
In mijn jonge jaren was de brommer een logische stap als je qua vervoer de fiets was ontgroeid en de auto nog net niet bereikbaar bleek. Al was het maar omdat je voor die laatste een rijbewijs moest behalen op de 18e. Kortom, dat werd brommen dus. Met tweedehandsjes, ik beschreef ze hier al eerder, hele avonturen belevend, en later met een nieuwe Puch pas echt keurig leren rijden. Pas daarna kwam de transitie naar vierwielers op gang. Maar er waren genoeg leeftijdgenoten die nog een tijdje langer op twee wielen door reden. Een daarvan, Gabriel Kousbroek (1965) schreef daar een alleraardigst boekje over onder de titel ‘Buikschuiver’. Die titel haalde hij uit de bijnaam voor alle bromfietsen van voor zijn generatie, waarbij de berijder al dan niet met een leuke jonge dame als passagiere op de buddyseat voorover gebogen over het vaak wat smallere stuur trachtte om de wettelijk toegestane snelheden van toen te overschrijden.

Uit de verhalen in het boek maak ik op dat hij net als wij een paar jaar eerder, experimenteerde met tweedehands brommers die toen al aardig op leeftijd waren. Opvoersetjes, andere sproeiers etc. En natuurlijk ontdekte hij ook dat tweedehands vaak niet betrouwbaar of veilig was. Het boek is doorspekt met narigheid en ellende maar zo beschreven dat je vrijwel constant een glimlach om de mond houdt. Het boekje stamt uit 2020 en ik kocht het tweedehands. Binnen een paar dagen uitgelezen. Al was het maar om de herkenning van veel zaken die met die brommers van toen te maken hadden. Nijgh & Van Ditmar uit Amsterdam gaven het uit, er staat een ISBN-Nummer op (9789038908632). Voor de liefhebber een aanrader….(beelden: Prive)






Amerikaanse formule voor een tv-serie…..Je pikt iemand uit om een grap mee uit te halen en doet bijvoorbeeld net of een levend iemand in een doodskist naar het crematorium wordt gebracht, deze daarop verwoede pogingen doet om uit die beperkte ruimte te komen voor het echt fout gaat en de hoofdpersoon daarbij alles en iedereen beweegt om de procedure te stoppen. Op het allerlaatst lukt dat, die hoofdpersoon zowat in shock en met een half hartinfarct achter latend. ‘Smile…you’re on Candid Camera’. En dan allemaal lachen. Want we moeten altijd vrolijk en gelukkig zijn. Whatever happens. Nou, dat is niet iedereen gegeven. Zelfs de meest chronische optimisten zijn soms een keer somber. Ik ben er zo een. Eigenlijk altijd op zoek naar oplossingen of het positieve van een situatie. En ik heb heel wat van die momenten gekend dat het optimisme even plaatsmaakte voor ….wat moet ik nu? Of dat de lach plek maakte voor tranen. Dips waren voor mij regelmatig gewoon in het verleden. Meestal op maandag, de meest ellendige dag van de week, zonder overigens een aanwijsbare oorzaak. Soms, als ik nog wel eens (zeldzaam geworden) somber heb ik een paar uur nodig om de weg terug te vinden op het pad naar de lach of het licht.
Maar ik realiseer me tegelijkertijd dat veel mensen niet zoveel reden hebben om te lachen. Gezondheid kan een reden zijn om je vrijwel altijd zorgen te maken. Of een diepe economische depressie die zorgt voor werkloosheid of onzekerheid. Rond deze coronacrisis kan zelfs een combi van deze ellende veroorzaken at de gemiddelde lacher toch even de hoop verliest op betere tijden. Op TV komen ook andere series voorbij. Sommigen daarvan laten mensen zien die van 30-50 euro in de week rond moeten komen. Veelal met een gezin. Oorzaak zijn schulden of scheidingen. Bij veel van die lui zie ik dat men doffe ogen heeft van het zoeken naar kleine stukjes geluk. Veelal eerder voor hun kinderen dan voor zichzelf. Geluk dus niet standaard voorhanden, je moet er voor werken. Je moet er geluk voor kennen, maar niet iedereen is voor het geluk geboren. Gouden lepels of wiegjes met gouden dekens zijn slechts aan weinigen voorbehouden.
(Beelden: INternet)