Batavia-Stad

Mocht je denken dat ik merkgevoelig ben…..mis! Ik vind sommige zaken die te koop worden aangeboden best interessant hoor, ik voel wel wat voor een behoorlijke kwaliteit, maar snap niet helemaal dat je honderden euri moet betalen voor een spijkerbroek omdat er een bepaald merklabel aan vast zit, of voor een boxershort die door een oud-tennisser op de markt wordt gemikt. Het moet doelen dienen die ik er aan stel. Schoenen bijvoorbeeld. Tuurlijk zullen er mensen zweren bij Nike of dat soort merken, maar ik zal er niet op lopen. Ik zweer bij het Duitse merk Rieker. Elk paar schoenen van dat merk die ik mij in de afgelopen 10-14 jaar veroorloofde te kopen zit meteen goed en loopt al snel na ingebruikname als de spreekwoordelijke pantoffels. Het is dus met die instelling dat ik trips maak naar zgn. discountstores of Outlet-centra.

Die in Roermond ken ik na diverse bezoeken vrij goed en weet dat je daar voor bepaalde merken aardig kunt slagen. Al zie ik het voordeel nog niet zo als men bijvoorbeeld shirts van een bepaald merk aanbiedt voor 99 Euro waar ze normaal 149 Euro zijn. Best prijzig nog. En ja dan zal er een logo op staan, so what? Maar verzorgd is het wel en ook altijd goed bezocht. Aan de andere kant van het land vindt je Batavia-Stad. Ligt tussen Lelystad en de dijk naar Enkhuizen daar en grenst aan de gelijknamige scheepswerf. Hier moet je wel zijn voor de koopjes. Men biedt echt korting, en dat trekt zo zag ik bij een recent bezoekje, een wat ander publiek dan die winkelverzameling in het zuiden. Vrouwlief zocht een bepaald merk schoenen, en bij die winkel was het echt druk. Maar de verkopers goed voorbereid, attent, ingesteld op hun klantjes en vandaar succesvol. Kijk, dat schoot lekker op en omdat we ook polderzus in het verre Zuid-Holland moesten bedienen liepen we al snel weg met vier paar schoenen onder de armen.

Naast de al geboden kassa-korting kwam er ook nog kwantumkorting overheen. En dat voor schoenen die kennelijk heerlijk zitten. Bij een kookwinkel slaagden we ook nog voor een zeer betaalbare bakpan van een goed merk voor op de net geplaatste inductie-kookplaat thuis. Vrouwlief verzekerde me van het feit dat deze prijs echt bijzonder was. En twee jaar garantie. Kijk, daar doe je het voor. De merken die men in Lelystad biedt zijn wat anders dan die in Roermond. Veel Nederlandse merken ook en dat schept een band met bepaalde klanten. De entourage is keurig netjes, het (betaalde)parkeerterrein ligt echt naar Amerikaans model tegen de winkels aan. Er zijn diverse restaurants en koffiehoekjes waar je iets kunt eten en drinken en een openbaar toilet (keurig verzorgd) is er ook.

Wie nog wat cultuur wil opdoen kan altijd doorlopen naar de aanpalende Bataviawerf waar het gelijknamige restauratieobject in het water dringend toe is aan opknappen. Schijnt een aardig prijskaartje aan te hangen. IK zou denken de ene hand wast de andere, sponsoring vanuit die outlet en je hebt weer extra publiciteit. Maar dat zal wel te simpel zijn. Hoe dan ook, als je anders dan ik, wel merkgevoelig bent, ga eens langs in Lelystad. Je slaagt er gegarandeerd en men werkt met echte kortingen. Kan nog net voor de herfst en de winter….(Beelden: Yellowbird)

Leven met de Vliegende Pijl – hoofdstuk 60 – Coaching en training!

Aan het einde van het jaar 2000 begon zo de nieuwe fase in de professionele aanpak van mijn werkzaamheden. Ik kreeg uiteindelijk na lang onderhandelen met Hoekstra een contract om via LEX- en communicatietrainingen de organisatie van Skoda in ons land verder te optimaliseren. Als externe adviseur. Ik had al sinds 1991 immers dat eigen communicatie-adviesbureau, keurig ingeschreven bij de KvK, dus dat paste mooi. De regeling zette me als professional goed op de been, en ik kon mijn werk voor het zo geliefde merk blijven doen. Want samen met Hans Bovee ging ik nu een paar dagen per week het land in om coachings en trainingen te geven op het gebied van LEX-denken. Maar ook hoe dealers om zouden kunnen gaan met een meer eigen publiciteitscampagne en klantenwerving. Daarnaast was het de bedoeling om een nieuw dealer-automatiseringsprogramma, WinCar geheten, uit te rollen waaraan Skoda op dat moment de voorkeur gaf en waarmee de toenmalige verkopers veel sterker dan voorheen pro-actief nieuwe kopers konden (en moesten)werven. Die begeleidingssessies waren vaak heel intensief.

Hans Bovee en ik reden bij nacht en ontij heel wat kilometers in die periode en ook vaak tot in de late uurtjes om de boodschap van het nieuwe Skoda te brengen. Intussen werd de nieuwe en grote Superb geintroduceerd en was men bij de Tsjechen alweer bezig met het volgende model, de Roomster! De organisatie moest daartoe dus steeds sterker worden. Kaf en koren strikter gescheiden, de opdrachten waren duidelijk. Een jaar na mijn vertrek verliet ook Hoekstra Skoda. Hij kreeg een conflict met het management van het merk in Tsjechie en werd niet meer gezien als ‘acceptabel’. Omdat men bij Pon niet zo snel een opvolger kon vinden werd Seat-baas Van der Nat aangesteld om ‘orde op zaken te stellen’. Voor de externe werkzaamheden maakte dat vooralsnog niet veel uit, maar het sloeg wel een gat in de organisatie. Want in het kielzog van Hoekstra verdwenen meer mensen uit het voormalige MT en rest van de organisatie en al snel zat ik soms voor overleg tegenover mij compleet nieuwe en vreemde gezichten. Ergens in 2003 kwam de echte opvolger van Hoekstra in dienst.

Dick de Rooy, voormalig marketeer bij Seat werd door v.d. Nat naar voren geschoven en zowel door Pon als Skoda geaccepteerd. Ik kende hem nog wel uit de tijd dat we als collega’s bezig waren geweest ‘onze’ merken te promoten. Het gaf wat rust in de organisatie, maar veel gedenkstenen voor revolutionair denken zijn er niet voor hem geplaatst. Intussen kreeg Skoda steeds meer vat op de gang der dingen in ons land. En werd ook duidelijk dat het nuttige LEX plaats ging maken voor het abstractere ISO. Klantvriendelijkheid werd ook bij Skoda ingeruild voor administratieve procedures. Het hield in dat mijn werk en dat van Hans Bovee enorm uit elkaar zouden gaan lopen. Hans moest met interne collega’s gaan ‘schouwen’ om dealers naar ISO te krijgen, ik trachtte nog steeds die dealers te leren zelfstandigheid bij de communicatie vast te houden en op eigen naam en faam imago een omzet op te bouwen. In 2003 werd dat werk echter steeds lastiger. Ik zwierf intussen wat tussen importeur en dealers en kreeg te weinig input vanuit Leusden om echt te snappen wat er op dat moment allemaal speelde. Dat had men bij Pon ook wel door en de Rooy wilde wel van het contract met mij af. Dat paste mij eigenlijk ook wel omdat ik intussen ook was gaan werken voor een uitgeverij die interim-hoofdredacteuren zocht voor diverse bladtitels in het B-to-B segment. Daarnaast ontwikkelde zich mijn advieswerk aan andere klanten redelijk rap. Mijn ‘leenauto’, een Fabia Combi TDi in de meest luxe uitvoering nam ik dus zelf maar over en eind 2013 was mijn status compleet onafhankelijk. Met een aantal dealers van toen bleef het contact overigens ronduit goed en daar heb ik tot vele jaren later nog steeds baat bij gehad. Pon zelf bleef intussen bezig met reorganiseren. Men verjongde de organisatie, zette steeds meer in op integratie met Pon’s Automobielhandel en deed dit ook bij de Skoda-dealers. Dealers en mensen uit de opbouwperiode werden massaal ingeruild voor VW-dealers die Skoda erbij gingen doen, en alleen daarmee al in staat waren om de landelijke omzet op te krikken. De Amsterdamse dealer S-Point, lid van het A-Pointteam wat op zich weer een onderdeel is van het holdingbedrijf Pon-dealer, zette in een jaar tijd net zoveel Skoda’s om in de Amsterdamse regio als alle 80 Skodadealers landelijk deden in een jaar als 1992 toen ik bij Pon binnenstapte. De Utrechtse Pon-vestiging deed daar trouwens niet zo veel voor onder. En zo ging dat maar door. Met een mooi gamma en een steeds sterkere organisatie bleek het merk ineens flink volwassen te kunnen worden en mee te tellen bij vooral zakelijke rijders. Vervangende trots was nog steeds mijn deel toen ik in 2004 overging tot een andere orde van de dag. (Fotos: Yellowbird/Skoda/Internet)

 

Leven met de Vliegende Pijl – 47 – Opvolger en opruiming…

Jaap van Rij, Algemeen Directeur en man met veel ervaring, werd begin 1997 uiteindelijk opgevolgd door een man uit de Leusdense gelederen. Cees Hoekstra. Aardig in de omgang, weinig tot geen expertise op het onderwerp Skoda en met een enorme hekel aan het moeten forenzen tussen zijn woonstek Leusden en het aloude Skoda-bastion in Voorschoten. Hij moest op alle fronten wel wat puin ruimen en had, zo bleek later, ondanks afspraken met en door zijn voorganger gemaakt, een agenda waarin opruimen van de interne organisatie van Pon Mobiel een belangrijke rol speelde. Deels kwam dit ook voort uit vooroordeel zoals dat leefde in Leusden. Men vond die Skodamensen maar piraten, die niets snapten van hoe de hiërarchische spelregels in elkaar staken bij Pon. Het bleek voor beide kanten enorm wennen. Was Jaap van Rij bijvoorbeeld iemand die elke nieuwe week begon met een MT-vergadering waarin iedereen een taak toebedeeld kreeg om uit te voeren, Cees Hoekstra hield van het een op een contact. Hij luisterde, gaf advies, hoopte op initiatief en probeerde door diplomatie zijn doel te bereiken. Zo pakte hij ook die verbogen relatie met de dealers, BOVAG en fabriek aan. Dat leek in eerste instantie goed uit te werken. Hij gaf alle dealers, ook zij die door zijn voorganger een paar maanden eerder buiten de organisatie waren gezet, de kans mee te blijven doen mits ze dan maar wel stevig investeerden voor het merk.

Kon zijn via een verhuizing, nieuwbouw, of aanschaf van nieuwe voorraadauto’s. Voor de meeste van deze ‘dwarsliggers’ was dit onbegonnen werk, Pon Mobiel financierde hen tot dan vaak al voor de volle 100% en stond nog garant voor de voorraden auto’s ook. Het effect was hetzelfde als Jaap van Rij een half jaar eerder had voorgestaan. Al snel verdwenen er dealers via de zijdeur. Doordat Hoekstra zijn oude Pon-relaties aansprak die vooral bij Volkswagen te vinden waren kregen we ook contacten met kapitaalkrachtiger dealers die iets zouden kunnen betekenen voor de Skoda-organisatie. De toekomst zag er weer wat rooskleuriger uit. Maar alles heeft zijn prijs. En Cees Hoekstra schroefde die prijs aardig op door op een heel andere wijze om te gaan met de fabrieksmanagers. Zijn ‘diplomatieke aanpak’ ging ook gepaard met een wonderlijk gevoel voor argeloosheid. Door zijn boeken open te leggen voor de fabrieksvertegenwoordigers kregen we weliswaar begrip van die kant voor onze financiële positie, maar leverden we al snel fiks op onze marges in. Hij zag dat zelf als het risico van het vak, ik, gewend aan de ‘methode van Rij’, meer als volkomen gebrek aan kennis en inzicht. De waarheid zal in het midden hebben gelegen.

Feit is wel dat we binnen een half jaar weer wat rust in de tent hadden en de grote schoonmaak bij de dealers kon worden gevolgd door een soortgelijk proces bij Pon Mobiel zelf. Hoekstra zette een verhuizing van het importbedrijf op de agenda. Van Voorschoten waar Skoda al sinds de jaren veertig zetelde, naar Leusden. Wat we nog niet wisten was hoe hij die verhuizing in de bol had. Eerst verdween het eigen magazijn van Pon Mobiel. Alles werd ondergebracht bij het Leusdense Ponbedrijf DCL waar ook de andere Ponmerken logistiek werden gevoerd. En waar hij zelf tot zijn aantreden bij Pon Mobiel het management had gevoerd. Dat was nog relatief eenvoudig. In de maanden die volgden ontmantelden we onze kantoren en bedrijfsruimten. De boel werd overgedaan aan een lokaal autoschadebedrijf en we vertrokken met ons overgebleven boeltje naar een parkeerplaats achter de kantoren van Seat-importeur Pon Car in Leusden. Via een bevriend wegenbouwbedrijf had Hoekstra wat kleine kantoorcontainers gehuurd en een soort Pipowagen die diende voor overleg tussen de MT-leden. Daar werden we als team ondergebracht in losse units, geen enkele afdeling die zo meer kon samenwerken met de rest van het bedrijf. Sommige medewerkers, zoals ik, al jaren gewend aan het bastion Voorschoten, maakten de sprong mee richting Leusden, anderen werden achtergelaten in dat schadebedrijf of ontslagen. Direct na optuigen van ons ‘vakantiewerkkamp’ begon een ronde van aantrekken nieuwe mensen. Al snel bleek dat Hoekstra daarbij een grote voorkeur had voor mensen die hij nog via via van Pon en DCL kende. Toen die allemaal waren aangesteld bewoog hij zichzelf wat uit de wind en kreeg ruimte om zijn taak op wat hij zelf noemde ‘zijn niveau’ uit te voeren. Toen we in de winter die kwam ontdekten dat de containers nauwelijks warm te krijgen waren en water een kostbaar goedje bleek omdat de leidingen nogal eens bevroren, werd door de oude en nieuwe medewerkers al snel stevig gemopperd. Het was wel erg Spartaans allemaal. Daarbij waren de mensen die uit Voorschoten kwamen nu gedwongen fiks te forenzen, terwijl Hoekstra zelf zowat te voet naar en van zijn huis kon komen. Het onevenwicht maakte dat wederom bepaalde oude en zeer loyale medewerkers verdwenen. Het werd steeds meer een Leusdense toestand daar….en of dat nu meteen een positieve ontwikkeling was?? Wordt vervolgd – (Beelden: Yellowbird archief/Skoda)

 

Koffiereclame…

Terwijl ik dit schrijf loopt op radio een campagne aangeboden door een van oorsprong Belgische bedrijf; Pelican Rouge. Kennelijk doen zij in (goede) koffie want de serie spotjes roept ‘werkenden’ in het hele land op bij het aanbieden van ‘matige koffie’ een petitie in te vullen op http://www.meldpuntmatigekoffie.nl . Het resultaat daarvan zal dan zeker zo zijn dat het bedrijf reageert met een geweldig aanbod voor nieuwe automaten of ingrediënten die wel kunnen zorgen dat je lekkere koffie geboden krijgt op je werkplek, dan wel bij relaties waar je even op visite bent. Is dat een verkeerde gedachte?? Nee, niet bepaald. Het is maar weinig bedrijven gegeven om goede koffie (of warme chocolademelk dan wel echt naar thee smakende thee) aan te bieden. Vaak het gevolg van de verkeerde bezuinigingen door mensen zonder smaak. Een automaat is nooit een vervanger voor een goede koffiezetmachine. En neem van mij aan ik was tot en met 2016 een ervaringsdeskundige. Heel wat bocht naar binnen moeten werken. En niet eens alleen uit automaten.

Filterkoffie was me ook vaak een gruwel. Nee, dan die moderne machines van allerlei merken die in staat zijn om dat bruine vocht wel goed te laten smaken en ruiken. Al drink ik het zelf niet meer, de reden zat hem vooral in een medische klacht die ergens in de jaren negentig vermoedelijk werd veroorzaakt door al dat bochtige vocht wat ik in te grote hoeveelheden tot me nam, je zou het bijna opnieuw overwegen. Vandaar dat ik deze campagne van dat aardig inspelende en al traditioneel merk goed gevonden vind en ook de uitvoering positief beoordeel. En dat gaat bij mij niet snel zo. Veel reclame is even slecht als de waren van de aanbieders. Men denkt niet goed na, men zoekt geen naamsbekendheid kennelijk en vindt de resultaten van zo’n campagne wellicht ook niet zo belangrijk.

Doodzonde van het ingezette budget. Reclame moet effectief zijn, het moet aanspreken, een tikkie humor in zich dragen en niet meteen oreren over ‘veel voor weinig’. Behalve als dat een doel op zich is. Zoals Action zich kan veroorloven. Of Lidl soms. Veel voor weinig, een marktpositie die soms vruchten af zal werpen. Laat de naam maar van mond tot oor gaan. Maar als je enig niveau voor je merk, winkel of bedrijf wilt bereiken is een duidelijke campagne altijd gericht op meerwaarde. Pelican Rouge richt zich daarom op mensen met smaak voor koffie. En dat zijn er in ons land veel. Alleen erkennen we het vaak niet. Gewend als we zijn aan dat bocht uit de automaat om de hoek van onze werkplek. Zouden daarom al die koffietentjes het zo goed doen met hun take-away koffies. Tientallen smaakjes en voor een prijs waar je stijl van achterover slaat. Kennelijk onnodig als je Pelican Rouge benut. Kijk, en dat is dan extra slim gevonden. Kortom, wie thuis, op kantoor of andere werkplek bocht te drinken krijgt onder de noemer koffie, kan zich nu beklagen. Wie weet dat er dan eindelijk iets verandert. Zouden ze ook in thee doen? Toch eens kijken….(Afbeeldingen: Yellowbird/Pelican Rouge)

Niets is wat het lijkt…imago!

O….zeker! Als je zelf meent lief te zijn blijken er altijd mensen te zijn die daar anders over denken. Wie meent stoer over te komen door met spierballen te rollen of andere zaken te showen, krijgt van omstanders of ‘kennissen’ meestal wel een heel ander etiket opgeplakt. ‘Ordinair’ is daarvan wellicht de meest milde. Imago wordt dus veelal veroorzaakt door wat anderen over iets of iemand denken. Toch besteden fabrikanten vele miljoenen per jaar om juist dat imago op te tuigen of om te buigen. Waarbij dit soms wel, in andere gevallen niet wil lukken. In mijn vervolgverhaal komt dat imago een paar keer voor. Hoe technisch een merk als Skoda haar modellen ook in elkaar stak, het kwam tussen 1948-88 ‘uit het Oostblok dus kon niks zijn’. En dat ijlde nog wel even na. De inspanningen die nodig waren om dat negatieve denken weg te poetsen bleken duur en namen jaren in beslag. Vandaar ook ten dele mijn verhaal over die worstelingen!

Maar is dat voor andere merken anders? Nee! Probeer maar eens een echte leaserijder te overtuigen van de toegevoegde waarde van een grote Koreaanse auto. Geen hond die er in trapt. Liever een Mercedes of BMW dan wel Audi. Ook grote Japanse auto’s doen het hier niet. Toch een kwestie van imago. Imago dat ook voor de mens die rijdt in zijn auto heel belangrijk blijkt. Telkens weer. Want wie Alfa rijdt voelt zich weliswaar een hele macho, wordt door de buitenwereld toch met enig dedain bekeken. Zo gaat het ook in de enorm heftige discussies rond het science-fiction-merk Tesla. Deze fabrikant van vervoermiddelen koos voor de elektrische kant van de aandrijvingslijnen. De naam was niet voor niets gekozen natuurlijk. Zoek maar eens op via Google waar dat Tesla vroeger voor stond. Dan snap je de keuze beter.

Men bracht eerst een aardige maar verder nutteloze Roadster uit op basis van een Lotus sportwagen. Met de Model S kwam het merk eindelijk op stoom. Let op de vele taxi’s in ons land die met deze fraaie maar peperdure elektrische auto’s zijn uitgerust. Later volgde een aansprekende SUV in de vorm van een Model X, met omhoog klappende achterdeuren. De gemiddelde leaserijder uit de grachtengordel kwijlde bij de gedachte daarin te mogen rijden, maar ja, wel erg duur voor de zichzelf overschattende vertegenwoordiger. Tesla-baas Musk beloofde daarop een betaalbare auto te zullen bouwen om juist deze categorie te helpen. De Model 3. De ontwikkeling daarvan sleepte zich jarenlang voort. En nog steeds worden die wagens maar mondjesmaat gebouwd en geleverd. Goedkope elektrische auto’s in grote series bouwen is niet iedere fabrikant gegeven, zeker Tesla niet. En dus blijft het verlangen naar… en heeft het imago van de elektrische autobouwer links en rechts wel wat deukjes opgelopen.

Dat is voor de Duitse merken intussen ook wel een zorg. Dieselgate blijkt bij de (veel te eerlijke) Duitse automerken een breed verschijnsel. Men werkte de uitstoot van diverse stoffen met slimme software in de auto weg, bij controles kwam dit er maar heel moeizaam uit. Maar toen waren de rapen ook gaar. Later bleek dat ook bij andere merken hetzelfde euvel of technisch camoufleren zich voor deed, maar die zwegen vooral. Het management van VW, Audi, Porsche, Mercedes, BMW, kwam er individueel of als collectief aardig door in de problemen. De rest van de autobouwers keek glimlachend toe en deed net of het bij die merken niet was toegepast. De waarheid is anders. Heeft het imago van die merken echt geleden? Nou, bij sommige slechts in die gevallen waar merkrijders menen dat een diesel helemaal schoon moet zijn en het toch wel aardig is als je de nieuwprijs vergoed krijgt. Kreeg men dat niet kwamen de negatieve verhalen. Maar qua verkopen heeft het niet zoveel invloed gehad. Immers, die merken bouwen domweg goede en degelijke auto’s. Dat maakt toch net even meer imago dan een probleempje op het gebied waar ik het over heb. Imago is dus vooral een kwestie van wat wij tussen de oren hebben zitten. Zeker als je bedenkt dat net als in de wereld van supermarkt of TV-apparatuur, veel wordt gebouwd op basis van dezelfde technieken bij een en dezelfde producent.

Zeker na de crisis die rond 2008 ontstond gingen heel wat merken onder water of werden verkocht aan derden. Aan Chinese investeringsmaatschappijen bijvoorbeeld. Of kwamen in handen van Indiase producenten die wel een lekker merk aan hun portefeuille wilden toevoegen. En een goed imago zegt nog maar weinig over succes. Denk aan Daewoo/Chevrolet dat weliswaar zelf is verdwenen maar nog wel auto’s levert die we hier als Opel kennen. Daihatsu dat helemaal van de markt verdween maar techniek levert aan Toyota. MG, een sportwagenmerk dat intussen aan de Britse markt zeer burgerlijke auto’s levert die in China worden gebouwd. Of Jaguar dat nu onderdeel is van Tata uit India dan wel Volvo dat nog slechts bestaat doordat het een Chinese eigenaar kreeg. Imago? Zweeds of Chinees? Brits of India’s? Van die vroegere ‘Oostblokmerken’ is ook niet zoveel meer over. Lada werd onderdeel van de Franse PSA-Groep die onlangs ook Opel inlijfde. Skoda’s personenwagendivisie kwam bij het Duitse Volkswagen onderdak, Dacia werd gekocht door Renault, FSO uit Polen werd Daewoo en toen dat merk zelf failliet ging wellicht over in andere handen. Zastava uit Servie is nu een fabriek van Fiat-Chrysler en de vroegere productielijnen van Wartburg en Trabant in de DDR, bouwen nu Volkswagens en Opels. Wie echt wil weten waar hij of zij in rijdt mag zich bij me melden. Kon wel eens een verrassing zijn. Want Japans is niet altijd Japans, Koreaans niet altijd Koreaans en Duits niet altijd Duits. Imago is een wonderlijk begrip. Als je dat maar weet. En dus lig ik hier nu aan de halters om mijn spierballen op te pompen….

Leven met de vliegende pijl – 1b – Jeugd

Mijn ouders waren zo gek mee met die eerste rood/witte Skoda dat die een tijdlang binnen de familie in gebruik bleef. Die 1100 was trouwens een elegante auto die de Tsjechen hadden gebouwd op basis van hun vooroorlogse Popular. De auto had diens techniek overgenomen maar kreeg een ontwerp dat nog het meest leek op Amerikaanse auto’s uit die dagen, maar dan een heel stuk kleiner qua formaat. Maar rijden deed het ding goed, de motor was simpel, betrouwbaar en redelijk zuinig. Hij had nog richtingaanwijzers, de voorlopers van de latere knipperlichtjes. Toen Pa er een aardige prijs voor bleek te kunnen maken verdween de Skoda naar een nieuwe gebruiker. Maar Ma had die Skoda in haar hart gesloten en al snel kwamen er verschillende exemplaren achter elkaar die meestal niet langer dan een dag of wat voor de deur geparkeerd stonden. Kopers waren er altijd voor te vinden en het geld stroomde zo best binnen af en toe. Pa kocht zich daarvan een IFA, een keurig nette stationcar die een kopie bleek van de befaamde DKW 3=6 uit die dagen, maar net even minder ruimhartig was voorzien van luxe. IFA was afkomstig uit de DDR en in dat vroegere oosten van Duitsland hadden de Russen de DKW-fabrieken overgenomen toen dat deel van het land in hun handen viel aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Op basis van tekeningen en beschikbare techniek werd al snel een soort schaduw-DKW op stapel gezet die als IFA het levenslicht zag en ook in Nederland werd verkocht.

De import was in die jaren in handen van De Binckhorst, dat later ook met Skoda en Mazda heel bekend zou worden. Maar met die IFA’s viel de verkoop nog niet zo mee, temeer omdat het overgebleven Westduitse deel van DKW zich nogal druk maakte over de ‘merk- en modelrechten’ en zo meer. Vandaar dat Pa die mooie en redelijke jonge stationwagen zo voordelig had kunnen kopen. We knorden heel wat rondjes door Nederland met het ding, maar of hij er nu echt gelukkig van werd? Kennelijk niet, want op zeker moment was de Oost-Duitse DKW vertrokken en stonden er een stuk of wat Skoda 440’s voor de deur. Ingeruilde exemplaren die bij de dealer waar Pa nog eens een tijdje had gewerkt, waren opgenomen in de voorraad. Rood, blauw, bruin, wit, geel, alle kleuren waren leverbaar. Wat mijn stiefvader kon met zijn handen was ongekend, die handen waren echt van goud. Hij zorgde er voor dat de Skoda’s er binnen een paar dagen bij stonden alsof ze rechtstreeks van de fabriek afkomstig waren. Een van de wagentjes uit die dagen had hij bij een toen nog voorkomende ‘autoschilder’ met de hand laten opknappen. Die man had de auto een chocoladebruine tint gegeven, wat mooi paste bij het beige interieur. Die auto was voor privégebruik, de anderen gingen de deur uit. Met het ‘chocolaatje’ maakten we heel wat korte of langere trips. Mijn moeder was er gek mee, maar ze maakte telkens weer dezelfde ‘fout’ dit aan mijn leasepa te melden. Voor hem kennelijk aanleiding om die auto dan snel van de hand te doen, zo leek het wel eens… Zo ook het bruine exemplaar waarmee we zo veel plezier hadden gehad.

Maar een hemelblauwe met een wat moderner uiterlijk volgde de oudere bruine al snel op. En zo ging dat door. Met af en toe onderbrekingen omdat Pa zich liet verleiden voor eigen gebruik eens iets anders in te kopen dan alleen Skoda’s. En zo reden we in Ford’s, een Gangster Kapitan van Opel, een opmerkelijke Hansa, en op zeker moment in een werkelijk schitterende Studebaker. De lichtblauwe auto had een rood interieur en mijn moeder kreeg zowat een appelflauwte van genoegen toen ze dat slagschip voor de deur zag staan. Het was toen bijna gewoonte geworden om als gezin in Amsterdam-West aan de Burgemeester de Vlugtlaan in een horecagelegenheid het weekend in te luiden en daar dan gezelligheid te koppelen aan mogelijke nieuwe contacten voor de in- en verkoop van de handel. Ma mocht meestal mee, ik soms ook. In de Studebaker was dat geen vervelende gebeurtenis. Ma kleedde zich er op en keek vol trots in de straat in de rondte of iedereen wel zag met wat voor een schitterend glimmende slee wij ons nu weer verplaatsten. De rammel die bij fors optrekken na een tijdje uit het vooronder klonk werd door Pa afgedaan als de uitlaat ‘die los zat’. In werkelijkheid hield hij de toeren vrij laag, want er was wel iets meer mis met het motorische hart van de trotse Amerikaan. Na een paar dagen moest er flink gesleuteld worden, een uitgelopen lager deed de motor zwijgen. De lol voor Pa was er af, na reparatie deed hij de Studebaker direct van de hand. Een Skoda Octavia van 1962, een exemplaar met mooie open grille en staartjes op de achterschermen volgde de trotse Yank voor dat eigen vervoer op. Toch bleek het intussen lastiger te worden om die Skoda’s tweedehands te slijten. De jaren zestig waren aangebroken en de concurrentie had intussen ook heel wat betaalbare automobielen te bieden.

Sommige mensen konden zich nu zelfs een nieuwe Volkswagen, Opel of Austin veroorloven. En dus ging Pa voor een wat rustiger leven. De zekerheid had zijn prijs, de handel werd wat stil gelegd, hij zocht en vond een vastere baan en ging langer doen met zijn eigen vervoer. De laatste Skoda die ik als thuis wonende opgroeiende puber nog meemaakte was een 1000MB. Een auto waarvan Pa altijd had gezegd dat hij die nooit wilde hebben voor de handel. Omdat de motor in het achteronder zat en hij in die constructie helemaal niets zag. Zo hadden we nooit ook maar een enkele VW Kever voor de deur gehad. In dit tijd toch best een populair ding. Maar toen hij een echt fraaie, redelijk jonge en donkergroene MB op zijn pad vond kon hij hem kennelijk niet laten staan. De auto leefde trouwens niet lang, werd door een dronken automobilist in de Amsterdamse Van Woustraat zo heftig aangereden dat hij in de gevel van een daar gevestigde stomerij eindigde. Total loss, dat spreekt. Het was de laatste Skoda die mijn Pa ooit zelf bezat. Hij stapte over op een Toyota Crown, maar had wel altijd een klein plekje voor het Tsjechische merk in zijn hart besloten zitten. Wordt vervolgd…  (Afbeeldingen: Yellowbird archief/Skoda – Alle teksten zijn eigendom van de auteur!) 

De wonderlijke wereld van printers en hun vullingen…

Een printer is niet veel meer dan een schrijfmachine die door jouw toetsenbord op je laptop of anderszins in beweging wordt gezet. Hij drukt af wat jij hem wilt laten afdrukken. Een stom ding, maar tegenwoordig best slim uitgerust. Je kunt er vaak mee scannen (noem het kopieren) en in sommige gevallen mailen of als dat nog bestaat, faxen. Er bestaan wat verschillende soorten printers, maar de meest gebruikte zijn de inkjet- en laserprinters. Een paar merken maken ze zelf, anderen laten dat over aan andere bedrijven. Canon doet het zelf. En in goede kwaliteit. Ik ben nu al een jaarthe of 20 vaste klant bij die lui en de gemiddelde printer gaat een jaar of 2,5-3 mee. Daarna zit de afvaltank vol en is een nieuwe kopen goedkoper dan de oude schoon laten maken. Noem maar eens een onderwerp waarmee het milieu beter gediend zou zijn. Bij andere fabrikanten gaat het vast niet zoveel anders op dit punt. Hoe dan ook, je koopt dan weer een nieuwe en tracht te snappen wat daar dan weer voor vullingen in zitten.

Vertaald…een vulling van een printer heet een cartridge. En daar wringt mijn ergernisschoen. Want ik heb nog nooit een opvolgende printer kunnen kopen die de cartridges van de vorige met liefde accepteert. Nee, telkens weer een andere soort. Wie net als ik niet zonder wil komen zitten op het moment dat een concept of een of ander geschrift uitgeprint moet worden, neemt van die dingen op voorraad. En als je dan van printer wisselt zit je al snel met een overbodige voorraad. Ik ben er zo een. Een bak vol. Allemaal nieuw gekocht. Met een houdbaarheidsdatum die ver uitstijgt boven die van die printers waarvoor ze bestemd zijn. Maar wie neemt die van je over? Ik heb het al eens geprobeerd tijdens een rommelmarkt. Alsof je griepvirussen tracht te verpatsen. Men kijkt er naar, trekt de neus op en loopt door. Nee, geen handel. Ook bij de kringlopers van dit land kom je ze wel eens tegen, maar als ze al nieuw zijn, nooit die soort die jij in jouw printer nodig hebt.

Ruilen zou een optie zijn, maar ik denk wel eens dat iedere printereigenaar zijn eigen cartridges heeft en niemand vergelijkbare exemplaren kan benutten. Bij mijn hofleverancier, een groothandel, hangen er voor mijn printer altijd net twee exemplaren. Een voor de zwartwit-kant van de teksten en een voor de kleurenfoto’s. Meer niet. En aan de prijs. Het verdienmodel voor deze apparatuur is natuurlijk nu net die cartridges. Want zo’n schrijver kost je vaak nog geen honderd euro. Kortom, het is een aardige handel. En ik ga nu toch echt eens nadenken wat ik met die nieuwe oude cartridges aanmoet. Toch maar naar de kringloop?? Wellicht! Maar voordien ben ik wel benieuwd wie onder mijn lezers hetzelfde ervaart als ik. Want ik kan daarin toch niet uniek zijn….toch??

Samen…

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Samen ben je sterk(er) is een thema dat past op heel wat zaken in het leven. Een hecht team is vaak sterker dan de eenling. En alleen is daarbij maar alleen. Al hoeft dat niet automatisch meteen tot eenzaamheid te leiden. Dat nu ook weer niet… maar… Toch is het wel zo dat je samen meer geniet dan wanneer je alleen bent en je zelf behoort tot de mensensoort die graag wil delen. Ik ben er zo een. Ik deel heeeel graag. Verbaal vooral, ik ben nu eenmaal (ook in de ogen van anderen)een verhalende prater. Ik zie iets interessants, maak iets mee, en ik moet dat gelijk echt even delen. Sinds lang doe ik dat met vrouwlief. Die ik al heel wat langer geleden leerde kennen dan zelfs mijn huwelijkstijd zou kunnen doen vermoeden. Ook al lopen die jaren nog wel aardig gelijk op. Ik denk dat ze me indertijd niet alleen imponeerde door de blauwe ogen en de jeugdige humor, ook door het trouw met me mee gaan als ik weer eens een sessie inlaste richting Schiphol. De vliegtuigen, daar moest ze me mee delen. Dat duurde lang, maar ze bleef loyaal.

O ja.....dat dobberde op Koningsdag zo maar in mijn handen.....:)

Later kwamen daar beroepsmatig de auto’s bij. De auto’s van dat ene merk waaraan ik mijn hele hebben en houden zo wat had verpand. Dat bedrijf dat ik groot wilde maken in de vaart der volkeren, daarbij meteen even mijn droom waarmakend om vooral ook een keer ‘directeur’ van een bedrijf te worden. Ze moest ook daarbij soms flink wat inleveren, maar bleef me bijstaan. Luisterde naar wat ik zoal meemaakte en dat was veel, kan ik je melden. Het boek over het onderwerp ‘automerk’ is niet voor niets zo’n langdurige oefening geworden, er moest gewoon geknipt om het leesbaar te houden. Maar thuis kon ik vrijwel  altijd mijn verhaal kwijt en soms ook advies inwinnen. De jaren vlogen voorbij. Altijd als je het leuk en druk hebt gaat dat zo. Niet dat altijd alles zo leuk verliep. Ook onze jaren samen kenden een paar diep zwarte pagina’s. Een reddingsboei was dan soms even nodig. Vrijwel altijd gevonden gelukkig.

WP_005452Gezondheid is bijvoorbeeld niet te koop, en soms worden er figuurlijk aanslagen gepleegd op ons samenzijn. Maar we zijn en blijven een goed team. De fundamenten sterk en als er dan wat kalk van het gebouw valt stort dat huis niet meteen in. Aardbevingsbestendig wellicht. We maakten heel wat mee samen, en dat allemaal simpel begonnen toen zij kwam werken op een plek bij een grote bankinstelling waar ik toen al een jaar op de loonlijst stond. Een ‘bankstel’ dat door sommigen om ons heen weinig toekomst werd toegedicht. Net iets voor ons, dan maar bewijzen dat het anders is. Intussen toegetreden tot de leeftijd van de ’50Plussers’. Maar nog altijd samen. Handleidingen nooit gelezen, ervaring geeft meer ruimte tot improvisatie. Water en wijn mixen en af en toe gewoon toegeven aan de wensen van de ander. Het kwam wel goed. Nog steeds een goed team. En dat vieren we vandaag. Dus we zijn er even niet….er wordt gegeten. Of zoiets. Daar moeten we het nog even over hebben. En feliciteren ons zelf….met elkaar….dank u!

Philips Brand store

WP_20150508_026Als we dan toch bezig zijn met de culturele uitstapjes die we onlangs deden als onderdeel van een paar dagen met lieve vrienden weg, bezochten we ook Eindhoven. Nu is dat om verschillende redenen een stad om vooral aan voorbij te rijden, al was het maar om het verschrikkelijke centrum waar je uren kunt rond dwalen zonder de juiste weg te kunnen vinden. Maar men heeft ook een tweetal op het eerste gezicht aardige musea in huis waarvan de oorsprong te vinden is in de geïndustrialiseerde positie van de stad. Men had en heeft er de DAF-fabrieken en natuurlijk Philips. Bedrijven die diep in de genen van de stad zijn terug te vinden. Ooit, lang geleden al weer bezochten we eens het Evoluon, een geweldig leuk doe/en kijkfestijn. Een presentatie van de toen nieuwe Philips Cd-spelers zorgde er voor dat wij ook zo’n ding kochten en er heel veel plezier aan beleefden.

WP_20150508_012Maar dat opvallende gebouw heeft een andere rol gekregen en de geschiedenis van Philips verpakte men sindsdien in een eigen Philips Museum dat echt in het hart van de stad te vinden is. Dat maakte ook dat rondrijden zo ‘aardig’, je kunt het met de auto eigenlijk niet goed benaderen. Slechts gele omleidingsborden (er wordt overal gebouwd en herbouwd) verwijzen naar het museum, maar dat is dan weer niet voor het parkeren bedoeld. Tamelijk verwarrend. Hert museum zelf is in een modern gebouw gevestigd, kent geen Museumjaarkaartklanten, althans die kaart werkt hier niet, dus de entree is 8 euro p.p. en 4 euro voor kinderen. Eenmaal binnen moet je echt zoeken naar de juiste route. Of dat nu komt door het nieuwe van de expositie of dat men er gewoon niet aan heeft gedacht, geen idee.

WP_20150508_014In ieder geval is wat je te zien krijgt aardig, redelijk informatief, maar ook wel een beetje aan de magere kant voor wat je betaalt. Veel reclame, medische artikelen, weinig tot geen werkende apparaten van vroeger en nu. In mijn tempo van kijken, ik scan eerder dan dat ik alles bestudeer, was ik in 20 minuten rond. Mijn gezelschap deed er 5 minuten langer over. Nee, dit is geen lekker museum waar je nu eens echt de toch niet geringe prestaties van het Philips-concern voorgeschoteld krijgt. Dat moet toch beter kunnen. Daarbij was het personeel niet zo van de vriendelijke, men controleerde meer dan dat men informeerde en dat hielp niet mee om het geheel een betere dan de huidige lage positie mee te geven op onze bezoeklijst. Het Philipsmuseum moet echt meer gaan doen aan museale taken en wat minder als Brandstore werken. Want betalen voor reclame is zelfs mij een gruwel. Zeker voor deze prijs.

Sponsoradviezen

Sonax 3Onlangs zag ik een nieuwsbericht voorbij komen waarin de BOVAG zich solidair verklaarde met haar leden. Niet dat men dit als belangenorganisatie al niet veel langer deed, nee het ging om iets waarover ik in mijn trainings- en coaching jaren altijd een uitgesproken mening verkondigde; sponsoring! Veel ondernemers in de mobiele sector denken dat zij er goed aan doen om de lokale sportvereniging te helpen met een geldbedrag. Dat is in feite ook zo hoor, niks mis mee, maar wat krijg je er dan voor terug? Wie alleen maar geld stort in de kas van een club of zo, moet dat zien als een schenking. Met sponsoring heeft het niks van doen. Een bord langs het veld is leuk voor de betrokken club, net als een outfit voor bepaalde elftallen of pakweg de jeugd van een wielerploeg. Maar wat verwacht je er van? Ik legde meestal uit, en doe dat hier graag nog eens, dat je voor elke sponsor-Euro er minstens drie moet zien terug te halen. Een sportclub moet meer doen dan alleen maar een beetje profiteren van jouw ondernemende  vrijgevigheid. Men dient in jouw merk te rijden, moet de leden stimuleren om langs te gaan bij de sponsor die de club overeind helpt te houden, en jij moet als ondernemer meer doen dan alleen dat geld overboeken.

01-SKODA-Superb-juryHet was voor veel ondernemers waarmee ik te maken had vaak een brug te ver. Men maakte geen plannen, men dacht er niet over na, volgde zelfs de resultaten niet van de sportclub, maar bleef wel altijd volhouden dat dit echte sponsoring betrof. Ik had (en heb) het in die situaties altijd over weggegooid geld. Schenk het dan aan een kringloopwinkel of voedselbank, maar geef het niet weg aan een sportclub. Voor sponsoring moet iets worden ingevuld, gedaan, uitgewerkt. En dat hoeft echt niet al te ingewikkeld te zijn. Zeker niet als je een beetje creatief bent op het gebied van publiciteit vergaren of reclame maken. Of het geld moet je als ondernemer op de rug groeien, dan wel aan de bomen rond het bedrijf als vruchten geplukt kunnen worden. Maar die hoop is vergeefs. Kortom, ik ben blij dat de BOVAG nu ook inziet dat men leden moet helpen om met die sponsoring een beetje professioneler om te gaan dan voorheen. Dat zal voor veel sportclubs wennen worden.

Hans Bovee LEX coachingOok al lopen daar de inkomsten ook niet echt op in deze lastige tijden. Samenwerken met een sponsor is soms heel plezierig en het leidt in goed overleg tot een hoop response voor de contractpartijen. Ja, ik noem specifiek het woord contract, want zonder dat is er geen sprake van goede afspraken. Kortom, een goed plan van aanpak, sponsorcontract, en dan aan de slag. Pas daarna het geld overboeken. Laat ik aannemen dat ook de BOVAG deze adviezen zal afgeven. Pas dan is sprake van een belangenorganisatie die het echt begrijpt!