Op de 25e juni vorig jaar verruilde onze grote vriend Yde het tijdelijke voor het eeuwige. Zijn overlijden kwam als een grote schok. En anders dan je wel eens meer hebt bij dit soort gebeurtenissen, ebden de schokgolven niet zo maar weg. Nee, hij bleef intussen een jaar lang onderdeel van het dagelijkse leven. Gesprekken, anekdotes, data. Hij bleef in onze gedachten. Dat is toch wel typerend voor iemand met een grote wijsheid en interesse. Iemand die oprecht bezig kon zijn met de wereld om ons heen en daar een mening over vormde die weliswaar stellig, nooit in beton gegoten was. Het afscheid van Yde maakte ook duidelijk dat zelfs de grootste en stevigst gewortelde eik kan worden geveld door zoiets akeligs en afschuwelijks als de ziekte waaraan hij leed. Een strijd die door allerlei complicaties niet te winnen bleek. Afscheid nemen was niet echt mogelijk, hij vertrok zonder enig overleg. Niks voor hem. Altijd plande hij zijn reizen goed, dacht na, nam veel bagage mee, en liet weinig aan het toeval over. Zijn laatste reis was minder gepland en dat zorgde ook voor die beschadigingen bij allen die hem wat beter kenden, de familie uiteraard op de eerste plek. Onlangs was er een feestje in die familie. Goed georganiseerd, geweldige gastvrijheid, leuke sfeer. Maar wat misten we hem. Altijd goed voor een verhaal, voor een grap, voor een overweging over de ‘Fransen’ die de wereld al heel snel beter zouden kunnen maken ‘als…’. Zijn stoel staat nog steeds in huis. Ik heb er sindsdien nooit meer in gezeten. Past niet bij het eerbetoon. Een jaar geleden alweer. En nog steeds doet het pijn. Is dan het bewijs niet echt geleverd dat de man behoorde tot de intieme vriendenkring waarvan een gemiddeld mens er vaak maar zo weinig heeft? We nemen een glaasje op zijn herinnering. En houden zijn herinnering in ere! Salut!
Bewijs geleverd……
Tijdens mijn voorbereidingen op het nog uit te brengen boek over mijn leven met en voor het automerk met ‘de Vliegende pijl’ in het logo zocht ik heel wat oude albums af naar plaatjes die mijn jeugdjaren en de stempels die deze zetten op mijn latere keuzes voor dat merk met die pijl konden onderbouwen. Zo was er ooit lang geleden een Studebaker in gebruik bij mijn leasepa. Een witte met rode bekleding, die ik me nog goed kon herinneren. Maar in de foto-albums die in de familie bestaan was het bewijs voor dat Amerkaanse rijgenot niet terug te vinden. En het was toch echt geen fantasie, maar werkelijkheid. Die kwam deels doordat broerlief en ik vaak anekdotes ophaalden uit de tijd dat onze moeder met bontjas en mooiste jurk aan op vrijdagavond in de (voor zijn tijd) enorme slee stapte om zich in stijl te laten vervoeren naar het hier toen nog bekende etablissement Slotania in het Amsterdamse Slotermeer. Daar wil je nu niet meer gezien worden, gevaarlijke hoek van de stad, maar toen echt creme-de-la-creme voor een hapje en drankje. Mijn ondernemende oom Frits woonde daar om de hoek in een chique flat en die schoof dan met zijn gezin aan om de week uit te luiden en een vorkje bij te steken.
De Studebaker was een best grote auto naast de toch ook best imposante Opel Kapitan van Oom Frits. Maar waarom werd die Studebaker indertijd niet op de gevoelige plaat gezet? Ik bleef zitten met raadsels. Wel plaatjes van vele Skoda’s, IFA, Hansa, DKW etc., maar geen Studebaker. Was het wellicht omdat mijn moeder liever een Pontiac had gehad voor de deur? Of omdat de vette Yank er na enige tijd motorisch de brui aan gaf en aan een stevige motorrevisie moest. Feit is dat ik me die ritjes met dit luxe auto zelf ook nog goed kon herinneren. Al was het maar omdat mijn straatvrienden met bewondering keken naar die wekelijkse uitjes waarbij ik in mijn beste kleding mee mocht op de achterbank. Geen groter genoegen dan vol gas de straat uitrijden.
Wellicht was dat later de reden voor die motorschade? Onlangs zat ik op visite bij broerlief en we scharrelden door een blikken trommel vol oude plaatjes die nog kwamen uit de nalatenschap van ons beider moeder. Die is al een tijdje geleden gaan hemelen, maar die foto’s waren nooit echt boven water gekomen. Nu dus wel, en tussen alle bekende en onbekende mensen zagen we ineens dat ene bewijs voor het bestaan van die Studebaker uit onze jeugd. Ons moeder centraal in beeld. Met een guitige blik, achter het stuur van de enorme auto, terwijl ze zelf helemaal niet kon rijden. Maar wel ook in een bosomgeving, ergens in Nederland. Favoriet uitje van mijn moeder die gek was op de natuur. En zo werd een oude herinnering bevestigd en kwam een stukje historie terug uit een periode waar we als ‘kinderen’ best met een dubbel gevoel aan terugdenken. Maar dat is niet de schuld van die schitterende Studebaker. Meer van de toenmalige inzittenden…
Relatieve overlast…
Kijk, als de buren massaal in de tuin gaan zitten feesten of muziek maken (wat ze overigens zelden of nooit doen) noem ik dat zelf vanuit mijn waarneming snel lawaai. Maar voor anderen zijn de voorbij trekkende vliegtuigen, auto’s of zelfs trams bronnen van grote ergernis. Immers, lawaai waar je niet om vraagt is reden voor veel gemopper. Nu is lawaai van die soort heel vervelend als het een vorm aanneemt die je het beste als terreur kunt beschrijven. Maakte ik ooit mee in het flatgebouw waar we jaren geleden als jonge lieden woonden. We kregen (naar later bleek) tijdelijke bovenburen die ons het leven echt tot een hel maakten. Midden in de nacht speelden kinderen bonkend en stommelend, loeide een radio, vergaten ze de afvoer van de wasmachine zodanig af te sluiten dat niet alle water langs de muren liep bij ons, en mikte palief na een stukje kritiek van zijn vrouw op zijn kijkgedrag, de tv naar beneden vanaf het balkon op tien hoog. Het was een ramp. Ook al omdat die flats zodanig gebouwd waren dat je van voor- tot naspel het seksleven van je buren kon volgen, voor zover aanwezig, of gesprekken tijdens vele verjaardagen om ons heen. Ik was blij indertijd te kunnen verhuizen.
Geluidshinder van verkeer is heel vervelend als je er de hele dag midden in zit. Als je geen keuze had bij de vestigingsplek van die woning. Want wie gaat wonen bij Schiphol weet dat daar vliegtuigen starten en landen. Ga je dan protesteren is er echt iets mis met je geestelijke gesteldheid. Nu ben ik zelf opgevoed in een omgeving waar omgevingslawaai altijd hoorbaar was. Garagebedrijf tegenover ons, een bromfietsenstallling onder het huis, vliegtuigen die over de straat vlogen en af en toe wat straatraces met diezelfde brommerige tweewielers door de lokale jeugd. In de hoofdader van de buurt reden heel wat trams en het verkeer dat ook toen al druk was had zo zijn invloed op het milieu. Hadden we er last van? Ach, soms. Maar nooit zo dat je er over ging protesteren. We werkten, leerden, deden wat we moesten om een beter leven te bereiken. En wisten dat we in een grote stad leefden, de grootste van dit land. Dan wen je aan het fenomeen en vind je het zelfs te rustig als je in een stille omgeving verkeert.
Hoe leuk dat dan ook is zo eens in de zoveel tijd. Lawaai is dus betrekkelijk als het geen terreur betreft. Daar ligt irritatie snel om de hoek. Zoals een live band in de tuin bij de buren zonder overleg of zoiets. In mijn huidige woonomgeving hebben we eens een hele zondag zitten luisteren naar een buurman een paar huizen verderop die zijn opbergruimte in de tuin aan het schuren was. Met een elektrische schuurmachine. Vreselijk geluid. Waar dat ook door kwam, het was zomer, de vakanties bezig en geen kindergeluid te horen. In die stilte viel dit geluid enorm op. Zou het dan slechts daardoor komen? Ben benieuwd wie er van mijn lezers en medebloggers zelf te maken heeft met geluidsoverlast en hoe men er mee om gaat. Is stilte jouw ding? Of kan je wel tegen een beetje achtergrondruis???
Assen
Als ik al eens per trein reis doe ik dat vooral om zo zonder al te veel verkeerszorgen naar plekken te komen die ik normaal niet zo snel bezoek. Noem het toeristische trekpleisters van de tweede categorie. Niet naar Maastricht maar naar Roermond, niet naar Nijmegen maar liever richting Arnhem, een beetje in die zin. Onlangs was weer een vanuit het vooroordeel geredeneerde buitenplaats aan de beurt. Bereikbaar na een ritje van 1u40minuten in de gele rupsen die zich tegenwoordig vanuit Amsterdam via de Flevopolders naar het noordoosten bewegen. Want daar lag ons doel voor deze dag; Assen. Daar kwam ik voorheen nog wel eens om zakenrelaties te bezoeken, maar die vestigden zich steevast op de industrieterreinen van dergelijke steden, dus het centrum van Assen was me dus onbekend. En ik stelde me er weinig bij voor. Geen enkel idee zelfs.
Bleek een heel goede instelling, want het was een meevaller van jewelste. Assen is een levendige stad, heeft de nodige winkels, al zijn die deels als overal in te delen onder de bekende ketens die ons land teisteren. Maar ook echt eigen Assense winkels kom je hier ook tegen. Net als een bijzonder glazen paleis, VanderVeen Warenhuis genaamd, Als je daar naar binnen loopt ontdek je dat dit een soort verzamelplek voor allerlei winkels is die hier werken met open voorkanten, glazen zijwanden en soms schitterende uitzichten over de stad. Kom je in de Drentse hoofdstad; zeker even naar binnenlopen. Assen kende ook markt toen wij er waren, en dan blijkt dat de trein zijn beperkingen heeft t.a.v. wat je kunt meesjouwen.
Alles was hier goedkoper dan elders in het land, bleef een uitdaging om ‘nee’ te zeggen tegen de aanbiedingen. De horeca is hier rijk vertegenwoordigd, je kunt lekker eten en drinken, de mensen zijn vriendelijk, de terrassen goed gelegen. Assen bleek een leuke stad, leuker dan we ons hadden voorgesteld. Komen we hier nog eens terug? Wie weet. Je passeert onderweg ook nog wat andere leuke plekken, zoals Meppel en Zwolle, en de trein eindigt zijn route in Groningen, ook niet te versmaden. Maar voor een onderschatte stedelijke omgeving bleek het een leuk reisdoel. En kreeg het gekochte kaartje een prima bestemming.
Opgeruimd richting Mercurius
Vrouwlief nam onlangs het voortouw waar het ging om opruimen van overbodige boeken en andere zaken. In de loop van de decennia bouwden wij een best enorme bibliotheek op en een deel van die leeswaar is na controle echt qua inhoud te oud of te suffig om nog eens in te kijken. Dat ruimt lekker op, want inmiddels gingen al een doos of 15-16 naar de Kringlopers in de buurt. Maar er blijft nog genoeg over waar we een bestemming voor moeten zoeken. Onlangs, de koffie met de taart op tafel, moest ik van haar een serie boekjes bekijken die ofwel ‘bleven’ dan wel ‘gingen’. In een daarvan vond ik een krantenknipsel uit 1970, zelf uitgeknipt indertijd en mij een blik gevend in mijn toenmalige interesses. Het stukje (Parool) legt uit dat de NASA een ruimtereis plande met een stevig stukje techniek dat in het najaar van 1973 zou worden gelanceerd naar de planeet Mercurius. Het intrigeerde me, want ik had geen idee of dat ding überhaupt wel is opgestegen en of we die pokdalige planeet ook hebben bereikt. Dat vraagt om nakijken. En dat doe je niet meer in boeken, maar op internet.
De indertijd nog als MVM-73 aangeduide missie is inderdaad gelanceerd. Maar toen heette het ding intussen Mariner 10 en was het apparaat al twee keer zo zwaar als ooit gepland. En moest hij onderweg ook nog een paar andere taken uitvoeren. De Mariner moest via een ingewikkeld parcours ook Venus aan doen en onderweg gelijk even wat kometen bestuderen. Uiteindelijk is hij langs Mercurius gescheerd, de kleinste planeet van ons zonnestelsel en we kennen hem als collega-planeet al een paar eeuwen. Om er te gaan buurten is de planeet niet zo geschikt. Zijn positie t.o.v. de zon maakt hem niet echt leefbaar. Zo komen daar de grootste temperatuurfluctuaties voor uit het hele zonnestelsel. Is het er donker moet je rekening houden met 173 graden vorst, komt de zon op verschroei je er vrijwel meteen met 427 graden boven nul. Daar helpt geen enkele zonnebrandcrème meer tegen.
Mercurius is bijzonder grillig gevormd, en zou volgens experts, die zich o.a. baseren op de metingen zoals verricht door de Mariner, een kern hebben die nog eens drie keer groter is dan die van onze eigen Aarde. Onherbergzaam dus, en niet echt aantrekkelijk. Maar door alle informatie te bestuderen leren we meer over het heelal. Overigens lanceerde NASA in 2004 de Messenger, en die satelliet draaide maar liefst 4000 keer rond de planeer Mercurius. Mariner 10 was toen al een tijdje verdwenen. Opgeruimd in de grote kringloop van de ruimte. Wie weet komt die over duizenden jaren nog eens terug, om te zien dat onze thuisplaneet er heel anders uitziet dan toen hij vertrok voor zijn lange reis….
Omgekeerd denken…
Onlangs, het was een beetje aardig weer en dan bewegen we ons nog wel eens wat tussen het groen in de tuin….., bleek dat een van de grote struiken (of was het nu een klein boompje) niet echt opfleurde door het lenteweer. Het ding bleef bruingeel van kleur, al kwamen er nog wel knopjes aan de takken die deden vermoeden dat de natuur zijn werk wilde doen maar niet echt daarin slaagde. Vrouwlief, uitgerust met een stel wel heel erg groene vingers, besloot het ding uit de bijbehorende pot te trekken en kwam tot de ontstellende ontdekking dat de kluit waarin die plant moest groeien was omgevormd tot een wereldstad van enige omvang. Maar dan op mierniveau. Gangen, straten, waterpartijtjes. Het krioelde ook van het volk daar in die kluit. Bruinzwarte kruipertjes druk doende om direct de schade te dichten aangericht door de brute verwijdering van hun stad uit die veilige omgeving. Onderin de pot dreven hele kluiten eitjes. Vermoedelijk het gevolg van een hartstochtelijke bevruchting van het vrouwvolk in deze kolonie. Wij bestreden de bevolking van het mierenstadje voor het gemak toch maar, verwijderden de eitjes en zetten de plant in een bak met bleekwater.
Tot zover een eerste observatie van wat in onze tuin zoal speelde.. Wij mensen zijn als je er goed over nadenkt echter tamelijk arrogant. Wij gaan er altijd maar vanuit dat wij die wereldbol hebben geerfd van iets of iemand en dat alles wat daarop aanwezig is en leeft ons moet dienen. We dichten ons zelf grote intelligentie toe en knijpen een oogje dicht voor oorlog, haat, afgunst, armoede, terrorisme, geloofsgekte en zo meer. Immers wij mensen zijn superieur. Maar wat nu als dit niet zo is en wij eigenlijk ‘bezetters’ zijn van een planeet die in principe bedoeld was voor heel andere doeleinden. Dat die kleine mieren eigenlijk de echte bewoners zijn en dat die ondergronds of daar waar het lekker donker en vochtig is, hun eigen leven leiden. Dat er op zijn ‘miers’ wordt geconverseerd, dat ook daar songfestivals worden gehouden en er ook een echte Mierse economie bestaat. Laten we wel zijn, er is weinig kruid gewassen tegen die mieren want als je in de gemiddelde tuin gaat kijken zie je dat die beestjes eigenlijk heer en meester zijn in dat stukje ontspanningsgebied van ons mensen.
Ooit logeerden wij in Portugal. In een fraaie bungalow, het strand van de Algarve in de achtertuin. Elke dag werden we bezoocht door diverse kolonies mieren die in zwarte banen langs de muren liepen en o.a. aanvallen deden op alles wat eetbaar was in de keuken. Zoonlief was er de hele vakantie druk mee. Die stak die nesten in de brand, het hielp soms even, maar nooit lang. De mieren bleven komen. En niet alleen bij ons, ook bij de buren. Kortom, die bungalows stonden wellicht op de grond van die mieren en die kwamen hun rijkdommen even opeisen. Via de onze. Als je daar dieper over nadenkt wordt je toch iets bescheidener in die claims van het menselijk gelijk. Omdat die mieren naar verluid al een paar miljoen jaar oud zijn en ook de andere bewoners van deze aarde overleefden. De dinosauriers en alles wat daarna kwam. Toch eens over nadenken….het maakt een mens toch een soort profiteur….en mieren niet veel anders dan hard werkende beestjes met een eigen claim op onze wereld. Maar liever niet in onze tuin, dat vind ik dan weer minder…
Vandaag, 117 jaar geleden….
Vandaag, de 12e juni van het jaar 2015 is het precies 117 jaar geleden dat in Utrecht de aanzet werd gegeven voor de oprichting van de Coöperatieve Raifeissenbank, voorloper voor de huidige Rabobank. Deze bank werd genoemd naar de bevlogen oprichter en burgemeester Friedrich Raifeissen die zich de ellende aantrok van vele keuterboeren aan het einde van de 19e eeuw. Die leefden vaak in grote armoede en hielden zichzelf en hun bedrijfjes veelal overeind met geleend geld. En woekeren was die bankiers in die periode niet vreemd. Rente op rente en ook nog eens geen enkel gevoel van mededogen zorgde voor veel ellende. Raifeissen gaf zijn samenwerkingsverband een dusdanige constructie dat de ‘leden’ inspraak hadden bij het beleid en de rentevoet. Dat hielp heel wat Jan Splinters door de denkbeeldige winters. De bank baseerde zich daarbij op fijn-christelijke principes waarbij men terug greep naar een vorm van barmhartige medemenselijkheid die bijna ongekend was. Dat gevoel en die principes bleven lang een onderdeel van het Rabobank-denken en zorgt ook nu nog voor grote trouw bij de klantenkring.
Al is dat imago intussen wel aardig afgebrokkeld toen bleek dat men bij de Rabo net als bij elke andere bank gevoelig was voor gerommel met rentevoeten, de kredieten niet meer zo simpel verstrekte als de agrarische of mkb-klanten voorheen gewend waren geweest en aan de top van het bedrijf lieden kwamen te zitten die dingen deden en beslissingen namen waardoor de oude heer Raifeissen zich in zijn graf zou doen omdraaien. Bankieren in het algemeen heeft weer net zo’n imago gekregen als in die periode aan het einde van de 19e eeuw toen dat gedrag en bijbehorende imago juist zorgden voor oprichting van die Raifeissenbank. Kennelijk is het lastig om je principes geen geweld aan te doen. De Rabo zou gedegen moeten zijn, betrouwbaar, een rots in de woekeraarsbranding.
Helaas…… Daarbij sloot en sluit het bankbedrijf kantoren bij de vleet, verlaat juist de klantengroepen waarop het altijd steunde en vervreemdt zich zo van haar eigen achterban. Nu ben ik ook niet blind of doof, laat staan monddood, maar er is toch iets mis met de financiële wereld als je ziet dat Rabo door velen niet veel anders wordt gezien als ‘een van die banken’ en niet meer in die zo gezochte uitzonderingspositie. 117 jaar na de oprichting is er maar weinig wat je kan verleiden om met je financiële vragen richting Rabo te stappen. Dus die nieuwe tractor en ploeg die ik nodig heb voor de achtertuin koop ik dan maar met een kredietje van een andere bank. Gelukkig weet ik dat wat ik hier schreef door veel lezers niet als serieus te nemen wordt opgevat. Maar neem van mij aan dat de feiten echt kloppen. En als je het niet gelooft, gewoon nakijken…Google is geduldig. Of de persafdeling van de Rabo bank in Utrecht.
Smartphone….
Het is niet eens zo heel lang geleden dat ik niets moest hebben van het idee om met een smartphone aan de gang te moeten. Laten we toch gewoon zo´n mobiel ding benutten waar het voor bedoeld is, zo was mijn devies. En dat leek mij vooral bellen, of het toen nog gebruikelijke sms-sen… Tot zoonlief me voorzag van mijn eerste smartphone. Een Nokia Windows Phone met een erg aardige Carl Zeiss lens voor het maken van zeer fraaie foto´s. Je kon er alles mee wat ook op een computer of laptop mogelijk was, al was het schermpje dan een stuk kleiner. Binnen de kortste keren kon ik mee lezen en schrijven. En dat laatste deed ik, Facebook, Twitter, blogs, alles kon interactief en via de compacte zakcomputer. Ik was ´om´. Het viel vrouwlief al op dat ik heel wat meer tijd met dat ding in mijn handen zat dan met een boek…. In september vorig jaar ging het mis. Door domme pech viel de Finse zakgenoot op de grond en brak zijn scherm. Maken kan, natuurlijk, maar bleek duur. Gelukkig had zoonlief een nieuwe voor me liggen, nou ja, een half jaartje gebruikt en dus kon ik snel vrij snel schakelen.
Weer wat sneller, flink groter en met een 20MP camera. Het bleek een groot genoegen met het ding onderweg te zijn. Nam ik voorheen de laptop mee op tripjes of zakelijke afspraken, nee, hoeft niet meer. Kan in de Smartphone alles net zo goed en snel en de foto´s zijn beter dan die gemaakt met mijn compacte micro/Japanner. Kortom ik ben een adept. Net als ongeveer ieder ander die ik onderweg tegen kom. We zijn er maar druk mee. Social media, selfies, filmpjes op YouTube. Zelfs mijn afspraken staan er in en worden uren voor de afspraak keurig gemeld. Je moet wel slordig zijn wil je dan een afspraak vergeten. Onlangs las ik een leuk onderzoekje onder zakenreizigers. Men wilde weten hoe veel waarde men hechtte aan bepaalde zaken die een mensenleven tot genoegelijk kunnen maken.
Een van de vragen was…´Wat zou u opofferen voor een goed glas wijn..´. Het antwoord was echt opvallend. 23% van de ondervraagde zakenreizigers wilde daar wel een week lang de sociale media voor laten, er waren er ook heel wat die vonden dat ze wel een week zonder (vermoedelijk kwalitatief matige) seks konden als ze dat glas wijn maar mochten opdrinken en op 1 met stip, stond dat 29% van de ondervraagde wel een dagje zonder smartphone zouden kunnen voor dat glas. Kijk eens naar de waardebepaling van die drie zaken. Een week seks, of een dag smartphone…. Er gaat toch iets mis met ons mensen. Volgend jaar het volgende onderzoek. Zouden we dan twee weken seks en een uurtje zonder smartphone invullen…ik vraag het me oprecht af….
Evaluatie…
Ze viel me direct op. De mooie en strakke, en zeker slanke dertiger met het expressieve gezicht en wat warrige krullenbol. Zat een beetje schuin voor ons in het restaurantje waar we met vrienden genoten van het lekkere eten en elkaars gezelschap. Ze had helderblauwe ogen waarmee ze soms naar haar tafelgenoot keek, maar veel meer naar buiten. Mijn NLP-instincten gingen meteen op standje alarm. De man tegenover haar was vermoedelijk en op het eerste gezicht een zakenrelatie of wellicht haar chef of zo. Maar diens verhalen vond ze blijkbaar minder interessant dan hij zelf als persoon. Hij oreerde vrij verstaanbaar voor iedereen in het restaurant over zijn rapportages, budgetten, de targets die gehaald werden en de klanten die nog moesten ‘worden bewerkt’. Zij hoorde hem aan, keek telkens wat naar buiten, controleerde af en toe haar mails op de smartphone en zipte aan haar glas. Was dit een zakelijk gesprek? Iets in de privehoek leek het niet te zijn, hij was een stuk ouder dan zij, ik schatte hem 20-25 jaar ouder, goed in pak, dat wel, maar zonder stropdas. En dat maakt oudere mannen in het zakelijk verkeer toch wat minder serieus te nemen. Heb ik ook altijd bij presidenten of premiers die omwille van een goede sfeer ineens de stropdas afdoen. Of die hem überhaupt niet omdoen omdat dit zo ‘progressief’ oogt.
Hoe dan ook, bij het tweede glas Italiaanse wijn kwam zij ook aan het woord. Met een lichte stem en haar blik op hem gericht vuurde ze vragen af als een machinegeweer. Ze had zich ingelezen, kende haar materie. Had zijn verslagen tot zich genomen, maar was zelf goed voorbereid aan dit etentje begonnen. De man zweeg, keek haar onophoudelijk aan en nam af en toe een hapje van het intussen geserveerde voorgerecht. Met haar blauwe ogen en haar netjes opgemaakte gezicht was dit een vrouw die mannen kon boeien, een vrouw die dat zelf ook wist. Ze had haar maniertjes. Af en toe een hand door de krullen, een bandje van haar beha vanonder haar blouse opdiepen, en maar praten. Lachend, maar to-the-point. En de man zweeg. Had hij dit niet zien aankomen of was zij wellicht de Regionale Manager aan wie hij verslag moest uitbrengen. Ook al zo sneu, dat je als oudere man verantwoording moet afleggen bij een jongere vrouw. Vermoedelijk nog beter opgeleid dan hij en sneller carrière gemaakt. Het bleef een interessant schouwspel. Zij speelde het spel met gemak, vermoedelijk zat ze hier elke week wel een keertje met een wisselende reeks partners. Aan haar rechterhand zag ik een ring, blinkend, duur dus. Getrouwd? Geen idee. Maar een dame die ging voor haar carrière. En die arme man onderging haar gebeuk op zijn macho-vesting met gespeelde interesse. Keek en luisterde, luisterde en keek……net als ik!
Jeugdige indrukken en geloof…
Indrukken uit het verleden kunnen veel stempels zetten op het latere volwassen leven van mensen (wellicht ook bij dieren..). Wat we in onze jeugd meemaken, horen of zien nemen we mee in onze vergaarbak aan herinneringen waarmee we later onze smaak, voorkeuren of beslissingen inkleuren. Mijn eigen jeugd speelde zich af in een wonderlijke mengeling van auto’s en vliegtuigen, een buurt vol winkels en een groep vrienden die allemaal zowat vanuit hetzelfde startpunt richting toekomst gingen. Ik schreef al eens eerder een verhaaltje over de keuzes die toen al werden gemaakt op basis van afkomst of inkomen ouders. Dit keer gaat het meer om de keuzes die je maakt met in het achterhoofd wat je zoal zag en hoorde thuis. Zo was ik een katholiek kind. In de jaren dat dit geloof nog zwaar drukte op de parochie om de grootste kerk van Amsterdam heen. De invloed van het geloof op sociaal gedrag, op onderwijs en hoe je in het leven stond was groot. De sociale druk om de kerk te bezoeken ook.
Toen ik daar al op jeugdige leeftijd van los kwam, eigenlijk met dank aan mijn oudere broer, raakte ik nooit helemaal kwijt dat kerken best mooie gebouwen zijn als ze bijvoorbeeld door bouwmeester Cuypers werden opgezet. Het dogma van de kerk dat alles wat niet katholiek was als ‘afvallig’ of ‘heidens’ moest worden gezien bleef me altijd (zij het verwaterd door eigen ervaringen)bij. Ook al doe ik dan zelf niets meer aan beleving van dat geloof, dan nog. De vakjes in de bol werken nog steeds na. Geldt ook voor de automerken waarmee ik opgroeide. Sommige daarvan kleurden mijn leven, anderen vond ik altijd suf en onbetrouwbaar. Nooit bezeten en zelden bereden. Een Amerikaanse Studebaker als ‘Company Hack’ voor mijn in auto’s handelende stiefvader zorgde voor een grote voorkeur voor dit soort sleeën, tot ik er als volwassen ventje zelf een stuk of drie had bereden.
Leuk, maar onbetaalbaar! Vooroordelen speelden een grote rol, rijk bekommerde zich niet om arm, en armoede of nog erger, domheid maakte kansloos. Leren, leren en nog eens leren. Het werd er in gestampt. En dat is me altijd blijven achtervolgen. Niets aan het toeval overlaten, uitzoeken en opslaan. Dat er door overvliegende vliegtuigen in die jaren indrukken werden gestempeld in mijn ziel vol voorkeuren zal niet verrassen. Het was alsof iemand me leidde om vliegtuigen als hobby te gaan zien, als beroep, als passie. Maar daarvoor moet je dan geloven in….. en dat is nog steeds een grote twijfel. Meer nog dan die vogel waar ik tegenaan kijk in de spiegel. Daar twijfel ik veel minder aan. Zouden meer mensen moeten doen….
