De auto van pa….

De auto van pa….

In mijn lange ervaring binnen de automotive-branche en alles daar omheen is me wel duidelijk geworden dat hele generaties autobezitters/rijders zich vaak bij hun merkkeuze orienteerden op wat zij vroeger in hun jeugd thuis aan auto’s meemaakten. De autokeuze van ‘vader’ werd dan vaak 1 op 1 overgenomen. Wat leidde tot een grote merkentrouw in bepaalde families.

Men luisterde nog naar de oudere generaties en daar zijn sommige merken heel groot mee geworden. Zo was Opel ooit jarenlang nummer 1 qua marktaandeel in ons land. Opa, vader en zoon allemaal Opel-rijders. Veel auto voor je geld en dan die leuke vakanties die men zich zo goed herinnerde. Daar waar ‘pa’ een avontuurlijker mens bleek of bij toeval stuitte op een auto die beviel dan wel betaalbaar was zag je merken als Fiat voorbij komen of Citroen.

Mensen met een voorkeur voor het bijzondere gingen nog wel eens voor een Brits automerk en namen de ‘makkes’ daarbij mee als ‘dat hoort er bij..’. Er waren ook mensen die kozen voor degelijk, no-nonsens. Maar niet wilden rijden in een ‘dweil op de weg’, ook het imago van Opel. Dat volk koos dan voor Ford of Volkswagen. En bleef ook net zo merktrouw. Voor de directieleden van bedrijven waren er de grote Amerikanen, Mercedes en dergelijke. Niet meteen een familiemerk vaak, maar wel goed opgeslagen in de herinnering.

Bij ons thuis kwamen heel wat merken voorbij. Chevrolet, Studebaker, Ford, Hansa, Citroen, maar ook IFA (Oost-Duitse DKW), DKW en vooral Skoda. Vooroordelen (niets menselijk was ons vreemd) zorgden voor een totale afkeer van Italiaans en Frans spul. Ik kan me niet herinneren dat we daar ooit in zijn weggeweest. En de klap met de malle molen raakte ook mij toen ik zelf voor de keuze stond een nieuwe auto aan te schaffen.

Ik beschreef dat al eens een paar jaar terug in de hoofdstukken over ‘leven met de vliegende pijl’. Een Skoda werd mijn vervoermiddel en waar ik ze zelf kocht was en is dat nog altijd mijn favoriete merk. Zeker toen ik ze later in mijn leven zag bouwen wist ik, ‘dit zit goed’. Zakelijk kwamen er ook Subaru’s voorbij, Hyundai’s, Daihatsu’s, Oldsmobiles, Dacia’s, FSO’s en af en toe een grote Audi, VW, Renault of Rover. De acceptatie veranderde intussen en nieuwere generaties kijken heel anders aan tegen die vele automerken.

Men kijkt niet meer weg van Chinese wagens met een krankzinnig bedachte naam. Maar ja, lage aanschaf, bijtelling en natuurlijk elektrisch want moet van de baas… De mening van Pa of de rest van de familie telt nu minder. Opel staat niet meer in de top 10, het merk werd Frans net als Fiat of Alfa-Romeo. De merkwaarden van toen zijn verdwenen. Net als sommige merken die we indertijd koesterden. Ten onder gegaan of in handen gevallen van Chinese bedrijven.

Denk aan Saab (failliet) of Volvo (nu Chinees). Rolls Royce werd BMW en Bentley ging naar Volkswagen. Niets is meer wat het ooit was, maar het was voorheen lang zo gek nog niet qua indeling van de markt en haar merken. Je moet er nu zowat een studie voor volgen. En bedenken dat die nieuwe auto (of dure tweedehands) je kan brengen waarheen je wilt. Actieradius een groter ding dan vroeger. Maar toen was technische betrouwbaarheid iets vaker een dingetje. Kortom….er is veel veranderd. En Pa? Die kijkt vanaf een wolk toe, schudt zijn hoofd en bedenkt zich dat wat zoonlief nu weer oreert complete onzin is. Immers, alles is relatief…. Voor jou ook? (Beelden: Archief)

Onderscheidend geluid…

Onderscheidend geluid…

Wie zoals ik altijd bezig is geweest met de logistieke wereld van alles wat vliegt of rijdt krijgt vanzelf een soort extra sensor voor niet alleen beeld maar ook geluid. Ik schreef daar in het verleden al eens over. Met die sensor kan ik ook de geluiden van vliegtuigen of auto’s onderscheiden en ik weet nog goed hoe de oude NBM-bussen klonken die in de hoofdstedelijke Wibautstraat warm stonden te draaien voordat hun dienst aanving richting het Het Gooi.

Anders dan je wel eens tegenkomt bij de soms erg wonderlijk redenerende grachtengordelgeneraties die menen dat alles wat momenteel vliegt of rijdt geen enkel geluid mag maken (dit in tegenstelling tot hun eigen door en door verwende kroost..) ben ik van mening dat elk voer/vlieg/vaartuig een eigen soort geluid moet doorgeven aan de omliggende wereld.

Al was het maar omdat ik die geluiden fraai vind. Zo zijn daar de vliegende toestellen van dat land dat zichzelf zo in de nesten werkte door onder vrijwel dictatoriaal regiem een buurland binnen te vallen en daar dood en verderf te saaien; Rusland. Dat land kende ooit een geweldige en ook omvangrijke vliegtuigindustrie die naast een reeks militaire toestellen ook de nodige civiele machines de lucht in stuurde. Bedenk maar eens dat hun ooit door de Sovjet-staat bestierde maatschappij Aeroflot een dikke 11.000 toestellen in gebruik had. Gemaakt door grote namen als Antonov, Beriev, Mil, Ilyushin of Tupolev. En over dat laatste ontwerpbureau schreef ik onlangs (15-9) al een heel verhaal.

De toestellen van Tupolev waren allemaal bijzonder en maakten ook een geheel eigen geluid. Juist die toon van de straalmotoren maakte dat je meteen wist dat er een Rus onderweg was. Ik vloog er zelf wel eens een paar maal in en dat vond ik een waar genoegen. Al waren dat dan machines in Tsjechische dienst en wist ik dat die net een tikkie beter werden onderhouden. De typerende krijs van de Tu-134A was een waar genoegen voor een enthousiasteling als ik ben. De grotere Tu-154-reeks had ook haar eigen geluid.

De eerste reeks gaf een soort gil af als de startmotoren de turbofans aan de slag hielpen, latere versies kregen een meer conventioneel soort startcyclus. (https://www.youtube.com/watch?v=Uejeh7T2VM4). Bij de Britten had je de BAC111 met zijn typerende huilgeluid voor de Rolls Royce motoren wanneer die aan de slag gingen en bij de DC-8-63 van o.a. KLM was elke motor goed voor een heel specifiek bijgeluid voor de start van de krachtige straalmotoren. Toestellen als deze boden je ook in de start een geluidsniveau van 120dB wat tegenwoordig ondenkbaar is geworden. Voor de Russen maakt dit niks uit. Die kennen Timmermans niet en denken vooral aan het eigen belang en vervoer. En niemand die daar klaagt. Soms kent zo’n dictatuur zo haar eigen pluspunten….. Maar nu ben ik niet helemaal serieus uiteraard….(beelden: Archief)

Nachtclub in Helsinki..

Nachtclub in Helsinki..

Ik neem u als lezer terug naar het Finland van de jaren zeventig. Ik werkte hard op Schiphol (beschreven in eerdere blogs een tijdje terug) en kreeg dan vanuit mijn functie nog wel eens een uitnodiging om naar het land van herkomst van een van de benutte luchtvaartmaatschappijen af te reizen. Inclusief verblijf in een vaak luxe hotel en het nodige vertier. Een van die bedrijven was het Finse Finnair. Een oude maatschappij die ook toen al een geweldige naam en faam verdiende. Ze vlogen vanuit Helsinki o.a. via Amsterdam naar New York en wilde graag dat wij als officiele vrachtagenten hun lijndienst zouden prefereren boven die van bijvoorbeeld KLM.

Dus werden we een paar maal naar Finland gevlogen voor interessante bezoeken aan de faciliteiten daar en het nodige vertier. Dat startte dan meestal met een heerlijke vlucht, daarna ontvangst door een hotemetoot van de maatschappij en dan door naar de stad Helsinki voor hotel, lunch/diner en dan een bezoek aan een of andere sauna. Werd je afgeschrobd door een stevige oude dame met een pannenspons waarop je in een zwembad de blote leden kon doen verpozen. Het was altijd plezierig en na zo’n behandeling kon je weer uren verder. En dat was goed nieuws want dan ging je op transport (busjes of taxi’s) naar het befaamde uitgaansgebied van Helsinki waarvan de discotheek Kaivohuone het middelpunt was. Daar was toute Helsinki van toen te vinden in dans en plezier en het bier plus andere drankjes stroomden er regelmatig onze glazen in.

Danspartners waren plenty te vinden, al was het maar omdat het halve kantoor van de vrachtdivisie bij Finnair uit vrouwen bestond en die wilden wel even een verzetje. Finnair betaalde en we genoten van de sfeer en de muziek (Abba mateloos populair toen). In de vroege uurtjes van de nacht weer naar bed, hopend op een vroege wake-up-call, want het vliegtuig naar huis ging altijd op schema weg en wij moesten op tijd op het vliegveld zijn. Met houten koppen maar een meer dan tevreden glimlach op het gezicht zaten we aan het ontbijt op het vliegveld (was handiger..) en spraken over Otto, de masseuze van omaleeftijd in de sauna en zo meer. De muziek bonkte nog in de bol, of was dat gewoon de drank?? (ik dronk toen nog niet eens…) De naam Kaivohuone bleef me altijd bij. Net als die Finse gastvrijheid. Vele jaren later, ik zat op een congres van alle Europese Skoda-importeurs in Praag. Naast mijn Finse collega.

En man met een vrij verveelde houding naar het merk toe. Hij vond het allemaal maar niks. Ik dacht ‘laat ik hem eens opvrolijken’ en vroeg hem naar de Kaivohuone en of hij die kende? Ja zeker wel, zijn oogjes gingen meteen wijder open. Daar kwam hij veel en graag. Het middelpunt van Helsinki waar je tenminste lol kon maken. We werden vrienden…nou ja…sort-off… Onlangs keek ik of die club nog bestaat. En ja dat doet hij. Alleen is het nu een restaurant geworden met vooral in de zomermaanden nachtclub-entertainment waar topartiesten optreden. Ik denk dat Abba er niet meer wordt gedraaid. Maar het is wel grappig dat zo’n zaak er nog steeds is. De bezoekers aan Helsinki moeten er maar eens gaan kijken. Zit in de Iso Puistotie-straat in het Kaivopuisto-Park. En dan maar bedenken dat ook mijn voetstappen nog ergens te vinden moeten zijn….(beelden: Internet)

Ome Thijs..

Als Ome Thijs ging vertellen over ‘vroeger’ zaten de kleine kinderen uit de buurt altijd om hem heen. Hij zag er uit als een zwerver, woonde in een klein benedenhuisje vol spullen en allerlei bijzondere dieren. Zo wist Ali te vertellen dat hij wel eens een slang had gezien in dat huisje toen hij door de open deur naar binnen had gekeken, en Marcel wist zeker dat er allemaal witte muizen rond hobbelden in een kooi. De twee feiten met elkaar verbinden deed Chris. ‘Joh, die muizen voert hij aan die slangen’…. De kinderen rilden bij de gedachte. Ze waren dan wel stoer als ze buiten speelden, maar het idee van een levende muis en een slang….nee, dat vonden ze maar niks. Hoe dan ook, Ome Thijs wilde zo af en toe wel praten. Stak een sigaretje op en ging dan in op hun vragen. Hij had gevaren. Niet op de veerpont of zo, maar op een echt schip en was overal in de wereld geweest. Hij vertelde over ‘inboorlingen’ en ‘indianen’. Over handelaren die met prauwen naast hun schip hadden gelegen om handel te drijven. Af en toe vertelde hij over ziekten aan boord. Zweren zo groot als eieren als ze van boord waren gegaan in een tropisch land waar insekten ze hadden gebeten en zo meer. Hij liet dan altijd even zijn littekens zien maar ook zijn tatoeages. De blote vrouw op zijn bovenarm intrigeerde, ook al was ze deels overwoekerd door grijs haar dat weelderig op zijn en dus ook haar lijf groeide. Met open mond zaten de kinderen te luisteren. Ome Thijs kon goed vertellen. Maar hij stopte meestal als hij ineens geen zin meer had. Dan ging hij zwijgend in de verte zitten kijken. Kreeg een verdrietige blik in zijn ogen en sommige kinderen zagen dan tranen in zijn ogen. Jarenlang was hij een bekend figuur in de buurt. Tot op enig moment de gordijnen dicht bleven. De jongens uit de buurt die met hem waren opgegroeid vroegen zich af waar hij was gebleven. Niemand die het wist. En zo verdween Ome Thijs in de vergetelheid. Maar de jongens die hadden geluisterd naar zijn verhalen zouden die nooit meer vergeten. Dat had hij tenminste bereikt….

Oude woonbuurt…

Oude woonbuurt…

Mijn geheugen blijkt zeer selectief te werken heb ik intussen wel door. Ik weet uit mijn vroege jeugd nog precies welke auto’s waar stonden in de straat, welke winkels daar om ons heen te vinden waren, hoor bijna de vliegtuiggeluiden uit die periode. Maar namen van jongelui waarmee ik omging zijn voor 80% uit mijn herinnering verdwenen. Geldt ook voor veel onderwijzers of volwassenen die toen nog een rol van enige betekenis vervulden. Wat is dat toch? Geen idee. Ik was en ben meer van de observaties rond dingen uit de geschiedenis, het heden of de toekomst, herinner me veel muziek, kan me de plekken nog goed voostellen waar ik was toen ik een bepaald nummer hoorde of zo. Maar wie speelde dat ook al weer?

Het is soms best frustrerend. Intussen ben ik op Facebook lid geworden van een groep (die groepen zijn echt een aanwinst vind ik) die mensen bij elkaar brengt uit die vroegere woonbuurt. Niet dat ik nu meteen alleen maar positieve herinneringen had of heb aan die vroegere omgeving, maar nostalgie is zelfs mij niet vreemd. En dan komen er gebeurtenissen, namen en mensen voorbij die me ineens iets zeggen. ‘O ja, dat bakkertje, en die verre straatbewoners op nummer…..’. Het helpt mee om dat geheugen weer een beetje te resetten. Is het iets van het ouder worden bij mij? Nee! Zeker niet. Ik heb het altijd gehad. Selectief opslaan.

Relevante mensen en feiten in de ijzeren pot, anderen in de prullenbak. Scheelt veel onthouden. Zal ook komen doordat ik met name mensen altijd heb verdeeld in ‘vrienden voor het leven’ of vage kennissen die als schepen in de nacht passeren. En bij sommigen was dat ook echt zo. Die verdwenen toen ik verhuisde of van baan veranderde. Je verbaast je er soms over hoe snel dat gaat en hoe relatief die toen zo gekoesterde ‘vriendschappen’ waren of zijn. De echten blijven over en terecht. In dit blog heb ik over de bedrijven uit mijn verleden nog wel eens georeerd. Over sommige opvallende mensen ook. Die zitten dan toch op de harde hersenschijf en anderen daarvan verdwenen. Hoe dat werkt? Geen idee. Maar dat het me veel onthouden scheelt is zeker. En intussen geniet ik er van als ik weer een ‘weetje’ uit vroeger jaren zo uit de bol kan neerpennen of digitaal neerzetten. Zoals het een schrijver van lichtvoetige verhalen betaamt. Wie de spreekwoordelijke ijzeren pot bezit waarin iedereen uit zijn/haar verleden bij naam en toenaam blijft opgeslagen mag zich bij deze melden. Ik ben benieuwd wie van jullie lezers net zo selectief in elkaar zit als ik….. (Beelden: archief)

Retourtje Texel..

Retourtje Texel..

Mijn inmiddels definitief in de hemel verdwenen vliegvriend John hield wel van een avontuurtje. Hij was een bijzonder type. Gek op besturen van vliegtuigen, leerde zichzelf die serieuze bezigheid aan, regelde af en toe dan een kistje en nodigde dan nog wel eens wat vrienden uit voor een vluchtje. Ik maakte regelmatig van die tripjes met hem mee. Zo ook op 5 augustus 1989 toen op Texel een vliegshow zou plaatsvinden. Dat was (is nog steeds) een heel spektakel, waar alleen al zo’n 150 bezoekende toestellen samen komen naast de te exposeren machines.

Piloten en hun familie of vrienden overnachtten vaak naast hun kisten. Tijdens deze vliegshow kwamen en komen verder duizenden bezoekers even kijken. Omdat wij indertijd nog een luchtvaartblad exploiteerden hadden we Perskaarten en huurden bij een bevriende relatie een Cessna 150. Een tweezittertje met net voldoende plek voor ook nog wat tassen vol camera’s en een broodje van thuis. Vanaf Lelystad stegen we op en vlogen naar het noordwesten. John deed dat met verve, maar liet op enig moment de stuurknuppel aan mij om zo zijn instrumenten te kunnen instellen en wat contact te houden met de verkeersleiding in Nieuw-Millingen en later op Texel.

De PH-ALI snorde intussen tegen de wind in met een snelheid van pakweg 150km/u naar de bestemming. Daar aangekomen parkeerden we het kistje, pakten de spullen, meldden ons bij havenmeester en perscentrum en trokken naar de start/landingsbaan om daar onze foto-posities in te nemen. Het was een prachtige dag vol spektakel. Toen we weer vertrokken was dat niet in eenzaamheid. Integendeel, tientallen kisten deden hetzelfde. John riep de verkeerstoren op en grapte nog dat hij een ‘push-back’ wilde, maar die grap kwam in de drukte niet aan. Nadat we een kwartier hadden gewacht kregen we eindelijk toestemming te starten en vlogen daarna naar het Zuidoosten.

Richting de dijk Enkhuizen-Lelystad opdat we zo navigerend naar de thuisbasis terug konden keren. Onderweg, wederom met de stuurknuppel in de hand, keek ik naar de brandstofmeter. Die stond wel erg laag…. John zag het op mijn aanwijzingen ook. Dat lange wachten met draaiende motor op Texel…. Zijn vloeken waren niet luid, maar wel hoorbaar.. We haalden het gas er maar wat vanaf…wind mee dus moest kunnen….maar het werd best spannend. De auto’s op de dijk onder ons reden sneller dan wij….Maar we kwamen uiteindelijk veilig binnen. Met een vrijwel droge tank……Pfoeh…Best spannend. Toch een foutje dat je best fataal kan worden. John zag het luchtiger, meer een avonturier….Mij gaf het toch een onbestemd gevoel. Maar ik had wel vele rolletjes met mooie beelden. Onlangs scande ik de dia’s van die trip nog eens digitaal. En kwam o.a. deze herinnering weer even terug. John was een bijzondere…..maar dat vinden ze ‘boven’ vast ook…… (beelden: archief)

Stille communicatie…

Stille communicatie…

Juist vandaag sta ik even stil bij hen die niet meer bij ons zijn. Geliefden, vrienden, familie. Mensen waar je bij leven veel om gaf, soms minder zag dan je wellicht zou willen of hebben gewild, maar omstandigheden maakten dat soms lastig. Bij leven nemen we de dingen zoals ze komen. We gaan er vanuit dat mensen het eeuwige leven in zich hebben en nemen de dag van morgen als vanzelfsprekend. Toch is dat niet zo, en dat is best confronterend. Kijk eens door (niet eens zo) oude fotoalbums of bestanden en je schrikt soms bijna van het aantal lieden die je nu moet missen. Soms is dat missen iets als kiespijn, maar in de meeste gevallen toch echt op de rand van het verdrietige af. ‘Had ik maar..’ denk je dan soms. Waarom nemen we het leven als iets vanzelfsprekends?

Je hebt maar een pandemie nodig of een oorlog zoals die woedt in de Oekraine om te beseffen dat alleen al door handelen van anderen of virussen ons leven zo maar kan eindigen. Bezoek een ziekenhuis en zie wat daar allemaal plaatsvindt en welke invloed het heeft op de mensen die er komen met soms een laatste vleugje hoop op een redelijk verder leven. Tuurlijk moeten we daar niet elke dag bij stilstaan, anders worden we wel heel depressief wellicht. Maar misschien wel wat meer aandacht voor elkaar nu het nog kan in dit aardse bestaan. In de afgelopen jaren moesten wij afscheid nemen van heel wat van vroeger bekenden, vrienden en familieleden. Allemaal gekoesterd, maar soms ook wel wat verwaarloosd. Tuurlijk, je eigen drukke leven, prioriteiten, grote afstanden tot elkaar, letterlijk en ook figuurlijk. Maar nu kan het niet meer. Blijft de (h)erkenning van hoezeer iemand ooit van groot belang voor jou was. De negatieven daarbij het liefst uitgesloten van die herdenking. Een ding is wel zo, zolang we aan die gehemelde mensen blijven denken zijn ze nog een beetje bij ons. Pas als dat niet meer plaatsvindt zijn ze vergeten. Afgeschreven, anoniem. En dat lijkt me helemaal niks….Zelfs voor onze oude huisdieren van voorheen, voelen we hier nog een gevoelig plekje…en koesteren de beelden……Hoe gaat jullie, beste lezers, om met die herinneringen en als je wilt deel maar hier hoe…..Dank daarvoor…..

Heb ik wel iets mee – Oldsmobile…

Heb ik wel iets mee – Oldsmobile…

Het Amerikaanse automerk Oldsmobile bestaat intussen niet meer, maar ik had er een tijdje wel iets bijzonders mee. Immers, ooit waren drie achtereenvolgende wagens van dat merk mijn persoonlijke vervoer. Ingeruild, ingekocht, maar goed voor een periode van zeer plezierig en comfortabel zoeven over de Nederlandse wegen. Want Oldsmobile was een merk van echte Yanktanks. Bakbeesten van auto’s met een historie die al startte in 1891 toen oprichter Ransom E. Olds een driewieler bouwde die door stoom werd aangedreven. Later bouwde hij ook wagens met vier wielen en benzinemotoren.

Zelfs elektrische wagens schuwde hij niet. Maar echt geld verdienen met zijn vervoermiddelen deed hij niet. En zo kwam het bedrijf in 1908 in handen van het grote General Motors waar het onderdeel werd van de portfolio waarin Oldsmobile boven Chevrolet werd gesitueerd. Olds zelf vertrok bij zijn bedrijf en richtte later het truckmerk REO (naar zijn initialen) op waarmee hij flink furore kon maken. Oldsmobile bracht na de oorlog haar series 70 sedans op de markt, en was daarmee de eerste binnen General Motors die weer personenwagens produceerde. De 1946 modellen waren niet veel meer dan vooroorlogse types met een nieuwe grille, maar het maakte de toenmalige kopers weinig uit.

Tussen 1946-50 was er keuze uit een zescilinder of een achtpitter. Vermogens tot 111 pk. Oldsmobiles als de auto voor de geslaagde zakenman of dokter. Nieuw was de 98 die in 1948 uit werd gebracht en als toevoeging de naam Futuramic meekreeg. Oppervlakkig leek hij wel wat op een Chevrolet, maar bij Oldsmobile was nu ook al een V8 te koop die toch moderner was dan alles wat bij de goedkopere zustermerken te vinden was. Deze wagens bleken goed te verkopen en zouden tot en met 1951 in productie blijven. Door de jaren heen volgden heel wat aansprekende Oldsmobiles zoals de 88, de Super 88, waarvan de versie uit 1958 wel heel erg aansprekend was. Er hing een heel gewicht aan chroom aan deze wagens en je viel er wel mee op.

Deed je ook met een 6 liter grote V8 die je in alle rust en luxe anno 1958 naar de 170km/u opstuwde. Latere Oldsmobiles kregen uiteraard vleugels, hydramatic-automaten, rem- en stuurbekrachtiging en zelfs een goed werkende klok in het dashboard. In de jaren zestig waren het de Cutlass-modellen die klanten moesten trekken. Open of dicht, sedan of stationcar en met alsmaar groeiende V8-blokken. 7 liter inhoud was nu al normaal geworden (1965) maar het kon allemaal nog groter.

Want in 1966 kwam Oldsmobile met een sensationele auto op de proppen. De Toronado. 5,4 meter lang, een loeikrachtige 7,5 liter grote V8 voorin die je naar 200km/u bracht, maar vooral opviel door zijn voorwielaandrijving. Voor Amerikanen bepaald even wennen. De wagen was goed voor een verbruik waar je ook even aan moest wennen, 1 op 3 was redelijk normaal, maar dan kreeg je ook wat. Nu best gezochte klassiekers. Bleef 5 jaar in productie en er zijn ook in NL nog best de nodige van geleverd. Gek genoeg werd zijn opvolger weer gewoon een Amerikaan als zoveel anderen.

OK, je kreeg nu schijfremmen geleverd, maar opvallen deed hij niet meer. Toch waren de verkopen in de VS nog steeds goed. Gold ook voor de mateloos succesvolle Cutlass die in 1973 een nieuwe carrosserie kreeg. En op basis daarvan werkte men de serie uit. Met name de stationcar-versies waren mateloos populair. In de jaren tachtig kreeg deze reeks ook een V8 dieselmotor in het vooronder. Ouderwetse motoren, maar ik weet dus uit ervaring dat een verbruik van 1:10 voor een dergelijke grote en zware auto best goed was. Zeker omdat de Diesel toen per liter iets van 30 Eurocent kostte in ons landje..

Een onderdeel van de strategie bij GM om ook met compacte wagens de wereld te veroveren was de X-serie. Chevrolet, Buick en Oldsmobile moeten die wagens vermarkten. Bij Oldsmobile deed men dat met de Omega-reeks. Naar onze begrippen nog steeds grote wagens, typisch Amerikaans, maar uitgerust met een relatief bescheiden 4-cilindermotor of tegen meerprijs een zespitter. Het succes duurde maar kort, de Amerikanen zijn niet zo van de kleine wagens en hoewel deze serie niet echt klein was, het manco van een 8-cilinder deed zich gelden.

De serie verdween in stilte. Toch leed ook Oldsmobile onder het best volle portfolie van General Motors. De wereld was veranderd, en badge-selling zoals GM dat deed (net als Chysler overigens) bleek langzaam aan verliesgevend. Men offerde merken op, Oldsmobile werd daarvan begin deze eeuw het eerste slachtoffer. Blijft jammer. Maar ik koester natuurlijk de herinneringen aan de ritten met die wagens van toen. En ook de vele reparaties. Want o wee wat zaten die Amerikanen van toen soms matig in elkaar…..(beelden: Archief)

Bionische man…

Bart heette de oudere man die ik observeerde tijdens een ‘bakkie’ bij een Zuid-Hollandse Kringloper een tijdje terug. Hij kwam aangewandeld op het typisch lage tempo van mensen die al een tijdje pensioen ontvangen en hun leven lang ‘hard hebben gewerkt’. Samen met zijn vrouw die Dinie bleek te heten liepen ze langs de aan de onze grenzende tafel waar net drie oudere zussen van elkaar plaats hadden genomen. Al snel had Bart door dat hij die zussen ‘kende’. Uit de conversatie die ik kon volgen bleek dat dit niet op een ‘Voice-achtige’ tot stand was gekomen, maar dat ze samen in een of andere straat in Leiuh hadden gewoond. In de vroegste jeugd. De drie zussen gaven antwoord op zijn vragen. ‘Woonden jullie niet naast die familie Bakkuh??’ vroeg Bart op typisch Leidse toon, en de dames bevestigden dat. En ook dat de leden van die familie vrijwel allemaal op sterven na dood waren intussen, want….net als zij zelf zeventigers en in slechte doen. ‘O’ stelde Bart trots vast, ‘maar ik ben zelf ook al 73 hoor en volgende week wor ik 74. Best een leeftijd. En ik moet zeggen, het gaat me nog goed af allemaal. Ook al heb ik dan een nieuwe schouduh en heup’. De dames begonnen toen te vertellen over hun eigen gezondheid. Van slechte benen tot een vals gebit, van pijntjes hier en daar, maar dat ze nog samen waren en genoten van het leven. Dat deed Bart ook, naar eigen zeggen, al keek zijn vrouw, die niets had gezegd tot dat moment aardig zuur. Toen Bart dan ook aangaf dat hij ondanks zijn kwalen nog alles deed en kon, mengde zij zich in het gesprek. ‘Nou ja…alles…’ en keek hem nog eens aan. Bart schakelde direct over op een andere frequentie. Dat hij zijn werk nog miste en zijn reisjes. En dat hij nu genoot van het vissen wat hij als hobby had opgebouwd. Op enig moment was het gesprek voorbij. De vrouw van Bart trok hem aan zijn mouw mee. ‘Nou dames, veel plezier en misschien tot ziens!’ zei hij flauwtjes. En net toen hij weg liep zei de derde zus aan het tafeltje, die nog niet zoveel had bijgedragen aan het gesprek…’Ik krijg volgende week ook een nieuwe schouder…kijk er echt naar uit…maar ja, ik praat er niet over…’. Bart en zijn vrouw hoorden het niet…die sjokten verder….Hij was al 73…..maar eigenlijk al tien jaar verder in zijn moeizame leven….

Verjaardagstress….

Verjaardagstress….

Een dezer dagen is het weer zover. De verjaardag die in mijn geval altijd kort na de jaarwisseling valt. Tegenwoordig vooral een koestering van alweer een jaartje ouder, maar in vroeger tijden toch vooral een dag waar je lang naar uit keek. In een gezin opgegroeid waarin leasevader en moeder veelal hard werkten was er weinig tot geen aandacht voor het zielenheil van de kinderen. En voor cadeautjes moest je het hele jaar ook niet echt langs komen. Koesteren wat je had en dat was veelal niet te omvangrijk. Andere tijden, zeker andere zeden.

Een maand eerder kwam de Sint vrijwel altijd langs, liet dan (onze)wasteil achter met een volle lading pakjes, maar veel van de geschenken daarin kenden vooral een praktische waarde. Sokken, ondergoed, een letter, wat andere snoepwaar. Maar ach, je kreeg warme chocolademelk en iets lekkers en was tevreden met wat die oude malloot uit Spanje had meegenomen. Wisten we veel. Maar die verjaardag kort daarop moest wel iets bijzonders worden.

Zo at ik ooit mijn eerste patat-frites, zelf gesneden en gebakken door mijn moeder, op een van die verjaardagen. Traditie die ze overnam van andere ouders in onze straat. En zeer gewaardeerd. Op enig moment was ik into de Dinky Toys en zette ik zo’n (toen best duur)model op mijn verlanglijstje. In de wetenschap dat als leasepa nog wat over had gehouden aan zijn autohandel het gegeven model groter zou zijn dan in de tijden dat het even niet zo lekker liep.

Maar in alle gevallen koesterde ik die giften met even groot enthousiasme. In de dagen voor de verjaardag keek ik zelf al bij de niet ver van huis gelegen speelgoedwinkel in de etalage waar die nieuwe Dinky’s vaak stonden uitgestald. En als er dan een van die uitverkoren modellen op die bewuste verjaardag mooi ingepakt mijn kant op kwam was ik zielsgelukkig. En koesterde ik die modellen met alle kinderlijke kracht. Later deden ze vaak dienst in de familie. Van generatie op generatie. Om op enig moment weer terug te komen in mijn handen om te worden gerestaureerd tot meer dan behoorlijke en bijna nieuwe conditie.

Later werden de cadeau’s talrijker, de economische situatie beter en ik ouder. Het verlangen naar cadeau’s minder groot dan dat naar goed gezelschap. Want hoe meer mensen langs kwamen des te geliefder was ik…toch? Nou dat viel soms best tegen. Verplichting en sleur maakte dat sommigen kwamen, zoals ik zelf vanuit dezelfde instelling ook verjaardagen van anderen bezocht. Intussen zijn die verjaardagen gespreide, rustiger dagen van bezinning. Het cadeau wat ik wil ontvangen koop ik veelal zelf omdat het dan meer bij me past dan zo maar iets uit een goed hart…. Verwend? Zeker! En koesteren doe ik het uberhaupt. En ook al omdat er nog steeds mensen (en huisdieren)om me heen zijn die liefde geven, al die jaren bij me bleven en zelfs waar nodig op visite komen….. Alleen lig ik er nu niet meer van te voren wakker door, zoals dat vroeger wel het geval was. En hoe is dat bij mijn trouwe lezer(essen)s?? Verjaardagen stressvol of juist niet?? Ben benieuwd… (Beelden: Archief)