Het is weer de periode van het jaar dat we op het terras of balcon gebruik maken van de omstandigheden om buiten te genieten van zon, temperatuur, sfeer en lekker eten plus drinken. Lekker eten is dan vaak betrekkelijk. Want ik ben er door mijn iets hogere leeftijd door de jaren heen wel achter gekomen dat wat de een lekker vindt voor de ander een gruwel kan zijn. En dat zal ongetwijfeld voor velen gelden. Mijn smaakgevoel is verfijnd. Nou ja, waar het mijn voorkeuren betreft. Niet geplaagd door enige culinaire kennis ben ik wel een gewaardeerde consument. Mits je me voorzet wat ik als ‘echt eten’ beschouw. En dat zijn niet zo zeer liflafjes, gefrituurde brandnetelpuree met slakkensaus of verbrande koteletjes. Ik ben van herkenbaarheid. Nederlands, Italiaans, Grieks, Indisch, Thais, allemaal goed, maar wel herkenbaar graag. En met die herkenbaarheid is soms echt iets mis. De sociale media zoals Facebook maken me duidelijk dat veel mensen voor zichzelf lekker koken.
Naar eigen smaak. Moeten ze vooral doen of zelf weten. Maar als je iemand anders uitnodigt bedenk dan dat die wellicht een andere smaak heeft. En kook dan iets op die smaak ingesteld. Al eerder gaf ik aan dat je voor mij bepaalde groenten niet hoeft neer te zetten. Meestal zijn dat groenten waaraan een barre of boze herinnering kleeft. Dingen die uit de jeugd stammen vaak. Mijn moeder kon aardig koken, ze deed het zelden en richtte zich vooral op de smaak van haar partner, onze lease-pa. En die lustte zaken waar wij van gruwden. Groenten waar we als kinderen echt een hekel aan hadden of kregen. Bloemkool, spruitjes, tuinbonen, raapstelen, rauwe lof, broccoli of de doorgekookte worteltjes die behoorden bij het vrijdagse maal dat uit visproducten moest bestaan omdat je dan geen vlees mocht eten volgens de katholieke leer van toen. Andijvie was er ook zo een, net als spinazie. Maar dat heb ik later goed leren eten.
Want ik had het geluk een vrouw te trouwen die wel kon koken, smakelijk, en met de nodige fantasie. Daardoor leerde ik gerechten waarderen die ik vroeger ook op mijn lijstje van ‘do not’ had gezet. Het kon dus wel. Maar andere groenten zijn nog steeds taboe. Ik heb ook asperges nooit leren waarderen. Maar gun ze mensen die houden van het Hollandse goud hoor. Als ik een keertje in afzondering verkeer, vrouwlief gaat jaarlijks lekker citytrippen en dan moet ik voor mezelf zorgen, doe ik dat wat ik lekker vind. Ik gebruik mijn zelf bedachte receptjes. KISS (Keep it stupid simple). Ik neem een paar grote aardappelen, snij die tot schijfjes of blokjes, kook ze gewoon in de pan tot ze half gekookt zijn en mik dat spul dan in de AirFryer. Daar laat ik ze dan stomen en drogen tot ze krokant zijn. Aanvullen met doperwten, bruine bonen of wat ook, stukje vlees of vegan-vleesvervanger er bij en hup. Zalig maal. Houd ik het dagen mee vol. En geef mijzelf een pluim om zoveel kookkunst. Ik heb het nog niet aangedurft om er anderen mee op te zadelen. Je weet maar nooit. Voor je het weet zegt iemand ‘Getver’ en dat risico wil ik niet lopen. Tegen de rest zeg ik…eet smakelijk. Maar niet voordat je even reageert met wat jij, beste/lieve lezer(es) echt niet lust….ook niet bij anderen….(Beelden: Archief/internet)

Kom er nu maar eens om. Kinderen die consequent buiten spelen. Ondenkbaar zo lijkt het wel eens. Was in mijn jonge jaren wel anders. Wij leefden min of meer op straat. Logisch want je zat een deel van de week opgesloten in een strenge katholieke school of een stringent regime thuis. Orde moest er zijn en ledigheid was het kenmerk van de duivel. Maar buiten was alles vrij en los en kon de fantasie haar werk doen. Zo waren wij als jongens van die Amsterdamse straat veel bezig met gezamenlijke spelletjes. Of het nu oorlogje, naspelen van de Olympische spelen, schieten met pijltjes of slagbal met rondjes betrof. Altijd buiten. Zowel na school tot het eten klaar stond, als daarna. TV speelde nog nauwelijks een rol. Wat we om ons heen zagen was voldoende inspiratiebron. Ik had het ‘geluk’ dat in die straat een aantal grote autobedrijven te vinden was. Kon toen nog in dat deel van de stad, waar het ook nog wemelde van de mkb-ers. Die lui reden met trucks en bestelauto’s door onze straat heen en weer en dat gaf een aparte impuls aan een spel waar we als 11-13-jarigen best gek op waren.
Het op de stoeptegels krijten van hele wegen en steden en daar dan met je miniatuurauto’s overheen rijden. Dinky Toys was in die jaren een bekende fabrikant van dat spul en als je geluk had kreeg je er wel eens een voor de verjaardag. En dan combineerden we samen die vloten voertuigen tot een nabootsing van het toen actuele verkeer. Ik weet nog goed dat ik bij elke Dinky-Toys truck die ik dan eens per jaar als cadeau ontving altijd weer te horen kreeg dat ik er niet mee naar buiten mocht. Logisch, want zo’n model kostte een rib uit het familielijf. Op mijn achtste een Brits busmodel van de BOAC. waarmee ik dan alsnog hele routes reed op straat. Op mijn 11e kreeg ik de zo lang begeerde Dinky Transporter met Bedford trekker. Daarmee kon je dan vier (Britse)personenwagens vervoeren. Zo’n Bedford kostte indertijd 11 gulden. Dus moest ik heel voorzichtig mee doen en ook lang als het even mocht…
Ook een grote Leyland Octopustruck met aanhanger werd zo mijn deel. Nou…ze deden al snel dienst op de straatstenen en liepen daardoor uiteraard links en rechts toch wat lakschade op. Jammer, maar helaas. Je speelde er zo voorzichtig mogelijk mee, maar die Leyland moest ook zand en stenen vervoeren…. Niet bevorderlijk, al bleef de basis-constructie gewoon onaangetast. Toen ik wat later in mijn leven overstapte naar de wereld van de luchtvaart en me vooral interesseerde voor alles wat vliegen kon kwamen de Dinky’s in een doos te staan en bleven daar tot er in de familie een opvolger gevonden was die er mee kon spelen.
Liefst niet buiten uiteraard want….. Twee generaties na mij vermaakten zich alsnog met de Britse voertuigen op schaal. Ergens in de jaren tachtig kwamen ze terug bij mij. En werden gerenoveerd. Mooi gemaaklt en toonbaar. Gek genoeg met nog steeds de originele bandjes. Dat was een wonder maar ook een teken voor hoe sterk die miniatuurwagens van toen werden gemaakt. Al weer decennia lang staan ze te pronken in mijn bescheiden maar qua vloot wel wat gegroeide miniatuurmuseum. Met al die herinneringen van vroeger gekoppeld aan die fameuze naam Dinky Toys. Kom daar nu nog maar eens om. Het bedrijf zelf ging overigens eind jaren zeventig financieel onder water toen jongelui uit die generatie liever achter een spelcomputer zaten dan speelden met miniatuuur-auto’s. Was een teken aan de wand. Niet veel veranderd….Ik wel! (foto’s: Yellowbird collectie)
Pon Holdings kende een stuk of wat heel bijzondere dochters. Soms waren dat bedrijven die een activiteit ontplooiden waarvan je als normale medewerker niet wist dat die bestonden. Zo was er het Pon-schip. Een groot platbodemtype dat in verschillende Nederlandse havens zijn thuisbasis kende en beschikbaar was voor eigenaar Mijndert Pon, maar ook voor het top management van het bedrijf. Nu was het niet zo dat die lieden zoveel tijd over hadden dat ze elke dag met die boot rondjes voeren over het IJsselmeer, integendeel, en dus had men bedacht dat alle andere Pon-bedrijven die boot ‘mochten’ huren. Verplicht overigens, en liefst zelfs twee keer per jaar. Uiteraard tegen betaling vanuit het eigen budget. De bemanning bestond uit een schipper en een steward(ess). Die laatste zorgde er voor dat de inwendige mens van de huurders goed werd voorzien van eten en drinken. Met een vaak schier onuitputtelijk lijkende voorraad lekkers. De eerste hield over het algemeen het roer recht en voer over Friese Meren of als je dat wilde over het IJsselmeer naar plekken als Enkhuizen of Hoorn. Wie daar meer over wil lezen moet mijn samen met Jaap van Rij geschreven boekje over het Ponbedrijf maar eens bestellen….
Ook wij huurden die schuit, met de fraaie naam ’Koopmans Welvaren’ dus voor relationele doeleinden. Soms ging het management-team inclusief dames lekker varen om zo wat beter met elkaar te leren omgaan. In andere gevallen namen we dealers mee (voordeel…ze konden er niet vanaf als we met ze wilden praten over de toekomst of een nieuw te bestellen model…) of mensen van de fabriek. In alle gevallen bleek dat schip prima te werken. Gek genoeg werd hij in de toch wat zuiniger tijden onder Jaap van Rij meer ingezet dan door de meer geld verkwistende Cees Hoekstra. Die had niet zo veel met dat schip denk ik. Als illustratie gebruik ik een beeld van de Engelstalige cover voor het boek zoals door Jaap van Rij en mij in 2013 uitgebracht waarbij we dat Pon-schip op ‘volle zee’ afbeeldden.
Nederlanders zijn wonderlijke lieden. Ze pretenderen vaak dat alles bespreekbaar is en ze zijn niet bang om bepaalde zaken met elkaar te delen. Zoals waar ze nu weer lekker aten, hoe hun haar zit na een winderige stranddag of in welk pretpark ze nu weer een ‘BN-er’ tegen kwamen met wie ze zo’n leuke selfie maakten. Het wordt al een stuk minder als we mensen vragen hoe hun financiele situatie in elkaar steekt. Of hoe het hun kinderen nu echt gaat. Dan gaat bij een (groot) deel van de Nederlanders de rem er aardig op. En natuurlijk zijn we zeer terughoudend met het weggeven van onze pincode. ‘Je mag alles van me weten, maar dat niet!’. Alles?? Nou dat dacht ik niet. Want vraag iemand naar zijn toiletgang of liefdesleven en vermoedelijk slaat het gesprek direct dicht. Terwijl we als mens daar elke dag mee bezig zijn.
En die slaagde. De geur verdween en we konden weer adem halen op kantoor. Hadden we dat als taboe gehouden was de lucht niet gezuiverd. Taboes zie je ook in de wereld van de politiek. Er zijn stromingen die geloven in de ondergang van de wereld. Omdat wij in Nederland plastic zakken gebruiken of omdat we teveel in de auto rijden. Buhne-praat, ik wees er al vaker op. Het klimaat verandert, het warmt op. En 70 geleerden over de hele wereld zijn het met mekaar eens. De wereld stort in als we in Nederland geen drastische maatregelen nemen. Van financiele aard, uiteraard! Zij die daar tegen in gaan worden weggezet als mensen die een taboe doorbreken. Je mag daar niet tegen in gaan, ook al hebben 1430 andere geleerden verklaard dat er niet zoveel bewijzen zijn voor die stellingen over dat vergaan van de wereld. De discussie is taboe.
Voorop gesteld, ik veroordeel niemand die een drankje neemt voor de gezelligheid hoor. Echt niet. Maar als je een beetje stevig door drinkt en ontdekt dat je er eigenlijk ook niet buiten kunt ontstaan er vaak wel wat problemen. Ten eerste, je bent eigenlijk niet meer jezelf omdat je kennelijk die roes of verdoving nodig hebt om als mens te functioneren. Ten tweede, drank is per definitie niet goed voor je. Zeker als het gaat om wat meer drank dan de gemiddelde mens tot zich neemt. Wonderlijk verschijnsel, juist hoger opgeleiden drinken bovenmatig veel. Vermoedelijk doordat ze meer inkomen hebben en daardoor een grotere keuze aan drankjes. Maar ook 65-plussers spuwen er gemiddeld genomen niet in. Uit diverse onderzoeken komt naar voren dat al die drank weliswaar verdovend werkt, dat vrouwen minder remmingen ervaren in hun seksleven na een paar drankjes, maar dat die drank, meer speciaal de alcohol, helemaal niet goed is voor ons mensen.
Bloeddruk stijgt er door, we worden er dikker van en ons brein wordt er langzaam maar zeker door aangetast. Ook slapen we minder goed, al denken we zelf van niet, voelen ons minder fit (al was het maar door de katers), de lever wordt er door aangetast, we krijgen mannen met niet alleen erectieproblemen maar ook een veel lagere spermaproductie en er is een verhoogd risico op kanker. Zet dat eens af tegen dat leuke en lekkere van drank en we zien hetzelfde beeld als we bij roken tegenkomen. We weten het allemaal wel, maar drinken vrolijk door. De hoger opgeleiden vaak wat sterkere drankjes of wijn, de lager opgeleiden vooral bier. Want hoe vreemd ook, bier wordt er in gegoten als water. Zeker bij jongeren. Zelf bekijk ik dat altijd met enig ontzag of noem het verbazing. Want hoe je in vredesnaam 10-20 biertjes achter mekaar naar binnen kunt werken is mij een raadsel. Al dat vocht. Je zou er lek van raken. Ik ben overigens in mijn leven heel wat mensen tegen gekomen die drank toch tot een probleem maakten.
Waar overmatig drinken een bijna dagelijkse conditie werd en waar beslissingen nauwelijks meer op redelijke of rationele gronden genomen werden. Soms lag er een oorzaak in de jeugd, dan weer in een overmatig gevoel van zelfmedelijden of frustratie. Denk maar eens aan de eenzame huisvrouwen die liters sherry of witte wijn nemen om een dag door te komen en het nog een beetje plezierig te hebben. In landen als Duitsland of Tsjechie (om er maar een paar te noemen) drinken mannen gemiddeld honderden liters alcohol houdende drankjes per jaar. Veelal bier. Maar honderden liters! En neem van mij aan, ik kwam en kom er nog vaak, men drinkt geen ‘fluitjes’ maar pullen vol van dat spul. En na een kroes of wat van dat straffe bier of erger weet je als niet zo ervaren drinken echt niet meer hoe je heet. Welk een lol. En toch laten we onze jeugdigen zijn/haar gang gaan en zich letterlijk klem zuipen. Elk weekend weer. Verkeerd signaal. Want echt dronken jongens of meisjes lopen ook nog eens drie/vier keer zoveel risico op misbruik of diefstal. Geen idee wie ze onheus bejegende, immers…’ik was dronken’. Nee, we zouden ons toch eens moeten afvragen waarom we wel zo meegaand zijn als het om drank gaat en zo weinig waar het drugs betreft. Het effect is vaak gelijk. Ik heb het daarbij nog niet eens over rijden onder invloed. Ernstig misdrijf vind ik dat. Meteen rijbewijs kwijt de sanctie. Maar ja, al zolang ik leef is daarvan bij hoogst uitzonderlijke situaties sprake. Moet anders kunnen. Dus….drinken we of drinken we niet (meer)?? U mag het zeggen. Ik zal het nuchter beoordelen… (Foto’s: Yellowbird archief/internet)
Toch had ik bij de Marketing Round Tables ook wel eens een klein zakelijk meningsverschil uit te vechten met die slimme Alfred Rieck. Want bij de Fabia was niet alles alleen maar Hossanah in de Hoge. De Tsjechen bedachten ook een erg lelijke variant op het thema, de sedan. Gewoon een Fabia Hatchback, die om een of andere reden een vrij lelijke ‘kont’ opgeplakt kreeg. Kennelijk omdat er in Finland, Griekenland of verre deelstaten van Rusland belangstelling voor bestond. Om de kosten te drukken moesten ook de West-Europese markten mee doen om die wagens te verkopen. Toen mij tijdens een MRT in Frankfurt werd gevraagd hoeveel van die sedans ik wilde bestellen voor onze markt, gaf ik aan: ‘nul’. Het was voor het eerst dat Alfred Rieck me boos aankeek. Wij hadden nooit echt ruzie, maar over deze auto en diens verkoopkansen waren we het niet eens. En wat mij betreft tot nu toe nog steeds terecht. Sedans waren (en zijn) geen handel in ons land. Het marktaandeel van soortgelijke Volkswagens (de Polo kende in Nederland ook een weinig succesvolle sedanversie) was bijster klein, met Skoda moesten we dus rekenen op flink wat winkeldochters als we zo door zouden gaan.
Hij had weliswaar veel mee, maar ook best wat zaken tegen. Toch gaf ook deze auto weer extra veel hoop voor de toekomst. Het gamma werd breder en breder en we zouden als merk straks een steeds groter deel van de markt kunnen bedienen. De introductie van de nieuwe auto, later aangeduid als de Superb, werd gezien voor 2001. In de periode daar aan voorafgaande werd internationaal tijdens die marketingbijeenkomsten veel gepraat over de kansen en mogelijkheden. Als ik achteraf terug kijk naar wat voor auto dit in feite was geworden moet ik stellen dat de verwachtingen heel wat hoger waren dan de uitkomsten. Ook al was het een meer dan puike en zeer comfortabele auto, die het platform deelde met een in China verlengde VW Passat-bodemplaat en rijkelijk mocht worden gewinkeld in de schappen van zowel VW als Audi voor de motoren. Voor veel dealers was het een ultieme demonstratiewagen. Ook dat was wel iets waard. Ze schaamden zich niet meer voor hun eigen merk en gingen zelfs met hun caravan er achter in de grote Skoda op vakantie. Wordt vervolgd! (beelden: Yellowbird archief/Skoda)
Tegenwoordig kennen we we eigenlijk nog maar twee grote vliegtuigfabrikanten (Boeing en Airbus), maar voor de tweede Wereldoorlog was er echt een hele reeks van die ondernemingen. Elk land koesterde haar eigen producten op dit punt, al was het maar om strategische redenen. De Verenigde Staten van Amerika had er tientallen waarvan Douglas er een was. Dat bedrijf maakte enige naam met toestellen voor de defensie van het grote land aan de andere kant van de Atlantische Oceaan maar kreeg pas echt wereldfaam toen men al in 1931 een volledig metalen vliegtuig presenteerde aan de toenmalige grote airlines binnen de VS, de DC-1. Dat toestel had nog wel wat beperkingen, maar zijn productieversie, de DC-2 werd een groot succes. Ook Albert Plesman zag ineens het licht bij het aanschouwen van die DC-2 en kocht er een stel voor zijn KLM. Groot voordeel van deze machines, zij hadden twee motoren, een intrekbaar landingsgestel en een behoorlijke mate van comfort t.o.v. concurrerende machines. Je kon er veertien passagiers in meenemen.
Aardig was ook dat die DC-2 in staat was in geval van nood op een motor door te vliegen, zij het dat de kist dan wel langzaam maar gestaag daalde. Ook weer op indicaties vanuit de Amerikaanse luchtvaartmaatschappijen kwam er een grotere uitvoering beschikbaar, die we later als DC-3 zouden verwelkomen. Dat toestel vloog nog een hele slag beter dan de DC-2, had ook veel meer capaciteit (tot 25 passagiers) en was als ‘sleeper’ uit te rusten, waarbij je dan in een soort bedden werd vervoerd van de ene kant van het continent naar het andere. Ook deze machines werden aan de KLM verkocht. En al voor de oorlog ingezet op het lijnennet van onze nationale trots. Een ontwerp dat tijdens de oorlog als C47 Skytrain (bij ons Dakota) grote faam zou behalen en lang als een van de best verkochte vliegtuigen ooit zou gelden. KLM kreeg er na de oorlog een hele reeks van in dienst en ze vlogen ook bij vrijwel elke andere maatschappij in Europa.
Na ruim 11.000 stuks staakte de productie. Maar bleef de machine wel decennia lang gewoon in gebruik. Al zijn vervangers (..) zijn intussen uitgefaseerd, de DC-3 vliegt nog steeds rond op sommige plekken. Of bij vliegende musea-collecties zoals de Dutch Dakota Association. Een enorme stap zette Douglas door een viermotorig vliegtuig te ontwikkelen dat met een bijpassende aanduiding DC-4 werd genoemd. Vloog voor het eerst in 1942 en werd vooral ingezet als transportvliegtuig. Maar wel in zulke aantallen dat na de oorlog heel wat van die machines beschikbaar kwamen voor het weer opstartende burgervliegverkeer over langere afstanden. Ook de KLM kreeg er via een diplomatieke truc (ze werden geleverd aan de Nederlandse overheid..) in haar vloot en kon daarmee o.a. een dienst naar New York opstarten. Die DC-4 had geen drukcabine, was een vrij rudimentair type maar bleek net als zijn kleinere zusje DC-3, aardig taai te zijn. Een echte outsider was de DC-5.
Een soort DC-3 met hoog geplaatste vleugels. Het toestel werd geen succes, maar KLM kocht er wel een aantal voor haar Indische vliegbedrijf. Slechts 12 exemplaren van die DC-5 werden er gebouwd, een daarvan werd geleverd aan William Boeing, de man achter een reeks concurrerende vliegttuigtypen en naamgever aan die nu nog bekende vliegtuigfabriek. Maar die meneer Boeing was zeer onder de indruk van de bouwkwaliteit bij Douglas. Uit de jaren veertig stamt ook de DC-6. In feite een doorontwikkeling van de kleinere en oudere DC-4. Met een langere romp, drukcabine, krachtiger motoren en naar gelang de uitvoering ook in staat om als combi-vliegtuig te worden ingericht. KLM kocht ook deze versie en liet de DC-6 op de routes van de DC-4, deze oude kisten aflossen. De DC-4’s werden verkocht.
Die al uit 1946 stammende DC-6 hield het ook bij KLM nog best lang vol. Kreeg echter in 1953 een opvolger in de DC-7, die in eerste instantie nog sterk leek op alweer een verlengde uitvoering van de DC-4, maar in de uitvoering van de KLM, als DC-7C toch een totaal andere toestel zou worden. Met zijn enorme en krachtige Turbo-compoundmotoren was de machine in staat om met een enkele tussenstop naar de VS te vliegen. KLM vloog er ook mee naar Tokio.
Toen de kist op zijn hoogtepunt was tijdens zijn dienstverband bleek echter het tijdperk van de straalverkeersvliegtuigen aangebroken en nam ook KLM die machines (DC-8) in gebruik. Het tijdperk van de oude propliners was voorbij. De DC-7’s en andere Douglassen in de vloot werden deels omgebouwd tot vrachtkist, andere verkocht. En over dat tijdperk van die straalverkeersvliegtuigen van Douglas zal ik bij een andere gelegenheid nog het een en ander in blogvorm uitwerken. Wordt vervolgd dus… (Foto’s: Yellowbird photo/archief/KLM)
Onlangs kwam in een gesprek weer de situatie naar voren van een jong mens die geen benul had wat ze in haar verder leven moest kiezen als vakrichting. Herkenbaar, want ik denk dat meer dan de helft van de jongelui geen benul heeft van mogelijkheden en obstakels op weg naar een nieuwe toekomst die inkomen garandeert of een gelukkig leven. Als je niet als prinses van dit land geboren bent is de kans groot dat je ook niet meteen met een afgeronde studie aan je nieuwe leven kunt beginnen. Bij prinsessen toch vaak iets voor de vorm, minder voor het geld. Normale jongens en meisjes moeten er vaak heel hard voor knokken of blokken om nog iets van een diploma te halen. En als ze dit dan hebben behaald is de keuze voor de volgende stap vaak een heel lastige. Niet iedereen kan bankmanager worden, kunstenaar of iets waarbij je weinig hoeft te kunnen en toch rijkdom genereert zoals BN-er of Vlogger. Voor de meeste mensen is het toch een kwestie van wie je kent, welke tips je krijgt of waarheen je hart uitgaat.
Niet altijd met groot succes. Dezelfde naam hebben wil niet zeggen dat je ook hetzelfde talent bezit. Wie het echt niet weet zou trouwens eens moeten denken aan oude vakgebieden die nu langzaam aan een beetje aan het uitsterven zijn. Stoelenmatter, visser, naaimachinemonteur, touwslager, zeilmaker of ambachtelijke houtbewerker. Wie weet wat de gemiddelde mkb-er op dit punt verdient en aan klanten krijgt zou de wens om een modecarriere te volgen of kruidenier te worden nog eens moeten heroverwegen. En toch zie je dat weinig jonge mensen trek hebben in hard werken met de handen. Nee, op kantoor achter een computer trekt meer. Gek genoeg zie je ook dat wat vroeger een droomberoep was, nu aardig uit de mode raakt. Stewardess bijvoorbeeld, verpleegster, buschauffeur of trambestuurder.
Niet voor niets zie je zoveel nieuwkomers in dit land juist op die handmatige beroepen afstevenen. Geldt ook voor overheidsbanen. Die geven zekerheden, goed pensioen, rustige werktijden. En voor piloot moet je een lange weg afleggen die nog duur is ook. Alleen weggelegd voor hen met rijke ouders. Of jongelui die al vaders of moeders kennen die achter het volant zitten of zaten. En als je het echt niet weet….het leger kan ook nieuwe mensen gebruiken. Mag je ook met je handen werken of met de voeten in de modder. Tis een keuze….wellicht de juiste?! (Beelden: Internet/Yellowbird archief)
Terwijl de Octavia qua aantallen bijna niet viel aan te slepen was het met de Felicia nog steeds wat tobben. De auto had toch iets te veel een ‘Tsjechisch stempel’ en het grote publiek zag de auto, ondanks alle VW-elementen, en in strijd met de waarheid, nog te vaak als een overblijfsel uit de oude communistische tijden. Dat besefte men in Tsjechie zelf ook wel en daar werd intussen hard gewerkt aan de opvolger, die men consequent AO4 noemde. Die wagen zou worden gebouwd op het nieuwe platform waarop ook de nieuwe VW Polo uit die tijd en de Audi A2 zouden komen te staan. Door de wat hogere positionering werd door Skoda voor het eerst gewerkt aan een centralisering van de introductiecampagnes. Internationaal marketingchef Alfred Rieck was de man die dat traject moest aansturen en dat deed hij met verve. Elke maand was er overleg met vrijwel iedere importeur, die dan in groepen van 5 of 6 mensen naar een of andere Europese plek moesten komen voor overleg. Deze zgn. Marketing Round Tables vonden plaats in een van de landen waar de deelnemers vandaan kwamen en de desbetreffende importeur had dan de organisatie voor dat geheel in zijn pakket (en budget).
Daarmee verdeelde Rieck de kosten ook wat en binnen Europa was het best goed om bij elkaar af en toe in de keuken te kijken. Om een of andere reden zagen de Duitstalige collega-importeurs mij graag en werd ik ondanks mijn Rudy Carell-achtige Duitse taal uitspraak bij hen ingedeeld. En zo zat ik dus elke maand ergens in Europa te babbelen over hoe we nu moesten kijken naar die nieuwe AO4 die zoveel beter beloofde te zijn dan de concurrentie uit die dagen. Bij elke productvergelijking nam men uiteraard de VW Polo niet mee, dat zou iets teveel van het goede zijn geweest Al bleek al snel dat de nieuwe auto die Skoda op dat geweldige VW-platform zou zetten aardig in staat was om kopers weg te trekken bij haar eigen concerngenoot. Medio 1999 kwam de Fabia op de markt.
Een naam die de auto kreeg door een verkiezing in Tsjechie zelf. Een auto die dus geen oude historisch herkenbare naam meekreeg, maar een totaal nieuwe. Dat gaf extra lucht. Mensen die voorheen de compactere Skoda-modellen als Favorit en Felicia nog met enige afkeer bekeken, bleken massaal te vallen voor de nieuwe Fabia. En die kreeg er al snel een zusje bij dat het nog beter zou doen in onze streken, de zeer elegante en buitengewoon ruime Combi. Meteen ook een hele range aan motoren leverbaar, veelal een combinatie van door Skoda zelf ontwikkelde blokken en VW-aggregaten, waaronder de fantastische 1.9ltr grote TDi, was dit een snelloper van jewelste. Voor de tweede keer (na de Octavia) was ik bij een introductie van een nieuwe model persoonlijk weer eens heel erg enthousiast.
Net als ik had gehad bij de Octavia-introductie voor importeurs in 1996, kreeg ik ook bij de Fabia Combi weer een soort huivering over de rug. Dit was een auto waar je meteen smoor verliefd op kon worden. Maar ja, we moesten wel zakelijk blijven. Het gevoel heeft me echter niet meer verlaten. Zou ik later nog veel plezier van hebben. De Fabia kwam ook bij de dealers goed aan. Die zaten al een tijdje met een groep klanten in de maag die wel een Skoda zouden willen kopen maar de Felicia niet zagen zitten en de Octavia domweg niet konden betalen. De Fabia zou dat gat met verve vullen. Dat de auto daarbij, net als de Octavia, volverzinkt werd geleverd, roest dus iets was voor de zeer verre toekomst, zorgde voor extra aantrekkingskracht. Voor veel dealers brak ergens in die periode het breekpunt aan. Wilden ze mee met Skoda naar de toekomst moesten ze nu toch echt wel gaan investeren in hun pand of organisatie. Sommigen (twee-merken-dealers) moesten keuzes maken, anderen zagen wel in dat met hun eigen technische insteek, het nieuwe Skoda aan hen voorbij zou gaan. Fabia scheidde definitief het kaf van het koren. Pon Mobiel had op dat punt haar doel bereikt, de interne organisatie was op orde en het Management Team had veel werk verzet, maar haar taak ook meteen goed uitgevoerd. Wordt vervolgd! (Beelden: Yellowbird archief/Skoda)
In de afgelopen periode waren er weer wat selfiedames in de media te vinden die meenden dat het tijd werd om de klok terug te draaien naar de tijden van voor de verzorgingsevolutie. Omwille van aandacht of ecologische gekte besloten zij dat wat de Schepper had bedoeld als bescherming van oksels en overige delen van het menselijk lichaam, niet meer te verzorgen of te verwijderen maar er juist weer flink mee te koop te lopen. Tegen de modetrends in. Maar je valt er wel mee op en dat lijkt me, ondanks de aandacht die de dames zochten, toch een tamelijk slecht signaal. Beharing die overal uitsteekt, onverzorgd is en bijdraagt aan het simpele feit dat bepaalde bijna uitgestorven diersoorten als schaamluizen weer in de pootjes wrijven van genoegen lijkt mij niet passen in een modebeeld anno 2019. Ik ben er niet van, ik heb dat in het verleden nooit onder stoelen of banken gestoken. Voor sommigen is het ultieme uitingsbeeld van ‘volwassen zijn’ dat je de jungle onverzorgd toont aan de goegemeende om je heen. Sommige culturen vinden dat wellicht prachtig, ik niet. En gezien het aantal lasersalons waar je ook terecht kunt voor wax/harsbehandelingen ben ik kennelijk en gelukkig niet de enige. Tuurlijk, als je valt op oermensen heeft het nog iets. Vroeger was de geur van ongewassen lijven voor beide sexen vaak ook een groot genoegen.
Maar we leerden sindsdien dat esthetiek iets anders anders is dan struiken of stoppels op zichtbare plekken. Kaal op veel plekken staat er tegenover, ik snap dat niet iedereen daar van is, maar onverzorgd door het leven? Toch ook niks? Ik gun de meiden die de oksels en meer zwart begroeid laten hun lolletje hoor. Ze vinden vast partners die als Tarzan of Jane door het leven gaan en van liaan tot liaan een weg banen naar ultiem geluk. Maar ik ben er (nogmaals) niet van en zal er verder geen blik meer op richten. Zoals ik in mijn vorige blogverhaal al aangaf ben ik ook niet van het bakken. Maar uitgegroeide haarbossen zouden me zelfs misselijk maken als ik dat op het strand of elders tegenkom. Hou de boel binnenboord, show er niet mee en we blijven vrienden. Heus! En die 95% van de mensheid die wel iets snapt van tonderen, ontharen en verzorgen….ik ondersteun die evolutie. En dank u voor het inzicht richting uw medemens…..:) (Beelden: Internet)