100 jaar geleden..

100 jaar geleden..

Altijd leuk om weer eens terug te kijken als we een bepaalde datum hebben bereikt, zoals vandaag op de derde dag van september 2021.

Honderd jaar geleden was het weer in ons landje echt Hollands. De gemiddelde temperatuur bedroeg 13.3 graden, in het zuiden kwam het bijna tot 20 graden overdag. De zon scheen over het hele land gezien een uur of zes en het was droog. De wind was zwak en kwam uit de frisse Noordwestelijke richting. Het land herstelde zich van de gevolgen van WO1, die ook i n ons land flinke sporen had nagelaten. En met een economie die 100 jaar geleden vooral werd gedragen door de handel en goudvoorraden van de Nederlandsche Bank, ging dat herstel voor de bevolking maar langzaam. In Amerika onderdrukten federale troepen een opstand van stakende en bewapende mijnwerkers. Een deel van die laatsten vluchtten daarna de heuvels van West-Virginia in en verstopten hun wapens. Amerika en Mexico tekenden een handelsovereenkomst die vooral ging over gunstige importtarieven voor Mexicaanse olie die richting de VS ging. Over betalingen ging het ook in Londen waar een deel van de toen bekende ‘Popular Borough Council’ werd gearresteerd omdat deze lieden weigerden betalingen te doen aan de London County Council.

In de VS werd de eerste Superdreadnought, een soort extra zware slagkruiser, te water gelaten. De USS Washington had elektrische aandrijving (..) en was uitgerust met acht 41cm kanonnen en kon een snelheid van 21 knopen behalen. Of dat schip ooit enig succes heeft geboekt in echte zeeslagen is maar de vraag. Internationaal werd er een hoge raad ingesteld die moest zorgen dat een eeuw geleden de grenzen tussen Duitsland en Polen voor eens en voor altijd duidelijk zouden worden vastgelegd. Dat dit niet goed is gelukt zou jaren later wel blijken. Een schip uit de Duitse vloot, de SS Abessionia verging bij Knivestone op de Farne-eilanden nadat het schip door Duitsland aan het VK was overgedragen als verplichte herstelbetaling voor de oorlog een paar jaar eerder. Dat wrak wordt nu nog steeds vaak bezocht door duikers.

En voor wie dat wellicht leuk vindt, Ernest Hemingway, een bekende Amerikaanse schrijver, trouwde voor het eerst en wel met een acht jaar oudere dame, Elizabeth Richardson. Het huwelijk zou niet te lang, slechts zes jaar, duren, en na haar kwamen nog minstens drie echtgenotes in zijn leven voorbij. Wie Hemingway niet kent moet maar eens opzoeken wie en wat hij was. Een dag later zien we dat het nu zo actuele en opnieuw door barbaren overgenomen Afghanistan met de nieuwe Sovjet-regering van toen een overeenkomst tekende die moest zorgen dat de Russen niet bij de islamitische buren binnenvielen. Maakt veel zaken relatief natuurlijk, ook anno 2021. (Beelden: Internet)

Dagboekanier…

Dagboekanier…

Als je wilt weten wat er zoal wanneer speelde op het gebied van je omgeving, of bijvoorbeeld het weer, dan wel de politiek, moet je eens terugkijken in oude agenda’s of dagboeken. Mits je die dagelijks bijhoudt natuurlijk.

Ik zelf ben een dagboekanier en schrijf elke dag op wat er zoal voorbij is gekomen. Vaak beknopt, altijd leuk om later terug te lezen. Zie je ook wat je op enig moment bezig hield, boos of verdrietig maakte of waaraan je nu goede herinneringen hebt. Toen ik onlangs weer eens wat oude archieven doorspitte vond ik ook weer een stapel zakagenda’s terug. En bedacht me dat voor dit blog werk het wel eens leuk kon zijn te zien wat ik indertijd allemaal beleefde. Spannend of saai? Geen idee. Dus nam ik als concept even deze publicatiedatum en keek met jullie terug.

Bijvoorbeeld naar 23 februari 2004. Ik was toen nog flink actief met mijn advies- en trainingswerk en had overleg met een potentiële klant die een of ander concept wilde uitventen. Daarna had ik een begrafenis van een oude dame die wij al jaren hadden gekend en haalden na afloop maar even een lekker hapje met wat thee bij de bekende bakker Kwekkeboom in Amsterdam-Zuid. Zo verwerkten we verdriet…Maar…daarna werkte ik gewoon verder op mijn thuiskantoor. Zie vorig blogje…

Een jaar later (2005) was ik voor een uitgeverij druk met maken van bladen voor MKB Nederland en kregen we een nieuwe titel aangeboden daar die ik ook onder mijn hoede mocht nemen. In de middag was er een presentatie in de RAI voor een netwerkgroep waar ik indertijd lid van was. Lekker breed dagje. Een jaar later, in 2006, was ik weer actief met die bladen van MKB Nederland. Overleg met en bij de opmakers daarvan was in die periode een aantal malen per week van toepassing. Wat we wel zagen was dat de opbrengsten van de advertentieverkopen aardig tegen vielen.

MKB Nederland bleek geen echt fijne partner op dat punt. Zou nog een cruciale rol spelen in de maanden die volgden. In 2008 was er het nodige te doen voor de door mij indertijd met marketingplannen en adviezen bediende Winkeliersvereniging Bos en Lommer maar wilde een auto relatie ook een plan van aanpak voor zijn dealerbedrijf. Een nieuw communicatienetwerk was in de maak en dat vroeg om een meeting. Andere tijden.. deed je toen nog… In 2009 was de situatie totaal anders. Uitgeverij over de kop, ik bleef zitten met een stapel oninbare vorderingen en daardoor even het spoor bijster over wat  nu te doen. Een jaar later was ik weer volop actief en deed aan promotie van mijn kennis en kunde onderweg. Helaas ging het met onze hond Purdy minder goed. Die liep toch wat op haar laatste pootjes.

Ennuh..Sven Kramer miste een buitenbaan en verloor zo goud op de Olympische Winterspelen. Vergeten we als volkje niet snel. In 2011 was ik weer druk met redactioneel werk voor een nieuwe MKB-krant in Haarlem. Was leuk werk. Ook diverse advertenties gemaakt voor auto klanten. Was toch lekker druk op de 23e februari van dat jaar. In 2012 was het allemaal weer anders. De crisis had toegeslagen en het aantal opdrachten matig. Maar ik bleef zoeken. 23-2-13 was op een zaterdag. En dan deed ik niet zo veel meer dan het koude weertype van dat jaar op die datum ondergaan. Was gewoon echt koud. Ik schreef intussen ook weer de nodige verhalen voor Auto-blog.nl waar ik al een aantal jaren voor actief was. Vooruit schrijven gaf altijd rust voor de publicatiedagen.

Op zondag de 23e februari 2014 waren we in Amstelveen om daar de smartphone van vrouwlief te laten upgraden. Zondagopeningen hebben zo hun voordeel. Op de terugweg naar huis kwamen we midden in de drukte terecht die werd veroorzaakt door een of andere voetbalwedstrijd van Ajax. Geen lusten maar lasten….. En zo heb ik een aantal jaren achter elkaar gezet waarbij de datum centraal stond. Grote verschillen onderling. Veel zal bekend zijn, soms nieuw. Ik blogde er soms ook wel eens over op dit platform of elders. Zelf zal jij als medeblogger of social-media-gebruiker ook wel van dit soort overzichten kunnen maken denk ik. Want in ieders leven zit afwisseling of ontwikkeling. Valt veel van te leren, zeker achteraf. (Beelden: Archief)      

Leven met de Vliegende Pijl – hoofdstuk 60 – Coaching en training!

Aan het einde van het jaar 2000 begon zo de nieuwe fase in de professionele aanpak van mijn werkzaamheden. Ik kreeg uiteindelijk na lang onderhandelen met Hoekstra een contract om via LEX- en communicatietrainingen de organisatie van Skoda in ons land verder te optimaliseren. Als externe adviseur. Ik had al sinds 1991 immers dat eigen communicatie-adviesbureau, keurig ingeschreven bij de KvK, dus dat paste mooi. De regeling zette me als professional goed op de been, en ik kon mijn werk voor het zo geliefde merk blijven doen. Want samen met Hans Bovee ging ik nu een paar dagen per week het land in om coachings en trainingen te geven op het gebied van LEX-denken. Maar ook hoe dealers om zouden kunnen gaan met een meer eigen publiciteitscampagne en klantenwerving. Daarnaast was het de bedoeling om een nieuw dealer-automatiseringsprogramma, WinCar geheten, uit te rollen waaraan Skoda op dat moment de voorkeur gaf en waarmee de toenmalige verkopers veel sterker dan voorheen pro-actief nieuwe kopers konden (en moesten)werven. Die begeleidingssessies waren vaak heel intensief.

Hans Bovee en ik reden bij nacht en ontij heel wat kilometers in die periode en ook vaak tot in de late uurtjes om de boodschap van het nieuwe Skoda te brengen. Intussen werd de nieuwe en grote Superb geintroduceerd en was men bij de Tsjechen alweer bezig met het volgende model, de Roomster! De organisatie moest daartoe dus steeds sterker worden. Kaf en koren strikter gescheiden, de opdrachten waren duidelijk. Een jaar na mijn vertrek verliet ook Hoekstra Skoda. Hij kreeg een conflict met het management van het merk in Tsjechie en werd niet meer gezien als ‘acceptabel’. Omdat men bij Pon niet zo snel een opvolger kon vinden werd Seat-baas Van der Nat aangesteld om ‘orde op zaken te stellen’. Voor de externe werkzaamheden maakte dat vooralsnog niet veel uit, maar het sloeg wel een gat in de organisatie. Want in het kielzog van Hoekstra verdwenen meer mensen uit het voormalige MT en rest van de organisatie en al snel zat ik soms voor overleg tegenover mij compleet nieuwe en vreemde gezichten. Ergens in 2003 kwam de echte opvolger van Hoekstra in dienst.

Dick de Rooy, voormalig marketeer bij Seat werd door v.d. Nat naar voren geschoven en zowel door Pon als Skoda geaccepteerd. Ik kende hem nog wel uit de tijd dat we als collega’s bezig waren geweest ‘onze’ merken te promoten. Het gaf wat rust in de organisatie, maar veel gedenkstenen voor revolutionair denken zijn er niet voor hem geplaatst. Intussen kreeg Skoda steeds meer vat op de gang der dingen in ons land. En werd ook duidelijk dat het nuttige LEX plaats ging maken voor het abstractere ISO. Klantvriendelijkheid werd ook bij Skoda ingeruild voor administratieve procedures. Het hield in dat mijn werk en dat van Hans Bovee enorm uit elkaar zouden gaan lopen. Hans moest met interne collega’s gaan ‘schouwen’ om dealers naar ISO te krijgen, ik trachtte nog steeds die dealers te leren zelfstandigheid bij de communicatie vast te houden en op eigen naam en faam imago een omzet op te bouwen. In 2003 werd dat werk echter steeds lastiger. Ik zwierf intussen wat tussen importeur en dealers en kreeg te weinig input vanuit Leusden om echt te snappen wat er op dat moment allemaal speelde. Dat had men bij Pon ook wel door en de Rooy wilde wel van het contract met mij af. Dat paste mij eigenlijk ook wel omdat ik intussen ook was gaan werken voor een uitgeverij die interim-hoofdredacteuren zocht voor diverse bladtitels in het B-to-B segment. Daarnaast ontwikkelde zich mijn advieswerk aan andere klanten redelijk rap. Mijn ‘leenauto’, een Fabia Combi TDi in de meest luxe uitvoering nam ik dus zelf maar over en eind 2013 was mijn status compleet onafhankelijk. Met een aantal dealers van toen bleef het contact overigens ronduit goed en daar heb ik tot vele jaren later nog steeds baat bij gehad. Pon zelf bleef intussen bezig met reorganiseren. Men verjongde de organisatie, zette steeds meer in op integratie met Pon’s Automobielhandel en deed dit ook bij de Skoda-dealers. Dealers en mensen uit de opbouwperiode werden massaal ingeruild voor VW-dealers die Skoda erbij gingen doen, en alleen daarmee al in staat waren om de landelijke omzet op te krikken. De Amsterdamse dealer S-Point, lid van het A-Pointteam wat op zich weer een onderdeel is van het holdingbedrijf Pon-dealer, zette in een jaar tijd net zoveel Skoda’s om in de Amsterdamse regio als alle 80 Skodadealers landelijk deden in een jaar als 1992 toen ik bij Pon binnenstapte. De Utrechtse Pon-vestiging deed daar trouwens niet zo veel voor onder. En zo ging dat maar door. Met een mooi gamma en een steeds sterkere organisatie bleek het merk ineens flink volwassen te kunnen worden en mee te tellen bij vooral zakelijke rijders. Vervangende trots was nog steeds mijn deel toen ik in 2004 overging tot een andere orde van de dag. (Fotos: Yellowbird/Skoda/Internet)

 

Leven met de Vliegende Pijl – 44 – Hoe VW de ontwikkelingen aanstuurde tussen 1991-1997!

Misschien toch goed om het verhaal even te verbreden naar de situatie waarin Skoda indertijd, rond 1996 verkeerde. Het merk kwam in die jaren steeds meer in handen van Duitse managers die de taken van de Tsjechen overnamen die weliswaar vaak zeer begaafd waren geweest maar door het vroegere communistische juk relatief initiatiefarm bleven bij hun optreden. Door mensen van Volkswagen te plaatsen op sleutelposities kon men bij Skoda de in het Duitse Wolfsburg gewenste veranderingen sneller doorzetten dan als men dit wellicht niet had gedaan. Skoda’s autodivisie was financieel in feite bijna opgebrand toen anno 1991 de overname van ongeveer 30% van de aandelen plaatsvond. De rest was toen nog in handen van de Tsjechische overheid. Voor de goede orde; VW nam slechts de personenwagenafdeling over van AZNP/Skoda. Er waren in het Tsjecho-Slowakije van toen nog een reeks andere Skoda-bedrijven actief, maar daar zag men in Duitsland niet zoveel in. Zo kon het dus voor komen dat je allerlei soms wonderlijke producten of vervoermiddelen kon zien die waren voorzien van het uit het verleden bekende Skoda-logo maar die weer niet vielen onder de noemer van Volkswagen.

De Duitsers hadden er in het begin waarschijnlijk te weinig oog voor gehad en wellicht ook wat te weinig geld voor over. ‘Gelukkig’ bleek dat veel van die vroegere Skoda-afdelingen het op eigen kracht niet konden redden en zo bleef in feite slechts staalfabrikant Skoda in Pilzen en de raildivisie (Skoda Transportation) over plus Skoda Automobilova uit Mlada Boleslav waar VW de scepter zwaaide. Met elkaar hadden die officieel verder niets meer van doen. Toen VW de Skoda autofabrieken en bijbehorende organisatie overnam werd daar nog slechts de Favorit gebouwd en verhandeld. Een prima auto op zich die echter wel in zijn ontwikkelingsperiode alle geldelijke middelen van de vroegere staatsonderneming AZNP/Skoda had opgemaakt. Dus moest er het e.e.a. gebeuren om die auto op een wat moderner leest te schoeien en te voorzien van bijvoorbeeld Single Point Injection Systemen en een al eerder beschreven volkomen nieuwe inrichting. Dat lukte aardig en ook snel. Vanuit de Favorit ontwikkelde Skoda samen met de Duitsers de Felicia. Die auto volgde de Favorit op, maar was in feite wel een soort tussenpaus.

De lijnen vanuit Volkswagen richting toekomst van het Tsjechische merk waren intussen uitgezet en daarin pasten veel moderner auto’s. In feite was die Felicia in opzet nog steeds een echt Tsjechische auto, voorzien van Duitse techniek. Maar je kon er ook nog steeds een Pickup, stationcar, VanPlus en zelfs een pret-Pick-up (FUN) van krijgen. De Felicia kon ook worden geleverd met Skoda’s eigen lichtmetalen blokken, nu voorzien van MPI-techniek, maar tevens met een goed presterende 1.6 liter VW motor en de aloude 1.9 grote diesel uit de Golf van die jaren. De Felicia was overigens echt een enorme stap vooruit en de auto kwam in veel markten goed aan. De kleine bedrijfswagens binnen het gamma waren ook in veel landen buitengewoon gewild. In eigen land waren ze bijna niet aan te slepen, maar zeker ook in een aantal andere markten zeer gevraagd. Zo kon VW door de Balkanoorlogen in de jaren negentig in Sarajevo niet langer haar aloude Caddy bouwen. Die auto baseerde zich nog op de Golf 1, maar was in veel landen, ook bij ons, zeer populair. Om aan het gemis van dit soort wagens tegemoet te komen besloten VW en Skoda om de Felicia Pick-up in Duitsland als VW Caddy op de markt te brengen.

Gebouwd in Tsjechië, uitgerust als een VW en ook verkocht tegen de prijs van een Volkswagen. Klanten keken er niet van op en het zal Volkswagen best de nodige centjes hebben opgeleverd. In andere markten was de naam Skoda soms nog wat beladen, veelal veroorzaakt door een wat vaag ‘Oostbloksausje’. Dan zag je dat kopers hun auto’s ontdeden van hun Skodalogo’s en er via de accessoireswinkel gekochte VW logo’s op aanbrachten. Slim zijn had zijn prijs, domheid kennelijk ook. Intussen werkte of vocht Volkswagen zich door de traditionele kanalen heen die binnen het vroegere Skoda en haar interne organisatie bestonden. Oude managers werden de laan uitgestuurd, nieuwe aangetrokken. Veel van het oude administratieve functioneren werd op moderne wijze geautomatiseerd, de fabrieken voor de Felicia compleet gerenoveerd en een fonkelnagelnieuwe gebouwd naast de oude complexen om daarin vanaf medio 1997 de nieuwe middenklasser Octavia te kunnen produceren. En daarmee zette men de toon voor de toekomst. VW zette ‘exportafdelingen’ op die met bepaalde landen en regio’s moesten gaan onderhandelen of samenwerken. Daarmee kon dan de verkoop worden opgevoerd en nieuwe markten aangeboord. Verkocht men in 1991 nog in 35 landen Skoda’s, al snel werden dat er 55, een paar jaar later 80. Daarmee was de toekomst voor het Tsjechische merk verzekerd, al was de voertaal intussen wel vaak Duits geworden en zagen veel Tsjechen deze ontwikkelingen maar met lede ogen aan. Maar het moet gezegd, die Duitsers deden hun werk goed, lieten de Tsjechen zien dat hun eigen toch vaak hoogwaardige technische inzichten prima pasten in het VW-denken en dat succes weer leidde tot meer investeringen die van Skoda zouden maken wat het heden ten dage is. Maar dat lag nog wat in de toekomst verborgen. Wordt Vervolgd! (Beelden: Yellowbird archief/Skoda/Pon)

 

Poetin’s limousine….

Je leest de status van een groot leider niet af aan zijn daden, zo lijkt het wel eens, maar aan de grootte van zijn persoonlijke limousine. Denk maar eens aan de enorme Cadillac van de Amerikaanse presidenten, die in het jargon bekend staat als ‘The Beast’. Die wagen is tonnen zwaar en zodanig gepantserd dat hij vrijwel elke aanslag of aanval kan overleven. Eigenlijk een glimmend gepoetste tank op min of meer normale wielen. De Russische president Poetin was dit al jaren een doorn in het oog. Zijn Zil’s stamden nog uit de tijden van Sovjet-Unie en oogden niet meteen als showcase voor het moderne Rusland en waartoe dat land in staat was. Dus vond Poetin dat er een nieuwe limousine moest komen. Een die zich kon laten zien aan de wereld. En dus kwam er een nieuw bedrijf, een nieuwe topmanager (ex Daimler Benz) en een specificatie die de Russische president zou bevallen. De Aurus Senat was het resultaat. Een auto die er zijn mag.

Geleverd op een wielbasis van 4.30mtr (er komt ook een ‘korte’ versie met 3.30mtr) en een uitmonstering die Russische klanten moet weg halen bij merken als Rolls Royce of Bentley. De motorisering komt van Porsche en men denkt aan het milieu want hij wordt geleverd met hybride-aandrijving, deels elektrisch dus. Dat zorgt voor bijna 600pk vermogen en een koppel als een dieseltrein. Sprinten van nul naar honderd kilometer per uur kan ook, en wel binnen zes seconden. En dat met zo’n enorme bak. De meeste burgermansauto’s in dat grote land komen niet eens in de buurt. Dat de ontwerpers hebben gekeken naar Bentley en Rolls is niet zo gek. Wil je opvallen moet een auto iets hebben wat tegelijk herkenbaar maar ook vreemd werkt. In eerste instantie worden de enorme auto’s gebouwd in een fabriek bij Moskou, waar er pakweg 150 per jaar worden gebouwd. Maar als er vraag is naar de meer normale (..) versies, gaat dat aantal oplopen naar 5000 stuks per jaar.

En men zal de verkopen niet beperken tot het Russische thuisland. Men wil ze ook aan andere wereldleiders kunnen bieden, en daarbij zal de prijs toch een rol spelen. Intussen stonden de eerste meer normale uitvoeringen op autoshows. Klaar om met hun looks ook die leiders van met Rusland bevriende naties te overtuigen dat Rusland meer biedt dan Lada’s en dat soort wagens. En de President zelf? Die is tevreden. Want zijn Aurus was best een topic tijdens een zomerse ontmoeting met Trump. Wie de grootste heeft is best een dingetje onder dit soort mannen. Ik vrees dat Trump binnenkort in een oplegger-limousine op staatsbezoek gaat…(Beelden: AMUS)

Leven met de vliegende pijl – 19 – Nieuwe neuzen!

Ergens in de jaren tachtig werd duidelijk dat de tot dan geleverde Skoda-modellen met worm en rol stuurinstallaties en de nog uit de jaren van de 1000MB stammende bumpers toe waren aan een facelift. Een stevige meteen die ergens in 1984 werd ingezet. De toenmalige Skoda’s kregen een totaal nieuwe neus, kunststoffen bumpers, andere binnenbekleding, en een veel beter aanvoelende tandheugelinstallatie voor de bestuurde wielen van de luxere modellen. Doordat die wielen ook wat verder uit elkaar werden gezet, verbeterde de wegligging opmerkelijk, al werden die wagens in die jaren nooit echte liefhebbersauto’s. Maar voor de gemiddelde Skodakoper, vaak afkomstig uit andere wat goedkopere merken, was dit een enorme stap vooruit. Daarbij kwam nog eens dat naast de serie 105/120 nu ook een 130 werd geleverd, die o.a. positief opviel door een zelfde achterasconstructie als de aloude Rapid Coupe.

En om het nog mooier te maken kwam er ook een S130G Coupe, die ook weer als Rapid in de prijslijst verscheen en geweldig reed. Door de 1300cc motor was het ook bepaald een vlotte wagen die flink wat nieuwe klanten wist te trekken voor het merk. De kritieken vanuit de autojournalistiek werden er, als verwacht, niet meteen veel beter door, maar men werd wel iets milder in het oordeel. De Skoda’s stuurden veel fijner, het geluidsniveau in het interieur was, mede door een voor sommige modellen beschikbare vijf-versnellingsbak, verlaagd, en die nieuwe neuzen zorgden voor een sterk gemoderniseerde blik. De verkopen bleven op niveau, ook bij ons in het dealerbedrijf, al zochten we wel als managementteam van het dealerbedrijf naar verbreding van het totale gamma. Juist voor klanten die ‘iets anders wilden dan een Skoda’. En dat waren er best veel…. Maar voorlopig had Skoda weer een paar jaar haar zaakjes voor elkaar en het moet gesteld, de kwaliteit was nu op behoorlijk peil voor een fabriek uit die streken. Wordt vervolgd! (Beelden: Yellowbird archief)

Leven met de vliegende pijl – 15 – Heropbouw!

Het feit dat de totale vernietiging was uitgebleven tijdens de oorlogsjaren maakte dat de slimme Tsjechen op basis van hun vooroorlogse succesmodellen relatief vlot in staat waren hun autoproductie weer op gang te krijgen. Men had weliswaar wel wat schade opgelopen, maar inventief als men altijd was geweest (en nog is) lukte het de technici van Skoda om met beperkte middelen de productie van de Popular opnieuw op te starten. Het vooroorlogse model werd meteen goed verkocht, de behoefte aan kleine en betaalbare auto’s was na de oorlog onveranderd groot. Intussen werd het Skoda-concern genationaliseerd en in divisies opgesplitst. Weliswaar met dezelfde naam, maar ook verschillende taken. Skoda Pilzen behoudt haar eigen naam, de autofabrieken in Mlada Boleslav heetten vanaf 1946 AZNP, wat zoveel betekent als Auto Fabriek Nationale Onderneming. Het bekende beeldmerk van de vliegende pijl bleef behouden en de geproduceerde auto’s heetten nog steeds Skoda’s.

In Mlada Boleslav werden vanaf dat moment geen bedrijfswagens meer gebouwd. De productie daarvan werd ondergebracht bij andere divisies elders in het land. Voortaan dus alleen personenwagens uit Mlada Boleslav. Het zou nog lang duren voordat daar iets aan zou veranderen. Met veel enthousiasme was men in de fabrieken aan de slag gegaan om alles te herstellen, maar ook om al snel een modernere variant op de Popular te ontwikkelen. Deze auto zou het merk Skoda over heel Europa heen bekend doen raken en zorgen voor naar de tijd gemeten, enorme verkoopsuccessen. De 1100 Tudor was geboren. Een wagen die technisch nog verwant was aan zijn voorganger, maar uiterlijke lijnen liet zien die wat deden denken aan alles wat de Amerikaanse auto-industrie in die jaren uitbracht.

De auto had veel ronde vormen, in de schermen gemonteerde koplampen en een piramidevormige chromen grille plus kleine stadslichten op de voorschermen. Een gezinsauto die mateloos populair werd. In ons land werden er ook zoveel van verkocht dat Skoda in de laatste jaren 40 en begin 50 al in de top 10 van best verkochte merken kwam te staan. Een geweldige prestatie. Afgeleide versies waren o.a. een bestelauto en een erg fraai ogende cabrio. Maar Skoda wilde meer. En zo kwam er een jaar of vijf later al een opvolger voor die 1100 op de markt, die nog slechts als 1200 bekend zou worden.

Die auto had een heel andere constructie, een wat zwaardere motor maar presteerde ook wat minder goed dan zijn voorganger. Intussen waren in het westen flink wat moderne concurrenten te koop en namen de verkopen van de nieuwe Skoda’s in deze streken af. De 1200 was wel weer leverbaar als sedan, stationcar, bestelauto, pick-up en deed het in rallies ook weer voortreffelijk. Toch wilde het met de verkopen niet zo lukken en was het op enig moment zelfs zo dat de aloude 1100 meer klanten trok dan zijn wat grotere, modernere, maar ook duurdere opvolger. Skoda leerde daarvan snel en werkte aan een auto die beide modellen moest opvolgen. Dat werd de nu nog befaamde 440, die eerst als Spartak door het leven ging, later als Orlik, maar in zijn versie van 1958 en later vooral bekend werd als de oorspronkelijke Octavia. Intussen bouwde men ook nog allerlei fraais voor de circuits van  deze wereld of voor het pure rallywerk. Een erg mooi voorbeeld was de 1100OHC sportwagen die echt niet zou hebben misstaan als prototype voor een nieuwe Ferrari uit die dagen. Wordt vervolgd (Beelden: Internet/Skoda Museum/Yellowbird)

Leven met de vliegende pijl – 13 – Geschiedenis

In mijn persoonlijke verhaal tot nu toe heb ik links en rechts al het een en ander aangegeven over de modellen die Skoda in die beschreven jaren voerde  maar het is wellicht goed om beknopt ook de bewogen geschiedenis van het merk tot begin jaren tachtig van de vorige eeuw nog eens de revue te laten passeren. Anders dan velen zouden kunnen denken is Skoda niet zoals Lada of Dacia een soort zelf verzonnen fantasienaam en al helemaal niet bedacht door communistische strategen van na de oorlog of zo. Nee, het merk vindt haar wortels al ver in de 19e eeuw toen er een Baron Emil von Skoda leefde die door hard werken en goed om zich heen kijken in staat bleek een staal- en wapenindustrie op te zetten die een geweldige naam en faam zou opbouwen. Het thuisland, de Tsjechische provincie Bohemen, lag nog in het toenmalige Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk waar veel van ook nu nog bekende namen in de automobiele wereld vandaan zouden komen. Skoda bouwde al vervoermiddelen als treinwagons en trams, maar het grote geld kwam voor de staalfabriek uit Pilsen toch vooral uit de productie van hoogovenstaal en wapens. Elders in het fraaie Bohemen vonden intussen twee andere ondernemers elkaar. Vaclav Laurin en Vaclav Klement heetten die lieden en die startten in 1895 samen met de productie van fietsen. Om deels nationalistische redenen overigens, de Tsjechen hadden genoeg van het verplichte Duits dat voor hun land gold doordat men in die periode dus aan dat oude Weense en Habsburgse keizerrijk was verbonden.

Onder de fraaie naam Slavia L en K werden de eerste tweewielers in elkaar gestoken, een paar jaar later hing men daar een benzinemotor in en ontstond de eerste motorfiets. Maar Laurin en Klement zagen in de wijde omgeving al snel dat een nieuw wereldwonder op komst was, de automobiel! Met wat technische kennis en steun vanuit Frankrijk wisten de twee ondernemers in 1905 hun eerste echte eigen auto te bouwen, aangeduid als Voituretta L en K 01A. Een goed en aardig ogend ding dat al snel succesvol werd. L en K bouwden namelijk al vrij vlot wat verschillende versies en er kwam ook een racewagen van de productielijn waarmee men door heel Europa de competitie aanging en ook zeker kon met andere fabrikanten uit die dagen. De Boheemse auto-industrie was onderweg succesvol te worden en flink te verkopen. Intussen werkte het staal- en wapenbedrijf Skoda aan militaire trekkers, die o.a. voorzien waren van deels elektrische aandrijving. De wagens konden zelfs op rails functioneren en als een soort noodlocomotieven wagons met munitie vervoeren. Aan personenwagens dacht men in Pilsen nog helemaal niet, wel aan vrachtwagens en die werden dan ook voor de toenmalige markten gebouwd. Vooral ook voor het leger. De eerste wereldoorlog zorgde qua civiele autobouw voor een pas op de plaats, maar na dat conflict waren De Tsjechen en Slowaken onverwacht door politieke keuzes elders samengevoegd in een eigen onafhankelijk land en was men los gemaakt van het vroegere Habsburgse regime in Wenen. Voortvarend werd de draad weer opgepakt bij zowel Skoda als Laurin en Klement.

 

Skoda zag nu toch ook wel iets in personenwagens en nam na wat pogingen om zelf een succesvol model uit te brengen, de licentierechten op zich voor chique en dure Hispano Suiza’s die in Tsjecho-Slowakije werden voorzien van fraai ontworpen carrosserieën. Auto’s voor de bovenklasse in de maatschappij. Een doelgroep die overigens deels ook door L en K werd bediend. Daar kwamen in die jaren steeds meer modellen uit die kopers aanspraken en goed verkochten. Stel je  daarbij voor dat in diezelfde periode het land waar men opereerde nog veel meer merken kende. Denk maar eens aan het fameuze Tatra. Maar ook Walter en Praga waren merken die er mochten zijn. De Tsjechen hadden als technisch volk een paar jaar later een geweldige naam opgebouwd en deden ook een paar uitvindingen die ze tot in lengte van jaren zouden benutten. Zo was het ruggengraatchassis met losse assen een enorme verbetering t.o.v. het ladderchassis en aan bladveren gehangen assen bij meer behoudende modellen van andere fabrikanten. Die zgn. pendelassen zorgden voor veel comfort en ook voor flinke wieluitslagen op slechte wegen, indertijd gezien als enorme voordelen.

Terwijl Skoda relatief weinig van die wel erg luxe in licentie gebouwde auto’s bouwde en die vooral sleet aan de hoog geplaatsten in dat nieuwe land, ging het Laurin en Klement intussen qua verkoop meer dan prima. Maar men had daar echter wel steeds minder geld in kas om nieuwe modellen te ontwikkelen of de productielijnen in Mlada Boleslav verder uit te breiden. Toen dan ook nog eens de financiële crisis van 1928 de wereld raakte, bleek een fusie met Skoda een wijs besluit. Het grote Skoda nam het kleinere L en K over. Het geld dat nu beschikbaar kwam werd gestoken in ontwikkeling van flink wat nieuwe modellen, waarvan de Skoda’s 412, 422, 645 en de 633 de bekendste werden. Kleine en soms wat grotere betaalbare modellen die al snel goed verkochten. Maar ook wagens voor de happy few uit die dagen. De export van het nieuwe merk Skoda was ook al snel goed verzorgd, de oude contacten van Laurin en Klement zorgden voor showrooms op de boulevards van Parijs en de high streets in Londen.

Skoda werd ook bekend doordat het slim doorging met racen. Dat was altijd de kracht van L en K geweest, het nieuwe automerk nam deze expertise met veel verve over. Dat deed men ook met de pendelassen. Nieuwe wagens met deze constructie waren kleiner, sportiever, comfortabeler en bleven ook betaalbaar. In de jaren dertig probeerde men nog wel om ook de rijken der aarde als klant vast te houden door onder meer de grote Superb aan te bieden, een auto met een staande achtcilinder in lijn, maar de aantallen die daarvan nog zouden worden verkocht tot de inval van de nazi’s in 1939 waren te verwaarlozen. Een van de belangrijkste nieuwe auto’s uit dat tijdperk was de Skoda Popular die liet zien waartoe men in Tsjecho-Slowakije in staat was. Naast al die brood-met-beleg auto’s experimenteerde men intussen bij Skoda ook toen al met wagens waar de motor achterin werd geplaatst. Al in 1932 reed de 932 rond met een 1,5 liter grote viercilinder in het achteronder. De vormgeving was geen succes.

Dat was bij de 935 uit 1935 al flink verbeterd, die auto leek sprekend op de latere Tatraplan. Wie daarbij naar wie had gekeken is niet zo duidelijk. Intussen werd de Popular steeds verder ontwikkeld. Er verschenen erg fraaie twoseaters van, open versies, en de bijzonder fraai gestroomlijnde ‘Monte Carlo’ die was afgeleid van een succesvol rallymodel. Bij die wagen had men zelfs metalen lamellen voor de koplampen aangebracht, volledig in stijl met de grote grille die de motor koellucht bracht. En voor de goede orde; die Populars hadden al bovenliggende nokkenassen in hun motoren zitten, toen best heel modern. Maar Skoda deed meer. Want men bouwde ook nog vrachtwagens, autobussen, tractoren, militaire voertuigen, vliegtuigmotoren en spoorwegmaterieel. Een zeer opvallende verschijning was de door Sodomka ontworpen en door Skoda gebouwde 606D luxe reisbus. Die kwam in 1938 op de weg. Wordt vervolgd – (Beelden: Yellowbird archief/Skoda Museum/Skoda Auto AS – Alle teksten zijn eigendom van de auteur.)

Begijnhof…

Wie als vrouw in vroeger jaren zonder man zat of kwam te zitten had daarna maar weinig echte keuzes. Zoals je nu bij nieuwe bevolkingsgroepen nog wel eens ziet was in christelijk/katholieke kring uithuwelijken nog heel normaal tijdens de late Middeleeuwen. En wilde een vrouw dat niet ging (moest) ze in het klooster. Met name dat laatste hield in dat men geen kans meer had op menselijke geneugten, immers geloften van armoede en kuisheid waren dan opgelegd pandoer en de Here Jezus de enige man in je leven. Dat was voor veel vrouwen vanuit hun fysieke or karakterwezen geen optie. Maar meestal economisch afhankelijk van de mannen of familie hadden ze geen keuze. Tot er een ‘derde weg’ ontstond die door heel Europa een behoorlijke reeks volgsters kreeg. Je kon ook begijn worden. Een soort tussenvorm waarbij je het geloof trouw bleef, maar toch minder streng in de leer een soort van onafhankelijke status kon opbouwen.

Die status hield dan wel in dat die kuisheid (reinheid) nog steeds min of meer in acht werd genomen, maar dat je verder in een eigen onderkomen samen met andere dames kon genieten van een redelijk beschermde jonge of oude dag. Begijnhoven werden al snel overal ingevoerd of opgericht. De resultaten daarvan vinden we nog steeds in vooral van oorsprong katholieke steden. Al dan niet nog steeds in gebruik. Zo kennen we het bekende Begijnhof van Amsterdam, maar zijn die ook elders in Nederland te vinden. Onlangs bezochten wij een van de grootste. In Belgie. Turnhout heeft de eer om daar een schitterend voorbeeld van die toenmalige cultuur in ere te houden en je staat met je mond open van verbazing als je ziet welke oase dit eigenlijk altijd moet zijn geweest. Prachtige huizen, schitterende kerken, een Mariakapel en fraaie natuur. Maar vooral die stilte…

De laatste begijn die hier nog leefde was een Rotterdamse die in 2002 op zeer hoge leeftijd overleed en had bedongen dat zij achter de kerk in het hof begraven wilde worden. Men had bij het stadsbestuur van Turnhout niet zoveel op met die laatste wens, maar uiteindelijk kreeg de onverzettelijke begijn het toch voor elkaar. En dat geeft wel weer dat deze dames die toch vooral druk waren met goede doelen en nuttig werk, niet voor een kleintje vervaard waren. Geen nonnen dus. Wie de man van hun dromen tegenkwam kon altijd kiezen voor een  bestaan buiten het hof. Dan was de kuisheid niet meer gewaardborgd, maar lonkte een leven met gezin en kinderen.

Begijnen waren voor de diverse kerkelijke en wereldse machthebbers lastig te vatten. Men wilde ze eigenlijk niet zien als vroom genoeg, maar dat besef kwam toch met de jaren. Al was het maar omdat de begijnen in hun tijd veelal echt gelovig en vlijtig leefden. Op het hof van Turnhout kom je heel wat kerken en kapellen tegen. En alles is in prima staat bijgehouden. Er staat ook een leuk museum waar vanuit men met enthousiaste gidsen rondleidingen kan maken en een goed inzicht wordt gegeven van wat hier in verleden en heden allemaal speelde of speelt. Wij hadden er ondanks de buiten heersende hittegolf-temperaturen veel plezier aan. Een aanrader van jewelste als je een beetje interesse hebt in de kerkelijke geschiedenis en cultuur. En ook wilt zien hoever we in onze huidige tijd en cultuur zijn opgeschoven naar vrijheid en blijheid. Want hoe fraai het leven van die begijnen ook was in hun tijd, een godsdienstig bepaald keurslijf was nog best hun deel. En dat hebben echt moderne vrouwen toch maar mooi van zich afgeschud. Nu blijft het gevecht om dat vooral vast te houden. (Beelden: Yellowbird)

Alweer 60 jaar oud, de eerste DAF-jes..

Vandaag neem ik precies zestig jaar mee terug in de tijd. Naar het einde van de jaren vijftig, en meer specifiek naar Eindhoven. Daar werd onder de bezielende leiding van de Gebroeders Huub en Wim van Doorne een personenauto ontwikkeld die qua naam en faam doorleeft tot in onze dagen. Een kleine auto, maar met een groot verschil ten opzichte van de andere wagens die in die dagen op de markt verschenen. De Daf-fabrieken van de heren van Doorne werden vooral beroemd om hun vrachtwagens en aanhangers, een personenauto, volledig in ons land gebouwd, was een noviteit. De vaderlandse autopers was er heel erg positief over. En dat bleef heel lang het geval ook al was het nieuwe product voorzien van een heel klein motortje, een tweecilinder boxer van 600cc die slechts 22pk leverde. Maar het nieuwe wagentje had elegante lijnen, was simpel om mee om te gaan en na de voorseries redelijk betrouwbaar. Meest opmerkelijk was de indertijd zeer innovatieve variomatic-versnellingsbak die zorgde dat iedereen met de Daf kon rijden. En voor de goede orde, zo’n klein Dafje reed net zo hard voor- als achteruit.

De neus van de kleine auto was bijzonder opvallend vorm gegeven, heel herkenbaar ook. In ‘schrijfletters’ stond de naam van de fabrikant op de neus van de auto, voor wie het nog niet wist dat dit een Nederlandse auto was. Kort na de zgn. 600 kwam de 750 al op de markt met een iets grotere motorinhoud en wat meer pk’s. Qua onderstel bleef alles bij het oude. Net als veel concurrenten had de Daf achter twee pendelassen, wat in bochten wel eens kon zorgen voor wat bijzondere reacties. Desondanks werd de Daf een hit. Vanaf de start moest de fabriek alle zeilen bijzetten en was een grondige reorganisatie nodig om maar liefst twee keer meer auto’s te produceren dan oorspronkelijk gepland. In 1963 kwamen er varianten in het gamma. Een stationcar en een daarvan afgeleide besteller. Ook een pick-upje werd leverbaar.

De Daf’s werden vanaf dat moment aangeduid als Daffodils. De grilles kregen een ander aanzicht, breder, luxer, steviger. Technisch werden de Dafjes ook iets opgewaardeerd en al snel zorgde dit voor een meer ‘volwassen’ voorkomen. Halverwege de jaren zestig kreeg de aloude Daf een aantal uiterlijke aanpassingen mee, waardoor het wagentje weer frisser oogde. De markant ‘kuil’ in de voorzijde van de motorklep verdween en werd recht getrokken. Het interieur werd een stuk luxueuzer en men perste nog eens twee extra pk’s uit het oude boxermotortje. Maar men werkte in Eindhoven inmiddels ook aan een door de Italiaanse ontwerper Michelotti getekende opvolger, die als Daf 44 furore zou gaan maken. Intussen waren ook varianten verschenen op hetzelfde thema. Zoals speciale postwagentjes voor de Nederlandse PTT en auto’s voor het GAK.

Ook een kleine vrachtwagen die als Pony door het leven zou gaan en in samenwerking met een Zweedse bedrijf, de ook bij ons (zeer beperkt) verkochte Kalmar Daf. Het was helaas ook zo dat het imago van de Dafjes door het type gebruikers dat er mee reed al snel een bepaald imago begon op te bouwen dat het wagentje nooit meer helemaal kwijt raakte. In feite bediende de auto een klasse bestuurders die nu in onze nieuwe eeuw in brommobielen langs de wegen scheuren. En door de hoge inzet van door het GAK aan minder validen verstrekte voertuigen kreeg de Daf een naam die hij eigenlijk niet verdiende. Daf probeerde dit met de 44, 55 en Marathon allemaal te corrigeren, maar de wagens verloren nooit de bijnaam die ze eerder kregen. En dat is heel jammer want er zijn vele honderdduizenden van die Nederlandse wagens gebouwd en heel succesvol verkocht. In ons land bestaat een zeer actieve club die erg leuk bezig is om de herinnering aan de Daf op gepaste wijze en vooral rijdend levend te houden. (Beelden: Yellowbird/LPAC/Internet)