Leven met de vliegende pijl – 1b – Jeugd

Mijn ouders waren zo gek mee met die eerste rood/witte Skoda dat die een tijdlang binnen de familie in gebruik bleef. Die 1100 was trouwens een elegante auto die de Tsjechen hadden gebouwd op basis van hun vooroorlogse Popular. De auto had diens techniek overgenomen maar kreeg een ontwerp dat nog het meest leek op Amerikaanse auto’s uit die dagen, maar dan een heel stuk kleiner qua formaat. Maar rijden deed het ding goed, de motor was simpel, betrouwbaar en redelijk zuinig. Hij had nog richtingaanwijzers, de voorlopers van de latere knipperlichtjes. Toen Pa er een aardige prijs voor bleek te kunnen maken verdween de Skoda naar een nieuwe gebruiker. Maar Ma had die Skoda in haar hart gesloten en al snel kwamen er verschillende exemplaren achter elkaar die meestal niet langer dan een dag of wat voor de deur geparkeerd stonden. Kopers waren er altijd voor te vinden en het geld stroomde zo best binnen af en toe. Pa kocht zich daarvan een IFA, een keurig nette stationcar die een kopie bleek van de befaamde DKW 3=6 uit die dagen, maar net even minder ruimhartig was voorzien van luxe. IFA was afkomstig uit de DDR en in dat vroegere oosten van Duitsland hadden de Russen de DKW-fabrieken overgenomen toen dat deel van het land in hun handen viel aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Op basis van tekeningen en beschikbare techniek werd al snel een soort schaduw-DKW op stapel gezet die als IFA het levenslicht zag en ook in Nederland werd verkocht.

De import was in die jaren in handen van De Binckhorst, dat later ook met Skoda en Mazda heel bekend zou worden. Maar met die IFA’s viel de verkoop nog niet zo mee, temeer omdat het overgebleven Westduitse deel van DKW zich nogal druk maakte over de ‘merk- en modelrechten’ en zo meer. Vandaar dat Pa die mooie en redelijke jonge stationwagen zo voordelig had kunnen kopen. We knorden heel wat rondjes door Nederland met het ding, maar of hij er nu echt gelukkig van werd? Kennelijk niet, want op zeker moment was de Oost-Duitse DKW vertrokken en stonden er een stuk of wat Skoda 440’s voor de deur. Ingeruilde exemplaren die bij de dealer waar Pa nog eens een tijdje had gewerkt, waren opgenomen in de voorraad. Rood, blauw, bruin, wit, geel, alle kleuren waren leverbaar. Wat mijn stiefvader kon met zijn handen was ongekend, die handen waren echt van goud. Hij zorgde er voor dat de Skoda’s er binnen een paar dagen bij stonden alsof ze rechtstreeks van de fabriek afkomstig waren. Een van de wagentjes uit die dagen had hij bij een toen nog voorkomende ‘autoschilder’ met de hand laten opknappen. Die man had de auto een chocoladebruine tint gegeven, wat mooi paste bij het beige interieur. Die auto was voor privégebruik, de anderen gingen de deur uit. Met het ‘chocolaatje’ maakten we heel wat korte of langere trips. Mijn moeder was er gek mee, maar ze maakte telkens weer dezelfde ‘fout’ dit aan mijn leasepa te melden. Voor hem kennelijk aanleiding om die auto dan snel van de hand te doen, zo leek het wel eens… Zo ook het bruine exemplaar waarmee we zo veel plezier hadden gehad.

Maar een hemelblauwe met een wat moderner uiterlijk volgde de oudere bruine al snel op. En zo ging dat door. Met af en toe onderbrekingen omdat Pa zich liet verleiden voor eigen gebruik eens iets anders in te kopen dan alleen Skoda’s. En zo reden we in Ford’s, een Gangster Kapitan van Opel, een opmerkelijke Hansa, en op zeker moment in een werkelijk schitterende Studebaker. De lichtblauwe auto had een rood interieur en mijn moeder kreeg zowat een appelflauwte van genoegen toen ze dat slagschip voor de deur zag staan. Het was toen bijna gewoonte geworden om als gezin in Amsterdam-West aan de Burgemeester de Vlugtlaan in een horecagelegenheid het weekend in te luiden en daar dan gezelligheid te koppelen aan mogelijke nieuwe contacten voor de in- en verkoop van de handel. Ma mocht meestal mee, ik soms ook. In de Studebaker was dat geen vervelende gebeurtenis. Ma kleedde zich er op en keek vol trots in de straat in de rondte of iedereen wel zag met wat voor een schitterend glimmende slee wij ons nu weer verplaatsten. De rammel die bij fors optrekken na een tijdje uit het vooronder klonk werd door Pa afgedaan als de uitlaat ‘die los zat’. In werkelijkheid hield hij de toeren vrij laag, want er was wel iets meer mis met het motorische hart van de trotse Amerikaan. Na een paar dagen moest er flink gesleuteld worden, een uitgelopen lager deed de motor zwijgen. De lol voor Pa was er af, na reparatie deed hij de Studebaker direct van de hand. Een Skoda Octavia van 1962, een exemplaar met mooie open grille en staartjes op de achterschermen volgde de trotse Yank voor dat eigen vervoer op. Toch bleek het intussen lastiger te worden om die Skoda’s tweedehands te slijten. De jaren zestig waren aangebroken en de concurrentie had intussen ook heel wat betaalbare automobielen te bieden.

Sommige mensen konden zich nu zelfs een nieuwe Volkswagen, Opel of Austin veroorloven. En dus ging Pa voor een wat rustiger leven. De zekerheid had zijn prijs, de handel werd wat stil gelegd, hij zocht en vond een vastere baan en ging langer doen met zijn eigen vervoer. De laatste Skoda die ik als thuis wonende opgroeiende puber nog meemaakte was een 1000MB. Een auto waarvan Pa altijd had gezegd dat hij die nooit wilde hebben voor de handel. Omdat de motor in het achteronder zat en hij in die constructie helemaal niets zag. Zo hadden we nooit ook maar een enkele VW Kever voor de deur gehad. In dit tijd toch best een populair ding. Maar toen hij een echt fraaie, redelijk jonge en donkergroene MB op zijn pad vond kon hij hem kennelijk niet laten staan. De auto leefde trouwens niet lang, werd door een dronken automobilist in de Amsterdamse Van Woustraat zo heftig aangereden dat hij in de gevel van een daar gevestigde stomerij eindigde. Total loss, dat spreekt. Het was de laatste Skoda die mijn Pa ooit zelf bezat. Hij stapte over op een Toyota Crown, maar had wel altijd een klein plekje voor het Tsjechische merk in zijn hart besloten zitten. Wordt vervolgd…  (Afbeeldingen: Yellowbird archief/Skoda – Alle teksten zijn eigendom van de auteur!) 

Leven met de vliegende pijl – 1a – Jeugd!

Heel eerlijk, in mijn eerste jeugdjaren kwamen nog geen Skoda’s voor. Ons gezin had er domweg in die schrale na-oorlogse jaren geen geld voor, net als het geval was in 99% van alle gezinnen in onze straat die gelegen was in een redelijke doorsnee buurt van Amsterdam-Zuid. Waar een auto in de naoorlogse jaren überhaupt werd gezien als een zeer kostbaar bezit. In die bewuste. indertijd druk bevolkte straat waren toen nog heel wat middenstanders gevestigd en een enkeling daarvan bleek wel in staat een auto te bezitten en te onderhouden. Zo had de groenteman naast ons een Citroen Traction Avant, de eigenaar van snoepwinkel wat verderop in de straat een Triumph Mayflower en de Sperwer-kruidenierster een Tempo driewieler. De melkboer had een driewielige bakfiets en de bakker een soortgelijke met een gesloten bovenkant. Dat had je vroeger nog. Verder kwamen de auto’s die ik als klein kind meemaakte van de garage- annex verhuur- en transportbedrijf, tegenover ons woonhuis. Daar was men in die jaren gek op Opels en de verhuur maakte hen vast aardig rijk, want het bedrijf groeide als kool. Men opereerde er dus ook als transportbedrijf en zo zag je er ook de meest curieuze vrachtwagens voorbij komen die men vrijwel zonder uitzondering had gekocht van de toenmalige legerdump en dan in de eigen werkplaatsen ombouwde.

Een uitzondering was een splinternieuwe Scania Vabis, een noeste Zweedse vrachtwagen waarmee ‘Ome Karel’ als vaste chauffeur het hele land door reed met de lading die het bedrijf voor hem had georganiseerd. Ome Karel en zijn vrouw Tante Corrie waren jaren lang lieve vrienden voor mijn ouders en al snel zaten wij als gezin achterop de Scania onder een schuin opgehangen dekzeil en reden we gewoon in het weekend naar de Veluwe. Het zal ongetwijfeld niet hebben gemogen van de autoriteiten of de bedrijfsleiding van het bedrijf waar hij voor werkte, maar wij kwamen wel ergens zo. Niet dat we daarmee niet vertrouwd waren, want nog een fase eerder in mijn jeugdige leven was er ‘Ome Leo’. Een jeugdvriend van mijn ouders die uit een wat beter gesitueerde familie afkomstig al in 1952 als jonge vent rond reed met een schitterende Chevrolet Styleline waarmee we tot in België reisden, in die jaren een best eind en zonder de juiste papieren hoogst illegaal. Toen de goede man kennelijk verkering kreeg met de vrouw van zijn leven en ook zijn fietsenzaak annex reparatie-inrichting voor brommers, auto’s en alles wat kon rijden steeds drukker werd, was het gedaan met die uitstapjes. En toen was er dus uit eigen straat afkomstig….Ome Karel!

Op zeker moment was het over met de pret en mochten we niet meer meerijden in die Scania, sterker nog, de vrachtwagen moest blijven staan in het weekend, en Ome Karel kocht zichzelf een eigen auto. Een erg fraaie Citroen Traction Avant in de kleur groen, modeljaar 1955, een van de laatste in zijn soort. Nu had die noeste beroepschauffeur een specifiek nadeel in de ogen van mijn ouders, hij reed net even te vaak naar dezelfde bestemmingen, gek als hij was op de Veluwe, en vooral mijn moeder was nu eenmaal verzot op de provincie Limburg. Zo begon mijn, vooral erg technisch ingestelde, stiefvader zich ook te bekwamen in het verhandelen van tweedehands auto’s. Een schreeuwende vraag naar alles wat kon rijden in die jaren bepaalde die keuze. Omdat een auto duur was, en eigenlijk niemand er echt verstand van had, kon je nog wel wat centen verdienen met betaalbare en redelijk betrouwbare tweedehands wagens. ‘Pa’ was wel zo aardig om een belangrijk deel daarvan zelf eerst uit te testen, liefst in het weekend. Dan klopte zijn verkoopverhaal en wist hij ook wat aandacht behoefde. En zo stond er op een zekere dag een Ford Prefect voor de deur. Na veel gedoe (het waren kleine wagens met heel beperkte bagageruimte) stapten we in en reden in een keer door naar Limburg. Valkenburg had een grote aantrekkingskracht op mijn ouders en het snorrende Fordje deed er in die jaren iets van vijf uur over om er te komen. Maar dan had je ook wat.

Hotel was snel gevonden en zo was mijn moeder weer een stuk opgewekter dan voor het vertrek het geval was geweest. Dit soort trips maakten we relatief veel, ook al kachelden we net zo vaak achter Ome Karel en zijn vrouw plus twee dochters aan in hun Citroen. Een zondags ritje naar De Posbank bij Arnhem bijvoorbeeld of even naar de heide bij Apeldoorn. Ergens tussen al die verschillende auto’s die onze familie ter beschikking had zat ineens een Skoda. De eerste die ik meemaakte. Een 1100 uit 1950, een fraai rood exemplaar met een witte kap……(wordt vervolgd)  (Afbeeldingen: Archief Yellowbird/auteur – Ook alle teksten zijn van de auteur en behoren bij het verhaal ‘ Leven en werken voor de vliegende pijl uit 2017) 

Voorwoord…..bij een vervolgverhaal…

Leven met de vliegende pijl – Hoe een passie kan leiden tot een ‘waar geloof’….

Voorwoord

Dit verhaal had net zo gemakkelijk kunnen gaan over even legendarische automerken als bijvoorbeeld Studebaker, Borgward, Toyota, Ford of Opel. Immers met al die automerken en meer ben ik in mijn jeugd min of meer vertrouwd geraakt. Maar de ingrediënten voor deze geschiedenis kwamen op een andere manier tot mij en vermengden zich tot een bijna haat-liefde verhouding met het Tsjechische merk Skoda die tot op de dag van vandaag voortduurt. Al is de evt. haat in die verhouding intussen wel lang geleden verdwenen en bleef mijn liefde al heel wat decennia bestaan. Vanaf mijn prilste jeugdjaren was er altijd wel iets actueel in mijn leven wat met dat Tsjechische merk te maken had. Simpelweg omdat mijn stiefvader in mijn jeugd ineens de vleugels kreeg om die wagens van toen te gaan verhandelen. Van de 1100 tot de 440, van de Octavia tot de 1000MB, ze kwamen allemaal door de jeugdjaren heen voorbij. Niet dat er geen andere merken voor de deur stonden hoor. Kieskeurig was hij namelijk niet, als het maar geld op bracht. En zo stonden er ook nog wel eens DKW’s voor de deur, Opels, Austin’s, Hansa’s, Studebaker, Chevrolet en dat soort merken. Zelfs een IFA was ooit ons deel, een Oost-Duitse DKW waarmee we nog eens een zeer avontuurlijke trip maakten naar Zuid-Limburg om mijn met zijn brommer daar gestrande oudere broer op te halen.

Skoda was echter bij ons thuis op enig moment het dominante automerk geworden en altijd stond er dan wel een dergelijke wagen ter beschikking van ‘Pa’ of de familie voor de dagelijkse ritten of jaarlijkse vakantietrips. Ze bleken daarbij ruim genoeg voor ons gezin, en ook behoorlijk betrouwbaar voor die periode. En ze waren ook niet bepaald lelijk in vergelijking met wat de rest van de concurrerende merken zoal op de markt bracht in die jaren. En de Tsjechische wagens bleken ook nog eens simpel te onderhouden of te repareren. Daarbij goed betaalbaar. Een aardige voorwaarde tot succes. Toen dus aan het begin van de jaren zeventig de keuze moest worden gemaakt voor mijn eerste eigen nieuwe auto was het allemaal niet zo ingewikkeld. Ik kocht zelf ook een Skoda. Een fonkelnagelnieuwe S100 van het bouwjaar 1971 die ik een paar weken eerder bestelde bij de toen nog actieve dealer Brouwer in Amsterdam-Oud-Zuid. Het leidde tot een langdurige relatie met een merk waarover hele boekwerken te schrijven zouden zijn. Die dikke catalogi zijn intussen ook al door andere auteurs (soms met een beetje hulp van mijn kant)gemaakt, ik zal er af en toe even wat relevante informatie uit lenen. Voor de rest vertel ik hier mijn verhaal, mijn observaties, mijn beslissingen. Dat is altijd onderhevig aan een persoonlijke visie, al dan niet ingekleurd door de eigen herinnering of historische feiten. Ik hoop oprecht dat de lezer zich zal vermaken bij het lezen van dit verhaal over een merkliefhebber die de ontwikkeling meemaakte van Skodarijder naar landelijke verkoopleider en nu weer gewoon merkrijder is geworden. Maar daar zat dan wel ruim 40 jaar tussen. Wordt vervolgd! (afbeeldingen afkomstig uit mijn persoonlijk archief. Alle teksten van de auteur, waar nodig wordt bronvermelding toegepast). Deel 1 over de jeugd volgt op 1-7 a.s.) 

Scheiding tegen wil en dank…

Hij had het als jeugdig mens al gehad. De gave om uit zijn eigen lichaam te kunnen treden en zich dan vrij te bewegen door de wereld om zich heen. Soms was dat spannend, op andere momenten niet veel meer dan gewoon leuk vermaak. Je had er een bepaalde situatie bij nodig. Vreemd genoeg moest het windstil zijn, Nieuwe Maan en mocht er niet te veel elektrische activiteit om hem heen zijn. Een keer was hij bij de overburen aan het gluren geweest en had daar de beide bloot slapende dochters kunnen bekijken in hun bedden. Spannende beelden. Maar tijdens die uitstapjes moest hij wel opletten dat zijn ouders niet ineens de slaapkamer in konden stappen, want dan gaf dat ellende natuurlijk. Als hij ronddwaalde was zijn lichaam bijna in een vorm van coma en dat kon er zorgwekkend uitzien. Dus lette hij goed op dat alles bleef gaan als gepland en hij toch van zijn ‘gave’ gebruik kon maken. Later, hij was intussen jong volwassen, vloog hij uit door de wereld en keek regelmatig overal in het rond. Hij kon warenhuizen bezoeken en daar de nog niet aangekondigde uitverkoop op planborden zien staan, hij las rapporten over zichzelf bij werkgevers en hoorde roddels aan bij zijn schoonfamilie toen hij met Ria verloofd was. Toen hij eenmaal met haar getrouwd was moest hij helemaal opletten, want hij kon moeilijk in die beginperiode een vrijwillig coma aannemen om met zijn geest rond te kijken. Nee, dat was ondenkbaar en Ria wilde in die periode graag dat hij veel aandacht aan haar gaf. Ze moesten samen nog veel ontdekken en dat vond hij ook heel belangrijk en plezierig in die periode.  En zo nam hij voor zijn geestesvluchten even een pauze. Dat zorgde er wel voor dat hij wat minder getraind raakte en de keren dat hij het alsnog probeerde soms uit evenwicht raakte wat zich vertaalde in een fysieke duizeligheid als hij weer terugkwam in zijn stoffelijk omhulsel zoals hij zijn lijf toen noemde… Waar hij ook niet zo goed op lette waren de omstandigheden waar hij gebruik van kon maken. En op die bewuste dag dat hij weer eens zin had in een uitstapje had hij geen idee dat er een onweersbui over zijn woongebied zou trekken. Hij was net opgestegen nadat hij er voor had gezorgd dat Ria in een bevredigende slaap lichtjes lag te snurken en richtte zijn pijlen op het niet ver van zijn huis gelegen nonnenklooster. Aangestuurd door een stuurse moeder-overste die hij wel eens met een van de novicen had ontmoet bij de lokale Albert Heyn. Hij zweefde door de gangen van het oude klooster en keek in de kleine kamertjes naar wat zich daar allemaal afspeelde en genoot van de aanblik van al die onschuldige vrouwen in hun vaak wat te dikke slaapkleed. Een gesloten deur was geen enkele probleem, dus toen hij in de kapel aan was gekomen om daar nog even te kijken naar wat er te zien was, dook hij dwars door de eikenhouten deur heen die een wat donkere ruimte scheidde van het eigenlijke schip van de kapel. Op dat moment sloeg de bliksem in de toren en werd hij getroffen door de ontlading. Hij voelde zich warm en daarna koud worden…. En daarna ging het licht uit. Een paar minuten later hapte de oude abt van het belendende klooster die pas geleden was overleden en in de kapel van de nonnen lag te wachten op zijn begrafenis, naar adem. Hij bezag de wereld om zich heen en bedacht dat hij gevangen zat. In een ander lichaam. Dat voelde heel zwaar, vermoeid. Met inspanning van alle krachten gilde hij het uit….Maar niemand hoorde hem in die afgesloten kist…..

De meeting die er (toch eens)moet komen…

Toen bloggen nog een nieuwe bezigheid was, pakweg een jaar of tien geleden, werden er heel wat meetings gehouden door de toen actieve gemeenschap van schrijvers en fotoplaatsers. Ik heb er diverse bezocht, maar lang niet alle. In wisselende samenstelling van deelnemers kwam ik zo wel terecht in Gorinchem, Delft, Rijswijk,  Ommeren, Tiel, Lelystad, Amsterdam en nog zo wat plaatsen. Al die lui die mekaar voordien al dan niet kenden. Men had een centrale gedachte bij dat ontmoeten. Elkaar waar nodig of nuttig eens wat nader leren kennen. Dat leren kennen liet ook meteen zien met welke mensen je direct door de deur kon, wie met wie een leuke combi zouden vormen, maar ook dat men een passie had om zaken uit te dragen die voor de blogger van toen van belang waren. Ik hield er diverse digitale contacten aan over, maar ook de nodige echte. Soms werden dat vriendschappen voor het leven.

In andere gevallen zag je dat sommige bloggers in de jaren daarna ineens van het toneel verdwenen en iets anders gingen doen. Ze kregen een (nieuwe) baan of partner, hadden geen belangstelling meer voor het geblog of werden door problemen bij de providers gedwongen hun blogs op te geven. Nieuwe sociale media deden het ook ineens goed. Facebook kwam, Twitter, Instagram, Linkedin en zo meer. Bloggers konden hun verhaal daar ook kwijt. De jongere garde ging aan het vloggen en de rest, de diehards schreven gewoon door. Net als ik, al doe ik die sociale media nu ook al jaren. Wat echter verdween was het fenomeen van die meetings. Ook al doen sommigen verwoede pogingen om zo’n meeting in elkaar te steken met mensen die op de sociale media actief zijn, het is in die afgelopen jaren niet gelukt.

Te ver, te lastig, past niet in het werkschema en ga maar door. Jammer want die meetings zijn of waren best gezellig en kost(t)en niet al te veel. Gedeelde financiele smart is halve smart toch? Je zou bijna denken dat naast het bloggen ook het ontmoeten is vergaan tot ongewenst bijeffect van ons sociale mediagedrag. In de gespecialiseerde Facebookgroepen die ik bezoek rond de diverse liefhebberijen lukt het met wat moeite vaak wel om zoiets op te zetten. Het gemeenschappelijk belang, de interesse in, de verhalen over…. het zorgt voor geweldig leuke en veelal ook interessante meetings. In Utrecht, Zeewolde of Breukelen. het lukte daarbij dus wel. Moet het toch ook kunnen bij al die lui die mekaar vanuit een algemeen Facebookaccount of zo leerden kennen. Die bloggers moeten het voortouw nemen zou ik denken. Gewoon een half jaar vooruit plannen. Dan valt er wel een mouw aan te passen voor iedereen. En dan op een plek die per auto, trein, fiets of brommer bereikbaar is. Kom op mensen….bedenk eens een list….Net als Tom Poes moest voor Olie B.Bommel…En wie trekt de afsprakenkar??

De O van Overdrijving…

Onlangs ving een man in het plaatsje Tolkamer, op een paar honderd meter van de Duitse grens en aan de Rijn gelegen, een meerval van pakweg een meter 75 groot. Een enorm dier dat vrijwel zo groot was als zijn trotse visser. Opmerkelijk was dat de man die het dier had gevangen (even los van de wenselijkheid daarvan) relatief bescheiden zijn verhaal deed. Maar een vriend die bij hem was deed een opmerkelijke uitspraak en die noopte me tot het schrijven van dit blog. Hij stelde dat we nu in 2017 aangeven dat het dier 1.75 mtr was maar dat dit monster in tien jaar tijd zal uitgroeien tot 1.99mtr en dat de vangtijd door de loop van de jaren heen zal uitgroeien naar 6 tot 8 uur en een gevecht op leven en dood. Zo gaat dit inderdaad vaak. Overdrijven is een kunst, en sommige mensen kunnen dat net zo goed als vissers.

Verhalen gaan vaak door de jaren heen een eigen leven leiden. Kijk maar eens naar verslagen van ongelukken of desnoods oorlogsverhalen. Het wordt door de loop van de jaren steeds groter. Heldendaden zijn wellicht helemaal niet zo heroïsch verlopen als we ze hebben leren kennen. Maar zijn al die verhalen wel enorm overdreven. En wie in zijn omgeving kijkt kent vast wel mensen die neigen naar overdrijving als het gaat om verhalen vertellen. Veelal herkenbaar aan het gebruik van woorden die uitspraken versterken. ‘Enorm’ ‘erg’ ‘verschrikkelijk’ ‘heel’ ‘veel’ etc. Zware termen om het om het beschreven onderwerp aan te dikken. En door dat gedrag krijg je wel vaak de belangstelling. Het is niet iedereen gegeven held(in) te zijn  in een eigen verhaal. Maar de overdrijver kan dat. Ik herken ze al snel. Ben zelf een verhalenverteller, soms met een zweem van…..erin. Heb een feilloos gevoel voor hen die een verhaal aandikken om er zelf beter of interessanter door te lijken. Mensen die ‘echt enorm veel pijn’ hebben als ze wat keelpijn vertonen, of die ‘waanzinnig moe zijn’ van een wandelingetje door bos of stadsomgeving.

Of die er van uit gaan dat gemiddeld eigenlijk ‘groot geschapen’ zou moeten zijn. Bescheidenheid is hen vreemd en je ziet ook vaak dat zij veel beelden van zichzelf verzamelen voor in het al dan niet digitale album. ‘Ik’ staat centraal en zeker niet de ander. Maar ze zijn er niet minder leuk door hoor. Juist in dat overdrijven zit vaak de aantrekkingskracht voor anderen. Gewoon een verhaal breder maken dan het was en je weet dat mensen naar je luisteren. Kracht van de creatieve geest ook vaak. Want overdrijving is in de reclame onderdeel van het succes. Zou ik er daarom wat last van hebben? Vast! Maar wat ik er mee bereikte zorgde ook voor succes en dat is nooit weg. En dan overdrijf ik er helemaal niks aan. Ik neem aan dat alle lezers verder van de bescheiden en ingetogen soort zijn? Dan wordt het vast heel rustig nu….

Het Beeldje – slot

Toen hij weer een beetje bij zinnen was gekomen ontdekte hij dat hij terug in bed lag. Opnieuw constateerde hij dat hij geen kleding aan had. Hij bekeek zijn hand die hij zo had geblesseerd door de kortsluiting en tot zijn stomme verbazing zag hij dat die hand onbeschadigd was. Het was intussen donker geworden buiten, de dag was voorbij gevlogen zonder dat hij er echt weet van had gehad. Kreunend kwam hij overeind. Wat was er met hem gebeurd en waarom was hem overkomen wat kennelijk allemaal voorbij was gekomen. Hij deed het licht aan. Meer om te kijken of dat nu functioneerde of niet. En verdraaid, het werkte. Voor de zekerheid knipte hij het nog een paar keer aan en uit. Niks aan de hand. Voorzichtig liep hij naar de buitendeur waar de sleutelbos nog in stak die hij had gebruikt om zo te zien of hij naar buiten kon. De sleutels draaiden gewoon om. Deur opende zich, en hij deed ook dat openen en sluiten een paar maal. Niks aan de hand. Wat was er dan gebeurd? Hij bekeek de stoppenkast, niks aan te zien. Zijn smartphone deed het gewoon en ook de radio en tv functioneerden. Op zijn smart stonden wel wat boodschappen van zijn vriendin. Ze had aan de deur gebeld, later aan de deur geklopt en hem geroepen, maar zonder resultaat. Hij belde haar terug en meldde dat hij weer wakker was en geen idee had waarom hij zoveel uur had geslapen. Zij beloofdem met een vlakke stem dat ze over een uur of anderhalf nog even langs zou komen. Hij vond dat vooruitzicht gezellig en stapte onder de douche.  Het water spoelde zijn suffe kop schoon, hij overdacht alle gebeurtenissen en wat er toch aan de hand was geweest toen alles mis ging wat maar mis kon gaan. Hij kon niets bedenken wat dit zou kunnen veroorzaken. Het leek wel magie. Ineens bedacht hij zich dat het fout ging sinds dat beeldje bij hem binnen was gekomen. Verdraaid, het zou toch niet betoverd zijn of zo? Hij stapte onder de douche vandaan, liep naar de kamer en zocht naar het beeldje. Kon het nergens vinden. Ook raar…hij wist zeker dat hij het had neergezet op een bepaalde plek en zocht nu door het hele huis heen naar dat verrekte ding. Maar omdat zijn vriendin er aan kwam maakte hij ook het huis even aan kant, zette de koffiemachine aan, haalde wat lekkers uit de koelkast en trok nog even een lekkere broek en shirt aan. Toen de bel ging deed hij open. Alles leek weer normaal. Zijn vriendin stapte binnen. Maar…..tot zijn schrik zag hij dat zij enorm was veranderd. Zij was schitterend mooi, strak van lijf, droeg een nauw zittende jumpsuit en leek wel 20 jaar jonger. Hij deed wat stappen achteruit. Dit was toch gewoon een vreemde voor hem. Hij keek nog eens goed naar haar gezicht en ontdekte toen haar ogen die vol vuur naar hem keken. Ze liep op hem af en hij rook de geur van muskus vermengd met een soort zwavel. Zij kuste hem en vanaf dat moment was hij verloren. Het licht ging uit, de deur draaide vanzelf op slot en hij werd op de grond gesmakt…Maar hij zag alleen haar ogen.. Het was het laatste wat hij ooit zou zien. Pas een jaar na zijn verdwijning werd zijn lichaam ontdekt. Het was niet veel meer dan een vervallen kadaver met wijd open staande oogkassen en verwrongen gezichtsuitdrukking. De politie kon niet veel meer dan constateren dat het een verdacht overlijden was en dat men dit dossier nog eens moest uitzoeken. Temeer omdat het veel leek op het overlijden van die jonge vrouw aan de andere kant van de stad. Die men ook had gevonden onder dezelfde omstandigheden. Er moest wel een link zijn…..

De Romanovs aan de Amstel…

Weet je wat ik meestal vervelend vind? Nee? Nou dat je op voorhand al weet wat het einde van een verhaal is als je er nog aan moet beginnen. Geldt voor tv-series, films, boeken of exposities. Exposities zal je denken? Ja, uitstallingen van zaken die met een verhaal van doen hebben. Een zo’n expositie bezocht ik onlangs. In de hoofdstedelijke afdeling van de Russische Hermitage waar het altijd goed toeven is als men weer eens een of meerdere tentoonstellingen voor het publiek heeft georganiseerd. Onlangs ging een daarvan over de familie Romanov. Dat was de tsarenfamilie in het Rusland van tot pakweg 100 jaar geleden. Machtige heersers die vooral aan de macht kwamen doordat ze die zichzelf hadden toebedacht en deze macht kostte wat het kost wilden vasthouden.

Met alle gevolgen van dien. Rijkdom corrumpeert en het volk leed in die tijd onder extreme armoede, gebrek aan scholing en/of enige vorm van medische zorg. De Russische adel had het goed, heel goed en de Romanov’s waren zelfs zo rijk dat de meeste van hun paleizen ver uit torenden boven die van de grootste vorsten in de rest van Europa. De afstand tot het volk was derhalve zo groot dat men geen idee had van alles wat afwijkend was of revolutionair en als men daar al iets van wist werd het opgeruimd. De straffen waren meedogenloos en streng. Daarbij hadden de tsaar en zijn familie meestal helemaal geen tijd om zich met het volk te bemoeien. Zelfs grote rampen namen zij ter kennisgeving aan, het te organiseren bal ter ere van het een of ander ging altijd voor.

Deze afstand werd de familie uiteindelijk fataal. Zeker toen de Eerste Wereldoorlog door gebrek aan inzicht voor de Russen zeer slecht verliep, kregen de revolutionairen vat op de samenleving en wisten ze hele groepen mensen aan zich te binden. Marx, Lenin, en hun trawanten kregen het vuurtje brandend, niet in de laatste plaats doordat de tsaar volkomen verkeerd reageerde op de ontwikkelingen. Uiteindelijk werd hij met zachte dwang aan de kant geschoven en namen de bolsjewieken de macht in Rusland over. Het lot van de familie Romanov was daarmee bezegeld. Op een kwade dag in 1918 werd deze afgeslacht. De haat was zo groot dat zelfs de hondjes werden vermoord. Nog steeds is dit een schandvlek op het blazoen van het Rusland van toen. Maar wat daarna zou volgen onder verantwoording van de volgers van Lenin of Stalin was zelfs met de minst kritische benadering van de doctrine die het tsarisme opvolgde, niet te bevatten.

Neemt niet weg dat de expositie in de Hermitage er een is van groot belang, veel interesse, en je daar zaken ziet die je niet voor mogelijk houdt. Een van de zalen van het oude gebouw aan de Amstel is omgevormd tot een kopie van de befaamde Passage in St. Petersburg, inclusief winkelruiten waarachter spullen uit die periode. Hoe bloederig het einde, het verhaal van de tsarenfamilie moet je toch even gaan bekijken. De expositie staat nog tot 17 september dit jaar in de Hermitage ter beschikking. Daarna moet je afreizen naar Rusland om bepaalde onderdelen ervan te kunnen bekijken. Maar, dit is echt een aanrader! Doen. Heb je een MJK? Neem dan een combikaart en maak gebruik van de kans om drie exposities in een keer mee te nemen en een audiotour. Meerprijs is dan E. 2,50. Meer dan de moeite waard! En die afkeer van het einde kennen verdween als sneeuw voor de zon.

Het beeldje – 1

Nee, hij had er nooit veel achter gezocht. Dat beeldje wat hij vond bij die kleine kringloopwinkel in het oosten van het land. Op doortocht van a naar b had hij wat adressen opgezocht van dit soort winkels. Je wist maar nooit. Een bijzonder boek, of weer eens een prent van de een of andere wat onderschatte schilder of fotograaf. Voor weinig wilde hij dat dan wel meenemen. Ineens had hij het kleine ding zien staan. In een hoek vol meuk. Het had hem bijna aangekeken, al kon dat natuurlijk niet, maar hij had absoluut de andere kant op staan kijken toen hij een blik in zijn rug voelde prikken. En om keek. Dat bezorgde hem rillingen. Het was een vrouwenfiguur, naakt, maar wel aangetast door de tijd. Gemaakt van een een soort marmer of albast, mooi van vorm maar men een gezichtje dat bepaald niet leek op dat van Barbie-poppen of zo. Hij pakte het op. Het voelde heel vreemd aan.. Volkomen glad, maar ook warm. Dat kon niet zo dacht hij nog bij zichzelf, maar toch leek het zo te zijn. Hij keek op haar rug en onder haar voeten of hij een prijsje kon vinden. Maar niks. Daar hield hij al niet van. Maar goed, mee in zijn mandje waarmee hij had lopen sprokkelen. Die twee oorlogsboeken en dit beeldje maakte de stop bij deze winkel al de moeite waard. Bij het afrekenen werd er maar een fancy prijs gevraagd voor het beeldje. Men riep maar wat en hij vond die prijs voor zo’n aardig vrouwenbeeld best goed te doen. Ze ging mee naar zijn huis. Eens zien wat het was, opzoeken op internet of zo. Opvallend was dat zijn auto vanaf het moment dat hij instapte en wegreed stotterde en stootte. ‘Huh’ dacht hij nog even, nooit last van gehad, wat is dat nu ineens? Maar na wat geploeter schoot de wagen ineens vooruit en deed het verder voortreffelijk. Thuis gekomen pakte hij de diverse spullen uit die hij had ingeslagen. Zette het beeldje op een vensterbank waar hij wel meer prullaria op plaatste en vergat dat hij het had verkocht. Hij moest nog koken en zo. Morgen zou zijn vriendin komen en dan moest er het een en ander worden voorbereid. Toen hij na een uurtje ging zitten in de kamer en nog eens naar het beeldje keek ging er een schok door hem heen. Ze leek wel verkleurd. Ze had nu een soort huidkleur, en op de wangen van het minuscule gezichtje zat een blos. Kon niet, dit was pure fantasie en hij zette de tv aan. Even naar het journaal kijken. Maar op een of andere manier kreeg hij geen beeld. ‘Dat verrekte kabelbedrijf’. Hij bleef nog even proberen, maar gaf het toen op. Dan maar ff kijken op internet. Maar dat was ook uit de lucht. Dat krijg je nu van al die all-in pakketten bedacht hij zich nog. En pakte een boek. Als je dan niks kon doen met die verrekte elektronica dan maar lezen. En al snel was hij volkomen bezig met het verhaal dat hem plezier schonk. Een Scandinavische thriller. Altijd goed. Wat hij niet zag was dat het beeldje van plek was gewisseld met dat kleine paardje dat hij ooit eens van zijn ouders had gekregen. Zij stond nu dichterbij hem dan eerst. Hij zag het niet. Sukkelde wat boven zijn boek. En hoorde ook niet dat er zachtjes tegen hem werd gepraat….. (Wordt vervolgd)

De eerste keer…

5317528Samen zaten ze op de bank. Ze waren jong nog, de relatie net begonnen. Het was zeker gezellig en modern ingericht, haar idee. De warmte van deze bijzondere zomer maakte hem onrustig. Ook zij schoof heen en weer. De kleding luchtig, te warm in huis voor al te veel bedekking en dat leidde soms enorm af. Plotseling ging hij rechtop zitten. Keek haar liefdevol aan met zijn bruine en heldere ogen. Zij keek hem terug aan. Smolt zowat. ‘Zullen we het een keer proberen?’ vroeg hij op rustige toon. ‘Het lijkt mij heerlijk en het moet er toch een keer van komen’. Ze kromp ineen. Het idee dat het hier en nu ineens zou komen tot een enorme dadendrang beangstigde haar. Daarbij, ze was er niet op gekleed. ‘Kunnen we daar niet nog even mee wachten? ‘ Ik weet niet of ik het wel wil, ik ben er niet klaar voor en heb er ook geen enkele ervaring mee’ stelde ze oprecht en met haar klaterende stemgeluid vast. O wat hield hij van haar. Zeker als ze hem afwees, dan werd ze extra aantrekkelijk. Hij ging dan proberen om haar te overtuigen te doen wat hij graag wilde, te laten zien wat hij lekker en aantrekkelijk aan haar vond, maar hij wist dat ze dan een extra barrière zou voelen om hem tegemoet te komen.

‘Ik weet dat jij het ook wilt en dat je eigenlijk, heel stiekem, er net zo naar verlangt als ik. Daarbij, je weet van onze vrienden en familie dat die allemaal een keer overstag zijn gegaan en dat ze na afloop zeer tevreden en bevredigd waren…toch?’ Ze keek hem nu verwonderd aan. Was dat zo? Had hij hierover met zijn vrienden en de familie gesproken. Ze kleurde, schaamde zich, wist dat ze zich soms en op sommige punten als een non kon gedragen, maar om dat nu meteen met iedereen te bespreken. Hij was een flapuit, kon soms enorm zitten pochen met zijn eigen vrienden, maar bij de familie was hij veel ingetogener. Het verwonderde haar dus dat juist dit onderwerp door hem was besproken in een kring waarin zij onderwerp van gesprek kon zijn. Ze werd er lichtelijk boos om. Dit besprak je toch niet. ‘Heb je dat echt besproken met onze vrienden en familie? Echt? Dat meen je toch niet he, die dingen houd ik toch ook voor me’. Het kleuren in haar gezicht zette door. En als zij kleurde hield het in dat ze haar opgewonden emoties maar moeilijk de baas kon. Ze zweeg vervolgens een paar minuten om zichzelf onder controle te krijgen. Hij keek haar op enig moment weer aan, ze smolt toen hij dat deed, en zei: ‘Kom nou, doe nou even lief en laten we samen gaan genieten van het gebodene’.

Zuchtend kwam ze overeind en liep naar hun slaapkamer. Daar trok ze haar dunne topje en wel erg kleine zomerbroekje uit en hulde zich in een aantrekkelijk zomerjurkje. Hij pakte intussen de zaken die hij nodig had voor die eerste keer. Zij keek nog even naar haar make-up, hoe haar kapsel er uit zag en of haar jurk niet te veel doorscheen. Daarna liep ze de kamer weer in en pakte hem bij de hand. ‘OK, laten we het doen, we gaan naar de Action’. Hij lachte breed, altijd lastig die eerste keren, maar het moest er eens van komen. Behoedzaam kuste hij haar op haar fraaie lippen en deed de deur naar buiten voor haar open. Het grote avontuur kon beginnen.