Amerikanengekte..

Amerikanengekte..

De huidige afbeelding heeft geen alternatieve tekst. De bestandsnaam is: chevrolet-stylemaster-1947-green-4d.jpg

Hoewel ik al vele jaren verknocht ben aan of verbonden ben met dat Tsjechische merk dat intussen haar 130-jarig bestaan vierde, is er toch een periode geweest dat ik ‘into American Cars’ was. De reden (of oorzaak) toch de belevenissen uit de jeugd die maakten dat ik min of meer opgroeide met die Amerikaanse merken als Chevrolet, Pontiac of Studebaker. Gek? Duur? Welnee. Indertijd waren Amerikaanse automerken bij ons net zo populair als Britse of Duitse. De bevrijding door de Yanks had haar sporen nagelaten en ook onze economische wederopbouw baseerde veelal op Amerikaans materieel.

De huidige afbeelding heeft geen alternatieve tekst. De bestandsnaam is: studebaker-commander-1953.jpg

Heel wat transportbedrijven reden met oude GMC’s of Macks die waren achtergelaten door de door ons land trekkende troepen en ook overheidsdiensten als de Politie reden nog al eens in Jeep’s rond. Hoe dan ook, met een oom die met diverse Chevrolets zorgde dat onze tripjes naar Limburg uit die beginperiode comfortabel verliepen, maar ook later een Studebaker of wat die leasepa zichzelf toe had bedeeld (mijn moeder wilde een Pontiac..) voor weekendvertier kreeg ik dat virus net zo toegediend als het latere Tsjechische. Een van de straatvrienden had een vader die eigenaar was van een groot autoverhuurbedrijf en die wilde zelf ook graag in een ‘Yank’ rondrijden.

De huidige afbeelding heeft geen alternatieve tekst. De bestandsnaam is: oldsmobiel-cutlass-cruiser-brougham-estate-hg26yt-almere-1988-scan10020.jpg

In het specifieke en ultieme voorbeeld had hij een zwarte Chevrolet Impala met enorme liggende vleugels op de achterschermen. Af en toe mocht ik dan meerijden. Ik vond het geweldig. Het deinen van de carrosserie en het zoemen van die motoren…heerlijk. Pas tijdens mijn dealerjaren kwam ik er achter dat ik zelf ook graag eens Amerikaans wilde rijden. Dat lukte. Handel en inruil of deals met andere garagehouders maakten dat ik drie Oldsmobiles achter elkaar mocht berijden. Twee daarvan waren van de enorme soort. Stationcars met een dikke V8 motor voorheen die ook nog op diesel draaiden wat voor de totale kosten gunstiger uitpakte dan het geval was geweest met een benzineblok. En bij een verbruik van 1:10 waren die enorme bakken nog relatief zuinig ook. Hoe dan ook, het was een genoegen en ook een soort bevestiging dat dit toch wel het ultieme autorijden was voor wie hield van ruimte en comfort. Voor sportiviteit hoefde je het niet te doen. Integendeel. Maar het was ook goed zo. Nadien heb ik er niet meer naar omgekeken. Amerikaanse wagens zitten anders in elkaar dan Europese of pakweg Japanse. En dus gaat er ook wel eens iets stuk dat je bij andere merken nooit of vrijwel nooit meemaakt. En ook dat herinner ik me nog wel uit de jeugd. Toen pa mijn moeder op haar plek zette (‘jij hebt geen verstand van auto’s’) toen zij wees op een vreemde tik vanonder het motorgedeelte van een van de Studebakers…. Later bleek dat toch een uitgelopen lager te zijn. Beste reparatie die leasepa in een handomdraai verrichtte maar daarna ook meteen genezen was van die Amerikanen… En dat herkende ik dus toen het mij overkwam….. Maar leuk was het wel…. (beelden: archief)

Bedacht GM-merk; Pontiac.

Bedacht GM-merk; Pontiac.

De grote drie van Detroit waren goed in het opzetten van allerlei submerken die in verschillende prijsklassen kopers wisten te vinden die meenden dat ze bij dat specifieke merk net even beter af waren dan bij de concurrentie, die veelal qua techniek peurde uit dezelfde bron. Voor elke smaak iets te bieden dus. Zo’n merk was Pontiac. Door General Motors in 1926 bedacht (heette voorheen de Oakland Motor Car Company en stamde uit 1907) en qua uitvoering en prijs net even boven Chevrolet gepositioneerd.

Als logo-badge had men een indianenkop bedacht en veel van de modellen kregen ook de naam van een indianenstam. Latere Pontiac’s kregen meer normale aanduidingen als GTO of zo. Pontiac bleef ons nog even voorbehouden tot net na WO2. Toen kregen wij in ons land ook Pontiac’s in de showroom van de door de General Motors-importeur aangewezen dealers. Zoals de Streamliner uit 1946, die optisch veel weg had van de modellen bij de zustermerken, technisch ook baseerde op wagens die het merk in WO2 had gebouwd. Budgetklanten kregen de goedkopere Torpedo aangeboden (..), de mensen met wat meer geld de Streamliner. Dit model bleef drie jaar in producttie, waarbij elk bouwjaar op details werd veranderd of verbeterd. In 1955 kwam de Chieftain op de markt, een stoere wagen die alleen al door dat uiterlijk overtuigde. Tweekleurige lak voor de liefhebber beschikbaar net als een V8 van 4.7 liter. Opvallend was de Pontiac Bonneville uit 1959 met zijn enorme vleugels achter.

Maar ook luchtvering en een met stof bekleed dashboard dat toen gold als veiligheids-onderdeel. De Bonneville was een prachtige auto, kostte wat, maar dan kreeg je ook iets. Zoals een 6.4 liter grote V8. Door de jaren heen groeiden de Pontiac’s toch steeds meer. Ook al had men ook soms wat compacts in de aanbieding. Met de GTO kreeg je pas echt wagens met dikke prestaties. Bij een motorinhoud van 7.5 liter uit acht zijdezacht draaiende cilinders peurde Pontiac 365 Amerikaanse paarden en was de top van 200km/u bereikbaar. Dan deed je wel mee in het spel om de knikkers. Loeizwaar en groot was de Catalina van 1965. Een auto die al achterover leunde door zijn eigen gewicht, maar met zulke grote motoren te bestellen was dat heel wat Amerikanen er voor vielen.

Maar dat deden ze vooral voor de Firebird en de latere Trans Am. Wagens om de Camaro van zustermerk Chevrolet concurrentie aan te doen en zeker de Mustang van Ford. 200km/u werd de norm, zwart de meest populaire lakkleur. De LeMans was een populaire Pontiac, maar ook de Bonneville uit begon jaren tachtig. Dat waren toch echte directiewagens, de chauffeur moest je zelf even zoeken. Om in die karige jaren van de vorige eeuw meer jeugdige klanten aan zich te binden koos GM er voor om de in Korea gebouwde wereldauto (Kadett/Astra/Gemini) naar de VS te halen. De Pontiac Le Mans was ineens herboren. Een Kadett met kont, met een wat grotere motor en typisch Koreaanse/Amerikaanse styling-elementen. En ook werden er nog wat redelijk saaie en wat fantasieloze wagens geproduceerd bij Pontiac. Tot de bankencrisis toesloeg en in 2008 GM keihard trof. Het merk moest snijden in haar merken-portfolio en sloot dus ook de fabrieken van Pontiac. In-triest natuurlijk, maar gelukkig zijn er nog heel wat klassiekers die rijdend worden gehouden door mensen met een hart voor dit aardige merk. (Beelden: Archief)

Onderschat G.M.merk – Oldsmobile!

Wat VW, PSA, Toyota en FCA nu doen, diverse merken op de markt laten opereren die in feite van dezelfde platforms en techniek gebruik maken maar onderling toch verschillen in uiterlijk en merkgevoel, deden de Amerikaanse merken aan het begin van de vorige eeuw ook al. Zo had General Motors een hele reeks merken in huis die men deels had overgenomen van de oorspronkelijke eigenaren. En als dat niet lukte, bedacht men gewoon nieuwe merken. Hoe breder het aanbod in de portfolio van het bedrijf, hoe beter. Een van de bedrijven die men wel kon overnemen was Oldsmobile. Een heel oude naam in autoland, want Ransom E. Olds, de naamgever, had in 1891 al zijn eerste driewielige auto op stoomaandrijving laten rijden. Later schakelde hij over op vierwielers en koos voor benzinemotoren of elektrische technieken. Al in 1908 nam General Motors het bedrijf over van Olds en werd de techniek zoals beschreven gedeeld met andere GM-merken als Chevrolet of Cadillac. Olds zelf verdween buiten beeld maar richtte al snel een nieuw autobedrijf op, REO, dat een grote naam werd in trucks en bussen.

Oldsmobile werd intussen een vaste waarde binnen GM. Uiterlijk moest je goed kijken om de wagens te onderscheiden van zustermerken als Chevrolet, Buick of Pontiac, maar een Oldsmobile was altijd meer de auto voor hen die in luxe wilden worden vervoerd zonder de prijs te betalen van een Cadillac. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg je al snel een V8 die de aloude 8-in-lijn verving. Anno 1948 had je dan al snel 135pk’s onder de lange klep en werd de top van 150km/u bereikt. Geliefde modellen werden de 88 en 98. Wagens met een prachtig uiterlijk en veel Amerikaanse luxe voor een betaalbare prijs. Kilo’s chroom waren je deel en de vermogens stegen zodanig dat de 200km/u al snel in zicht kwam bij de iets vlotter gelijnde typen. Toen de meeste Amerikaanse merken overgingen op de styling waarbij enorme vleugels op de achterschermen werden aangebracht, deed Oldsmobile mee.

Maar toch ingetogen als je het vergeleek met de rest. Men wilde de eigen doelgroepen van kopers niet kwijt. Een absolute outsider in het gamma was de Toronado uit 1966 die voorwielaandrijving kreeg, wat indertijd bijna ondenkbaar was in de VS, maar meteen ook opklapbare koplampen en een motorblok dat met 7,5 liter inhoud een vermogen van 406 pk garandeerde. Het werd een van de grootste Amerikaanse personenwagens, want hij was maar liefst 5,40mtr lang en dat was voor een ‘confectiemodel’ best veel. Benzineverbruik was echt gigantisch, maar je had wel een sportief ogende auto die de 200km/u aantikte en dat was ook iets waard. In 1972 kwam diens opvolger en die oogde zo saai dat de verkopen meteen opliepen. Want Oldsmobilerijders waren niet zo van de extravagante zaken.

De volgende serie die het merk succes bracht heette Cutlass en die vielen op door een nieuw soort rastergrille die uit twee delen bestond.. Deze wagens werden ook in de jaren tachtig gebouwd en deden het ook bij ons prima. Al was het maar door de grote keuze aan motoren. Diesels kwamen ook beschikbaar en wie daar een beetje netjes mee reed, haalde de 1:10. Voor dergelijke wagens zeer zuinig. Ook een X-model (de reeks kleinere modellen bij GM) kwam uit de hallen bij Oldsmobile. De met de naam Omega uitgeruste ‘compact’ moest daar klanten trekken. Met vier- en zescilinders. Dat deed die wagen ook. Al was het maar door zijn strakke styling. Ergens aan het begin van deze eeuw was het over en uit voor Oldsmobile. GM trok de stekker er uit en liet het merk verdwijnen. Dat deed men later ook met andere merken binnen de groep. En zo werd een roemrucht GM-merk meer dan eens geschiedenis. Die ik hier heel beknopt even verhaalde.