Parijs…

Parijs…

Voor jullie als lezers nu denken dat ik een geweldig wervend verhaal ga schrijven over de Parijse hoofdstad kom ik met een teleurstelling. Parijs en ik lagen mekaar door de jaren heen niet zo. Ook al heb ik redelijk vaak best veel van de stad gezien, de Eifeltoren beklommen, Versailles bezocht en op leuke terrassen zitten eten. Maar echt in het hart kwam die Franse hoofdstad nooit te zitten. Zelf denk ik dat dit vooral zat in die bewoners daar. Ik vond ze over het algemeen niet zo aardig en dat zal zeker vooral ook aan mij of mijn verwachtingen hebben gelegen. De eerste keer dat ik er op bezoek was vloog ik er heen op uitnodiging van Air France dat haar faciliteiten daar wilde tonen aan de mensen (zoals ik) die konden beslissen over waar lading heen ging en met welke luchtvaartmaatschappij.

We schreven 1972 en de machine waarmee we vlogen was een toen splinternieuwe Boeing 727-200 die de aloude Caravelles moest vervangen. Dat lukte goed, alleen niet op die bewuste reisdag, want een bommelding (ja die had je toen met dank aan de Palestijnen uit die periode nog regelmatig) hield ons een paar uur aan de grond. Zonde van de tijd. Maar goed een spoedcursus ‘wat valt er te zien in Parijs’ maakte eenmaal daar wel iets goed.

De meeste keren dat ik er daarna op bezoek ging was dat omdat op het vliegveld Le Bourget tweejaarlijks een gigantische luchtvaartshow werd georganiseerd en wij daar als liefhebbers en toenmalige professionals perskaarten voor kregen om alles eens goed te bekijken. Dat combineerden we dan vaak met een paar dagen vertoeven in Parijs. In gezelschap was dat best aardig. Je keek eens hier, je at eens daar en je zocht naar winkels die niet of nauwelijks te vinden waren. Ja, die hele dure in het centrum waar wij nooit slaagden.

Hoe dan ook, ik was altijd weer blij als ik de stad achter me kon laten. En ja, ik weet dat er grote liefhebbers van de stad zijn die ik nu vast bijna beledig. Maar ik genoot tien keer meer in Londen of Berlijn. Om het over Praag maar niet te hebben. Dat Parijs bekoorde me minder al heeft het best veel te bieden hoor. En kijk ik vaak naar de laatste etappe van de Tour de France om dan steeds vrouwlief te vervelen met opmerkingen over waar we toen en toen liepen tijdens dat en dat bezoek. Wellicht maakte de stad onbewust eigenlijk best indruk op me, zonder dat ik het wil toegeven. Ik ging veelal met de auto die kant op. Het rijden in die stad een groot avontuur. En als je met een paar man in colonne op weg naar of van het hotel bezig bent om je weg te vinden is het extra opletten geblazen. En bedenk maar dat we indertijd nog geen navigatieapparatuur of zo kenden.

Het ging allemaal nog met de kaart op schoot en met geschat bestek. De heftigste ervaring heb ik hier al eens eerder verteld. Toen ik op weg naar de door vele honderdduizenden mensen bezochte luchtvaartsalon vrouwlief in Parijs kwijt raakte. Het was juni 1973, deze maand precies 51 jaar geleden. We vlogen naar Parijs maar kwamen per huurauto terug. En hoe dat toen ging zit me nu nog pijnlijk in de vezels. Wil je nooit meer meemaken. En zo doofde de eventuele prille liefde voor de Franse hoofdstad. Ik kwam er daarna nog wel regelmatig, maar altijd hielden we mekaar als stel in de jaren die volgden extra goed in de smiezen. Want eenmaal spoorloos in Parijs betekende echt heel lang moeten werken om dat spoor terug te vinden. Bij toeval keek ik onlangs mijn vlieglogboek weer eens na en zag die ene bewuste vlucht en datum en bedacht me hoe anders onze wereld er toen uitzag. Leek onbekommerd, was het niet. En naar Parijs reizen we al decennia lang niet meer….Je snapt nu wel waarom…. (Beelden: persoonlijk archief en ik sta nog in beeld ook)

In memoriam: Jaap van Rij Sr.

In memoriam: Jaap van Rij Sr.

Wie zich mijn verhalen over leven met de Vliegende Pijl van Skoda nog terug weet te halen of te herinneren zal zeker nog wel de naam van Jaap van Rij daarmee kunnen combineren. Jaap was een tijdlang bepalend hoe het ook mij zowel zakelijk als prive verging. Immers hij was een jaar of tien de drijvende kracht bij het Skoda-importschap van Pon. Algemeen-directeur en daarnaast nog zo’n zelfde post bij de Mazda-importeur op het gebied van veegmachines die in dat fameuze pand aan de Dobbeweg in Voorschoten onderdak vonden. Jaap was een echte directeur. Geen flauwekul, hard werken, onderhandelen tot het gaatje met de lastige Duitsers en Tsjechen en blijven rekenen tot je er bij neerviel.

Dat laatste deed hij zelden. Want hij kon rekenen als de beste. Ik heb heel wat tamelijk aparte onderhandelsessies meegemaakt… En hij kende iedere truc uit het autovakboekje om het doel te bereiken waarop hij namens het Nederlandse importschap inzette. En dan onderweg terug naar huis in het vliegtuig glimlachend proosten op het resultaat. Dringend nodig in tijden dat we die Skoda’s zowat nog per wieldop verkochten. Jaap was ook streng. Wie in het kamp van de ‘anti’s’ zat (er bestonden ook ‘simpies’ en die konden een potje breken) zou en kon wat beleven. En voor sommige mensen had hij geweldige uitdrukkingen. ‘Bijzondere man’ ‘Operetteprins’ ‘helpers weg derde ronde vrouw’. En zo meer. Maar hij was ook gek op cultuur. Platte zaken moest hij niks van hebben. Feesten deed je maar in je eigen spaarzame tijd. Ik leerde hem kennen in 1988. Ik nog als Amsterdamse Skoda-dealerman, hij als de nieuwe directeur bij toenmalige importeur De Binckhorst. Respect over en weer hield ons in evenwicht. Zaken doen was altijd goed mogelijk. Wie wil weten hoe dat precies ging raad ik aan om nog even terug te lezen in mijn overzicht van een paar jaar terug.

In 1996 sloot hij zelf zijn autocarriere af. Hij ging met vroegpensioen. Had zijn leven lang in de auto’s gezeten en was het zat. Als dealerdirecteur en importeur voor diverse merken. Jaap ging daarna advieswerk doen bij een organisatie die internationaal hulp verleende aan ondernemers in diverse landen. Maar werd ook schrijver. In dat kader kwam ik hem later weer tegen. Hij organiseerde in zijn woonplaats iets rond een neergestorte bommenwerper tijdens WO2, ik kreeg de taak om er een verhaal over te dichten. Hij schreef zelf een serie boeken over de ‘Opperwachtmeester in de oorlog’. In de kern een verhaal over zijn vader. Daar zat ook veel emotie. Net als bij zijn lieve echtgenote Enny die zo leed door de jarenlange ellendige ziekte die zij bleef bestrijden. Een ‘taainagel’ noemde hij haar. Typerend voor Jaap. Hij liep over van liefde en respect voor haar en kreeg het heel lastig toen zij een paar jaar terug alsnog overleed. Hij was ook meer dan trots op zijn kinderen. Slimme lui, en voor alle drie had hij veel respect en begrip. Samen schreven we tien jaar terug nog een boek over de familie Pon, maakten plannen voor allerlei nieuwe boeken maar door zijn steeds zwakkere gezondheid kwam daar weinig meer van terecht. En dan nu ineens dat bericht; hij is niet meer! Autoland heeft een professional minder. Ik ben wel benieuwd hoe hij ‘daar boven’ de boel gaat aanpakken. Je moet niet raar kijken als ze dank zij hem straks allemaal hun eigen wolk kopen, hun verhalen aan hem vertellen en dat hij ze voorrekent dat oneindig best lang kan zijn. Hoe dan ook, ik ga hem enorm missen. Net als zijn nabestaanden. Want niet iedereen is zo ‘bijzonder’ als Jaap altijd was….

Het zit in de genen….

Het zit in de genen….

Genen…raadselachtige dingen die je of je wilt of niet verbinden met je eigen voorouders. Wie wel eens aan karakteronderzoek doet zal moeten vaststellen dat bepaalde trekjes die je zelf vertoont toch vanuit vroeger aan jou moeten zijn doorgegeven. Zo is muzikaliteit of het gebrek daaraan, vaak een genenkwestie. Dat geldt ook voor smaak en voorkeuren. Maar zeker voor gedrag. Nog even los van opvoeding en opleiding speelt die genenkwestie een rol bij hoe jij in het dagelijks leven anderen benadert of je eigen gedrag kunt kenschetsen. Egoisme is soms iets wat je van vroeger kunt terughalen bij ouders of grootouders.

Geldt ook voor dat eerder beschreven talent voor dit of dat. Maar ook een zekere wreedheid of de behoefte om als militair of pacifist door het leven te gaan kan door genen bepaald zijn. Geldt trouwens ook voor de kwetsbaarheid door ziektes die je in eerste instantie niet meteen (h)erkent maar er wel degelijk een rol in kan spelen. Genen zijn dus gewoon bouwstenen waarmee jij in elkaar bent gestoken, net als een Lego doos of andere bouwdoosconstructie. Die genen spelen al een rol bij uiterlijkheden. Een grote neus, snel kaal worden, een weelderige haardos, een klein of groot postuur maar zeker ook de gevoeligheid voor te zwaar zijn. Niet dat ik alles weg streep op dat punt via die voorouders hoor, je eigen gedrag bepaalt ook veel.

Maar toch. Ik ontdekte zelf op enig moment dat zowel mijn broer Rob als ik veel zaken deelden met onze naam gevende maar al vroeg uit ons leven vertrokken Pa. Het zakelijke bijvoorbeeld. Die oude heer had in zijn tweede gezin aardig wat kinderen verwekt en die leken ook uiterlijk op hem. Wij iets minder, maar soms als je de foto’s over mekaar legt (ik heb er zelf vrijwel geen) zie je wel overeenkomsten. Ook de stemmen leken op elkaar. En toch werden wij voor 95% van de tijd opgevoed door Ma en haar nieuwe partner. Toen ik via ex-blogster Pia die erg goed is in het genealogisch uitzoeken van jouw persoonlijke geschiedenis terechtkwam in de 19e eeuw bij een voorvader die burgemeester was geweest van een paar Oost-Nederlandse steden, diens portret bekeek en daar de snor en sik bij weg dacht, zag ik meteen herkenbare spiegelbeelden. Kortom, wij waren optisch in verre lijnen van hem afkomstig. Natuurlijk heb je ook van de andere ouder het een ander meegekregen. Wat dat precies is laat ik maar even in het midden hier, maar zeker is dat ik daar absoluut het een en ander van herken. Of ik dat leuk vind of niet. En? Hoe ervaren jullie die genen en leidt dat tot herkenning bij jezelf…..Laat ff weten of mijn vraagtekens over dit fenomeen ook bij jullie leven….. Dank bij voorbaat…. (Beelden: Archief)

Koningsdag…

Koningsdag…

Zoals ik wel eens vaker hier heb uitgeschreven is de zgn. ‘Koningsdag’ ook voor ons een soort feestdag. Dan immers struinen we in het oranje gekleed dwars door onze stad en bezoeken festiviteiten en kleedjesmarkten die in sommige straten wat breder en intensiever worden ingevuld dan op andere plekken. Van de vroege ochtend tot de late namiddag hobbelen we dan door onze woonstede en genieten van de sfeer en als het even kan het goede weer.

Dat eerste lukt meestal goed, het tweede is best afhankelijk van onze weergoden. En die zijn veelal juist op de 27e april niet zo op de hand van het oranje-gezinde volk. Was op de vroegere 30e toen oma Juul en dochter Bea nog op de troon zaten vaak beter geregeld. Heel wat keertjes met een rood verbrand bolletje terug gekomen van die ontspannen strooptochten op die speciale dag. Op de 27e kwamen we nogal eens regen en wind tegen of begon de dag vaak met pegels van de nachtvorst aan de pet. Niet goed voor het aanbod of de handel. Juist in onze grote stad is die Koningsdag een fenomeen, al wordt ook deze traditie door het linkse stadsbestuur steeds verder uitgekleed.

Lawaai mag niet meer van het anarchistische college, stank niet, eten verkopen alleen met strenge vergunningen, zelfs de vrijmarkten moeten voldoen aan een bijna Leninistisch model. Gelukkig hebben echte Amsterdammers vaak maling aan die regelgeving en gaan gewoon hun gang. Precies zoals ik dat graag zie. Dan maak ik kans op het vinden van die ene ‘Rembrandt’ of ‘Van Gogh’ maar dan op het gebied waar ik in zoek. Na afloop zijn we dan doodop, gaan onderuit zitten met een glaasje oranjebitter, tellen onze zegeningen en aanwinsten en kijken alweer uit naar volgende edities. Tuurlijk, we worden wat ouder, de vroeger 30.000 stappen maken we niet meer, maar 25.000 halen we zeker. Kromme voeten…Maar wat een hoop simpel plezier. En dan met een dat lekkere drankje kijken naar waar Willem en Max dit jaar weer dorpse geneugten over zich heen gestort krijgen op de verjaardag van onze Koning. Weet je veel hoe lang die traditie nog bestaat? In dit politiek krankzinnige land is iets zomaar afgeschaft en verdwenen. De geschiedenis kent daarvan vele voorbeelden. Ik hoop alleen maar dat wij als koningsdag gezinden dat niet hoeven meemaken. Al was het maar om die ene feestdag…Veel plezier morgen! (beelden: prive archief)

Verkopen blijft een vak…

Verkopen blijft een vak…

En reken maar dat ik mij op dat gebied iemand met ervaring noem. Toch een paar decennia dat vak uitgeoefend dan wel aangestuurd en later zelfs anderen er in getraind. Verkopen valt vrijwel niet te leren aan hen die er geen talent of interesse voor bezitten. Je moet er ook plezier in hebben en zij die het talent bezitten kunnen alles verkopen. Ook dingen die niet echt makkelijk zijn te slijten. En in mijn carriere heb ik voldoende jonge lieden gezien die meenden dat ze door God gezonden waren om dit vak uit te oefenen maar al snel door gebrek aan inzicht of aanpak door de mand vielen. Nee, niet makkelijk en dus echt een vak.

Ook al heet dat tegenwoordig dan al snel ‘manager dit of dat’, het blijft gaan om het aan de man/vrouw brengen van artikelen, services of diensten. En onlangs waren wij weer eens aan de klantzijde van dat vakgebied actief. Meubels vroegen om vervanging vonden wij, dus ‘laten we eens rondkijken wat er zoal te koop is…’. Met een redelijk idee van wat we zochten, een lijstje dat voor ons van belang is, gingen we in de omgeving van de hoofdstad onderweg.

De eerste winkel die we bezochten was een grote in zijn soort. Bekend in en buiten de regio, met een aanbod wat je al snel duizelt. Los van de dame aan de balie die ons welkom heette bij de receptie van die firma werden we tijdens onze tocht door die enorme zaak heen verder compleet genegeerd. We kwamen heel wat ‘verkopers’ tegen. Jong, fris, kakelend met elkaar over het weekend of zo, leuk in een bedrijfs-outfitje gestoken, maar nul interesse in ons. Dan maar eens kijken aan de overkant. Zit een kleiner bedrijf waar we ooit jaren terug al eens eetkamerstoelen kochten. Meteen na betreden van die zaak welkom geheten door een verkoopster. Bezig met andere gasten, maar hield ook ons in het oog. Van het totale aanbod daar (al meer in ons straatje dan in die grote winkel van de buren..) vonden we twee meubels de moeite van het nader bekijken waard.

De verkoopster kwam ons achterop en vroeg wat we zochten. Liep mee, legde uit, vertelde wat allemaal kon en dat ‘we als we zeker wisten wat we zochten nog eens terug moesten komen’. OK…dus vroeg ik om een visitekaartje. Dat kreeg ik. Ze vergat wel haar naam er op te zetten, maar keek en vond ons wel in haar klantenbestand van een aantal jaren terug. Via via werden we later door een lieve vriendin getipt over een ketenwinkel die in heel Nederland te vinden was en waar de tipgeefster vanuit haar familie goede ervaringen mee had. Opgezocht. In de Bollenstreek zat er een filiaal. Dan maar een dagje die kant op. Leuke en smaakvol ingerichte winkel waar je naast keukens ook je hele huis verder kon (doen) inrichten. Door diverse mensen welkom geheten. ‘Kijk maar lekker rond en wij zijn er als…’. Dat deden we. Al snel hadden we een meubel of 6-7 gevonden die ons wel bevielen. De dame die de verkoop deed kwam naar ons toe, vroeg wat wij voor persoonlijk wensenlijstje hadden, vulde daarna in wat qua kleur en stof bij ons zou passen, liet ons overal twee, drie keer op proefzitten en gaf duidelijke adviezen. ‘Doe dit en wij bieden dat…, wij kunnen ook dit en dat voor u organiseren’. Met koffie en thee plus een koekje. In alle rust, en dus uiteindelijk daar de order laten opschrijven. Wat wij impulsief ook deden was dat we ook meteen een lekkere qua kleur bijpassende stoel met een goede prijs kochten die we zelf hebben meegenomen. Was in de aanbieding maar moest je dan wel zelf transporteren. Nou, met een beetje Tsjechische stationcar geen probleem natuurlijk. Kortom, een verkoopster die het snapte. Haar vak, ons genoegen. Nu maar hopen dat de levering net zo gaat als dat verkooptraject. Maar gek genoeg heb ik daar wel vertrouwen in. En dat laatste geeft mij bepaald niet elke ‘adviseur’. Integendeel. Verkopen is dus een echt vak en als je goed oplet zie je vaker hoe het niet moet dan wel. Hoe zijn jullie ervaringen op dat punt? Tevredenheid of ook verhalen over hoe mensen hun vak echt niet verstonden?? Ben benieuwd…. (Beelden: Archief/internet)

Badhuis….

Badhuis….

In mijn prilste jeugd was ons huis van toen nog niet voorzien van een doucheruimte. Dat gold voor 98% van alle huizen in onze woonstraten die nog stamden uit de hoofdstedelijke stadsvernieuwing van de 19e eeuw. Toen bouwde men vooral snel, goedkoop en was een doucheruimte iets uit een andere wereld. Bedenk maar dat men in die periode zelfs nog huizenblokken neerzette voor de nieuwe arbeiders van toen zonder toiletten. Die stonden soms in de binnentuinen en waren voor iedereen uit een buurt of straat. Gelukkig was dat bij ons anders.

Maar die douche was echt bijna utopische luxe. Als kleine kinderen ging je nog in de wasteil, ik had het geluk dat ik maar e e n oudere broer boven mij had die voor mij in die teil met warm water werd gewassen. Scheelde toch een hoop vuil en zeepresten. Er waren kinderen op school en in de vriendenkring waar men als lijdend voorwerp nummer 4 tot 6 was in de rij. Dan rook het water toch anders. Hoe dan ook, om het voor latere pubers als wij uiteindelijk toch werden dragelijk te maken ons eens per week fiks te reinigen (..) bestonden er de Gemeentelijke Badhuizen.

Die waren door het verlichte stadsbestuur van toen neergezet in alle buurten na 1911. Veel werden er gebouwd in de bij de omgeving passende stijl van architectuur. Het badhuis waarop wij waren aangewezen stond in de zgn. Diamantbuurt een paar straten verderop en was een centraal punt in een hofje waaraan je aan de ene kant een schoolgebouw had staan en aan de andere een stel huizen. Beetje chique tussenbuurt tussen het Plan Zuid waar wij woonden en het plan Berlage dat uit de 20e eeuw stamde. De gedachte was dat je met je schone ondergoedjes naar binnen stapte, een handdoek en zeep betaalde en dan wachtte op je beurt om naar binnen te mogen in een van de toen beschikbare doucheruimtes voor mannen die daar werden aangeboden. In een andere ruimte deden de meiden en vrouwen hun poedeltje. Had ik geweten dat die bestond had ik wellicht…. maar ja, dat kon niet natuurlijk en de ambtenaren die hier de boel bestierden waren streng.

Te lang badderen was dan ook niet de bedoeling. Dus je moest efficient schrobben, je haar doen, afdrogen, je spullen keurig opbergen, de natte handdoek inleveren en naar buiten bewegen. Een hele strak geregelde reinigingsindustrie. Maar ook een die door de ontwikkelingen i n de buurt werd achterhaald. Veel van die badhuizen werden begin jaren 60 gesloten. Huurders kregen van hun huurbazen (net als wij) vaak een doucheruimte ingebouwd en hoefden dan niet meer wekelijks naar die gemeente-badhuizen. Tijdens de bouw van die prive-badruimte (veelal in de keukens van toen) en het gesloten worden van de bekende adressen, moest je dan op zoek naar een alternatief. Voor ons was dat dan de in de Pijp gelegen Albert Cuypstraat. Heel anders van inrichting, wel dezelfde opzet. Maar ook die faciliteit werd uiteindelijk gesloten. Gelukkig hadden wij toen die douche in huis. Welk een luxe. Met een geiser werd koud water in een boiler verwarmd, en dan kon je douchen. Maar ook weer niet te lang want dat vat bevatte naar ik meen 120 liter water en als je er dus te lang onder stond had de volgende bader geen warm water mee. Dat was op enig moment wel even zoeken naar de juiste verhoudingen. Letterlijk en figuurlijk. De Gemeentelijke Badhuizen werden intussen allemaal omgebouwd tot een ruimte met een volledig andere functie. Sommige zijn nu atelier, er zitten soms restaurants in, winkels en zo meer. De gebouwen en opschriften bestaan nog, de functie anno 2024 totaal anders. Maar de luxe van dat warme water en die zeep van toen staan me nog altijd bij. Net als die vrij grove handdoeken. Maar ja wat wilde je, kostte toen een kwartje of zo. Omgerekend naar nu nog geen 15 eurocenten. Daar valt tegenwoordig niet meer voor te douchen….Slechts de waterbesparing bleef. Passend bij de tijd dat wij als we niet te lang onder die douche staan de planeet zullen redden…. (Beelden: Internet/Amsterdam op de Kaart)

Armoedemuseum…

Armoedemuseum…

Toen ik onlangs vernam dat de extreemlinks bestuurde Gemeente Amsterdam voor vele miljoenen een ‘Slavernijmuseum’ gaat neerzetten op de kop van het plaatselijke Java-eiland werd ik vervangend boos. Want hoe zeer die slavernij in onze geschiedenis wellicht geen hoogtepunt mag zijn geweest van de christelijke traditie, het is wel al honderden jaren geleden. En excuses of zo meer worden aan de ontvangende kant minzaam geaccepteerd maar men krijgt liever de zelfbedachte en gewenste schadevergoedingen. Gratis Doekoe en zo kunnen hebzucht bij sommigen aardig doen opstijgen in de geest. Ik ben daar dan ook fel tegen.

Want wanneer je al een museum wilt oprichten met een historisch verantwoord doel moet je dat ook zeker doen voor 85% van onze eigen bevolking die tot ver na WO2 vaak in erbarmelijke omstandigheden moest zien rond te komen. Onbekend en daarom kennelijk verzwegen de verhalen over turfstekers in Drenthe, textielarbeiders in Oost-Nederland, mijnwerkers in Limburg en zo meer. Mensen die 6 dagen per week keihard werkten in de meest vreselijke omstandigheden. Voor een hongerloon.

En die turfstekers dan ook nog in de status van ‘lijfeigenen’ onder bewind van rijke herenboeren uit de omgeving. Maar ja, wie zijn geschiedenis niet kent heeft in de toekomst niets te zoeken. En neem van mij maar aan dat die geschiedenis onze jeugd wordt onthouden door zgn. progressieve leerkrachten die liever de historie aanpassen bij het niveau van de leerlingen of diens demografische herkomst. Wat er toe leidt dat als men al een echt vak onderwijst dit wordt gedaan met vele mitsen en maren. Over de arme joodse bevolking in deze grootste stad en de omstandigheden waaronder die werden gehuisvest dan wel kort gehouden door het toen ook al hoog verheven voelende stadsbestuur, wordt, zeker anno nu, niets verteld.

En krijg je daardoor alleen al de kriebels. Sommige panden in onze stad vroeger aangeduid als ‘vlooienpaleizen’ en de Waterloopleinmarkt niet voor niets de ‘vlooienmarkt’ van de stad. Ook dat wordt ver weg gehouden van de leerlingen die een cultuur bij zich dragen die het jodendom op zijn zachtst gezegd niet welgevallig beoordeelt. Waardoor die armoede en ellende maar zeker ook de daaropvolgende holocaust door de Duitse bezetter zijn beklemmende betekenis vrijwel verliest.

In de huidige media en politiek zie ik veel voorbeelden van hoe polcor-water in de biologische wijn worden geschonken. Zelfs totale ontkenning van de Holocaust is tegenwoordig mogelijk. Als dat zo is lijkt het logisch dat we over die armoede van echte Nederlanders helemaal niet meer praten. En dat is bijna volksvijandig. Armoede kleeft aan mensen als een besmettelijke ziekte. En veel van die armoede staat de meeste mensen van mijn generatie nog aardig in de herinnering gegrift. En kijk even in oude fotoboeken die een beeld scheppen van pak weg 50-70 jaar geleden en je weet dat die armoede echt niet zo lang geleden is verdwenen. Waarbij we anno nu trouwens nog steeds honderdduizenden mensen kennen die nog steeds elke Euro moeten omdraaien om te zien waarmee ze vandaag of morgen de kinderen nog wat eten kunnen geven.

Die armoede is wellicht anders van vorm, maar dat gevoel blijft. Net als bij die vermeende slachtoffers van de slavernij die in grote aantallen na 1975 gesubsidieerd naar ons land kwamen en sindsdien netjes opgevangen, toch die slachtofferrol ontwikkelden. Dit samen met een linkse lobby die het geld graag weggeeft aan ‘derden’ in plaats van aan de eigen bevolking. Want ja, als je zo blijft handelen ontstaat van zelf het ‘wij’ en ‘ zij’ gevoel. Immers het lijkt nooit genoeg. Dus kom maar op met dat armoedemuseum. Liefst in Amsterdam op de Dam! Opdat we elk jaar de echte sloebers in dit land kunnen gedenken….Net als links graag doet in dat slavernijmuseum. (beelden; Archief/internet)

Uitgebromd…

Uitgebromd…

En dit slaat zeker niet op mijn over het algemeen vrij vrolijke natuur of een neiging om op alles en iedereen te brommen of fitten. Nee hoor, heel letterlijk, ik ben uitgebromd. Was ooit wel een jonge maar heel enthousiaste brommerrijder. Immers, fietsen was op zich best aardig maar had ik in mijn jonge jaren voldoende gedaan. Daarbij was de sociale druk in onze vroegere woonstraat zodanig groot dat je wel mee moest met de rest van de leeftijdgenoten. En waar veel lieden van dezelfde leeftijd opgroeiden en de wens tot opvallen ook toen al sterk aanwezig bleek, was de doorgroei van een fiets naar een met een motor aangedreven ‘brommer’ logisch.

Opvallend, bromfiets rijden leerde je van je Pa of een vriendje die deze kunst al onder de knie had gekregen. Mijn eerste brommer, ik was net 16 jaar oud, kreeg ik nog cadeau van mijn leasepa. En die kende zijn Pappenheimers, hij had al twee total-loss fietsen bij mij meegemaakt en mijn vijf jaar oudere broer Rob had ook de nodige brommers aan gort gereden, dus een vijfdehands HMW werd mijn deel. Ik heb er al eens over geschreven in het verre verleden.

Ik leerde er mee op zo’n ding rijden, maar een succes was die vermoeide Duitse brommer niet. Een met hard werken te betalen tweedehands opvolger was een Locomotief met Sachsmotor. Een hele stap vooruit en ik kon met mijn toenmalige verkering(en) uit de voeten. Het was een werkpaard. Zijn opvolger toch meer een opvallend gestylede mini-motor van hetzelfde merk, drie versnellingen, klein stuur, grote tank. Ik heb er heel wat avonturen mee beleefd.

Veel ook in relatie tot de diverse andere hobby’s die het jongmens Meninggever er op na hield. Na nog veel langer sparen en hard werken (ja kom er maar eens om, maar zes dagen per week in het aanschijns van…) bestelde ik mij een splinternieuwe Puch. Met chroom, budyseat, verhoogd stuur en nog zo wat zaken. Toen hij werd afgeleverd regelde overbuurman en vriend Fred dat het uitlaatpotje werd doorgeslagen opdat het Oostenrijkse wonder op wielen de 65km/u aantikte. Dat reed uiterst plezierig.

En bleek ook voor mijn woon/werkverkeer van toen handig. De witte Puch deed wat hij moest doen. Tot mijn toenmalige chef de bureau op Schiphol vond dat ik wel toe was aan een ‘auto van de zaak’. Rijbewijs was intussen behaald (paste in de volgorde..) en dus mocht ik de VW Bus van het bedrijf voortaan meenemen, mits ik buiten kantooruren maar beschikbaar was voor spoedklussen… Dat kantoorwerk op Schiphol ging toen niet over lekker onderuit zitten. De klant had altijd gelijk en ging voor alles. Dus…. Intussen was de Puch alleen nog mijn vervoer in het weekend geworden. Busje bleef dan verplicht voor de deur, Puchje was voor de sociale contacten en sleet verder nog slechts door het poetsen. Op enig moment veranderde mijn sociale status. Een auto was onontbeerlijk en we gingen nu daarvoor aan de spaarslag. De Puch werd verkocht en het geld dat dit opleverde legden we bij die gedroomde nieuwe auto. Maar dat zou nog even duren. Intussen was ik uitgebromd. En zag je ook dat het fenomeen bij anderen steeds meer verdween. Intussen is de wereld veranderd. Men wil scooters, liefst elektrische. Maar die overgebleven brommers van toen, intussen een jaar of 60 oud, gaan voor (heel) veel geld van de hand. Bedenk maar eens dat je voor de prijs van een goede bromfiets van toen nu een aardige tweedehands auto kunt kopen. Het kan verkeren. Dit soort verhalen staan ook mooi beschreven in het boekje ‘Mijn broer die had er ook zo een’ door Jack Botermans en Wim van Grinsven uitgebracht door Terra Lannoo BV isbn nummer 978 90 5897 926 1. Gekocht bij een Kringloopwinkel voor een mooi prijsje. Echt een aanrader voor hen die deze periode hebben meegemaakt. Net als ik. Ik denk er nog wel eens aan terug. Maar verlangen is anders. Wie wel eens in de winters van toen op zo’n ding dwars door de wind een kilometer of 30 lang moest rijden weet dat fysiek afzien bepaald ook aanwezig was. En dat dan zelfs een VW Bus heel veel comfortabeler was, want kachel aan boord. Maar nostalgie moet je koesteren natuurlijk. En ik doe dat…bij deze…. (Beelden: archief)

Loyaliteit…

Loyaliteit…

Dat woord en begrip uit de kop boven dit blogverhaal slaat zeer zeker op hoe ik karaktertechnisch in elkaar steek. Ik ben redelijk trouw, dus loyaal en houd daardoor ook vast aan bepaalde principes. Mensen die goed (of lief) voor me zijn mogen rekenen op mijn steun in lastige tijden of de bekende knuffel. Maar ik val ze ook niet af of aan. Dat is een karaktereigenschap die me veelal het nodige bracht maar me soms ook aardig de bol deed stoten. Immers, veel bedrijven en mensen zijn niet zo van de loyaliteit. Die zoeken de randen op, lopen geld achterna of lieden die mooie(re) verhalen vertellen waardoor de volgers zonder principes het eigen gewin meteen zien. Loyaliteit is overigens niet dat je dom en onnadenkend door het leven gaat. Je kiest voor een positie en voelt je ook ergens senang bij.

Dat kan zijn in een menselijke relatie, vriendschap, maar ook werkkring. Wie mij kent weet wat ik bedoel. Zelfs mensen die me in het verleden hebben gekwetst kan ik soms nog wel eens naar waarde schatten. Mits ze niet over een bepaalde streep van wat nog acceptabel was of is, heen zijn getrokken. Dan word ik als Meninggever getergd en blijf die man/vrouw veroordelen tot op het bot. Veel meegemaakt en dus een grote afvalput vol van dat soort lieden. Messen in de rug kreeg ik genoeg om van die afvalput geen spijt te hebben. Maar zij die me beetpakten en meesleepten naar fraaie avonturen, nieuwe uitdagingen of mooie en warme genegenheid kunnen rekenen op die oude Steenbok die zijn bewondering dan niet onder stoelen of banken steekt. Onlangs zag ik weer wat mensen die loyaal waren aan hun eigen bankrekening en overstapten van het ene naar het ander bedrijf. Alle zaken die zij voorheen hadden uitgedragen waren ineens niets meer waard. Ik kan daar slecht tegen. Ben nog steeds trouw aan het automerk waaraan ik zoveel te danken heb of had maar waar ik bij de bedrijven die er mee te maken hadden de bol soms fiks stootte. Wellicht ben ik op dat punt wel een dromer, maar voor mij voelt dat goed. Zo ook bij mensen uit de vriendenkring. Of in de familie. Niet dat die laatste nu nog zo groot is, maar die enkeling die er nog is kan op mijn aandacht rekenen. Zij die dat omgekeerd nooit op kunnen brengen veeg ik naar dat eerder genoemde afvalputje. Het is niet anders… En jij, waarde lezer van mijn betoog, hoe zit jij in elkaar? Laat maar even weten. Ik ben benieuwd of ik de enige ben die vasthoudt aan principes en of ik daarin naief ben of toch nog aardig realistisch. (Beelden: Archief)

Door de wastunnel….

Door de wastunnel….

Je zult maar een fraai gevormde en ruime stationcar zijn van een gerenommeerd en oud merk, elke dag je ding moeten doen, in weer en wind, door storm en regen, sneeuw, pekel en alles op je huidje krijgen maar het gevoel hebben dat je helemaal wordt verwaarloosd door die ‘baas’ die je weliswaar bij anderen ophemelt maar verder vergeet. Je staat klaar, je doet je ding, maar jouw flanken slaan bruinwit uit van de pekel en modderresten waaraan je in december en januari werd blootgesteld. Bloot als je bent oog je blauw van de kou. Tot die ene dag dat het ineens 12 graden en zonnig werd. De ‘baas’ keek uit het raam en schaamde zich. Was nodig ook. Net als jouw voorgangers werd je bij beter weer altijd lekker vertroeteld, gemasseerd, opgepoetst, voorzien van die drankjes die nodig zijn voor een beetje auto om zich lekker te voelen.

Maar o wee als het winter wordt…dan vrees je voor je hagje. En dus was het een traktatie om meegenomen te worden naar het industriegebied van Amsterdam waar die enorme hal een poedel-, knuffel-, en poetsbehandeling garandeert. Waar wellness voor auto’s hoogtij viert en je jubelt uit je uitlaat als je hoort dat de ‘baas’ de duurste behandeling ‘showroom’ bestelt. Je wordt met warme stralen ingespoten, krijgt warm blauwgroen gekleurd sop over je heen, borstels, je buik wordt schoongemaakt, een waslaag over je blauwe huid, elke rand en hoek schoongespoten. Je krijgt een speciale laag over je ruiten heen, daarna door de baas zelf van binnen helemaal schoongemaakt, afgesponst, en als afsluiting wordt jouw chroom in de was gezet en mag je nog even uitdruppelen. Als de baas dan tevreden naast je staat te kijken en nog wat plekjes heeft bijgewerkt biedt je tevreden je diensten aan. En rijden jullie samen naar huis. Je motor knort als nooit eerder, je voelt je weer nieuw, net als toen je een paar jaar terug uit die fabriek daar in het verre Tsjechie rolde…. En voor de deur glim je als nooit tevoren. Je kunt er weer even tegen. Nu maar hopen dat die verrekte sneeuw en die pijnlijk jeukende zoutlaag weg blijven. Intussen ga je weer in galop. Tot de volgende vertroetelbeurt…. Die jij meer dan wie ook verdient…. (Beelden: Archief)