Ik ben een vliegtuigspotter. Iemand die vanaf zijn jeugd is gefascineerd door het fenomeen van de vliegende metalen vogels. Net als duizenden anderen die dit zien als een serieus te nemen hobby. Elk vliegtuigtype kunnen onderscheiden en ook de maatschappij of luchtmacht die het toestel gebruikt. In die zin had ik een rol kunnen spelen bij een heel bijzonder fenomeen dat na de Tweede Wereldoorlog werd ingezet als verdedigingslinie van ons met kwade bedoelingen bezoekende vliegtuigen uit het Oostblok. In 1950 startte men in ons land namelijk met de bouw van een keten van torens die waren bedoeld om laag vliegende (onder de radarketen van toen) Russische vliegtuigen te spotten, hun richting en bedoelingen in te schatten en dat door te bellen naar de luchtverdediging van toen. Gebouwd op heel wat verschillende plekken, verspreid over heen Nederland. Bemand door het Korps Luchtwachtdienst (KLD) en actief gebruikt tijdens de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. In basis torens met een soort betonnen honingraatconstructie en wel op zodanige wijze uitgevoerd dat het niet te veel zou hoeven kosten.
Bovenop die torens een platform en dat was te bereiken met steile metalen of houten trappen. Het systeem heeft uiteraard nooit om het eggie hoeven dienen. De Russen kwamen niet, gelukkig maar, en onze radar- en afluisterapparatuur werd zodanig goed dat we de menselijke observaties niet meer nodig hadden. Van de oorspronkelijke 276 uitkijkposten (een deel was op bestaande hogere bebouwing gevestigd) bleven er maar weinig over. Naar verluid zijn er nog maar 19 zichtbaar in het landschap. Een daarvan bezochten we onlangs. In een plaatsje waar ik zelf nog nooit gehoord had zelfs, Strijensas, midden in de Mariapolder, aan het water niet te ver van de Moerdijkbruggen. Deze is gebouwd op een oude kazemat (1938) en heeft dus een behoorlijk fundament.
Tijdens de open dag die in de lokale krant werd aangekondigd en door een van onze lieve vrienden uit de omgeving opgepikt, beklommen we die toren (gevaar voor eigen leven..) en keken uit over de polder en de rivier. Voor mij is dat geen genoegen, want last van hoogtevrees, maar toch wel even een aardige indruk van hoe zoiets in de praktijk moet zijn gegaan. Kompas, verrekijker, op de rand van de toren aanduidingen van welke plaatsen in een bepaalde zichtrichting te vinden waren. Men houdt de boel hier in ere. Vrijwilligerswerk. En zo hoort het ook. De geschiedenis was mij onbekend. En ik vind het knap te bedenken dat al die lui die dat werk deden ook in dezelfde boekjes als ik indertijd hun basiskennis opdeden om al die Russische vliegtuigen te kunnen onderscheiden van de laagvliegers uit eigen gelederen. Ik ben blij dat ik dit heb gezien. Net als die polder, op de uiterste noordoostpunt van de Hoeksche Waard. Ik was verbaasd dat ook daar mensen wonen…maar dat is een andere discussie…

Hoewel ik soms wellicht de indruk wek dat de stad Amsterdam minder mooi is dan ik hem echt dagelijks voor ogen heb, ik blijf er toch zeer van houden. Daar helpt geen rood/groen afbraakbeleid tegen. En toch wandelen we vaker door een stad als pakweg Weesp of Sassenheim dan door de eigen geboorteplaats. Dat anti-autobeleid van de huidige linkse stadsbestuurders is daar zeker debet aan. Want om nu een harinkje te halen bij de favoriete visboer en dan daarvoor eerst tussen de 4 en 7 euro te betalen aan parkeergeld is me echt te overdreven. En zo verlegden we in het verleden onze winkel- en wandeltochten naar plekken buiten de eigen mooie stad. Maar soms trekt het toch te erg en doen we precies wat de milieufreaks graag van ons zien, we gaan per metro naar het centrum van Mokum en lopen vandaar uit dwars door de stad heen in redelijk marstempo en intussen toch lekker ontspannen terug naar het oorspronkelijke uitgangspunt.
Dat kan soms een afstand zijn van vijf, acht of tien of meer kilometers. Uiteraard met een camera om de nek of een smartphone in de hand en ook genietend van alle mooie plekjes die Amsterdam nu eenmaal te bieden heeft. Net als toeristen, maar dan met de wetenschap en kennis rond alle straten, stegen en buurten die een Amsterdammer nu eenmaal heeft. Om telkens weer te ontdekken dat er grote culturele verschillen zijn tussen Nieuw-Zuid, Oud-West of Oost. Zeker veroorzaakt door de verschillende culturen die zich in de afgelopen decennia in Amsterdam vestigden en daarmee een stempel zetten op de wijze van leven en de uitmonstering van o.a. winkels. Als je probeert om de grote en bijna onherstelbare schade door de megalomane bouwprojecten te vermijden, is er nog heel veel stadschoon te zien in mijn stad aan de Amstel.
En we hebben in de loop van de jaren ook heel wat vriendjes meegenomen en soms blaren op de voeten bezorgd als het weer eens te lang wandelen was voor hen. Als de gelegenheid zich voordoet gaan we zelf elke week wel een keer aan de wandel. Niet voor de boodschappen, maar gewoon voor het genieten. Bij redelijk wandelweer en met het plan om weer dwars door de stad heen te snijden om te zien wat er nu weer is veranderd, of wellicht nog leuker werd. Of hetzelfde is gebleven als je het vergelijkt met vroeger. De Westermarkt, Jordaan, Leidseplein, P.C. Hooft, Zuid, De Pijp, Amstel, Oost. Want wat men in het Kremlin aan de Amstel ook met die mooie stad aan IJ en Amstel uitspookt, hij blijft ons trekken als nostalgische katalysator van herinneringen. Daarbij, echte Amsterdammers zijn leuk in de omgang en het taaltje dat men bezigt uiterst herkenbaar. Als je de goede plekjes maar weet te vinden. Binnenkort dus weer op zoek…..genieten!!
Ooit legde de toenmalige directeur van de Nederlandse Bank ons bij een bezoek aan zijn kantoor uit dat een belangrijk deel van onze economische groei te danken was aan de indertijd alsmaar stijgende prijzen voor onroerend goed. Dat was nog voor de economische crisis. Toen die toesloeg in de VS en de bankenwereld vooral bleek te bestaan uit blaaskaken en over het paard getilde figuren die van modder goud probeerden te maken stortte die prijzen voor onroerend goed in en daarmee ook de economie. Een crisis die heel wat schade aan richtte en waarvan de gevolgen nu nog steeds zichtbaar zijn. Maar intussen zijn we weer een paar jaar verder en wat blijkt, juist die huizenprijzen schieten weer door het plafond. Deels omdat het ons allen weer wat beter gaat, maar ook omdat de vraag naar huizen het aanbod al decennia overschaduwt. Nieuwbouwprojecten worden wel opgezet, maar je kunt toch lastig elk weiland in ons druk bevolkte stukje Nederland vol zetten met bewoonbare huizen van beton en stenen. De milieufanatici zien je komen.
Een betaalbaar appartement vinden op enig niveau in een even leuke omgeving als ik nu tot de mijne reken is een illusie aan het worden. Onlangs bekeek ik een website waarop men dit soort woningen aanbood in een buurgemeente. Het was een moooi project, moet nog gebouwd worden, oppervlakten van 85-125m2. De goedkoopste uitvoering kostte ‘slechts’ 495.000 Euro. De grotere kwamen al snel 2 ton hoger uit. Ben je dus opnieuw miljonair. Nou ja, omgerekend in de goede oude guldens dan. Het kan verkeren..Overigens is het einde van de hausse nog niet in zicht, al vlakken de prijzen in Amsterdam momenteel wat af. Er ontstaat een gat tussen vraag en aanbod. Het wordt te duur. En dus vertrekken potentiele kopers richting Haarlem of Almere. En dat zal Amsterdam niet helpen aan een verbetering van haar inwonerniveau. Van alleen sociale woningbouw kan een stad ook niet leven. Maar wie het wel kan betalen blijft uiteraard graag hier wonen. Al was het maar om de voorzieningen en de gezelligheid…. (Afbeeldingen: CBS, Yellowbird)
We hadden weer eens een paar kaartjes gekocht voor een dagtripje, de lente leek in zicht en de behoefte om weer eens iets aardigs te ondernemen verdrong de weerstand om weg te gaan. Dus togen we na enig overleg naar Dordrecht. Een stad die we al een paar maal eerder bezochten, maar nu eens uitgebreid wilden verkennen. De trein die ons bracht reed via een stuk of wat tussenstops (het was een Intercity, maar leek wel een Sprinter…) binnen 1,5 uur naar de Dordtse eilanden. Waar het gezellig druk bleek te zijn. Mooi weer, maar flink frisse wind. De ligging aan het vele water zorgde voor kilte. Nam niet weg dat we al snel een leuk ogend koffietentje vonden. Maar het bleef bij ogen. Zelden zo’n chaos in de bediening meegemaakt (en vooral ook gehoord).
En de prijs/kwaliteitsverhouding was daarbij compleet zoek. Ach, kniesoor. Lopen maar weer, rondkijken, de prachtige oude panden bekijken, de grachtjes, en de verrekte aardige winkeltjes waarvan veel gevuld met ‘antiek’ of spullen die daarop lijken. Dordrecht barst trouwens ook van de horeca. En anders dan die eerste indruk was het daar in tweede termijn prima toeven. Waar dat ook zo was, het Museum van Dordrecht, waar men een reeks aardige collecties onder dak heeft en waar je daardoor best een paar uur kunt doorbrengen. Het was er gezellig druk. Prachtige tuin trouwens en een goed gevuld restaurant. Aanrader als je daar een keer bent. Wij liepen verder.
Wilden wat zien van de havens. Want die heeft Dordrecht. De ligging aan het water maakt dat de stad niet alleen kwetsbaar is voor storm en hoge waterstanden, maar ook dat je daar schepen en boten ziet in alle soorten en maten. Het befaamde stoomfestival geeft die haven extra aantrekkingskracht. En van die oude schepen liggen er een stel in de fraaie havenkommen waar omheen de nodige oude panden de sfeer geven van eeuwen terug. Kwekkkerdekwek met inwoners is ook simpel.
En voor de liefhebbers zijn er bij die haven ook nog wat aardige kringloperige winkels te vinden. Wij vonden er niks van onze gading, maar dat kwam ook doordat we ons zelf wat discipline oplegden voor we vertrokken. Met een anker lopen slepen voor in de tuin is onhandig als je nog terug moet in zo’n gele rups. Wat we uiteindelijk na flink wat gewandel in de loop van de middag deden. We wilden voor de spits zou beginnen thuis zijn.
Daarbij hebben die kortingkaartjes ook wat beperkingen t.a.v. reistijden. Voor vieren en anders wachten tot na half 7. En dat werd ons te laat. Maar laten we wel zijn, dat Dordrecht is een aardige plek om te vertoeven. Het mist maar weinig van de aantrekkelijkheden die andere steden zoveel mensen doen trekken. Deze parel lijkt nog niet ontdekt. Ook al ligt het nog zo dicht bij Rotterdam. Voor de sfeer is dat maar goed ook denk ik. We komen er zeker nog eens terug!
Het was mooi voorjaarsweer, die wonderlijk verlopen maandag in maart toen wij besloten om ergens tijdens een lange wandeling door onze mooie maar drukke stad, op een terrasje in een wijk aan de rand van het centrum neer te strijken en te genieten van thee en zon. Dat terrasje lag uit de wind en dat scheelde veel. Ware het niet dat naast ons net een wat gezette en middelbare dame in discussie ging met een wat vettig ogende oudere heer die naast haar ging zitten en meteen een sigaret opstak. De ellende van terrassen tegenwoordig. Binnen in de horeca mag niet gerookt worden, dus zitten die notoire rokers buiten. En blazen hun uitlaatgassen vrolijk richting de al dan niet rokende mede-genieters van dat terras. Hij bleek een kettingroker van de ergste soort. De ene na de andere sigaret stak hij aan, zelfs tijdens het drinken van zijn koffie en eten van zijn broodje hield hij een brandende sigaret tussen zijn vingers. De dame wond zich daar flink over op. ‘Snapte hij dan niet dat anderen er last van hadden? En wist hij niet dat roken schadelijk was?!’ Nou hij had het antwoord daarop paraat. ‘Een kwartier in de uitlaatgassen van het verkeer en je kon wel een half jaar stevig roken!’ Zo was zijn luid verkondigde en ongetwijfeld zelf bedachte stelling. Die van geen meter klopt uiteraard maar de dame deed zuchten, opstaan en op een andere plek neerstrijken. De man keek triomfantelijk rond of er nog meer mensen in discussie wilden.
Hij was overigens de enige roker op dat moment en die plek. Maar stak er nog maar weer snel eentje op. Het zij hem gegund. Maar ook wij hadden last van zijn rook. Gelukkig konden al wij al snel verder met de wandeling. We keken nog eens naar hem om. Een oudere man, in een vettige regenjas, gehoorapparaat in zijn rechter oor, ongekamd haar. Vermoedelijk alleen thuis en nu op het terras lekker aan het genieten van wat hij de ultieme vrijheid zou benoemen. Maar zich nauwelijks of bewust niet bezighoudend met wat anderen van zijn gedrag vonden dan wel dat zij er last van hadden. Wonderlijke types toch. En helaas zo regelmatig voorkomend. Altijd met een excuus, dat het met de schadelijke gevolgen wel meeviel, dat andere vormen van vervuiling ook zo heftig waren etc. En compleet voorbij gaande aan het feit dat juist rokers door de meest vreselijke ziekten worden getroffen omdat die gewoonte (of verslaving) nu eenmaal bewezen levensverkortend werkt. Wij liepen verder. In marstempo. Die dag meer dan 16km. Dwars door de mooie stad die de onze is. Met al zijn uitlaatgassen. Maar we genoten toch. En hadden weer een nieuwe stelling gehoord die leidde tot dit blogverhaaltje…
Rotterdam bracht een stel grootheden voort in de muziekwereld, waarvan Anita Meijer en Lee Towers wel de meest aansprekende zijn. Lee Towers had het geluk dat hij enorm werd gepromoot door wijlen Willem Duys. De zingende kraandrijver en zo meer. Imago is vaak iets anders dan realiteit. Maar Rotterdam kende nog een paar grootheden op muzikaal gebied. Een daarvan is de inmiddels al weer zes jaar geleden overleden Wim Koopmans. Een zanger die je het beste zou kunnen omschrijven als een echte crooner. Een man die de grote Amerikaanse zangers van toen als voorbeeld nam en daar en echt eigen tintje aan toevoegde. Opvallend doordat hij zijn repertoire zong met een duidelijk slissende S. Man uit een bekend gezin, want volle neef van Corrie van Gorp en achterneef van Rudi Koopmans. Daar deelde hij niet alleen zijn artistieke talent mee, maar zeker ook zijn passie voor boksen. Deed hij 25 jaar lang. Man uit een muzikaal gezin ook. Leerde het vak niet alleen van zijn vader, maar ook bij de oer-Amsterdammer, Willy Alberti. Koopmans zag zijn inspiratie vooral in grote namen als Tony Bennett en Frank Sinatra en kon zich qua timbre aardig meten met die lui. En toch…In ons land veel minder bekend dan die zingende kraandrijver. Verschil in aanpak, en daardoor minder erkend. Waarbij hij toch niet bepaald met de verkeerde mensen omging.
Wat is dat toch in dit land dat we via de media bepaalde groepen niet meer aanduiden naar herkomst of woonplaats maar naar geloof. Althans, vooral dat ene geïmporteerde geloof. Want voor anderen gelden die regels kennelijk niet. En dat snap ik dan weer niet zo goed. Komt dat door het gedrag van die groep? Is dat een claim op respect die normaal slechts kan worden verdiend als je bewezen hebt iets positiefs toe te voegen aan onze maatschappij? Stel je nu eens voor dat we iedere groep zo zouden gaan aanduiden. Waar blijft dan het gevoel dat je Nederlander bent en trouw aan het nationale rood-wit-blauw of desnoods het huis van Oranje? Toch zie je in de media deze wonderlijke aanduiding consequent gebruikt worden. Behalve als het even niet past. Want dan doen geloof of etniciteit er ineens niet meer toe. Zou te veel negatief beeld geven rond een bepaalde bevolkingsgroep. Waarom dat onderscheid uberhaupt? Kortom, katholieken, protestanten, boeddhisten, socialisten, carnavalisten, nudisten, aanhangers van Jomanda, allemaal worden ze op een hoop geveegd en Nederlanders of desnoods Almeerders of Groningers genoemd, maar moslims zijn en blijven daarbij een aparte groep. Wat ze qua geloofscultuur ook zijn natuurlijk. Maar wij geven daaraan als tolerant volk wel een beetje erg veel ruimte en aandacht.
En dat stoort me. Tja, dat ook! Want wie hier woont en leeft moet integreren op een manier die past bij een volk als het onze. Geloof is leuk voor thuis maar niet voor op straat. Dat lieten we in ons land al meer dan een halve eeuw geleden los. Waarom moeten we dan uitingen van dat geloof zien als min of meer normaal en daar ook nog respect voor opbrengen? Ooit beleed ik binnen de blogwereld het geloof van de Groene Salamander. Vroeg ik u allen om de bijpassende kleding daarvoor te respecteren? Ik ben nu eenmaal onderhavig aan de wensen van die diergod die wil dat vrouwen hun borsten groen of knalrood schilderen en niet met kleding bedekken. Mannen dragen peniskokers en hebben allemaal een groene hanenkam op de bol. Kaalgeschoren verder en dat moet iedereen eigenlijk weten. Wij hebben als Salamandristen ook diverse godsdienstige verplichtingen. Zoals het jaarlijkse offerfeest waarbij we feestelijk een boom schenken aan de Salamander god om zo zijn genade af te kopen. Daar hoort een rituele verbranding van die boom bij. Liefst ergens in een park.
Geldt ook voor de crematie van oude gelovigen. Om in onze voorspelde hemel te komen dienen we in het openbaar verbrand te worden. Liefst op een groot plein waar veel mensen wonen. Zo zit ons geloof in elkaar…kan er ook niets aan doen. Onzinnig? Ja! Natuurlijk. Als ik al in die Salamander geloofde deed ik dat echt thuis en had u er geen last van lieve lezer(es). Maar waarom staan we dan wel toe dat uitingen van dat eerdergenoemde geloof wel worden gezien als algemeen aanvaard? Ik snap daar niks van. Ben er vast te ontkerkt voor. Snap het niet en accepteer het ook niet. Je bent pas echt acceptabel in mijn ogen als je gewoon meedoet in de maatschappij en geen rem zet op die ontwikkeling omdat jouw geloof dat kennelijk wil. Want waarom kwamen jij en/of je voorouders ook alweer hierheen? Voor die vrijheid en mooie nieuwe kansen toch? Gun die dan aan iedereen. Maar vooral aan jezelf. En laat die media eindelijk eens hun echte en liefst ongekleurde werk gaan doen. Daarvoor zijn ze er en niet om als propaganda-middel voor sommige stromingen te dienen. En als dat niet verandert beloof ik dat ik binnenkort een eerste gebedshuis voor mijn Salamander god zal stichten. Reken maar…! Wie zich aansluit krijgt overigens korting op scheermesjes en groene krijtverf…
Onlangs las ik ergens dat de Amsterdamse wijk ‘de Bijlmermeer’ in deze periode van het jaar precies 50 jaar bestaat. Of het reden is voor een feestje weet ik niet, maar ik zal het zeker niet meevieren. Mijn herinneringen aan die wijk zijn te zeer gemengd op dat punt. Daartoe even een stukje achtergrond. De Bijlmermeer werd in de jaren zestig gepland aan de Zuidoost-kant van Amsterdam op grondgebied van buurgemeente Ouder Amstel. Die kreeg voor de grond een aardig bedrag, maar dit besluit zorgde er meteen voor dat Amsterdam in feite een wig dreef tussen twee onderdelen van die buurgemeente zelf, Duivendrecht en Ouderkerk a.d. Amstel. Het polderlandschap waar Amsterdam haar zinnen op had gezet zou daarna in rap tempo worden omgevormd tot een grote wijk waar mensen die een wat hogere huur konden en wilden betalen zouden gaan wonen in hoogbouw die luxe moest zijn en comfortabel, maar ook omgeven door groen. Veel groen! Dat lukte aardig. De eerste bewoners woonden overigens nog een tijdje in een zandbak, maar dat schijnt niet anders te kunnen bij vaderlandse nieuwbouwwijken. Ook wij werden indertijd getriggerd door wat de Bijlmermeer te bieden had. Je kon er voor 245 gulden per maand (prijsniveau 1970) een splinternieuwe driekamerflat huren met CV, een opbergruimte op de begane grond en op termijn een parkeerplek in een van de nog te bouwen garages. (Wachtlijst voor woningen in de oude stad was op dat moment tenminste 7-10 jaar)
Een binnenstraat in de vaak enorme gebouwen zou de flatbewoners met elkaar in contact brengen en daarin zouden dan winkels komen waardoor je in feite in eigen omgeving alles zou vinden wat je zocht. Anno 1970 leek dat aardig te gaan lukken. Jammer dat men geen wegen aanlegde van enige importantie. De Bijlmer zou verhoogde straten en wegen krijgen, maar die waren op moment van oplevering flats nog (lang)niet klaar. Ook was er een magere buslijn naar het centrum van Amsterdam en beperkte het winkelaanbod zich tot een enkele supermarkt. En die kwamen nooit in die binnenstraten te zitten. Maar de eerste Yuppen (de term bestond nog niet, de soort bewoners wel..) meldden zich voor dit grootste avontuur op woongebied dat de stad te bieden had. Voorspoedig bouwde men de hele omgeving vol. De wegen kwamen er na enige tijd, net als de parkeergarages. De flats bleken in de praktijk aardig gehorig te zijn. Het liefdesleven (of het tegenovergestelde) van de buren was soms letterlijk te volgen. Maar de ruimte en de CV maakten veel goed. Langzaam aan verbeterde ook het winkelaanbod en kwam er wat beter openbaar vervoer. Wij settelden ons in onze splinternieuwe driekamerflat. In 1974 ruilden we die om voor een veel grotere op een andere etage van het zelfde gebouw. Vijf volwaardige kamers, een extra inpandige bergruimte die zo groot was als een slaapkamer en dan gespiegeld aan de buitenkant van onze flat nog een. Het kon niet op en het uitzicht op die negende etage van het gebouw was fabelachtig.
Tot…1975. Met de aankondiging van onafhankelijkheid van Suriname nam de halve bevolking daar per vliegtuig de benen en zocht vooral de sociale zekerheden in ons land. Een deel van hen werd opgevangen in de Bijlmer. Met huursubsidies die ons als reguliere en oospronkelijke huurders niet werden gegeven, bewoonde men soms met hele families flats en verbouwde die naar eigen behoefte. Met die intocht kwamen ook de echte problemen. Onveiligheid, criminaliteit, opvallend genoeg ook fysiek ongedierte als kakkerlakken en zo meer, die zich in die gebouwen waar het altijd warm was, nestelden alsof ze in de jungle zaten. De Bijlmer zuchtte. Veel van de eerste bewoners vertrokken. Zochten hun heil ergens anders. Voor die huur kon je immers in andere steden of dorpen rond Amsterdam een mooi eengezinshuis vinden. Veel van mijn toenmalige Schiphol-collega’s deden dat. Wij zaten het zelf nog even uit. Tot ook onze bergruimten werden geplunderd, de auto’s ontdaan van radio’s en zo meer en de politie vaste gast was in ons flatgebouw. Brand bij de Surinaamse buren, afval en tv’s die naar beneden werden gemikt, het ongedierte. Op enig moment was de maat vol en vertrokken ook wij. Richting het nieuwe land, waar je zoveel meer woongenot kreeg voor hetzelfde geld. De Bijlmer verloederde in rap tempo. Meer dan 100 nationaliteiten, drugsoverlast! Tot er een Boeing van ElAl op neer kwam in 1992 en de Gemeente Amsterdam ineens doorhad wat hier allemaal speelde. Voordien hadden achtereenvolgende colleges weggekeken en doofheid voorgewend bij rapportages over deze ‘prachtwijk’. Het resultaat werd meer reden voor een feestje. Veel economische activiteiten, afbraak van veel hoogbouw, verwijderen van al dat fraaie groen dat vooral zorgde voor veel onveiligheid, aanleg van meer normale straten en huizen. Een onherkenbare wijk waar nog steeds enorm veel van de bewoners zitten uit die periode waaraan ik niet graag herinnerd wil worden. Maar wellicht is het er nu wel weer goed toeven. Als ik er doorheen rijd moet ik trouwens goed kijken waar wat te vinden is.
Met onze Soester vriendjes maakten we onlangs ook even (flink wat) tijd voor een bezoek aan het hier al eerder beschreven Jooods Historisch Museum in Amsterdam. Dat vindt je tegenover het Waterlooplein en de Mozes en Aaronkerk. In het hart van wat ooit de echte oude Jodenbuurt van Amsterdam was. Voor vrouwlief en mij was het intussen al de derde keer dat we dit museum bezochten. Het blijft echter een zeer integere expositie waar men (ver)verleden en heden met elkaar vermengd. Naast de uitgebreide basiscollectie is er ook altijd iets bijzonders te zien. Dit keer een uitstalling van een reeks schilderijen en prenten van een (kennelijk) beroemde Poolse schilderes en een erg aardig overzicht over 100 jaar muziek. Dat daarbij Joodse artiesten een belangrijke rol speelden was en is logisch.
Tenslotte is dat de sfeer waarin het museum zich uit. Links en rechts heeft men de expositieruimte aangepast, de presentatie verbeterd, met erg handige en soms indrukwekkende kreten uitvergroot aan de wanden. Van de wijze waarop de Joodse medemensen al in de 19e eeuw nadachten over integratie en het wegnemen van weerstanden, valt veel te leren in onze zo turbulente en door sommige minderheden gedomineerde 21e eeuw. Omdat we nu zien dat dominantie van geloof alleen maar zorgt voor een tegenbeweging die weer leidt tot een loopgravenoorlog die zijn weerga niet kent. Dat werd in de 19e eeuw al gezien door Joodse wijsgeren. Niet slim, vermijdt de confrontatie en houdt je geloof gewoon voor thuis.
Het blijft ook mooi om te zien hoe wij eigenlijk nauwelijks door schijnen te hebben hoeveel die geloven ook op elkaar lijken en dat in basis veel van wat we zien als christelijk in feite niet veel anders is dan een opgesmukt deel van de joodse oer-religie. Confronterend voor de een, zeer interessant voor de ander. Ik behoor tot de laatste categorie. Naast het JHM is er met datzelfde toegangskaarten nog een viertal andere lokaties te bezoeken. Vijf-voor-de-prijs-van-een dus. Je kunt ook naar de overkant van de drukke Weesperstraat om daar de oude en grote Portugese synagoge te bezoeken. Meer dan de moeite waard. Maar ook de Hollandsche Schouwburg valt te bezoeken.
Een gebouw met een diep-trieste geschiedenis omdat daar tijdens de Tweede W.O. veel Joodse mensen werden opgevangen en per tram afgevoerd naar de diverse treinstations voor vervoer naar het Oosten. Maar ook het Nationaal Holocaust Museum en het Joods Cultureel Kwartier staan op de lijst van gebouwen waar je naar binnen kunt. Voor veel mensen zal het te veel zijn om in een keer te doen. Gelukkig is dat kaartje een maand geldig. Wij hadden de pech dat we uiteindelijk net een paar minuten in de Synagoge konden rondkijken. Toen was het donker en sloot men de boel. Maar indruk maakte het opnieuw. Dit museale pareltje in hartje Amsterdam moet eenieder toch eens bezoeken als je de kans hebt. Zeer de moeite waard. En….goed beveiligd. Voor het geval je het idee hebt dat je daar over de schouder zou moeten kijken tijdens je bezoek….
Ik vind het interessant om te zien of te lezen hoeveel mannen en vrouwen om elkaar geven terwijl ze met hetzelfde gemak er alles aan doen om de ander af te stoten. Het zit in de geslachten om nauwelijks tot niets te snappen van het andere, ook al kunnen we daarover nog zo veel lezen. ‘Signalen’ die worden opgevangen lijken niet echt te zijn uitgezonden zoals de ontvanger die heeft begrepen. Een blik van een vrouw richting een man wil niet meteen zeggen dat ze voor dat ene glas wijn het bed met je deelt en de meest charmante mannen willen tot spijt van sommige dames nog weleens de neiging hebben om zich op hetzelfde geslacht te richten. Allemaal verwarring zou je denken. Wordt nog vervelender als een van die twee mensen een dominante positie bekleedt en de ander op welke wijze dan ook afhankelijk is van diens gunsten. Neem een actrice die graag een rol wil bemachtigen waarmee ze op termijn in staat is beroemd te worden en enige welstand of bekendheid op te bouwen.
Die komt dan in contact met lieden die soms helemaal into hun vak zijn en het beste zoeken wat er bestaat, maar er zijn al decennialang ook wat figuren te vinden die denken in termen van ‘tit-for-tat’. ‘Als jij nu even dit doet voor mij, doe ik wellicht dat voor jou’. Onlangs zagen we weer zo’n affaire in de VS waarbij een producer allerlei onbetamelijks deed met dames in zijn omgeving. Maar laten we wel zijn, eerder kende de BBC al een soortgelijke affaire. De betrokken dader was toen net overleden, maar de verhalen waren vreselijk. Dat er dan in ons land ineens ook een response plaatsvindt waarbij soms namen worden genoemd is opmerkelijk. Waarom zou je dit verzwijgen als je zeker weet dat je bent misbruikt? Als je zeker weet dat jou niets te verwijten valt is aangifte doen toch het minste. Waarom wachten tot een balletje begint te rollen? Nu is dat hier veelal niet groter dan een erwt, in de VS neemt het giga-proporties aan.
En we klapperen met de oren alsof we geen idee hadden dat dit ook maar zou kunnen plaatsvinden. Kletskoek. In de jaren 70/80 las ik de boeken van Harold Robbins! De inhoud van die werken stond bol van de al dan niet gewenste erotiek, en hij beschreef daarbij de merites in de wereld van politiek, banken of Hollywood. Wat we nu in het journaal zien onthulde hij toen al in romanvorm tot in de fijnste (..) details. Mannen en vrouwen speelden een spel van macht en uitbuiting waarbij die van het slachtoffer niet altijd als zielig kon worden omschreven. En zo zal het in het echt ook wel gaan. Niet iedere dame die iets meemaakt is meteen zodanig van de leg dat ze niet meer kan functioneren. Aan de andere kant staat natuurlijk een type man dat kennelijk geen normale relaties kan onderhouden en slechts op deze wijze een vorm van gerief meent te moeten bereiken. Hoe dan ook, het geeft aan dat er tussen mannen en vrouwen nog steeds een vorm van ongelijkheid bestaat en dat we het evenwicht tussen de seksen dienen te herstellen. Voordat we extra gewicht toevoegen aan de kant van mannen die menen dat slechts hun wil wet is. Ik zou het soms best weleens willen maar ben wellicht te keurig opgevoed of opgedroogd. Wie zal het zeggen. Jullie wellicht??