Ridder Brandewijn in gevecht…

Ridder Brandewijn in gevecht…

Na een dagmars van twee etmalen bereikte het gezelschap mannen rond Ridder Brandewijn de streken waar ze de schurken verwachtten te vinden die het reizigers vaak zo lastig maakten.

Het bos bij Rosendael was in nevelen gehuld, de zon liet zich niet zien. Ridder Rogier zette een gevechtsformatie uit waarbij zijn mannen in een soort ruit verdeeld het bos in trokken waarbij hij in het centrum te paard de lakens uit kon delen. Met deze manier van opereren was hij in het Heilig Land vertrouwd geraakt en het bleek effectief om de daar optredende Mohammedanen aan te pakken. Zijn opdracht was ook nu om stil te zijn voor zover dat kon om de vijand niet te alarmeren. Toen ze via de glooiende hellingen steeds hoger het terrein inkwamen waar ze de dievenbende van de roverhoofdman vermoedden was het enige wat ze daar tegenkwamen een enkele ree of everzwijn. Normaal zouden ze daar jacht op maken, maar gezien de omstandigheden was dat minder handig. Op de terugweg konden ze alsnog wel zorgen voor verse buit. Terwijl hij nog even ging verzitten hoorde hij dat de linkerflank van zijn groep met geraas in de val was gelopen bij de beruchte bende. Een gevecht brak uit.

Maar Ridder Brandewijn wijzigde zijn strategie niet. Hij hield de formatie in stand, beducht als hij was dat meer van die boeven ineens vanuit hun schuilplek de aanval zouden kunnen openen. En dat klopte. Met een hoop gebrul stortte een man of tien zich op zijn voorste linie en op hem zelf. Ze waren aan het oog onttrokken geweest door het lage struikgewas en waren daarmee dus in het voordeel. Hij trok zijn zwaard en ging met zijn paard in galop op de eerste vechtersbazen af. Zijn eigen mannen waren al in een dodelijk gevecht gewikkeld met de lieden die hen hadden aangevallen, Ridder Rogier sloeg met zijn zwaard in het rond en merkte meteen dat hij effect bereikte. Hier sneuvelde een arm, daar een hoofd, het zwaard dat het heilig land had helpen bevrijden deed hier ook waarvoor het was gemaakt en hij kon er goed mee overweg. Het leek op enig moment of hij snel orde op zaken kon stellen, het gekerm van gewonden en het vele bloed deed hem dat ook geloven.

Maar toen werd ook hij getroffen door een pijl die hem weliswaar niet ernstig verwondde, wel van zijn paard smeet. Op de grond liggend was het voor de ridder in zijn zware uitrusting lastig om overeind te komen en de eerste hem vijandige mannen kwamen al op de liggende ridder af om hem de doodsteek te geven. Steunend op zijn zwaard lukte het hem overeind te komen en die aanvallers van zich af te slaan. Dood en verderf zaaide hij, al prikte het bloed hem in de ogen van diverse wonden die ook hij opliep door het gevecht. Toch bleek na wat uren leken te zijn, dat zijn mannen orde op zaken hadden gesteld en dat ze ook gevangenen hadden kunnen nemen. Maar tevreden was hij niet. Want de aanvoerder van de troep was er niet bij. En dat was slecht nieuws. Van zijn mannen waren er drie gedood, diverse gewond geraakt en ook hij zelf had last van zijn kwetsuren. Gelukkig bleek zijn paard niet gewond en in de buurt. Toen de laatste aanvallers waren gevlucht besloot Ridder Brandewijn om het hoogste punt in het woud op te zoeken en daar kamp te maken. De gevangenen werden aan zijn paard gebonden en moesten meelopen in zijn tempo. Als ze daarbij vielen sloegen zijn mannen er op los en stonden die lui wel weer op. De avond viel, het woud begon vreemde geluiden te maken. Tijd voor een kampvuur en verzorging van de wonden. De strijd was nog niet gestreden…. De gedachte aan de blonde deerne in zijn kasteel hield hem op de been….morgen weer een dag….

Ridder Brandewijns avonturen..

Ridder Brandewijns avonturen..

Ridder Rogier Brandewijn leefde in zijn kasteel als een goddelijk heer in Frankrijk. Omringd door zijn trouwe pages en dienstmaagden had hij een mooi leven. Hij ging af en toe eens op jacht en at de oogst van al dat gejaag en geschiet de week er na met smaak op. Hij ging ter kerke, hield zich aan de leer en trachtte een vrouw te vinden die hem kon helpen aan nageslacht om zijn kasteel, het fraai in de bossen gelegen en al eeuwen in de familie verkerende Vaetenburg, later te besturen zoals hij dat had gedaan. Ridder Rogier was een grote vent. Voor zijn tijd zeker. 1.80mtr lang en breed gebouwd was hij best een imposante verschijning en heel wat dames uit adelijke kringen hadden hem wel eens smachtend aangekeken. Maar de meesten vond hij te dik, verveeld of onverzorgd. Zelf hield hij van badderen in de tobbe en zijn baard werd met een barbiersmes bijgewerkt. Nee, geen wildebras die Rogier. Op een dag werd er aan de deur van zijn kasteel geklopt. De wachters deden de poort open en zagen een man en een vrouw die vroegen om onderdak en bescherming tegen de nachtelijke kou en gevaren in het bos. Gastvrij als Rogier was stond hij hen toe in de daartoe bestemde verblijven te overnachten. Een stuk brood en wat koude kip konden ze bij de kokkin halen en het bier werd in kannen op de houten tafel gezet. Toen de gasten aten kwam ridder Rogier zelf even kijken hoe het hen verging. De man was een wat ouder iemand, onbelangrijk in zijn ogen, maar die vrouw, veel jonger, was fraai van gestalte en had een prachtig gelaat. Zij oogde als een prinses, maar wel een die gezien haar haveloze kleding aan lager wal was geraakt. Het intrigeerde hem. Hij groette de vrouw, negeerde de man en vroeg waar zij vandaan kwamen en waarheen ze onderweg waren. Met fonkelende ogen keek de vrouw hem aan en vertelde dat ze op de vlucht waren. Zij waren op weg geweest naar het Heilig Land maar onderweg door struikrovers overvallen en die hadden niet alleen hun bescheiden bezittingen doorzocht op eventuele rijkdommen, maar haar ook betast en bespot. Het was voor haar een traumatische ervaring geweest. Maar ze had zich verdedigd met haar handen en een tak uit het bos en zo die armzalige troep verjaagd. Haar vader (aha dacht Ridder Rogier….) had veel blauwe plekken opgelopen en moest eigenlijk worden verzorgd. Ridder Rogier liet daarop zijn geneesheer (niet veel meer dan de barbier die er wat handelingen ‘bij deed’) opdraven om de oudere man te verzorgen. Hij zette zich daarop tegenover de jonge vrouw en raakte al snel onder de indruk van haar verhalen maar ook haar verschijning….. (wordt vervolgd)

Stilte…

Geboren en in de grote stad Amsterdam maakt dat ik het begrip stilte niet met de paplepel kreeg ingegeven. In de wijk waar ik woonde in die jeugdjaren was het een en al economische bedrijvigheid. Er zaten winkeliers die werden bevoorraad, maar ook zelf leveringen uitvoerden met hun toenmalige vervoermiddelen. Er zat een groot garagebedrijf in die straat met transportdivisie er achter en die lui verhuurden ook nog auto’s. Een stuk verderop zat een verhuisbedrijf met grote trucks. Daarbij was een doorlopende straat die verbonden was met de snelweg A2 (toen net nieuw) de hoofdader van de wijk, en reden daar ook nog eens een paar tramlijnen doorheen. Over ons hoofd kwamen de vliegtuigen die van/naar het toenmalige Schiphol vlogen en je snapt dat stilte iets was wat we slechts ontdekten tijdens tripjes naar de Veluwe of zo.

In de grote basiliek die centraal in onze wijk gelegen was kon je tijdens het gebed nog wel eens genieten van de cocon waarin een gelovig mens zich daar bevond. Het geluid van buiten drong niet door tot binnen de gewelven van deze mastodont. Alleen daardoor al geloofde je als kind dan in de bescherming God’s. Hoe dan ook, zoals ik al beschreef in de diverse verhalen over mijn werkende leven, drukte was normaal, stilte schaars. Ik heb er nooit last van gehad. Integendeel, ik kan nog steeds niet echt goed tegen stilte. Isolement is niks voor mij. Alleen daarom al niet geschikt voor een kloosterbestaan, laat ik de liefde voor het vrouwelijk schoon maar even daar waar het hoort…. Trouwens, stille vrouwen ben ik zelden tegengekomen. Maar dat is vast een persoonlijke observatie. Nederland is een klein land en stilte een groot goed.

Zijn er gebieden waar je die stilte kunt vinden. Zeker en vast. Op sommige eilanden van Zuid-Holland tot Zeeland, in de Betuwe of de hoogveengebieden van Drenthe of Groningen. Zo stil dat je er echt tegen kunt leunen. Waar een slaande kerkklok op 35km afstand te horen valt. Waar de rollende container van de buren op 200 meter afstand klinkt als een harmonieorkest. Maar dan zonder ritme of dirigent. Overal waar mensen wonen is lawaai te bespeuren. Toch zijn ook in mijn grote stad, Amsterdam, hele wijken waar je gewoon in stilte kunt leven. Die zijn er echt.

Maar wij zijn een lawaaiige soort met zijn allen en of je nu van kerncentrales of windmolens houdt, lawaai maken we allemaal. Wel eens naast of onder zo’n wanstaltig windmolengedrocht van de moderne energieopwekking gestaan? Het is een ellende. Maar ja, ook selectief natuurlijk. Mijn geluidsbelasting uit de jeugd maakte ook dat ik er goed tegen kan en niet meteen in de shock schiet als er een vliegtuig voorbij komt of een auto met een race-uitlaat.

Ik kan je dan wellicht zonder op of om te kijken nog vertellen wat er vliegt of rijdt ook. Stilte is een groot goed voor de een, een frustratie voor de ander. De enige echte plek waar ik stilte zocht of zoek is mijn bed. Daar wil ik geen overlast van anderen horen. Zeker niet van buren die menen dat half 1 in de nacht een aardige tijd is om de schuur op te gaan ruimen of om 11 uur ‘s-avonds nog even een gat gaan boren om een schroef in te draaien die moet dienen om de kettingen mee vast te zetten voor het liefdesspel (ik overdrijf..). Ik maakte dat in onze vorige woning nog wel eens mee. Lawaaiige buren! Dat vond ik persoonlijk erger dan het geluid van verkeer of vliegtuigen. Selectief natuurlijk. Net zo selectief als sommigen geluid benaderen dat zij niet willen maar domweg behoort tot een ‘fact-of-life’. Lawaai is een kwestie van perspectief. Kom je uit een stil dorp hier wonen is deze omgeving lawaaiig. Omgekeerd is het voor anderen weer oorverdovend stil in zo’n dorp. Bij elkaar komen zal zelden lukken. En dus doen we soms het zwijgen er maar weer toe….. (Beelden: Internet/Yellowbird archief)

Bossen vol geheimen…

Toen Nederland nog bang was voor ‘de Russen’ werkte men zeer nauw samen in NAVO-verband aan haar verdediging. En die verdediging was stevig, vrijwel zonder beperkingen op materieel en financieel gebied. De Amerikanen hielpen ons met een soort ijzeren paraplu tegen de nucleaire regen, tot we met onze Koninklijke Luchtmacht een vliegtuig in huis kregen dat elke vijand van dat moment aan zou kunnen, de F16. Tot die tijd hielp een Amerikaanse squadron supervliegtuigen het land verdedigen. En die waren gestationeerd op Vliegbasis Soesterberg. Naast wat Nederlandse toestellen was het 32e Fighter Interceptor Squadron van de USAF een van de best bewaarde defensiegeheimen van die tijd.

Men gebruikte toestellen die onze KLu zich niet kon of mocht veroorloven. Zoals de North American Super Sabre, of de fantastische F-102 Delta Dagger van Convair. Later kwamen er F-4 Phantoms naar Soesterberg en weer een paar jaar verder als ultiem verdedigingstoestel, de McDonnell-Douglas F-15 Eagle die al omhoog stijgend door de geluidsbarriere heen kon breken. Laat de Rus maar komen, hij komt van een koude kermis thuis! Die Amerikanen leefden in Soesterberg en omgeving, veelal in speciale wijken van die plaats en bemoeiden zich weinig tot niet met de Nederlandse bevolking. Er waren eigen winkels op de vliegbasis, de spullen daarvoor werden ingevlogen via Schiphol of met speciale transportkisten die de Amerikaanse luchtmacht in Europa gebruikte om haar vele bases te bevoorraden. Ik was als jeugdig spottertje maar ook later in mijn Schipholse werkleven, regelmatig te gast op Soesterberg. Die kisten, die sfeer, al die geheimen.

Geheimen die je slechts kon bevroeden. Niemand wist precies hoe het echt zat daar. Intussen is de basis met dank aan Minister van Defensie Kamp al enige jaren gesloten. De vijand wordt geacht zich te wenden tot de Luchtmachtfilialen op Leeuwarden of Volkel als men even wil sparren. Soesterberg is nu de thuisbasis voor het Militair Museum, er zal op een deel van het terrein worden gebouwd en men stelde de bossen open. En juist die laatste opening is waarover mijn verhaal nu gaat. Welk een prachtig gebied. Gelegen naast de Paltz waarover ik al eens eerder een blogverhaal schreef. En midden in die fraaie groene omgeving (wandelen en fietsen) vindt je nu ondergrondse en bovengrondse bunkerstelsels. Indrukwekkend veel zelfs. Munitiebunkers, met speciale (enorme dikke)deuren en daken die er vanaf kunnen springen bij een onverwachte explosie.

Vaak zit er nu iets kunstzinnigs in, zoals je bij meer forten in ons land tegenkomt. Cultuur als tegenwicht voor militarisme. Het ‘parkgebied’ is heuvelachtig, er zijn bekkens voor drinkwater (vroegere bluswaterbakken) en er loopt en vliegt al het nodige rond dat in een beetje oerbos niet zou misstaan. Heuvelachtig, uitkijkplaatsen waar je een paar trappen voor op moet, en simpele verbindingen met Soest en Soesterberg. Ik liep er met dubbele gevoelens. Ik ben denk ik toch te veel van de goede defensie, zeker in tijden als nu, van de supervliegtuigen en de wetenschap dat die oude paraplu van toen niet in de schuur hoort te staan naast kunst maar uitgeklapt tegen alles wat een eventuele vijand over ons kan uitstorten. Hoe dan ook, en alle meninggeefblognostalgie terzijde schuivend, een prachtig gebied en een aanrader om er eens heen te gaan. Maak dan van de gelegenheid gebruik om ook dat prachtige militaire museum te bezoeken. Waar nog een deel van de oude Amerikaanse vloot te zien is ook. Zeker als die corona-ellende achter de rug is, een uitstapje met een uitroepteken. (Beelden: Yellowbird)

Genieten in de bossen…

Waar ik het in het hier eerder gepubliceerde blogverhaal nog had over dat witte werkpaleis van Herman van Veen, ga ik nu even iets beschrijven van de omgeving waarin dat fraaie pand gelegen is.  De Paltz heet het gebied waar die ambiance van dat paleis volledig tot zijn recht komt. Een omvangrijk natuurgebied dat veelal door menselijk ingrijpen zijn specifieke vorm heeft gekregen en zijn bijna Limburgse glooiende karakter. Prachtige bospercelen, heuvels, dalen. Ontstaan door afgraven van zand en kiezels in een gebied dat vooral uit zandduinen bestond. Veel terug te voeren naar de vroegste tijden na de IJstijd. De Paltz kent een erg fraaie oprijlaan (rijden zelden of nooit auto’s..) met fraai gelegde stenen in boogpatroon.

Afgeleide paden brengen je dan in de echte bossen van dit gebied of die open vlakten met al die glooiingen. Zeldzaam waren tijdens ons bezoek de mede-bezoekers. Je kunt ze echt tellen op de vingers van een hand. Wel handig om als je geen gids bij je hebt (wij hadden die wel in de vorm van onze Soester vriend Hans, die de weg op zijn duimpje kent) even een app te gebruiken waarop te zien is waar je loopt en waar die hoofdweg te vinden is. Erg aardig is een oude van stenen gemaakte hut waar ooit een kluizenaar heeft geleefd. Die man komt af en toe nog even kijken en neemt dan plaats in die hut.

Voor wie echt geluk heeft ziet hem dan in zijn uitmonstering van Kruisvader lezen in de heilige geschriften van zijn tijd. Voor je die hut met (praktische redenen)gebogen hoofd binnen kunt lopen moet je overigens wel even een doolhof betreden. Ben je wel even mee bezig. Niks voor uw mening gever, die ramde gewoon dwars door die in de weg staande struiken heen en zat al een tijdje bij de Kluisvader (..) voor de rest van het gezelschap de ingang had gevonden. Maar dit terzijde. Hoe dan ook, dit is een prachtig gebied dat je bij gelegenheid echt eens moet bezoeken. Zoals gesteld in het vorige blogje, het gebied grenst aan het vroegere stuk grond waar de Vliegbasis Soesterberg was gelegen en je nu het Militair Museum kunt vinden. Maar het is daar ook met een stevig hek van gescheiden. Voor wandelaars een eldorado, maar je moet wel aardig klimmen en afdalen soms. Stevige schoenen meenemen en oefenen wellicht een goed advies….:) Maar dan heb je ook wat…(Beelden: Yellowbird photo)

Werkpaleis…

Ik geef het eerlijk toe, los van wat momentjes in de tijd, ben ik geen groot fan in de breedte van de artiest Herman van Veen. Ook al snap ik wel dat er hele volksstammen achteraan lopen. Mooie teksten, komisch talent, en slimme zakenman. En dan komt door dat laatste bij mij de bewondering alsnog. Want deze man is een alleskunner. Hij staat niet alleen op het toneel om zijn kunsten te vertonen, zijn nooit stilstaande geest ziet overal creatieve mogelijkheden. Dus heeft hij ergens in de bossen van Soest, niet ver van het Militair Museum daar, een schitterend landgoed ingericht als cultureel centrum. Een prachtig wit pand, met barstens veel ruimte binnen en buiten staat beschikbaar voor Herman van Veen zelf of de vooral jonge artiesten die hij begeleidt op weg naar een nieuwe carrière.

Daarnaast is dit een expositiecentrum voor zijn kunst en die van evt. andere creatieve geesten. Waar je kijkt, je ziet iets wat kunstzinnig bedoeld is of het in onze ogen ook echt is. Van smeedijzeren vogels tot nagemaakte krokodillen, een olifant of een van metaal gemaakte hond. Het pand kent een reeks van kamers, barstensvol kunst. Maar ook ruimten waar men workshops geeft. En heel veel uitingen van wat Van Veen in ons land voor de kunstsector betekende of nog doet. Je staat er als onbevooroordeeld meninggever echt paf van. De avonturen van Alfred Jodocus Kwak zijn daar maar een onderdeel van. Er is zoveel. In boekvorm of op cd, als kunstwerk aan de wand of in beeldvorm.

Ontelbaar, en zeer indrukwekkend. Beneden in het pand word je met grote warmte ontvangen, in ons geval door de maestro zelf. Geen sterallures, gewoon even een welkom en dan weer verder met wat die dag moest gebeuren. Het schitterende witte pand kent ook een terras waar we even in de buitenlucht, het was een prachtige nazomerdag toen wij daar waren, genoten van de omgeving. Die natuur eromheen zal ik later nog even beschrijven. Dat helpt hier zeker mee om de kunstzinnigheid te stimuleren. Zonder dat het op enig moment als een troep overkomt. Niks van dit alles. Glad, professioneel, plezierig.

Dat is de sfeer hier. Naast het grote pand nog wat kleinere waarin men tijdens ons bezoek driftig oefende op stukken klassieke muziek. Ook een kapel doet mee aan de ambiance, de bellen van de toren van dat gebouw klinken helder en luid. Maakt het extra grappig allemaal. Mocht je in de buurt van Soest zijn, neem eens de tijd om deze omgeving te verkennen. Neem ook even de kunst in ogenschouw, en als je een fan bent van het werk van Herman van Veen, is dit een eldorado. Weg gaan zonder dat je iets in de shop koopt is vrijwel onmogelijk dan. En ik snap dat. Zelfs als niet zo’n grote liefhebber…ja zelfs dan! (Beelden: Yellowbird Photo)

Hondentrouw

Onlangs maakten we iets mee waardoor het begrip hondentrouw een andere betekenis kreeg. Honden zijn van nature trouw aan hun baasje. Ze vormen samen een goed span en als je dan ziet hoe sommige mensen omgaan met hun honden snap je wel dat die viervoeters trouw blijven aan hun baasje. Maar bij een lieve en meer dan goed voor haar huisdieren zorgende vriendin nam onlangs haar kameraad van net twee jaar de benen. Ze liet hem even los in het terrein zoals ze wel vaker had gedaan. De hond nam de renner en verdween. Alsof hij van de aardbodem was opgetild door een of andere alien. Zoekacties van urenlang in het gebied en ver daarbuiten boden geen soelaas. Posteracties, speurhonden, niets kon het raadsel oplossen. Weg hond! En dus veel verdriet bij de betrokkenen die toch echt als een kind zo goed voor hem hadden gezorgd. En ja, we keken in konijnenholen, sloten, vaarten, etcetc. Er bestaan in Nederland ook een club van mensen die zo gek zijn op honden dat ze in soortgelijke situaties uitrukken om te helpen zoeken. Wat ze met verve deden. In een heel brede cirkel, die naarmate de tijd verstreek steeds groter werd. Maar zonder resultaat. De sociale media boden ook al geen soelaas, al waren er wel berichten dat het diertje in Zwolle zou verkeren, wat zo’n 150 km van de plek van verlies af ligt. Maar dat was wel wat erg drastisch allemaal. En toch is en blijft het diertje weg. Een schat van een grof harige teckel, voorzien van tuigje en chip.

Alles op orde. Beestje werd thuis verwend, goed verzorgd, maar nam toch de benen. Hoezo hondentrouw? Met onze Purdy, een boeren fox die we in ons verleden koesterden als een familielid, maakten we ook wel eens bijzondere dingen mee die deden twijfelen aan die veel geroemde hondentrouw. Op het strand was zij vaak niet te houden en ging haar eigen weg. Wat je ook deed, of riep, er werd van alles en nog wat opgezocht en gevreten. Liefst zo ver mogelijk van ons vandaan. Ooit in het Amsterdamse Bos nam ze de benen en verdween ergens in het groen. Niet onze normale omgeving, dus als zo’n dier dan ondanks roepen en fluiten (speciale hondenfluit met andere frequenties) niet terugkomt, neem je eigenlijk al afscheid. Wij renden zo snel we konden achter haar aan. Maar ons rentempo was veel lager dan dat van de buitengewoon snelle viervoeter. Die uiteindelijk door een toevallige passante werd tegengehouden met een hondenkoekje. Zij hoorde ons roepen en dacht wel dat dit witte hond met zwarte vlekken bij ons zou kunnen horen. Dat was een gelukje. En o jee, wat zouden we verdrietig zijn geweest als die sukkel uit ons leven was verdwenen op deze manier. Nu kwam ze terug en bleef bij ons. 16,5 jaar lang. Noem dat achteraf maar geen hondentrouw dan… Voor de lieve vriendin hoop ik dat er nog een keer goed nieuws komt en iemand haar Sjakie terugvindt. En wellicht dat iemand anders zich over het diertje ontfermt en hem ook zo goed verzorgt. Dat is beter dan dat hij in een of ander stinkend hol zijn einde vond. Te leuk dat dier. En zo gemist.

Zomerse geneugten

Terwijl ik dit tik is het zweten geblazen. Warm! Juni is echt zomers begonnen en zet ook zo door. Het maakt de dagen plezieriger, de kansen om ergens heen te gaan om daar nieuwe zaken te ontdekken, groter en de lol van de lange dagen groter.  Zomers weer maakt mensen ook vrolijker. Je ziet dat in de manier waarop ze zich kleden, gedragen, praten. Al ben ik dan weer niet zo enthousiast over al die barbecue-fans die zorgen dat je soms de tuindeuren moet sluiten omdat anders jouw huis blauw van de rook staat zonder dat je er om hebt gevraagd. Minder leuk is ook dat mensen tot diep in de nacht in de tuin of op hun tuinbankjes voor de deur gaan zitten kleppen. Ik misgun uiteraard niemand iets, maar laat me wel slapen als mijn fysiek daarom vraagt. Maar als ik het af zet tegen de zonnewarmte en het genoegen van zomerse taferelen ben ik zelfs op dat punt van die nadelen, mild. Je moet het maar accepteren. Zien dat we er mee leven.

Ik merk ook ik in de zon zitten nog leuk vind ook. Nou ja, een minuutje of tien. Als het me te heet op de botten wordt vlucht ik naar de schaduw, maar toch. Ik was nooit zo’n zonaanbidder en eigenlijk is dat nog zo. Ooit, in het zuiden van Portugal, daar genoot ik er wel van en werd zo bruin als een Portugese Adonis. Maar daar hadden we dan ook zo’n fijne bungalow met dakterras en zwembad voor gasten en een volstrekt leeg strand op 100 meter afstand van het complex waar we zaten. We wandelden er in Adam-kostuum de zee in en werden zo egaal bruin zonder verbranden. Hetzelfde trucje een paar jaar later op Cran Canaria zorgde voor brandwonden van de redelijk ernstige soort. Dus nee, dat beviel niet. Maar zo’n Nederlandse zomer is echt iets voor me. Af en toe even een graad of 20 met wat wolken, wellicht een buitje en dan de volgende dagen weer lekker zonnig. Zo is het lekker. En ik hoop dat we er met zijn allen nog een tijdje van mogen genieten. (Beeld: Internet)

 

Oase

Bosplan - trimbaan fotoserie 150907 div. 007Aan de zuidkant van de grote stad waar ik woon, werk en leef, bevindt zich een paar enorm uitgebreide groene zones die bij mensen van buiten onze stad nauwelijks bekend zijn. Zoals het Amsterdamse Bos dat in basis werd opgezet om niet alleen bleekneusjes uit de grote stad van de jaren twintig/dertig in de vorige eeuw van wat frisse lucht te voorzien, maar ook om de massale werkloosheid die toen heerste te helpen onderdrukken. Ergens in 1932 werd het project in fase 1 afgerond, daarna kwamen er nog wat stukken bij en zelfs na de oorlog legde men een nieuw deel aan ten zuidwesten van de toenmalige verbindingsweg tussen Amstelveen en Schiphol. Het Amsterdamse Bos is intussen verworden tot een flink groot woud vol spontane of aangestuurde natuur. Er zijn vennen en grote waterplassen te vinden, strandjes, wandelpaden en fietswegen, je kunt er via de zgn. Bosbaanweg met de auto in en wij zijn er dan ook al vele jaren lang regelmatig te vinden. Heerlijk wandelen bij het geluid van de vogels, het ritselen van de bladeren en het geblaf van de altijd in dubbele zin van het begrip uitgelaten honden.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Onze eigen Purdy was er ooit ook zo verzot op. Rennen en scharrelen, en als het even kon zwemmen in een van de poeltjes. Zij gilde het dan uit van plezier en zwom als een vis. Lijkt alweer zo lang geleden allemaal. Ik heb er persoonlijk nog wel wat meer herinneringen liggen. Maar die zijn meer voor een andere keer. Het Amsterdamse Bos werd bij de Amsterdammer bekend als het Bosplan. Naar het gemeentelijke plan dat tot dit bos zou leiden. En wat was dat plan eigenlijk goed. In de omgeving van toen lagen indertijd wat landerijen,  de nodige moerasachtige gebieden en verder wat ‘rommelgrond’. Men bouwde eind jaren twintig in het midden van het gebied een aanzienlijke heuvel van afval, wat goedkoop bouwmateriaal was, en stortte daarover heen aarde en plantte er bomen en struiken op. Het terrein werd zo wat glooiend en golvend. Het bos ruikt vooral in de zomer heerlijk. Zoals een bos hoort te ruiken. Heerlijk voor iedereen die zoekt naar wat rust.

WP_20160125_003En wie houdt van dynamiek, kom dan bij stevige westenwind eens langs, dan landen de vliegtuigen op de zgn. Buitenveldertbaan en dan lijkt het wel of ze midden in het bos de landing willen inzetten. Ik kijk er als liefhebber altijd met veel plezier naar. Stukje verderop, aan de rand van de chique wijk Buitenveldert en begrenst door de Amstel ligt nog een prachtig gebied. Ik beschreef het al eens eerder. Het Amstelpark. Ooit onderdeel van de opzet voor de begin jaren zeventig gehouden Floriade-expositie. Die tentoonstelling verdween, het park bleef. Prachtig, rustig en interessant. Voor hen die er oog voor hebben. Beide groengebieden zijn voor ons simpel te bereiken. Met de auto, fiets of als het moet lopend. Je kunt er heerlijk vertoeven en waant je zeker niet in de grote stad. En wellicht maakt dat Amsterdam wel extra zo’n aantrekkelijke stad om in te wonen. Of voor toeristen om te bezoeken. Niet allemaal komen ze voor de Wallen, musea of Coffeeshops. Als ik de talen hoor die hier in die bos- en parkgebieden worden gesproken heeft het nieuws over al dat groen ook mensen van elders bereikt. En dat is goed. In de winter is het allemaal weer voor de Amsterdammers. En voor hen is het natuurlijk ooit bedoeld geweest. Als Oase in de drukke omgeving van een enorme stad. De hoofdstad!

Herfst

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Om ons heen in de wijk waar we wonen, zien we bomen langzaam aan van groen naar geel en later bruin van kleur veranderen. De heftst volgt op een best wel bijzondere maar ook niet al te slechte zomer. Het blijft mooi om te zien hoe de natuur de seizoenen volgt. Gek genoeg is dat bij ons in het westen van Nederland een stuk heftiger zichtbaar dan bijvoorbeeld op 1,5 uur rijden naar het oosten waar we bij toeval de vorige week even te gast waren. Daar zag je nog geen geel of bruin, wel donkerder tinten groen in de bomen en struiken, maar ook maar weinig blad op straat. Kan liggen aan de bomen of struikensoort of wellicht zelfs de grond daar. Die herfst is altijd reden om het bos weer eens te bezoeken. Er liggen wat van die percelen in onze omgeving, althans op 15-25 minuten rijden van hier. Heerlijk die geur om op te snuiven en de beukennootjes te zien die de kastanjes opvolgen als vallend voedsel. Als je goed luistert hoor je die dingen links en rechts naast je vallen, bij pech voel je het. ‘Pok’……toch pijnlijk.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Het bos dat in de zomer zo druk werd bezocht door dagjesmensen van overal en nergens wordt in de herfst domein van hondenliefhebbers, wandelaars, en natuurfreaks. Er is veel te zien als je er maar ook voor hebt. Die kleuren zijn prachtig, en de sfeer relaxed. De neus wordt er vaak echt fris van en de modder aan de schoenen neem je op de koop toe. De herfst leidt natuurlijk steevast tot een winterperiode die weer andere gezichten geeft aan het landschap. Zelfs als stadsmens kan ik de schoonheid daarvan goed inzien. En geef ik toe dat het best lekker is om de boel even leeg te wandelen als het seizoen dat toelaat. Opvallend is ook dat je in de herfst veel minder bosdieren ziet dan bijvoorbeeld in een gemiddelde zomer. En als ik er dan al eentje zien  is het vaak niks bijzonders. Vogels die ik bijzonder vind zijn dat meestal helemaal niet. Sommige mensen kunnen me dat vaak fijntjes mededelen. Je mag dan wel verstand hebben van alles wat vliegt en rijdt, maar dan moet het wel van metaal of kunststof zijn, in de natuur kan ik niet zo goed meekomen…. Kwestie van opvoeding natuurlijk. Ik ben al blij als ik een huismus in de tuin zie, laten we wel zijn, dat is bij ons een exoot.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

En dan duurt het allemaal niet zo lang meer tot we richting winter gaan. Paar weekjes en we zitten er midden in. Met al die rare weersomstandigheden in de wereld kon dat wel eens een stevigerd worden. Ik heb de thermo-kleding alvast maar klaar gelegd. De centrale-verwarming ontlucht, de bruine bonenschotel ingeslagen. En natuurlijk de eerste fles Gluhwein. Het zal maar echt koud worden. Maar als dat zo is, zullen we goed uitgedost, zeker ook het bos weer bezoeken. De auto heeft aangepaste banden, we komen er wel, zelfs bij veel sneeuw of ijs. En dat laatste mag er van mij ook komen, want niets zo mooi als een grachtentocht op de schaats. Alleen jammer dat ik ook nooit heb leren omgaan met die ijzers. Anders….