Museum Weesp

Museum Weesp

Weesp, aardig en in mijn blogverhalen wel eens meer meegenomen als onderdeel van de inhoud, is een leuke kleine stad aan de Vecht. Dat kleine gaat er steeds meer vanaf, de stad groeit met de dag en wie dat wil zien moet eens gaan kijken daar. En als je er dan bent kijk meteen ook eens rond in het oude Stadshuis van deze Vechtstad dat echt centraal in het centrum uitkijkt op de omliggende straten en pleinen. Maar ook een verrekte aardig en door vrijwilligers bestierd museum herbergt op de bovenste etages. In diverse zalen en kamers daar exposeert men zaken die er uit de bodem zijn gehaald, men biedt er schilderijen aan met oude bestuurders van stad en omringend gebied. Want dat Weesp, was anders dan nu, voor een deel verantwoordelijk voor het hele gebied er om heen, inclusief de Bijlmermeer. Dat gebied werd op enig moment door midden gesneden door het toen nieuwe Amsterdam-Rijnkanaal en dat beperkte de invloed van Weesp direct.

In dat museum krijg je ook de indruk hoe welvarend dit stadje ooit was. De strategische ligging aan de Vecht maakte dat er heel wat industriele activiteiten plaatsvonden die vaak midden in Weesp terug te vinden waren. Zoals de chocoladefabriek Van Houten die daar decennialang dominant haar geur en kleur verspreidde. Tijdens ons bezoek aan het museum liep er net een expositie over dat bedrijf met die best grote naam dat begin jaren 70 het loodje legde doordat de concurrentie van grotere bedrijven en merken niet meer te bevechten viel.

De fabrieksgebouwen verdwenen. Dat zelfde lot trof de farmaceutische activiteiten die o.a. ooit van Philips waren en terug te vinden langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Gelukkig is er nog veel bedrijfsmatig ondernemerschap in Weesp te vinden, waardoor werkgelegenheid hier nog aardig wordt gegarandeerd. Dat museum kent buiten haar eigen onderkomens op die genoemde etage ook nog een soort dependance die een etage lager terug te vinden is. Daar is een ‘marmeren etage’ te vinden die compleet is opgebouwd met dit zware maar ook vrijwel onderhoudsvrije materiaal. Zeker ook de moeite van bezoek waard. Het oude stadhuis zelf diende ooit ook als rechtbank, cachot en op de binnenplaats als executieplek. Bizar bijna, maar wel efficient. Later werd het vastgebouwd aan een weeshuis voor armen en hulpbehoevenden.

Een heel complex dat van buiten en binnen duidelijk maakt hoe onze geschiedenis vaak is verbonden aan geloof en ondernemerschap. Zonder dat was dit een klein dorp langs het water gebleven. Nu een aardig plaatsje met fraaie forten uit de oudheid, mooie molens, geweldige horeca en leuke winkels. Weesp koos zelf om zich aan te sluiten bij de hoofdstad een paar jaar terug en dat zal heel veel invloed gaan hebben op de sfeer en bevolkingssamenstelling hier. Te hopen dat men het typisch Weespse karakter weet te behouden. Wat ik al eerder schetste rond de keiharde handhaving door het Amsterdamse Parkeerbeheer hier nadat men halverwege dit jaar betaald parkeren invoerde, geeft op dat punt te denken. Gelukkig is daar het genoemde museum waar je nog even terug kunt in de tijd en genieten van een groots verleden. Met de Museumjaarkaart krijg je ‘gratis’ toegang, er zijn liften voor hen die de monumentale trappen iets te veel van het goede vinden en er is een kleine museumshop achter de ingang. (Beelden: eigen archief)

Oma…

Oma…

Zag ik onlangs iemand die ik al jaren niet had gezien. ‘Jeminee, die is best flink ouder geworden’ was mijn eerste reactie achteraf. Vrouwlief, nooit wars van enige kritiek op wat ik zoal oreer, gaf meteen aan dat ik maar eens in de spiegel moest gaan kijken. Sinds ik de 60 kruisjes passeerde is ook mijn uiterlijk vertoon toch meer grootvaderachtig dan puberaal geworden. Confronterend. Sinds dat moment kijk ik ineens heel anders naar oude beelden van prachtige meiden uit het verleden. Pronkend met hun boezems en billen, lange benen en spiegelgladde huidjes waren het in mijn ogen toen seksbommen. Daartoe ook uitgekozen vaak om op de foto te worden gezet. Maar ja, ook voor hen zal de tijd niet hebben stil gestaan, net als voor mij of voor de lezer die intussen ook 40/50 jaar opschoof in de tijd.

Dus die fraaie dame van toen, zal ze geweest zijn, 20/25?, is intussen ook 70/75, en dus allang moeder geworden en/of oma. ‘Jeminee, die is ook oud geworden zeg…’. Oud worden is een natuurlijk proces bij leven en welzijn uiteraard. En het ene leven is het andere niet, en je krijgt ook het nodig mee in de genen. Zat daar een perkamenten huid in de familie krijg je die hoogstwaarschijnlijk ook, net als de dikke buiken van opa en oma, ooms en tantes en zeker je ouders. Het wordt allemaal gratis en voor niks doorgegeven. Niet gratis is het werk dat sommigen doen om er jong uit te blijven zien. Strak laten trekken wat volgens de normen strak moet zijn, wanhopig de borsten of billen blijven oppompen en waar nodig de sportschool bezoeken om de stramme leden nog een beetje soepel te houden. Ik heb er zelf voorbeelden van gezien waarbij je meteen wist dat de plasticindustrie zich voorlopig geen zorgen hoefde te maken over de omzet in de toekomst.

Spuiten dat spul. De uitdrukking volledig uit het gezicht of de hals verdwenen en om het af te maken natuurlijk een boezem die niet eens meer trilt als je er tegen aan zou tikken. Strak en stijf, niet slap en hangend. Oud is voor de dommen. Of zij die de spiegel zelden benutten om er in te bekijken hoe oud men geworden is of welke rimpels nu weer waar zijn verschenen. Toch blijft het confronterend. De strakke lijven van toen nu te zien lubberen. De fraaiheid van uiterlijk en glimlach te zien uitblussen bij mensen die je toch vroeger hoog achtte en vooral ook bewonderde. Er zijn heel wat vroegere sterren die dat niet aankonden of kunnen en op zekere leeftijd gewoon in de anonimiteit duiken. Die het haar niet meer verven, de make-upkoffer bij de kringloop neerzetten en genieten van incognito. Blijft jammer. Beetje styling kan wonderen doen. Goede kleding en wat verzorging door een kapper of visagist(e) ook. Lekker ‘luggie’ er op en hup. Klaar voor de confrontatie. ‘Mooi oud geworden, charmant gebleven’ is dan veelal mijn mening. En natuurlijk ben ik zelf het goede voorbeeld. Nou ja, op mannelijk vlak dan…. Toegeven dat we oud zijn geworden is niet mijn ding. Dus kijk en wijs ik liever naar anderen. ‘Oud geworden zeg…’ en weet ik al wat vrouwlief daarop te zeggen heeft. Blijft confronterend….. (Beelden: Archief)

Mercedes-Benz…

Mercedes-Benz…

Voor de meeste mensen een begrip. Mercedes-Benz, luxe merk dat een rijke geschiedenis koppelt aan Duitse degelijkheid en luxe.

In Duitsland vooral bekend onder de eigenlijk meer juiste naam Daimler-Benz. Maar dat is onderdeel van de geschiedenis. De eerste auto van dat merk Daimler-Benz stamt al uit 1886 en het bedrijf behoort daarmee tot de oudste merken uit de autogeschiedenis. Gottlieb Daimler leende zijn naam aan die oer-fabriek. Later ontmoette hij Carl Benz die op eigen houtje ook auto’s ontwikkelde. In 1926 sloten zij de samenwerkingsovereenkomst en ontstond Daimler-Benz.

De naam Mercedes afkomstig van een model dat werd genoemd naar de dochter van een van de heren. En ook die werd later aan de fabrieksnaam gekoppeld. Dat Daimler-Benz werd heel groot voor, maar ook tijdens de oorlog. Men bouwde personenwagens, trucks, aandrijflijnen voor boten, treinen, maar ook vliegtuigen. De DB-601 motor (o.a. in de Messerschmitt Me-109)een geweldig voorbeeld. Meerdere jagers van de Luftwaffe uitgerust met deze motor die superieur was in prestaties en kracht. Zelfs aan de bekendere Rolls Royce Merlin. Na de oorlog kreeg Daimler-Benz de productie snel weer op gang. In 1947 rolden de eerste 170-serie modellen uit de opgeknapte fabriekshallen.

Wagens die nog net voor de oorlog waren getekend, maar in de jaren die volgden steeds werden verbeterd. De grotere 170S uit 1949 baseerde opnieuw op die oude vooroorlogse Mercedes maar kreeg nu ook een dieselmotor die bij taxi-chauffeurs zeer in trek was. Optisch bleef het een ouderwetse auto. Twee jaar later verschenen de eerste 220’s en die hadden voor het eerst de koplampen in de voorschermen zitten en niet meer er bovenop. Een zespitter van 2.2 liter inhoud zorgde voor een rustige en vlotte loop.

Duitse rijken en regeringsvertegenwoordigers waren er gek op. Een doorontwikkeling werd de geweldig fraaie 300 die o.a. een automatische versnellingsbak kende en door Bondskanselier Adenauer werd benut voor zijn staatsvervoer. Met de 300SL sportwagen uit 1954 liet Mercedes zien dat het de vooroorlogse faam redelijk eenvoudig kon terughalen naar de actualiteit. Wat een wagen was dat. Laag, rond, vleugeldeuren en een schitterend knorrende 6-cilinder van 3 liter inhoud die 215pk leverde en de auto opstuwde naar 250km/u. Duidelijk voor hen die het zich konden veroorloven.

1400 exemplaren werden er van gebouwd. En zo ging dat verder met het sterrenmerk. Die ster op de neus stond voor prestige, luxe, comfort en later ook veiligheid. Ook doordat de taxiwereld graag koos voor Mercedessen kreeg het merk een goed imago. Dat ging door tot aan de moderne jaren van nu. Echt een van de grote drie merken uit Duitsland naast BMW en Audi doet Mercedes er alles aan om dat imago te bewaken en de kwaliteit op het hoogste niveau te houden. Naast schitterende diesels en bijzonder zuinige benzinemotoren kent men intussen wat hybrides en elektrische voertuigen, al zijn die qua actieradius nog wat beperkter dan wagens van vergelijkbare andere merken.

Maar de Mercedesrijder maalt wat minder om een schoon imago. Chique en luxe moet het zijn en in de leaseklasse vooral snel. Vandaar dat je daar veel AMG-versies tegenkomt van meer mondane uitvoeringen van Mercedes zelf. 250km/u is nu meer normaal dan uitzonderlijk. Dat je daar een prijs voor betaalt zal duidelijk zijn. In de budgetklasse heeft het merk niets te zoeken. Wel in de luchtvaart nog steeds waar het via deelname-projecten nog steeds actief is. Ook heeft het aandelen in andere merken wereldwijd. Men levert o.a. techniek aan merken in het verre oosten en had ooit Chrysler op sleeptouw toen dat merk dreigde kopje onder te gaan. Daarnaast zette men smart in de markt en bouwt een geweldige reeks bestel- en vrachtwagens die allemaal dagelijks voor onze deuren langs komen met pakjes aan boord of de lokale ambachtsman helpen zijn vak uit te oefenen. Voor Mercedes is China ook een grote en belangrijke markt.

Veel rijke Chinezen laten zich graag in een Mercedes-Benz vervoeren. En in het Midden-Oosten zijn de Maybach-versies zeer geliefd die qua luxe en prestige het niveau halen van Bentley en Rolls-Royce. Daimler-Benz als concern zal nog wel even blijven bestaan. Oud, vertrouwd en altijd met die ster in de neus. Zegt veel zo niet genoeg. (Beelden: Archief)

Dreiging in de nacht…Lancaster!

Dreiging in de nacht…Lancaster!

Een tijdje terug had medeblogster Liesbeth een verhaal over het Oorlogsmuseum in Overloon waar een expositie werd gehouden waarin een stel crashdelen van een Lancaster bommenwerper centraal stonden.

Die Lancaster-bommenwerper was in zijn tijd een geweldig ontwerp van Avro uit Engeland (v/h A.V.Roe naar de oprichter) dat een strategisch doel moest dienen tijdens W.O.2. De viermotorige machine was indrukwekkend, puik gebouwd en in staat om tot ver in Duitsland doelen aan te vallen en dan ook weer terug thuis te komen. De machine viel in de klasse van de eerder beschreven Boeing B-17 van de Amerikanen. Met vier Rolls Royce Merlin motoren was het een toestel met een andere filosofie wellicht, het resultaat was hetzelfde.

Vernietiging van Duitse doelen. Als basis voor dit geweldige ontwerp nam Avro de totaal mislukte tweemotorige Manchester bommenwerper die twee Vulture-motoren had met een hoge mate van onbetrouwbaarheid. De Lancaster bleek precies het tegenovergestelde. De nieuwe machine was zwaar bewapend, kon een paar ton bommen meetorsen, vloog rond de 400km/u snel en opereerde vooral in de nachtelijke uren. Dat gaf de formaties een veel betere bescherming dan die Amerikaanse vliegende forten die overdag opereerden. De Britten hadden al snel heel nieuwe technieken ontwikkeld die de Lancasters zeer effectief lieten doen wat ze moesten. Men gebruikte zgn. padvinders, De Havilland Mosquito’s, die vooraf doelen met fakkels aanduidden waarop de doelen konden worden geidentificeerd, en ook zelf ontwikkelde bommenrichtapparatuur voor een nog wat betere nauwkeurigheid.

Overigens waren de Duitse flak en de door de Luftwaffe gebruikte nachtjagers in die jaren van de oorlog nog aardig in staat om aan ook die Britse formaties grote schade toe te brengen. Soms verloren de Britten in een enkele nacht ook 20-25% van hun vliegtuigen en bemanningen. Maar de commandant van de vele squadrons van Bomber Command, Harris, gaf niet toe en bleef elke nacht nieuwe formaties sturen. Totale vernietiging van steden als Hamburg, Bremen, Berlijn, en later ook Dresden was het gevolg. Anders dan de Amerikanen bombardeerden de Britten uit vergelding, want de Duitsers bleven ook van hun kant maar aan de gangen met vernietiging van Britse steden, ook al deed men dat op een wat andere schaal dan de Britse bommenwerpers.

Die Lancaster bleek een geweldig wapensysteem. Doorontwikkelingen waren de Lincoln maritieme verkenner en bommenwerper, de Lancastrian verkeerskist van na de oorlog en de York passagiersmachine die de techniek van de Lancaster combineerde met een nieuwe romp. Een befaamde Lancaster was de machine die met een enkele zware en stuiterende bom aanvallen deed op de Roerdal-stuwdammen om zo een deel van het gelijknamige Duitse gebied onder water te zetten. De aanval lukte, het gevolg bleek relatief weinig schade aan te richten. Na de oorlog verdwenen de meeste Lancasters richting smeltovens en slopers. Een enkel exemplaar bleef bewaard. De nodige verhalen werden opgetekend. Ook van kisten die boven ons land uit de lucht waren geschoten.

Ik heb ooit zelf nog eens het verhaal verteld van de overlevenden uit de ‘Fema Dora’ een Lancaster die op het Lakereiland in de Kaag noodlandden, hun Lancester achter lieten en na verraad door ‘foute Nederlanders’ meteen krijgsgevangen werden gemaakt. Hoe dan ook, er vliegt in Engeland een enkele Lancaster bij de befaamde Battle-of-Britain-Flight. Dat toestel is ook een paar maal in Nederland geweest en ik heb het daarbij diverse malen op de foto gezet. Een indrukwekkend toestel uit een afschuwelijke periode in de geschiedenis, maar nodig gemaakt doordat totalitaire regimes met maling aan democratische waarden, dood en verderf zaaiden in voorheen vrije landen. Juist ook die Lancaster hielp een van die regimes op de knieen te krijgen. Alleen daarom al moeten we die kisten en hun dappere bemanningen koesteren. (beelden: Yellowbird archief)

100 jaar geleden..

100 jaar geleden..

Altijd leuk om weer eens terug te kijken als we een bepaalde datum hebben bereikt, zoals vandaag op de derde dag van september 2021.

Honderd jaar geleden was het weer in ons landje echt Hollands. De gemiddelde temperatuur bedroeg 13.3 graden, in het zuiden kwam het bijna tot 20 graden overdag. De zon scheen over het hele land gezien een uur of zes en het was droog. De wind was zwak en kwam uit de frisse Noordwestelijke richting. Het land herstelde zich van de gevolgen van WO1, die ook i n ons land flinke sporen had nagelaten. En met een economie die 100 jaar geleden vooral werd gedragen door de handel en goudvoorraden van de Nederlandsche Bank, ging dat herstel voor de bevolking maar langzaam. In Amerika onderdrukten federale troepen een opstand van stakende en bewapende mijnwerkers. Een deel van die laatsten vluchtten daarna de heuvels van West-Virginia in en verstopten hun wapens. Amerika en Mexico tekenden een handelsovereenkomst die vooral ging over gunstige importtarieven voor Mexicaanse olie die richting de VS ging. Over betalingen ging het ook in Londen waar een deel van de toen bekende ‘Popular Borough Council’ werd gearresteerd omdat deze lieden weigerden betalingen te doen aan de London County Council.

In de VS werd de eerste Superdreadnought, een soort extra zware slagkruiser, te water gelaten. De USS Washington had elektrische aandrijving (..) en was uitgerust met acht 41cm kanonnen en kon een snelheid van 21 knopen behalen. Of dat schip ooit enig succes heeft geboekt in echte zeeslagen is maar de vraag. Internationaal werd er een hoge raad ingesteld die moest zorgen dat een eeuw geleden de grenzen tussen Duitsland en Polen voor eens en voor altijd duidelijk zouden worden vastgelegd. Dat dit niet goed is gelukt zou jaren later wel blijken. Een schip uit de Duitse vloot, de SS Abessionia verging bij Knivestone op de Farne-eilanden nadat het schip door Duitsland aan het VK was overgedragen als verplichte herstelbetaling voor de oorlog een paar jaar eerder. Dat wrak wordt nu nog steeds vaak bezocht door duikers.

En voor wie dat wellicht leuk vindt, Ernest Hemingway, een bekende Amerikaanse schrijver, trouwde voor het eerst en wel met een acht jaar oudere dame, Elizabeth Richardson. Het huwelijk zou niet te lang, slechts zes jaar, duren, en na haar kwamen nog minstens drie echtgenotes in zijn leven voorbij. Wie Hemingway niet kent moet maar eens opzoeken wie en wat hij was. Een dag later zien we dat het nu zo actuele en opnieuw door barbaren overgenomen Afghanistan met de nieuwe Sovjet-regering van toen een overeenkomst tekende die moest zorgen dat de Russen niet bij de islamitische buren binnenvielen. Maakt veel zaken relatief natuurlijk, ook anno 2021. (Beelden: Internet)

Fort Abcoude

Fort Abcoude

Een tijdje terug besteedde ik al eens aandacht aan de zogeheten Stelling van Amsterdam die ooit in de 19e eeuw werd aangelegd rondom de hoofdstad.

Die Stelling bestond indertijd uit een keten van zwaar bewapende fortificaties, vaak wat verborgen in het landschap, die op seinafstand van elkaar en met kruiselings opgestelde kanonnen, de mogelijke vijand moest kunnen weerhouden een aanval op onze Hoofdstad te ondernemen. Van Pampus tot Hoofddorp, overal zijn die forten te vinden. Opvallend is ook dat toen het concept helemaal was uitgebouwd en de stad Amsterdam buitengewoon goed beschermd leek, de eerste Wereldoorlog duidelijk maakte dat modernere wapens als brisantgranaten en vooral vliegtuigen die forten redelijk verouderd deden zijn.

Het best prijzige fortenstelsel werd dus min of meer aan het lot overgelaten al werden ze vaak nog wel gebruikt voor de opslag van materialen voor defensie. Het oudste landfort uit de keten ligt bij het kleine plaatsje Abcoude. Je moet wel drie keer kijken om het te zien. Totaal overwoekerd door de natuur liggen hier met elkaar verbonden 19e eeuwse bunkers met uitkijkposten op sommige hoge plekken. Het hele complex werd gebouwd tussen 1884-87 en bestaat uit een combinatie van bakstenen en brikkenbeton, toen een modern bouwmateriaal. In dit complex werden na oplevering nog wel militairen ondergebracht, maar na WO1 was dat afgelopen.

Om het hele fort heen ligt een stevige en brede gracht, te paard en met een zwaard in de hand was het een lastig te nemen vesting. De deuren op de enige toegangspoort met brug minstens 25cm dik. In het hoofdgebouw ligt een kruitmagazijn, een waterkelder en slaapvertrekken voor de bemanning. Aan de buitenkant van een enkel gebouw zie je de restanten van wat ooit de plee was. Het toiletbezoek ongewild een sociaal gebeuren in die dagen. De buitenmuren van het complex zijn 1.80mtr dik. Daar was je wel veilig tegen de eventueel afgeschoten projectielen uit die dagen. Maar zoals geschreven, de later ontwikkelde granaten gevuld met brandbaar materiaal of zelfs gifgas hadden een andere uitwerking. Daarbij bleek het lastig om de dekking te garanderen die men in het oorspronkelijke plan had bedacht door het eigen geschut kruiselings te laten afschieten in geval van een aanval.

Kortom…De Stelling van Amsterdam was een duur plan voor een achterhaalde oorlogsvoering. De nodige van deze forten in de omgeving verloederden al snel. Enkele werden opgeknapt en onderhouden, dan wel voorzien van een nieuwe bestemming. Het Fort Abcoude werd op enig moment overgedragen aan Natuurmonumenten, vandaar dat men het groen zijn gang liet gaan. Sommige delen van het Fort zijn beperkt toegankelijk, en er is zelfs een natuurwandeling mogelijk tussen dit fort in Abcoude en het nabij (10km)gelegen soortgelijke fort van Nigtevecht. Een bezoekje meer dan waard dus. Wat wij zagen was dat op het terrein ook een schaatsvereniging onderdak vond net als een sportvissersclub voor gehandicapten. Kreeg ook dit fort een mooi tweede leven. Het Fort van Abcoude vindt je net buiten het centrum van dat stadje, is ook gelegen aan de Angstel en is op loopafstand (20mnt) van het gelijknamige spoorstation te bereiken. (Beelden: eigen foto’s)

Geluk…

Geluk…

Voor veel mensen is een gevoel van geluk toch dat ze vol liefde naast een partner zitten, dan wel een onstuimige liefde beleven waarbij liggen belangrijker is dan zitten.

Maar als dat liggen chronisch blijkt is dat geluk al snel ongeluk. Betrekkelijk dus dat geluksgevoel. Velen streven dit na door het materiele in te voeren als onderdeel van het gelukkig zijn. Steeds groter wonen, duurder, rijker, zelden denkt men in termen van gezondheid als ultiem geluk. Toch moet je best goed gezond zijn om van dat geluk te kunnen profiteren. Valt er een boom om en net naast jou op straat heb je meer dan zo maar wat geluk, krijg je hem op de bol had je even wat minder geluk. Een andere betekenis maar toch niet onbelangrijk. Mensen die net ontsnappen aan een of ander groot onheil denken nog wel eens in die termen. Geluk gehad…. Maar wie heeft groot geluk gekend en is dat intussen kwijt? Ongelukkigen zijn dat toch. Ben je voor een dubbeltje geboren is het kwartje wellicht te hoog gegrepen, maar sommigen zijn met dat dubbeltje meer dan tevreden. Het waarom ligt in de vraag of ze met helemaal niks ook gelukkig zouden zijn.

En dat is niet zo. Maar veel mensen zijn met weinig gelukkig. Leven in een klein huisje met de spullen die er toe doen om zich een, houden huisdieren die dat geluksgevoel versterken en als het een beetje meezit partners en/of kinderen die dat persoonlijke gevoel helemaal afronden. Voor anderen is het duidelijk dat ze meer nodig hebben om dat geluksgevoel te verkrijgen. Een tweede huis in Frankrijk, een boot, zwembad en waar nodig een vriendin of minnaar die de aandacht geeft die men in de normale situatie zo ontbeert. Wat is dus bepalend voor dat geluksgevoel? Waar komt het vandaan? En hoe kijken we er zelf naar? Ik denk persoonlijk dat veel van dat geluksgevoel ook afhangt van het feit of je al dan niet jaloers bent op anderen. Is een ander beter af dan jij en valt daar mee om te gaan?

Of ben je gewoon compleet van de leg als je merkt dat oude vrienden het verder schopten dan jij, beter opgeleid raakten, mooiere banen (en vrouwen of mannen)kregen en ook nog eens met geld smijten waar jij zelf een beetje op moet letten met je uitgaven. Als je dat laatste in de genen hebt zitten komt het niet goed met dat geluksgevoel en blijf je altijd mekkeren over de kansen die je worden/werden onthouden. Al dan niet met de identiteitskaart daaraan gekoppeld. Ik ben niet gelukkig want….. Persoonlijk heb ik geen enkele last van jaloezie. Nergens is het 100% geweldig, en Nederland is een prachtig lang. We leven hier relatief lang, gezond en op de gelukskaart van Europa scoren we als volk heel hoog. Logisch want we verdienen hier gemiddeld aardig de kost en hebben een samenleving waarin voor een ieder die wil kansen gebakken zitten. Is die villa dan de norm?

Of is een dak boven het hoofd en wonen waar het niet al te slecht is qua demografische samenstelling net genoeg? Vertel het maar. Ik ken mensen die van alles mankeren maar toch gelukkig zijn en anderen die hartstikke gezond zijn en welvarend en toch zoeken naar dat ontbrekende stukje wat het geluk kan bevestigen voor ze. Is dat geluksgevoel of de lage drempel daarheen iets wat je van thuis meekrijgt of moet je dat gewoon zelf leren?? Vragen, vragen, maar feit is dat geluk niet geheel verklaarbaar is maar wel een heerlijke deken kan zijn waarin je je dan als mens kunt wentelen. Waarbij wentelen in een bubbelbad ook gelukzalig kan wezen of juist dat samen genieten van wat ons tot mensen maakt die van elkaar houden. Wie er een mening over heeft moet het vooral hier even uiten. En laat ook eens weten wat jou het ultieme geluksgevoel geeft of zou kunnen geven. Dank bij voorbaat voor het delen. Je maakt me er extra gelukkig door… (Beelden: Archief/Internet)

Trends in autoland…

Trends in autoland…

Laat je niet gek maken door allerlei berichten over wat wij momenteel aan auto’s kopen in dit land.

Zeker niet waar het de door links zo bejubelde elektrische tractie betreft. De schreeuwerige persberichten over monsterverkopen daarvan zijn schromelijk overdreven. In totaal stellen die verkopen niet zo veel voor. Daarbij moet je dan ook even kijken naar wie in die auto’s (gaan) rijden. In ruim 50% van het totaal van alle autoverkopen betreft het dan wagens in de leasing. Modellen van 50 mille of meer zijn niet voor de gemiddelde ingezetene van dit land bestemd met een normaal inkomen. Nee, het zijn wagens van het bedrijf, de baas, of wat ook, waar bijtelling op de IKB flink lager is gemaakt dan bij vergelijkbare benzine/dieselwagens, wegenbelasting niet betaald hoeft te worden en onderhoud voor de ‘baas’ is. Die maken het gebrek aan actieradius en het moeten afstuderen op menustructuren in beeldschermen (de meeste EV’s vragen bovengemiddelde kennis van ICT om zoiets als de ruitenwissers te bedienen) ongewenst voor particulier gebruik.

En die particulier heeft geen voordelen van de overheid te verwachten. Nee, die moet het doen met veelal kleinere auto-modellen die vooral betaalbaar zijn en relatief zuinig omspringen met brandstof. En die autokopers van vroeger en nu hebben zo hun voorkeuren. Ooit was een auto niet veel meer dan een koets op hoge wielen waar men een motor in had gehangen om het aloude paard te vervangen. Latere wagens kregen zitplekken voor 2 tot 4 mensen, bagage hing je er in koffers of netten los aan. Zelfs kort voor WO2 (en ook daarna) verkocht men nog auto’s waarbij bagage geen plek vond in de constructie. Pas in de jaren vijftig werden auto’s ontwikkeld die naast een sectie met de motor, de cabine voor de inzittenden, ook een extra ruimte meekregen waarin je wat koffers kon opbergen.

De sedan was geboren. Een auto die heel lang trend zette in autoland. Hoe groter de auto, des te meer inhoud die ruimte bood uiteraard. Amerikaanse auto’s indertijd best populair. Ikea bestond nog niet, dus doorklapbare achterbanken had je ook niet. Mercedes, Opel, Chevrolet, Austin, Renault, dat waren wat van de merken waar we als automobilisten voor gingen. En die hadden allemaal een of meer modellen met een aardige kofferbak in het gamma. De latere dwerg- of compactmodellen kregen een minuscule kofferruimte voorin (motor achter) of ergens achter de bankjes opdat je toch nog wat op vakantie kon dan wel boodschappen kon halen in het dorp verderop. Auto’s waren best duur, voor veel mensen onhaalbaar, dus men deed het met wat er te koop was.

De ene auto duidelijk groter dan de andere, de voorkeur van o.a. Nederlanders voor een merk als Opel daardoor verklaard. Wegligging speelde minder dan die enorme kofferbak. Veel Opels op weg naar een vakantiebestemming reden dan ook met hun ‘kont’ over de grond. Niet zo gek als je zag wat we allemaal meesleepten. De eerste hatchback-modellen kwamen uit Italie en Engeland. Wagens zonder die typerende kofferbak, maar wel met een handige achterklep die veelal hoog kon worden weggeslagen, net als de bankjes. Resultaat, binnen de kortste keren raakte de traditionele sedan uit, en kwamen die hatchback’s in de mode. Al was het maar voor de prijs. Veelal compacte wagens waarvan de Golf-Klasse wel een van de meest bekende is. De jaren zeventig/tachtig zagen de de overgang, nu is een traditionele sedan echt een uitzondering en is dat iets meer voor de topmerken als BMW of Mercedes om ze nog te maken. Over andere trends kom ik later nog wel eens te schrijven. Maar deze heeft de lezer toch alweer cadeau gehad van me… (Beelden: Archief)

Supersoon…

Supersoon…

Pakweg vijftig jaar geleden nog maar wisten we het zeker. De toekomst van de luchtvaart zou vooral worden bepaald door supersoon vliegen.

Dat is zoveel als sneller vliegen dan het geluid! Voordeel daarvan was en is dat je voor een tripje naar New York vanuit Amsterdam geen 7,5 uur nodig hebt zoals in de meest gangbare straalverkeersvliegtuigen, maar slechts de helft van die tijd of minder. Betekende in de praktijk dat je dan vroeg in de ochtend kon aan komen in New York, daar de hele dag je dingen doen die je van belang vond/vindt en dan in de avond terugvliegen naar huis. Lukte je niet met een normale jet, hoe snel die dan ook weer vloog t.o.v. vroegere toestellen. En dus werd er al in de jaren vijftig en zestig driftig ge-experimenteerd met ultrasnelle kisten om te zien of een en ander soelaas bracht.

Het leidde tot een reeks van ontwerpen, zowel in de VS (Boeing en Lockheed), Engeland, Frankrijk en de Sovjet-Unie. Waar de Amerikanen nog dachten in toestellen die wel 250 passagiers in een keer mee konden nemen en verstelbare vleugels hadden zodat starts en landingen niet afweken van meer conventionele vliegtuigen, zochten de Europeanen het meer in machines voor rond de 100 passagiers. En een ideale vleugelvorm die zowel op hoge als lage snelheid zou kunnen functioneren. Een soort grote deltavleugel was toen het uitgangspunt. Gewelfd, motoren in gondels van twee naast elkaar aan iedere kant van n de romp daaronder en een lange slanke cabine i.v.m. de snelheden. Die romp moest overigens tegen de hoge weerstandstemperaturen en krachten kunnen die te maken hebben met die enorme snelheden. Daarnaast zouden de motoren voldoende kracht moten leveren om te kunnen versnellen naar Mach 2,2-2,5. Nadeel van die constructie, motoren hadden naverbranders nodig en veroorzaakten dus flink veel lawaai en hadden dito dorst. De Fransen en Britten vonden elkaar echter tijdens de ontwikkelingsfase en hielden zo de enorme ontwikkelingskosten relatief lager. De Concorde als concept was geboren.

De Russen kozen intussen voor een ontwerp van Tupolev. En de Amerikanen? Die staakten alle ontwikkelingen op dit gebied en gingen voor grotere subsone vliegtuigen waardoor de ticketkosten zouden kunnen dalen. De Jumbojet was geboren. En dat bleek een hit. Die SST’s (Super Sonic Transport) waren exclusiever, duurder, en vooral dorstiger. De technische opgave was enorm. De toestellen die uiteindelijk werden gebouwd werden uitgebreid getest, voldeden aan 70% van de commerciele eisen. De lijst met oorspronkelijke klanten voor de Concorde verdween als sneeuw voor de zon toen bleek dat de machine maar net aan van Londen of Parijs naar New York kon vliegen. Vaak met een beperkt aantal passagiers.

De ticketprijs werd 2,5 keer die van een eerste-klasticket in een meer normaal vliegtuig. Zeer rijke of beroemde mensen konden zich dat veroorloven. Een groot probleem was echter de zgn. supersone knal. Elk vliegtuig veroorzaakt die knal wanneer men door de zgn. geluidsmuur breekt, wat op de grond een soort dondergeluid veroorzaakt. Die knal was reden om nooit boven land, maar altijd boven zee te accelereren naar die gewenste kruissnelheid. Een geweldige ervaring natuurlijk! Uiteindelijk vlogen er samen 13 Concordes in Franse en Britse dienst. Er werden vooral promotionele zaken mee gedaan. Men vloog over de hele wereld, maar zonder subsidies van de overheden was het een zwaar verliesgevende machine. En dat gold ook voor de Russische Tu-144. Vloog wat eerder dan de Concorde, was in eerste instantie even groot, later toch doorontwikkeld tot een wat groter toestel met aangepaste specificaties. Aeroflot, de Russische staats-airline, experimenteerde er mee, maar werd nooit tevreden. Voor het imago van de Russen was het een prachtig ding natuurlijk. Maar veel geluk hadden ze er niet mee. Zo ging er een verloren boven Parijs na een vliegdemonstratie die boven de ontwerplimieten van de machine ging. De meeste Tupolev’s verdwenen daarna stilletjes in musea. En dat lot gold ook de Concorde. Na opnieuw een ernstig ongeluk waarbij dit keer een Franse Concorde vol passagiers op een hotel stortte kort na de start in Parijs was het gedaan met de exploitatie van de ooit zo trotse machines. SST’s waren uit. Jumbo’s in. Maar er is een kentering op komst. Opnieuw wordt gezocht naar manieren om sneller te vliegen op commerciele basis. Eens zien waar dat op uit gaat draaien in deze corona-tijden. Maar…je weet maar nooit…. (Beelden: Yellowbird Archief)

Ridder Brandewijn in gevecht…

Ridder Brandewijn in gevecht…

Na een dagmars van twee etmalen bereikte het gezelschap mannen rond Ridder Brandewijn de streken waar ze de schurken verwachtten te vinden die het reizigers vaak zo lastig maakten.

Het bos bij Rosendael was in nevelen gehuld, de zon liet zich niet zien. Ridder Rogier zette een gevechtsformatie uit waarbij zijn mannen in een soort ruit verdeeld het bos in trokken waarbij hij in het centrum te paard de lakens uit kon delen. Met deze manier van opereren was hij in het Heilig Land vertrouwd geraakt en het bleek effectief om de daar optredende Mohammedanen aan te pakken. Zijn opdracht was ook nu om stil te zijn voor zover dat kon om de vijand niet te alarmeren. Toen ze via de glooiende hellingen steeds hoger het terrein inkwamen waar ze de dievenbende van de roverhoofdman vermoedden was het enige wat ze daar tegenkwamen een enkele ree of everzwijn. Normaal zouden ze daar jacht op maken, maar gezien de omstandigheden was dat minder handig. Op de terugweg konden ze alsnog wel zorgen voor verse buit. Terwijl hij nog even ging verzitten hoorde hij dat de linkerflank van zijn groep met geraas in de val was gelopen bij de beruchte bende. Een gevecht brak uit.

Maar Ridder Brandewijn wijzigde zijn strategie niet. Hij hield de formatie in stand, beducht als hij was dat meer van die boeven ineens vanuit hun schuilplek de aanval zouden kunnen openen. En dat klopte. Met een hoop gebrul stortte een man of tien zich op zijn voorste linie en op hem zelf. Ze waren aan het oog onttrokken geweest door het lage struikgewas en waren daarmee dus in het voordeel. Hij trok zijn zwaard en ging met zijn paard in galop op de eerste vechtersbazen af. Zijn eigen mannen waren al in een dodelijk gevecht gewikkeld met de lieden die hen hadden aangevallen, Ridder Rogier sloeg met zijn zwaard in het rond en merkte meteen dat hij effect bereikte. Hier sneuvelde een arm, daar een hoofd, het zwaard dat het heilig land had helpen bevrijden deed hier ook waarvoor het was gemaakt en hij kon er goed mee overweg. Het leek op enig moment of hij snel orde op zaken kon stellen, het gekerm van gewonden en het vele bloed deed hem dat ook geloven.

Maar toen werd ook hij getroffen door een pijl die hem weliswaar niet ernstig verwondde, wel van zijn paard smeet. Op de grond liggend was het voor de ridder in zijn zware uitrusting lastig om overeind te komen en de eerste hem vijandige mannen kwamen al op de liggende ridder af om hem de doodsteek te geven. Steunend op zijn zwaard lukte het hem overeind te komen en die aanvallers van zich af te slaan. Dood en verderf zaaide hij, al prikte het bloed hem in de ogen van diverse wonden die ook hij opliep door het gevecht. Toch bleek na wat uren leken te zijn, dat zijn mannen orde op zaken hadden gesteld en dat ze ook gevangenen hadden kunnen nemen. Maar tevreden was hij niet. Want de aanvoerder van de troep was er niet bij. En dat was slecht nieuws. Van zijn mannen waren er drie gedood, diverse gewond geraakt en ook hij zelf had last van zijn kwetsuren. Gelukkig bleek zijn paard niet gewond en in de buurt. Toen de laatste aanvallers waren gevlucht besloot Ridder Brandewijn om het hoogste punt in het woud op te zoeken en daar kamp te maken. De gevangenen werden aan zijn paard gebonden en moesten meelopen in zijn tempo. Als ze daarbij vielen sloegen zijn mannen er op los en stonden die lui wel weer op. De avond viel, het woud begon vreemde geluiden te maken. Tijd voor een kampvuur en verzorging van de wonden. De strijd was nog niet gestreden…. De gedachte aan de blonde deerne in zijn kasteel hield hem op de been….morgen weer een dag….