
Hoewel ik al vele jaren verknocht ben aan of verbonden ben met dat Tsjechische merk dat intussen haar 130-jarig bestaan vierde, is er toch een periode geweest dat ik ‘into American Cars’ was. De reden (of oorzaak) toch de belevenissen uit de jeugd die maakten dat ik min of meer opgroeide met die Amerikaanse merken als Chevrolet, Pontiac of Studebaker. Gek? Duur? Welnee. Indertijd waren Amerikaanse automerken bij ons net zo populair als Britse of Duitse. De bevrijding door de Yanks had haar sporen nagelaten en ook onze economische wederopbouw baseerde veelal op Amerikaans materieel.

Heel wat transportbedrijven reden met oude GMC’s of Macks die waren achtergelaten door de door ons land trekkende troepen en ook overheidsdiensten als de Politie reden nog al eens in Jeep’s rond. Hoe dan ook, met een oom die met diverse Chevrolets zorgde dat onze tripjes naar Limburg uit die beginperiode comfortabel verliepen, maar ook later een Studebaker of wat die leasepa zichzelf toe had bedeeld (mijn moeder wilde een Pontiac..) voor weekendvertier kreeg ik dat virus net zo toegediend als het latere Tsjechische. Een van de straatvrienden had een vader die eigenaar was van een groot autoverhuurbedrijf en die wilde zelf ook graag in een ‘Yank’ rondrijden.

In het specifieke en ultieme voorbeeld had hij een zwarte Chevrolet Impala met enorme liggende vleugels op de achterschermen. Af en toe mocht ik dan meerijden. Ik vond het geweldig. Het deinen van de carrosserie en het zoemen van die motoren…heerlijk. Pas tijdens mijn dealerjaren kwam ik er achter dat ik zelf ook graag eens Amerikaans wilde rijden. Dat lukte. Handel en inruil of deals met andere garagehouders maakten dat ik drie Oldsmobiles achter elkaar mocht berijden. Twee daarvan waren van de enorme soort. Stationcars met een dikke V8 motor voorheen die ook nog op diesel draaiden wat voor de totale kosten gunstiger uitpakte dan het geval was geweest met een benzineblok. En bij een verbruik van 1:10 waren die enorme bakken nog relatief zuinig ook. Hoe dan ook, het was een genoegen en ook een soort bevestiging dat dit toch wel het ultieme autorijden was voor wie hield van ruimte en comfort. Voor sportiviteit hoefde je het niet te doen. Integendeel. Maar het was ook goed zo. Nadien heb ik er niet meer naar omgekeken. Amerikaanse wagens zitten anders in elkaar dan Europese of pakweg Japanse. En dus gaat er ook wel eens iets stuk dat je bij andere merken nooit of vrijwel nooit meemaakt. En ook dat herinner ik me nog wel uit de jeugd. Toen pa mijn moeder op haar plek zette (‘jij hebt geen verstand van auto’s’) toen zij wees op een vreemde tik vanonder het motorgedeelte van een van de Studebakers…. Later bleek dat toch een uitgelopen lager te zijn. Beste reparatie die leasepa in een handomdraai verrichtte maar daarna ook meteen genezen was van die Amerikanen… En dat herkende ik dus toen het mij overkwam….. Maar leuk was het wel…. (beelden: archief)







Wat VW, PSA, Toyota en FCA nu doen, diverse merken op de markt laten opereren die in feite van dezelfde platforms en techniek gebruik maken maar onderling toch verschillen in uiterlijk en merkgevoel, deden de Amerikaanse merken aan het begin van de vorige eeuw ook al. Zo had General Motors een hele reeks merken in huis die men deels had overgenomen van de oorspronkelijke eigenaren. En als dat niet lukte, bedacht men gewoon nieuwe merken. Hoe breder het aanbod in de portfolio van het bedrijf, hoe beter. Een van de bedrijven die men wel kon overnemen was Oldsmobile. Een heel oude naam in autoland, want Ransom E. Olds, de naamgever, had in 1891 al zijn eerste driewielige auto op stoomaandrijving laten rijden. Later schakelde hij over op vierwielers en koos voor benzinemotoren of elektrische technieken. Al in 1908 nam General Motors het bedrijf over van Olds en werd de techniek zoals beschreven gedeeld met andere GM-merken als Chevrolet of Cadillac. Olds zelf verdween buiten beeld maar richtte al snel een nieuw autobedrijf op, REO, dat een grote naam werd in trucks en bussen.
Oldsmobile werd intussen een vaste waarde binnen GM. Uiterlijk moest je goed kijken om de wagens te onderscheiden van zustermerken als Chevrolet, Buick of Pontiac, maar een Oldsmobile was altijd meer de auto voor hen die in luxe wilden worden vervoerd zonder de prijs te betalen van een Cadillac. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg je al snel een V8 die de aloude 8-in-lijn verving. Anno 1948 had je dan al snel 135pk’s onder de lange klep en werd de top van 150km/u bereikt. Geliefde modellen werden de 88 en 98. Wagens met een prachtig uiterlijk en veel Amerikaanse luxe voor een betaalbare prijs. Kilo’s chroom waren je deel en de vermogens stegen zodanig dat de 200km/u al snel in zicht kwam bij de iets vlotter gelijnde typen. Toen de meeste Amerikaanse merken overgingen op de styling waarbij enorme vleugels op de achterschermen werden aangebracht, deed Oldsmobile mee.
Maar toch ingetogen als je het vergeleek met de rest. Men wilde de eigen doelgroepen van kopers niet kwijt. Een absolute outsider in het gamma was de Toronado uit 1966 die voorwielaandrijving kreeg, wat indertijd bijna ondenkbaar was in de VS, maar meteen ook opklapbare koplampen en een motorblok dat met 7,5 liter inhoud een vermogen van 406 pk garandeerde. Het werd een van de grootste Amerikaanse personenwagens, want hij was maar liefst 5,40mtr lang en dat was voor een ‘confectiemodel’ best veel. Benzineverbruik was echt gigantisch, maar je had wel een sportief ogende auto die de 200km/u aantikte en dat was ook iets waard. In 1972 kwam diens opvolger en die oogde zo saai dat de verkopen meteen opliepen. Want Oldsmobilerijders waren niet zo van de extravagante zaken.
De volgende serie die het merk succes bracht heette Cutlass en die vielen op door een nieuw soort rastergrille die uit twee delen bestond.. Deze wagens werden ook in de jaren tachtig gebouwd en deden het ook bij ons prima. Al was het maar door de grote keuze aan motoren. Diesels kwamen ook beschikbaar en wie daar een beetje netjes mee reed, haalde de 1:10. Voor dergelijke wagens zeer zuinig. Ook een X-model (de reeks kleinere modellen bij GM) kwam uit de hallen bij Oldsmobile. De met de naam Omega uitgeruste ‘compact’ moest daar klanten trekken. Met vier- en zescilinders. Dat deed die wagen ook. Al was het maar door zijn strakke styling. Ergens aan het begin van deze eeuw was het over en uit voor Oldsmobile. GM trok de stekker er uit en liet het merk verdwijnen. Dat deed men later ook met andere merken binnen de groep. En zo werd een roemrucht GM-merk meer dan eens geschiedenis. Die ik hier heel beknopt even verhaalde.
Het GM-merk Pontiac (spreek uit Pony Ek) werd door de moedermaatschappij in 1926 ‘uitgevonden’ en ging auto’s aanbieden op basis van bekende GM-technieken maar met een aankleding die net even boven die van zustermerk Chevrolet werd gepositioneerd. Als logo benutte men op de auto’s en in de reclame-uitingen een indianenkop en diverse modellen werden met een verwijzing naar die historische bevolkingsgroep aangeduid. Zo kende Pontiac o.a. de modellen Chieftain, Super Chief of Star Chief. Dit idée verliet men echter in de loop van de jaren zeventig van de vorige eeuw waarna het merk een wat meer sportief imago kreeg. Na de tweede wereldoorlog, in de jaren van de heropbouw, kwam Pontiac net als veel van de andere Amerikaanse merken met modellen die eigenlijk technisch baseerden op vooroorlogse ontwikkelingen.
Maar door de carrosserie van de wagens elk jaar weer te vernieuwen kregen potentiële Pontiac-kopers toch het idee dat ze een splinternieuw model kochten. In 1946 kwam Pontiac met de Streamliner. Een beul van een auto qua formaat, maar uitgerust met weinig krachtige zes- of achtcilinder lijnmotoren van resp. 90 of 103pk. Dit maakte de Pontiac’s niet bepaald snelle jongens. Bij 120km/u was de koek wel op. Maar je had wel een zee van ruimte om je heen en de wagens waren ook ruim bemeten met chromen details. De Streamliner was te koop als sedan, als stationcar en als coupe. Daarnaast werd een beperkte serie convertibles gebouwd. Uiterlijk oogde de Pontiac ondanks de anders suggererende naam best een beetje ouderwets met zijn enorme voorschermen en deuren. Daarnaast was de auto voorzien van een handgeschakelde drieversnellingsbak. Maar vergeleken met de gemiddelde Europese auto was het een enorm luxe automobiel.
Voor het modeljaar 1948 kwam de ook van andere GM-merken bekende Hydra-Matic Drive automaat ter beschikking, maar daar moest dan wel het equivalent van 185 dollar meerprijs voor worden betaald. In 1950 was het over met de ouderwetse vormgeving en werden de Pontiac’s flink opgewaarderd en strakker. Maar dat was dan ook meteen het einde van het tijdperk Streamliner. Net als de Chevrolet Special De Luxes die technisch vergelijkbaar waren. Amerika stapte af van de ‘tussenmodellen’ en ging op weg naar strakke lijnen en vleugels. Maar niet nadat er van de Streamliner ruim 382.000 exemplaren waren gebouwd. Een klein deel daarvan was uitgerust als zeer fraaie Convertible.