Je ging er akelig lijdend aan dood. Het antwoord van de medische wetenschap liet even op zich wachten. Eerst vond men het een typisch Afrikaans probleem, later een homoprobleem, dan een voor de drugsscene, maar toen men er echt eens voor ging zitten bleek dat het toch wel een paar miljoen mensen wereldwijd bedreigde in het voortbestaan. Met name in de homoscene woedde AIDS als in een bos vol droge brandende bomen. Ook bekende mensen werden getroffen, Hollywood en de artiestenwereld sidderden. Gelukkig heeft men sindsdien niet stil gezeten. Men vrijde veiliger met condoom voortaan, nam properheid in acht bij die drugsspuiten, er werd veel meer getest en uiteindelijk kwamen er geneesmiddelen om de stap van HIV-geinfecteerd naar AIDS af te remmen of zelfs te stoppen. Ellendig genoeg is daarna een sfeer ontstaan waarin HIV zelf als minder erg wordt ervaren omdat er pillen tegen zijn. Onveilig vrijen kwam weer voor, niet alleen in de homoscene, zeker ook in het oorsprongsgebied; Afrika. Daar is het nog steeds een grote bedreiging voor de volksgezondheid.

Zeker ook omdat men de meest wonderlijke culturele gedragsregels hanteert. Vrije seks is iets wat kennelijk moet en ontmaagden van jonge meiden als middel tegen AIDS komt er nog steeds voor. Overigens stamt dit virus al van heel erg lang geleden. Bij dieren zelfs al miljoenen jaren oud. Verwanten van het HIV-virus vond men in oude kadavers van muizen en kon men traceren tot de tijd van ver voor de huidige primaten. En al die tijd bleef het onopgemerkt. Tot we ineens in contact kwamen met wilde dieren die het bij zich droegen. En daar vinden we meteen de parallel met het huidige COVID-19 virus. We hebben nog lang niet door welke gevaren er nog schuilen voor ons mensen op microscopisch niveau. Wellicht goed om daar toch nog eens over na te denken…(Beelden: Internet)

Werken op Schiphol – 13 – Spel van harde vingers…

Wie mij nu nog hoort of ziet hameren op toetsenborden van computers of laptops zal al snel constateren dat ik nog behoor tot de generatie van de mensen die op een typemachine hebben gewerkt. Dat deed ik al in mijn bankjaren, waar ik profijt had van mijn op school behaalde typediploma (Katholiek onderwijs kende zo haar praktische kanten), en waardoor ik ook zoveel eigen magazines had kunnen maken. Keurig met tien vingers tikken en met een wat lichte touche van de toetsen. Dat werd op Schiphol heel anders. Airwaybills met iets van 20 kopiebladen, certificaten met carbonpapier er tussen, manifesten en noem maar op. En dat alles op oude schrijfmachines die we veelal beschikbaar hadden gekregen van de andere kantoren. Hermes (met de groene toetsen)het preferente merk voor die machines. Ze tikten fijn, maar een ferme aanslag was dus nodig.

En in de snelheid van werken was er geen tijd voor gevoeligheden. Rammen dus, en snel ook nog. Al snel was tien vingers geen optie meer. De wijsvingers deden het werk, hard en bekwaam, de duimen voor de spatiebalk. Door de jaren heen werden die machines beter. En er was een soort hierarchie ten aanzien van gebruik. Toen het aantal mensen op kantoor toenam schoven de oudere machines door naar lagere functies, de nieuwste exemplaren waren ofwel voor de afdelingschefs zoals ik, of voor de (later aangetrokken) secretaresses. Voor het tikken van brieven of speciale bankdocumenten was die harde aanslag niet zo goed. Moesten foutloos en je mocht ook geen letters uit het papier rammen. Er waren er bij die dat heel goed beheersten. Ik niet. Snelheid had mijn voorkeur. Nou dat lukte aardig.

En bedenk je maar eens dat je indertijd heel wat te tikken had. Ik heb al eens aangehaald wat je voor de beoefening van dit vak nodig had aan documenten. Een aparte vorm was de zgn. consolidatie-zending. Daarbij zette je dan een grotere zending op richting een populaire bestemming, denk aan New York of zo, en verzamelde lading voor die trip van diverse verschillende klanten. Dat bouwde je dan op tot pakweg 500 kg totaalgewicht, verdeeld over 10 zendingen. Dan zette je een Master-Airwaybill in elkaar, een Manifest en toen verschillende House-AWB’s die veelal de naam droegen van het bedrijf waar ik toen werkte. Je kocht die 500kg in als General Goods bij de airline die het mocht vervoeren, kreeg daarvoor een kilotarief van pakweg 8 gulden de kilo en verkocht die via HAWB’s dan weer voor 9,50 per kilo of zo. De klant had groot voordeel, immers het tarief voor 25 kilo naar de VS lag eerder bij de 25 gulden per kilo dan in de buurt van die door ons geboden kiloprijs.

Maar je verdiende er zelf ook lekker aan. Maar moest er ook het nodige voor doen. In totaal 11 Airwaybills maken. Want elke klant zijn eigen leveringscondities, soort goederen, en dus ook aparte douane-dokumenten. Was je wel even mee bezig en alles op die schrijfmachine. Mijn collega’s op Import deden alles net even anders, maar hadden dan weer afleveradressen in ons land waar ze soms naast een beurtvaartadres ook een kostennota voor moesten maken. Het getik op al die Schipholse kantoren was niet van de lucht. In de jaren zeventig ontstond er wel een evolutie op gebied van schrijfmachines trouwens. Ze werden elektrisch. Dat hielp om niet alleen sneller te werken, de aanslag was ook veel geleidelijk. Daarnaast ontstonden de nieuwe IBM-machines met het slimme ‘bolletje’ waarmee je niet alleen lekker kon werken, maar ook het lettertype kon wisselen, als je een andere bolletje bijbestelde. In mijn nadagen op Schiphol (waarover later meer) kwamen er machines met een magneetkaart in gebruik. Dan tikte je alles op die kaart, zette die later in een vooraf geprogrammeerde lay-out vast in een kastje naast de schrijfmachine en die deed snel en los van jouw vingers zijn werk. Ik maakte er zelf nooit gebruik van maar het bedrijf was er voor brieven en andere officiele zaken gek op. Later, ik zat al in de auto’s, vond ik dat je zo min mogelijk moest schrijven en zo veel als kon uittikken. Dat maakte de administratie duidelijker en netter. Maar daartoe moest ik zelf mijn eigen oude schrijfmachine meenemen naar dat toenmalige kantoor. Maar dat is een ander verhaal….en al eerder verteld. (Beelden: Yellowbird collectie)

Echte schandvlek…

Toen Columbus met zijn vloot van vrij kleine schepen op ontdekkingsreis was en hoopte via de westelijke zeeroutes, tot dan onbekend, want de aarde was toen immers nog plat…, naar Indie te varen, werkte zijn ‘kompas’ minder goed dan gedacht en kwam hij terecht in wat we nu Zuid-Amerika noemen. Hij wist zeker dat hij op de juiste plek landde en was verbaasd over de mensen die daar rondholden. Veelal in bonte kledij, soms half naakt. ‘Wilden’ vanuit zijn katholieke optiek en al snel tot ‘Indianen’ omgedoopt. Dat deze lieden niet wild of achterlijk waren bleek wel uit de geweldige geschiedenis van die volken. De Azteken en zo meer. Zowel de Spanjaarden als Portugezen gingen later graag nog eens buurten en brachten het voor hen belangrijke heilige geloof van Rome tot in de verste uithoeken van het nieuwe continent aan de man en vrouw. Wie vasthield aan zijn eigen cultuur of geloof kon rekenen op kerstening of erger. Samen met de uit Europa overgebrachte ziekten decimeerde men zo de oude volken tot een minimaal bestaan.

In het deel van de Amerika’s wat we nu de V.S. noemen en Canada kwamen ook de andere Europese ‘beschavingen’ even kijken en namen stukje bij beetje lappen grond in bezit die kennelijk van niemand waren. De lokale ‘Indianenstammen’ werden niet gezien als eigenaren van de grond en al snel werd Noord-Amerika toegevoegd aan o.a. het Britse Koninkrijk. Een paar stukjes kwamen nog wel in handen van andere staten, daaronder Nieuw Amsterdam dat door de Nederlander Peter Stuyvesant werd ontgonnen tot een handelsvestiging. Ook de Fransen maakten delen van het nieuwe Amerika buit. En de nieuwe bewoners die door de eeuwen heen die kant op trokken vochten stevige conflicten uit met de lokale bevolking. Sioux, Cherokee, Pawnee etc de verengelste namen voor die volken. Het ene volk was daarbij wreder ten opzichte van de Europese pioniers dan het andere.

Cowboys en Indianen. Tot niet te lang geleden was de keuze waar je uit verhalen over die gevechten sympathie voor had simpel. Die enge roodhuiden waren wreed en die arme gezinnen die vanuit Engeland of Ierland daar heen trokken om een nieuw bestaan op te bouwen en de Heer te dienen natuurlijk alleen maar van het goede doordrongen. Toen de V.S. een eigen staat waren geworden en een federaal leger op trok tegen de Indianen ontlokte dat een grote burgeroorlog die in het wrede nadeel van de oer-bewoners in het land werd beslecht. Zij werden steeds meer teruggedreven naar reservaten waar ze in hun eigen cultuur mochten samenleven zonder met de andere bewoners van het land in aanraking te komen.

Die als het zo uitkwam, graag knabbelden aan die reservaten om zo hun land en macht nog wat verder uit te breiden. In het huidige Amerika is de Indiaanse bevolking nog steeds te vinden. Met een vergrootglas, dat wel. En men behandelt die lui echt als tweederangs inwoners. Als je dus weer meeloopt in demonstraties voor de zwarte bewoners in de VS die zo slecht worden behandeld door de politie(wat je daar ook van moge denken of vinden), wellicht ook goed om nog eens mee te nemen in de besluitvorming dat juist die oerbewoners van Amerika alle rechten en reden zouden hebben om eens goed te demonstreren en om geweldige schadevergoedingen te vragen. Wat ook geldt voor andere oerbewoners van gebieden op aarde waar ooit in hun geschiedenis ontdekkingsreizigers hun voet aan wal zetten. Soms heb je de geschiedenis nodig om het heden te duiden. Zonder vervalsing, met open ogen, en een dito instelling. Je schrikt dan denk ik van de gevolgen van al dat exploreren. Overigens zonder alleen naar het zgn. witte ras te wijzen. In vroeger jaren was ontdekken wat elders te vinden (of te halen) was normaal bij vele volkeren. Al waren die Europeanen over het algemeen wel grote zeevaarders. En daar begon niet alleen de triomf, ook de ellende….voor anderen! (Beelden: Internet )

Lekker…

Veel van wat we zoal ‘lekker’ vinden baseert zich op ervaringen uit de jeugd. Werd je opgevoed met stamppot of rauwe groenten zal je dat vast op een bepaalde manier als lekker omschrijven. Wellicht ook omdat de kookkunsten van je moeder (of vader naar gelang de huishoudelijke indeling) goed of minder werden beoordeeld. Ik heb mijn voor/afkeuren daaromtrent al eens gegeven hier en kan je verzekeren dat ik veel van ‘toen’ nu als niet lekker omschrijf. Nog steeds. Wel lekker vond ik patat friet, toen een noviteit, of Chinese nassi. Mijn moeder was goed in de kippensoep, dus die vind ik nog steeds het lekkerst als ik een soepsoort mag kiezen. Ik was niet zo van de snoep, wel van de chocolade. En dan van de pure soort. Nog steeds een passie. Maar ik weet dat anderen een totaal andere smaak volgen. Zo ken ik mensen die op een boterham pindakaas smeren (brrr) en daar hagelslag overheen mikken. Of kaas met frietsaus. Mijn leasevader had ook zo zijn eigenaardigheden. Zo smeerde hij zijn brood soms met boter, strooide daar hagelslag overheen en dan weer een lading boter.

Het was een soort gebakje. Ik heb het lang op dezelfde manier nagedaan. Heerlijk. Maar natuurlijk ook dik makend. Dat gold ook voor zijn ontbijt. Hij nam dan de keukenmixer, gooide daar twee stuk geslagen eieren in, suiker en wat melk (en in zijn geval een cognacje) en zette die mixer aan. Dronk dan in een keer al die zaken op en kon er tegen voor de ochtend. Zwaar werk, dus altijd behoefte aan wat versterkends….Of zoiets. Zonder die cognac vond ik dat ook een lekkere start van de dag. Maar na de jeugd nooit meer gedaan. Lekker vind ik nu de na mijn huwelijk leren eten zaken als wat vrouwlief kookt, ingegeven door ervaringen bij haar thuis. Uit een familie afkomstig waar vrouwen gewoon goed kookten en smakelijk. Groenten waar ik voorheen omheen liep, of met grote afschuw naar binnen harkte, eet ik nu met smaak op. Wat  bleef op ‘lekker’ gebied is mijn voorliefde voor friet. Ik zie dat nog steeds als een traktatie. Of dat geweldige broodje kroket van Kwekkeboom in Amsterdam.

Aangevuld door vele zaken die ik door de jaren heen leerde eten. Maar o wee als ik ergens anders te gast ben en hoor wat men daar lekker vindt. Veelal weinig vrolijkmakend voor iemand met een eigen interpretatie van ‘lekker’. Iedereen kookt weer anders, en soms bevalt de smaak me beter dan anders. Ik prijs mij (om diverse redenen) gelukkig met mijn schoondochter die ongeveer elk kookboek uit de hele wereld bezit en telkens weer in staat is om me te verrassen met iets bijzonders. Soms moet ik even ‘blussen’, maar veelal kom ik toch aardig voldaan van tafel na een opnieuw geslaagd maal met voor/nagerecht. Ik bezit (nou ja…) wat vriend(en)innen die ook geweldig kunnen koken, en ook daar is het dan een feestje om uitgenodigd te worden voor een maaltje. Lekker komt in vele vormen en smaken. Ben benieuwd wat jullie als mijn lezer(essen)s hierbij naar boven weten te toveren…Zoveel mensen, zoveel smaken en meningen uiteraard. (Beelden: Yellowbird archief)

Vurig submerk van Chrysler – Desoto!

Ik denk dat heel wat lezers bij het zien van dit merk geen benul hebben dat het ooit heeft bestaan. Toch was het een van de dochtermerken binnen de Chryslergroep, waartoe ook Dodge en Plymouth behoorden. Het merk had geen eigen geschiedenis. In 1928 werd het door Chrysler opgericht om een paar gaten te vullen die Chrysler zelf dacht niet op te kunnen vullen. Desoto’s waren per definitie goedkoper dan wagens van het moedermerk. Maar ze boden min of meer dezelfde techniek en uitrusting. Dus zag je na WO2 toen het merk nog een zekere bloeitijd kende wagens als de Suburban die in feite een Chrysler was maar dan met extra zitruimte achterin wat hem zeer geschikt maakte voor taxivervoer van/naar vliegvelden of hotels. In die rol zag je ze dan ook vaak rijden.

Voor het meer normale kopersvolk was er de vergelijkbare Custom die een normale inrichting te bieden had. Uiterlijk kon je deze wagens slechts via de grille onderscheiden van een Chrysler. En zo ging het met DeSoto verder tot 1952, toen Chrysler toestond dat ook een Desoto geleverd kon worden met een V8-motor wat de verkopen direct deed stijgen. En om dat feit te vieren kregen Desoto’s voortaan type-aanduidingen waarin het woord Fire werd opgenomen. Firedome, Fireflite etc. Vanaf 1955 kreeg je ook de optie dat men de  auto in twee kleuren kon spuiten, een jaar later verschenen ook bij dit goedkopere Chryslermerk kleine vleugels op de achterschermen.

Het einde kwam al in zicht voor het merk toen men de Firesweep uitbracht, een extravagante auto die in feite niet veel meer was dan een Dodge met een wat aangepaste buitenkant. Ook gebouwd op de productielijnen van Dodge trouwens. Diens opvolger was zo mogelijk nog uitbundiger van vormgeving, kreeg vleugels als van een vliegtuig en motoren die bij de 300pk aan vermogen leverden. Maar onderhuids was het gewoon allemaal Chrysler en ook de prijsverschillen waren minimaal. Fireflite heette de auto en voor liefhebbers van klassieke Amerikanen was het prachtig voorbeeld van een tijdperk waarin het maar niet op kon in de VS.

Maar voor Desoto was het einde in zicht. Chrysler onderkende dat de toegevoegde waarde van het submerk te klein was om er een aparte divisie voor op de been te houden en sloot in 1961 de productielijnen. 32 jaar had het bestaan. Nu is het nog een voorbeeld van hoe in autoland ‘badge-selling’ voordelen biedt, maar zeker ook nadelen heeft. En een merk zonder echte geschiedenis toch altijd een wat gemaakt imago zal houden. Overigens zijn oude Desoto’s nog best in trek bij klassieker-liefhebbers die er grif geld voor betalen. Moet je wel even rekening houden met de dorst van die wagens natuurlijk. Want daar lette men indertijd wat minder op. (Foto’s: Internet)

Banvloek en gekwetsheid..

Wie in vroeger tijden niet deed of uitsprak wat de machthebbers van hen wilde of afdwong, kon rekenen op vervolging en eventuele banvloek. In dat laatste geval was je niet meer welkom in de kerken en wist je zeker dat het Hemelse rijk later niet voor jou beschikbaar was. Een dwangmiddel dat schrik aanjoeg. Wie tegenwoordig andere meningen verkondigt dan een bepaalde elite wil horen, mag rekenen op ongeveer hetzelfde. Maakt niet meer uit wat je verder voor goeds doet of zegt, de politieke en publieke banvloek treft je. Wilders en Baudet sprekende voorbeelden. Opmerkelijk daarbij dat vooral het zichzelf christelijk noemende CDA daarbij een dubieuze rol speelt. Zeker als je bedenkt dat ze als partij niet wil samenwerken met genoemde politici, maar aan de andere kant vrolijk coalities smeedt met het communistische GroenLinks of het anti-democratische D66. De dubbele moraal is stuitend.

Maar ook een persoonlijke banvloek kan een dingetje zijn. Soms kom je dat tegen tussen familieleden. Bert van Leeuwen met zijn geweldige programma (vind ik) ‘Het Familiediner’ moet dan zaken oplossen die soms jaren spelen en waarbij geen van de twee partijen ook maar een kleine stap richting de ander wenst te doen. ‘Mijn deur staat altijd open, maar eerst excuses’ een veel gehoorde kreet. Vaak krijgt de programmamaker het weer voor elkaar om de partijen aan tafel te zetten, maar het gaat ook wel eens mis. De banvloek uitgesproken en geen behoefte meer aan contact. Het blijft schuren. Zeker ook omdat je als mens zou moeten beseffen dat het leven niet oneindig is. Ook al denk je dat wellicht als je 30,40 of 50 bent. Ook opvallend, die conflicten spelen zich juist vaak af in christelijke gezinnen of families waar men toch de normen en waarden van de Heer als uitgangspunt nam of neemt. Vergeving zit kennelijk dan wat minder in de genen. En die genen kom je ook tegen onder vrienden. Soms gaat dat jaren goed, en dan ineens….over en uit. Net als bij partners voor het leven. Gelukkig getrouwd, tot de koek op is en een verliefdheid elders een einde maakt aan de sleurvolle droom die sommige relaties kenmerkt.

Na de scheiding komt de banvloek. Ik maakte dat zelf ooit mee als kind en weet hoe dat is. Gescheiden ouders en een verbittering aan de kant van de ouder die met de kinderen achterbleef. Banvloek het gevolg. Je wordt er niet vrolijker van. Het gesprek aangaan is meestal toch de beste weg. Maar er zijn uitzonderingen. Ik maakte ze vooral werktechnisch mee. Mensen die je zo kwetsen of kapot maken dat je niet anders kan dan de banvloek uitspreken. Nooit meer wil zien, of spreken. Onlangs overkwam me iets wonderlijks. Een van die mensen uit een werkverleden, nog steeds boos makend hoe ik daar werd behandeld, liet ik verder 30 jaar lang compleet met rust. Ik wilde hem/haar nooit meer zien. Te gekwetst, te trots om dat toe te geven, nu voor het eerst. En dan ineens op Linkedin een contactverzoek. Ik kon het eerst niet geloven, maar bleek serieus bedoeld. Nee, ik kan en kon dat niet opbrengen. Dus toedeledokie. Weg ermee. En anderen blijven achter een ban zitten. Geblokkeerd omdat ze beledigende teksten uitten of zo op de persoon speelden dat het niet meer fatsoenlijk was. Of die vriendin die bij haar afscheid zoveel verwijten maakte en zo weinig invoelend bleek dat het bijna verdriet deed. Banvloek. En let op, wie nu verkeerd reageert op mijn verhaal riskeert ook…..Dus doe je best om het leuk te houden. (Beelden: Internet)

Smiley-geluk…

Amerikaanse formule voor een tv-serie…..Je pikt iemand uit om een grap mee uit te halen en doet bijvoorbeeld net of een levend iemand in een doodskist naar het crematorium wordt gebracht, deze daarop verwoede pogingen doet om uit die beperkte ruimte te komen voor het echt fout gaat en de hoofdpersoon daarbij alles en iedereen beweegt om de procedure te stoppen. Op het allerlaatst lukt dat, die hoofdpersoon zowat in shock en met een  half hartinfarct achter latend. ‘Smile…you’re on Candid Camera’. En dan allemaal lachen. Want we moeten altijd vrolijk en gelukkig zijn. Whatever happens. Nou, dat is niet iedereen gegeven. Zelfs de meest chronische optimisten zijn soms een keer somber. Ik ben er zo een. Eigenlijk altijd op zoek naar oplossingen of het positieve van een situatie. En ik heb heel wat van die momenten gekend dat het optimisme even plaatsmaakte voor ….wat moet ik nu? Of dat de lach plek maakte voor tranen. Dips waren voor mij regelmatig gewoon in het verleden. Meestal op maandag, de meest ellendige dag van de week, zonder overigens een aanwijsbare oorzaak. Soms, als ik nog wel eens (zeldzaam geworden) somber heb ik een paar uur nodig om de weg terug te vinden op het pad naar de lach of het licht.

Maar ik realiseer me tegelijkertijd dat veel mensen niet zoveel reden hebben om te lachen. Gezondheid kan een reden zijn om je vrijwel altijd zorgen te maken. Of een diepe economische depressie die zorgt voor werkloosheid of onzekerheid. Rond deze coronacrisis kan zelfs een combi van deze ellende veroorzaken at de gemiddelde lacher toch even de hoop verliest op betere tijden. Op TV komen ook andere series voorbij. Sommigen daarvan laten mensen zien die van 30-50 euro in de week rond moeten komen. Veelal met een gezin. Oorzaak zijn schulden of scheidingen. Bij veel van die lui zie ik dat men doffe ogen heeft van het zoeken naar kleine stukjes geluk. Veelal eerder voor hun kinderen dan voor zichzelf. Geluk dus niet standaard voorhanden, je moet er voor werken. Je moet er geluk voor kennen, maar niet iedereen is voor het geluk geboren. Gouden lepels of wiegjes met gouden dekens zijn slechts aan weinigen voorbehouden.

Kortom ook met minder moet dat geluk te vinden zijn, mits je mensen om je heen hebt om van te houden, dieren om te knuffelen, en net voldoende geld om de boel draaiend te houden zonder zorgen. En dat alles in goede gezondheid. Dat staat los van karakterstructuren natuurlijk. Want je hebt ook geboren pessimisten. Elke wolk aan de hemel zorgt voor regen bij hen die zo geboren zijn. Zij weten ook zeker dat de hele wereld tegen hen is en doen al op voorbaat negatief over alles wat op hun pad komt. Ook op sociale media kwam en kom ik die mensen zeker tegen. En als ze al geen kwalen vertonen bedenken ze die wel om  maar ongelukkig in een hoekje te kunnen wegkruipen. Soms zou je willen dat al die lieden eens kennis konden maken met die Amerikaanse tv-makers….Smile….You’re on Candid camera. Wie zich herkent mag het zeggen. Ik blijf echt glimlachen. Zolang ik dat nog kan want optimisme maakt toch gelukkiger dan al dat negatieve gedoe… (Beelden: INternet)

Werken op Schiphol 12 – Rangen, standen en andere zaken…

Indertijd was het niet gewoon om de qua functie boven jou gestelde aan te spreken met ‘je en jij’. De dingen moesten nog veranderen op dat punt, maar mijn basis was toch ook die bank waar ik vandaan kwam en daar hield men zeker niet van over de grenzen van de beleefdheid heen gaan. Ruud Breems was dus voor mij gewoon ‘Meneer Breems’. Niet voor niets 20 jaar ouder dan ik en teven mijn chef. Voor de hogere heren in Amsterdam en Rotterdam was ik ook niet ‘mijn voornaam’ maar gewoon ‘Meninggever’. Oftewel, je werd bij je achternaam benoemd. Meer mocht je ook niet verwachten. Onderling was het voor de jongeren die langzaam aan het bedrijf instroomden wel normaal elkaar bij de voornaam te noemen. Dat keurig nette jargon gold ook voor de ouderen onder de vertegenwoordigers van de airlines waarmee je van doen had, maar zeker ook met de heren van de douane. Geen haar op je hoofd die deze lieden met je/jij aansprak. Onbetaamdheid was ondenkbaar en het waren geen mensen met veel humor noch gevoelig voor kleine cadeautjes. Beleefdheid en afstand, dan kwam het wellicht goed.

Goed kwam het ook met de handel. Baas Breems was een geweldige verkoper en hij trok heel wat handel naar binnen. Zoveel zelfs dat we al snel op zoek moesten naar extra werkkrachten. Ondersteunende mensen op Import en export. We huurden regelmatig vervoer in. Niet in de laatste plaats doordat het intussen van Schiphol-Oost naar Den Bosch verhuisde Berg Electronics elke dag heel veel lading genereerde wat voor het gebruikte VW-busje best te veel was. Soms haalden we er een tweede 1-tonner bij, in andere gevallen was 4,5 ton vervoer nodig. Gelukkig genoeg had onze chauffeur Jaap een groot rijbewijs dus kon hij die wagens dan rijden. Maar ik beken dat ik in noodsituaties soms zelf in zo’n bak achter het stuur kroop en naar de klant toe reed om zo geen enkele vertraging op te lopen. Je lette wat minder op de regels dan nu. Ik zou dat nu niet meer doen natuurlijk. Naast het vrachtgebouw was intussen een nieuw gebouw verschenen, het Freeport Building en daar zetelden o.a. Aero Ground Services en nog wat bedrijven. Wij konden er weer een eigen Entrepot huren en inrichten en zo nieuwe klanten aantrekken die in Nederland een soort distributiecentrum wilden opzetten voor hun Europese lading. Een daarvan was ITT Schaub-Lorenz. Een radiofabrikant die allerlei apparatuur leverde onder eigen naam of submerken.

Wij deden de transithandel voor hen op gebied van wereldontvangers en die soort dingen. Hun vertegenwoordiger was een wat dikke man die in Amsterdam-West woonde en alle vrouwen op ons kantoor, intussen hadden we wat assistentes, met meer dan gewone belangstelling volgde. Toch was het wel een leuke klant en ik kocht er tegen een aardige korting mijn eerste radio/pickup-combinatie. Waren we best trots op in die jaren. Een andere klant deed in allerlei strikjes en versierseltjes voor beha’s en slipjes. Duizenden werden er daarvan naar Nederland gevlogen vanuit de fabrieken in de VS en dan weer doorgestuurd naar klanten in heel Europa die deze garnerinkjes weer op de eigen niemendalletjes plaatsten. Al die handel kwam op de nek van de twee basis-afdelingen die wij opereerden terecht, vandaar ook die assistentes. Die tevens administratieve zaken deden als factureren en inboeken van al dat spul. Het werd het zeker gezelliger op. Maar de stress werd niet minder. Deels doordat zowel baas Breems als de mensen die de afdelingen aanstuurden zoals ik, beter waren in het bedrijven van de handel dan al die procedures die intern op onze schouders rustten. En al snel bleek dat we bijvoorbeeld wel een cashflow-probleem kregen door mensen of bedrijven die slecht of niet betaalden. Dat leidde tot veel stevige gesprekken met de leiding vanuit Rotterdam. En op enig moment het aanwijzen van een directie-secretaris om de leidinggevende kwaliteit van Ruud Breems bij te schaven en daarnaast het terugroepen uit de pensioensituatie van oud-directeur Vos van kantoor Amsterdam. Die moest de administratie bij ons onder de loep nemen als een soort accountant en ons daarin bijspijkeren. Met beiden moest je geen ruzie maken. Het is me indertijd op dat punt goed af gegaan. En je leerde enorm veel. Zo werd me het besef extra bijgebracht dat debet en credit twee verschillende zaken waren en administratief inzicht toch wel een vereiste om extra succesvol te zijn als chef-export wat ik intussen was geworden. (Beelden: Internet-Archief)

Isolatie in de ruimte…

De gemiddelde man of vrouw is niet gemaakt voor lange perioden van eenzaamheid. Denk maar eens aan de vele verhalen die over dit thema verschenen. Onbewoonde eilanden, lijken leuk, in de praktijk kan 99,9% van de mensheid daar niet overleven zonder mentaal ziek te worden. Om het over honger en dorst niet eens te hebben. Een paar maanden niet kunnen winkelen of naar de kroeg in coronatijd maakte duidelijk dat velen al symbolisch tegen de wanden klimmen. Moet je eens indenken dat je dan jaren vast komt te zitten in de oneindige ruimte om ons heen. En oneindig is die ruimte zeker. Zodanig dat we als mensheid vermoedelijk niet veel verder kunnen reizen dan pakweg een deurtje verder in een straat die is gelegen in een stad die weer is gesitueerd in een land zo groot als Rusland en dat dan weer op een wereldbol die eerder zo groot is als Saturnus dan de aarde zoals we die kennen. Lichtjaren weg houdt in dat je met de snelheid van het licht vele jaren zult moeten reizen om ergens te komen. Nou, voorlopig zijn onze raketten voorzien van een technologie die tripjes als die van een slak in een teerton mogelijk maken.

En niet veel meer. Hoe dan ook, we plannen trips naar de Maan (opnieuw nadat we in de jaren 60/70 al eerder die kant op gingen) waarvoor je ongeveer een dikke week moet reizen, maar ook naar Mars. En dat laatste is andere koek., Want een jaar ben je zo onder weg. Enkele reis. Want heen en weer is nog best een oefening. En dus selecteert men mensen die in staat zijn die eenzaamheid in de ruimte te doorstaan, maar ook een verblijf op een zeer mensvijandige planeet vol te houden gedurende een periode van wellicht een normaal mensenleven. Tuurlijk zijn de mannen en vrouwen die dit willen doen van oordeel dat ze dit aan kunnen, maar de vraag is of ze zich wel realiseren wat ze dan bedenken. De trips die astro- en kosmonauten maakten naar en in de ruimte (denk aan het ISS) gaven als resultaat te zien dat een jaar in de ruimte het menselijke fysiek aardig verandert. Ons beenderstelsel geeft het op, de spieren verslappen, hoe zeer we ook trainen, en ook de bloedsomloop is een probleem.

Komen die lui dan weer terug op aarde zijn ze een paar centimeter gekrompen en voelen zich tijdenlang niet lekker. Erger lijkt me de optie dat er bij zowel die lange Marsvluchten of de landing op die planeet misloopt en je roemloos ten onder gaat. Of een noodlanding maakt die grote schade geeft aan jouw vervoermiddel en je dan langzaam aan sterft op die rode planeet. Ik moet er niet aan denken, maar ja, ver weg van de Westertoren begint het al te jeuken. Dus ik ben om diverse redenen niet geschikt. Als je besluit om een kolonie te stichten op Mars, en die plannen zijn er, moet je dus ook mannen en vrouwen sturen om die kolonie duurzaam de toekomst in te leiden. Samen zoveel mogelijk kinderen maken, gezinnen stichten die de missie kunnen voortzetten en de basis daar gevestigd desnoods ontginnen. Met een rood waas voor de ogen en vooral verlangend kijken naar die ene blauwe planeet die heel ver weg in de sterrenhemel te zien is. Het lijkt mij vreselijk. Maar goed, ik hoef ook niet. Nee, met beide benen op de aardse grond. Toch net even plezieriger. Maar wie het aandurft is voor mij wel heen held(in)hoor. Ik wens hen behouden vlucht….(Beelden: Internet)