
Noemen sommige mensen zonder verstand van zaken hetgeen ik al sinds mijn pakweg 12e levensjaar doe. Het in elkaar zetten van schaalmodellen. Indertijd was dat een hobby voor vrienden onder elkaar. Had de een net een nieuwe Spitfire van Airfix gekocht, dan haalde de ander een tweemotorige Bristol Beaufighter van het zelfde merk of pakweg een Messerschmitt om later luchtgevechten onder elkaar mee uit te knokken. Moest er wel eerst gebouwd en gelijmd worden, en waar mogelijk, geschilderd. Ik had het geluk dat ik af en toe kon putten uit de voorraad autolakken die in ons huis altijd beschikbaar stond aan de handelsbehoefte van leasepa.

Die wilde nog wel eens een voorraadauto doen voorzien van een nieuwe laklaag en dan bleef er altijd verf over. Groen, beige, bruin…net de juiste kleuren voor camouflage-patronen op die schaalmodellen. En die autolak bleek harder dan de normale (en dure) modelbouwlaksoorten. Hoe dan ook, mijn generatie groeide op met dit fenomeen. Niet in de laatste plaats door de Britse modelbouwindustrie die toen nog volledig dominant was op dit terrein. Het al genoemde merk Airfix was een producent die voor weinig geld modellen in plastic zakjes verpakte en dan de bouwtekening en voorbeeld van het ‘echt vliegende model’ omgevouwen vastniette aan de bovenkant van die plastic verpakking. Men leerde zo niet alleen vliegtuigen op schaal kennen maar ook tanks, schepen en auto’s. Later zou het merk net als de Amerikaanse concurrentie doosjes als verpakking gebruiken waarbij ze ook opschaalden naar grotere modellen. Het had meteen ook effecten voor de prijs….

Het merk is nog steeds een belangrijke en de meeste mensen hebben er wel eens van gehoord. Ook een grote naam was Revell, dat nog steeds bestaat, nu volledig in Duitse handen is, maar ooit puur Amerikaans was. Loop een beetje speelgoedwinkel binnen en Revell staat op je te wachten. Waren dat vroeger betaalbare modellen, tegenwoordig ben je zo tussen de 70-100 euro per doos kwijt. En dan moet je nog beginnen. Alleen al aan verf komt er dan al snel 10-20 euro achteraan en een tubetje lijm is ook zo 5 euro. De kosten stijgen maar gelukkig groeit de nieuwe groep modelbouwers ook. Het in elkaar zetten van zo’n model is overigens geen kinderspel meer.

Het vraagt inzicht, geduld, wat technisch vernuft en ook een stukje referentiemateriaal v.w.b. kleurenschema’s etc om zo een representabel model neer te zetten. Mij leerde het ook om geduld te hebben bij de bouw. En als je dat niet meteen als eerste karaktereigenschap bezit is het zelfs therapeutisch. Hoe dan ook, modelbouw is tegenwoordig net zo min kinderwerk als pakweg het in elkaar zetten van ingewikkelde Lego-constructies. Nog los van de vergelijkbare kosten. Want wie denkt dat Lego iets is voor kinderen….helemaal mis. De meeste dozen vol van dat Deense spul zijn in handen van volwassen kerels en een enkele vrouw. Die met veel geduld dagen aan het bouwen zijn…..Ik herken dat wel. Maar legpuzzels leggen….? Nee, daat heb ik het geduld dan weer niet voor….. (Beelden: archief)


















Vraag iemand als uw meninggever aan welke auto hij nou heel speciale herinneringen hebt en je krijgt al snel als antwoord….de Chevrolet Impala van 1959. Een auto met dusdanig fraaie lijnen en vleugels op de achterkant die nog het meest leken op sierlijk gevormde strijkplanken dat je er wel verliefd op moest worden. Maar jaren eerder had mijn ooit hier beschreven ‘Ome Leo’ al een geweldig fraaie Stylemaster uit 1948 (zie ook: Leven met de Vliegende Pijl deel 1a -1-7-18)waarmee we vaak als gezin met hem samen naar Limburg reisden. Chevrolets waren na de oorlog ook aardig talrijk in ons land. Ze waren groot, kostten niet te veel en benzine was nog aardig betaalbaar. Daarbij waren ze goed leverbaar en door de bevrijding populair.
Het merk zelf stamt qua afkomst al uit 1911 en werd kort daarna overgenomen door General Motors. Het werd door de jaren heen eigenlijk constant gezien als rechtstreekse concurrent voor Ford. Voor de oorlog keurig nette wagens die o.a. door doktoren en juristen werd gebruikt, na de oorlog door een veel breder publiek. Als je nu ziet welke wagens dat merk voortbracht is het ongekend dat het tegenwoordig compleet van de markt is verdwenen. General Motors nutte het door de crisis compleet uit en ging zelfs zo ver dat het Koreaanse Daewoo’s als Chevrolets ging vermarkten.
Voor de ware liefhebber is het toch het merk van de grote wagens, met een zoemende V8 voorin en elk jaar een nieuw aangepast model. Van de BelAir, via de Impala naar de Corvair, waarbij de motor voor de verandering achterin was gezet om ze de concurrentie met VW aan te kunnen. Het werd een mislukking al werden er toch enorme aantallen van gebouwd en verkocht. Maar het imago werd door sommige critici bijna compleet de grond in geboord. Chevelle en Caprice poetsten dat imago later weer op. Zeker ook in ons land waar deze wagens vaak werden gebruikt als taxi of onderdeel van een bruidsstoet of uitvaart.
Bij de Caprice uit 1977 kon je al kiezen uit verschillende motoren en kreeg je auto een met een geweldige bouwkwaliteit, enorme ruimte, en een gewicht dat soms bijna 2 ton haalde. Voor ons Europeanen die toen nog in piepklein en goedkoop geloofden was dat even wennen. De verkopen namen ook nog wat af omdat de oliecrisis van 1973 de literprijzen voor benzine omhoog stuwden en voor Amerikaanse benzineslurpers lastig bleek te zijn. Vanaf de jaren tachtig kwam Chevrolet met compactere wagens met een lager gewicht en nam men soms zelfs een viercilindermotor voor lief. Mits je geen Camaro of Corvette kocht want die waren bedoeld voor het uitbouwen van een sportieve imago en ook om je te onderscheiden van de massa. Wat aardig lukte. De foute marketingtruc om Chevrolets uit Korea te gaan verkopen of onder de merknaam Opel uit te brengen heeft het merk geen goed gedaan. Jammer maar helaas.
En dus is het nu vrijwel volledig verdwenen van de Europese en ook Nederlandse markten. In de VS zelf nog steeds aardig verkocht. Met grote SUV’s, Pickup’s en die lijn sportieve wagens natuurlijk net zo bekend als revolutionaire maar toch wat geflopte elektrische Volt/Bolt. Maar toch een merk dat er zijn mag. Al was het maar om die mooie herinneringen aan die Chevy’s waar ik zelf nog eens in werd vervoerd…..(Foto’s: Yellowbird archief)

