Ploegt overal doorheen; Land-Rover!

Ploegt overal doorheen; Land-Rover!

Oer-Brits en bedoeld als alternatief voor oude leger-Jeeps of tractoren werd de oer-Land-Rover op de kaart gezet als een stoer vervoermiddel voor hen die vooral met rubberlaarzen en tweetjas aan plus bijbehorende pet op de bol op avontuur ging in het eigen bos of door de klei van de landerijen bij het landhuis waar men woonde. In 1948 showde het Britse merk Rover haar Land-Rover SI voor het eerst en de rest is onderdeel van onze geschiedenis. Met permanente vierwielaandrijving, benzinemotoren die tussen de 1,6 en 2 liter inhoud vertoonden, niet te zuinig waren, maar wel oersterk werd die Land-Rover vaste waarde in Engeland en ver daar buiten.

De wagens kwamen er met al dan niet stoffen opbouw, open, als pickup en soms als vervoermiddel voor dieren. Alles was mogelijk met die LaRo zoals ze al snel door militairen werden genoemd. Diesels kwamen ook in het gamma en de wijze van in elkaar zetten maakte reparaties van de carrosserie relatief simpel. In 1958 volgde een nieuwe variant de oerversie op. Je kreeg nu ook de kans een verlengde (109”) LandRover te bestellen waardoor je niet alleen een grotere lading kon meezeulen, ook iets meer comfort kon bieden aan inzittenden. De motoren groeiden ook en in 1967 was er zelfs een variant met zescilinder leverbaar. De wagens kregen steeds meer status en werden aantrekkelijk voor mensen die zich stoer waanden naast zij die nog echt in de modder aan het ploegen waren.

Maar vooral ook in de Derde Wereld werd de Land-Rover een auto die zorgde dat je op de meest onbegaanbare wegen toch nog bepaalde nederzettingen kon bereiken of bevoorraden. In 1970 kwam er verrassenderwijs ook een totaal andere auto uit de Britse fabriek. De Range Rover was geboren. Meer bedoeld voor gebruik op de weg, luxe uitgemonsterd, maar nog steeds in staat om op onbegaanbaar terrein zijn mannetje te staan. Zelfs een krachtige en soepel lopende V8 van 3,5 liter was leverbaar en sommige adelijke klanten lieten zich graag zo’n Range Rover aansmeren.

Later zag je die wagens ook in handen van wat minder vooraanstaande types een zekere namaakchique uitstralen. In ons land reed ook de Rijkspolitie met Range Rovers. Best een fijn vervoermiddel en nog snel ook, want met de juiste motor reed zo’n patrouillewagen toch al snel tegen de 200km/u. De oer-Land-Rover werd Defender, de Range Rover kreeg diverse opvolgers die steeds luxer en comfortabeler werden, er kwamen wagen als de Discovery voor de leasemarkt, de Evoque voor PC Hooftstraat-chique, en zo meer van die auto’s die vermoedelijk zelden of nooit modder of zandwegen meer zouden zien.

Land-Rover als merk los gekocht van het aloude Rover dat een jaar of 14 geleden ten onder ging. Land-Rover is nu onderdeel van Tata uit India. Het doet het merk geen kwaad. De wagens die men uitbrengt van hoog niveau en men draait de vraag nu meer om. Wie het terrein in wil wordt speciaal bediend met een aangepast model. Maar de meeste Land-Rovers toch vooral wagens met hoog en voornaam voorkomen en bedoeld voor het fijnere rijwerk. En uiteraard ook voorzien van elektrische aandrijflijnen als daar behoefte aan bestaat. Vraag is wel waar in de jungle de laadpalen staan. Maar dat zal vast wel weer worden opgelost….(Beelden: Archief)

Inmiddels verdwenen; Lancia!

Inmiddels verdwenen; Lancia!

Voor liefhebbers van Italiaanse wat exclusievere auto’s is het best een gemis dat het merk niet meer wordt geleverd in onze streken.

Lancia, opgericht in 1906 en altijd goed geweest voor sportieve auto’s vol technische innovaties. Niet iets voor de massa, wel voor hen die eens iets anders wilden. Toen het merk onderdeel werd van de Fiat-groep verwaterde dat exclusieve beeld wat en zeker in de nadagen van het merk viel er veel aan te merken op de modellenpolitiek en marketing.. Maar laten we eens kijken naar wat die Italianen allemaal bouwden door de jaren heen. Bedenk maar dat Lancia voor de oorlog al wagens bouwde met zelfdragende carrosserie (de meeste auto’s uit die tijd voorzien van een oud en zwaar los chassis waarop de body werd vastgezet) V4-motoren, bovenliggende nokkenassen en schijfremmen.

Technisch begaafd dus. Net voor de oorlog bracht men de lichtvoetige Aprillia uit, een auto met een kenmerkend uiterlijk, ronde rug als een na-oorlogse VW Kever, gedeelde achterruitjes en een wonderlijke constructie voor de achterste deuren die op de ‘foute’ wijze openden. Met een V4 blokje voorin dat 1,5 liter groot was en 48pk’s leverde haalde deze compacte Lancia 130km/uur. De wagen werd goed verkocht en vond liefhebbers die een Alfa Romeo te duur vonden en een Fiat beneden de waardigheid. De Aprillia bleef tot in 1949 in productie. Latere modellen waren de Ardea, de Aurelia en de daarvan afgeleide GT. Een auto die vanaf 1951 heel wat sportieve chauffeurs aansprak om zijn prestaties. Een V6 blok zorgde voor topsnelheden in de buurt van de 180km/u en dat was best snel in die periode. Een echte slee was de Flaminia uit 1957, waarbij je in staat was zes personen in een grote mate van luxe en comfort te vervoeren met zeer behoorlijke snelheden. De als een sedan gebouwde grote wagen had zelfs een wisser op de achterruit wat indertijd (en nu nog) best bijzonder was voor een auto in deze klasse.

Intussen bouwde Lancia ook nog trucks, zoals de Esadelta. Vanaf 1960 ging Lancia over op modellen met voorwielaandrijving, de Flavia daarvan een exponent. Wat hoekig gebouwd, dubbele uitstekende koplampen, een aluminium boxermotor voorin en een top van 160km/u. Opnieuw een staaltje Italiaans vernuft dat een bescheiden doelgroep zou aanspreken. Ook de Fulvia was er zo een. Sedans en sportcoupe’s met die naam in de jaren 60/70 te vinden in de showrooms van de dealers. Maar voor het circuit geschikt was met name de Stratos die in 1972 op de wielen werd gezet. Een soort bommetje op wielen dat veel concurrenten tijdens rallies het snot uit de ogen deed komen.

Met een V6 van 2.4 liter was 230km/u ineens haalbaar en speciaal getunede versies gingen daar dik over heen. Een auto die ook in ons land kopers wist te vinden was de Beta-serie. Hij oogde sportief en was dit ook en daarnaast best betaalbaar. Maar roest was intussen ook wel een dingetje geworden bij Lancia en daaraan leden de Beta’s extreem heftig. Een geweldige imagobouwer was de Delta Integrale, die in rallies de Stratos verving, maar ook heel wat sportieve rijders op de weg aan zich wist te binden. Getekend door Giugiaro had de auto motoren waarmee je gewoon boven de 200km/u kon toeren.

De Integrale met vierwielaandrijving en dus een wegligging als een HSL-trein. Een auto voor de zakenmarkt was later de Prisma die zijn techniek deelde met de Fiat Regatta. Een sedan zonder opsmuk, maar met die luxe die verwant was aan het merk Lancia. Een merk dat daarna steeds meer grijs begon te worden. Mee moest op de platforms van Fiat’s en ook telkens de onderscheidende waarden van het merk miste. Een jaar of tien geleden was er nog een schitterende en opvallende Delta, die met name in ons land bij leaserijders de handen op elkaar kreeg.

Net als veel dames vielen voor de kleine Ypsilon die in vele kleuren leverbaar was maar eigenlijk niet veel meer dan een Fiat met andere koets. En toen Fiat/Chrysler besloot om o.a. de Chrysler 300 en Voyager als Lancia te gaan verkopen hier was het einde in zicht. Het merkgevoel verdwenen, de dealers in mineur en de aantallen verkochte auto’s nauwelijks meer in honderdtallen uit te drukken. Lancia verdween. In Italie nog te koop, maar elders niet meer. Het einde van een tijdperk. (Foto’s: Internet/archief)

Tegenwoordig Indiaas….maar ooit oer-Brits; Jaguar!

Tegenwoordig Indiaas….maar ooit oer-Brits; Jaguar!

Voor veel mensen is Jaguar een oer-Brits automerk waar men allerlei fraais in elkaar stak dat vooral bedoeld was voor de Upper-class van onze samenleving.

De gemiddelde Opel of Ford-koper kon slechts bewonderend opkijken tegen de veelal klassiek aandoende limousines die het bedrijf voor en na WO2 leverde. Het bedrijf startte voor die grote wereldbrand als Swallow Sidecars onder leiding van oprichter William Lions met de fabricage van zijspannen voor tweewielers, later volgde als vanzelf de productie van vierwielers die men de aanduiding S.S. meegaf. Toen men ook in Engeland door kreeg dat die aanduiding enigermate beladen was besloot men om de naam Jaguar in te voeren en het logo van het merk ook als een springend roofdier uit te voeren.

Jaguar leverde altijd veel moois voor een net even aardige prijs dan de concurrentie die op dat moment best heftig was in het Verenigde Koninkrijk. Klassiek aandoende sedans, drophead coupe’s en zo meer passeerden de revue. En wie het zich kon veroorloven reed er graag in rond. Een Rolls Royce of Bentley was nog net even een klasse hoger wellicht, maar dit kwam aardig in de buurt.

Goed presterende 6-cilinder motoren, houten dashboards, lederen bekleding, soms ook wat technische innovaties als onafhankelijke wielophanging voor. Het waren mooie tijden voor het merk. Met de D-Type deed men mee op sportief gebied. De zeer aansprekende en brullende racewagens deden het geweldig in races als de 24 uren van Le Mans, maar kregen daar ook een negatieve naam na een crash met een van die wagens in het publiek. Het heeft de verkoop aan de klantenkring nooit in de weg gezeten. Naast de schitterende MK VII, VIII en MK IX of XJ6 reeks bracht men ook sportwagens als de prachtige XK of nog aansprekender de E-Type met zijn lange neus en vele aansprekende uitvoeringen.

Jaguar bracht voor de ware liefhebber o.a. een versie van die sportwagen met een V12 motor die moeiteloos doorstoomde naar 240km/u. Technische problemen maakten dat deze wagens soms best een slecht imago kregen bij de gebruikers, maar liefhebbers van al dat fraais smulden er van als er weer een E-Type voorbij brulde. In de VS zeer geliefd. Latere modellen van Jaguar kregen hetzelfde imago. Prachtig, maar ook kwetsbaar. Een periode van verliezen en achterblijvende ontwikkelingen maakten het merk zelf ook wat kwetsbaar.

En ergens in de jaren negentig werd Ford eigenaar. Men moest andere wagens bouwen. Modellen voor de leasemarkt, en gebruik makend van Ford technieken. Ineens kwamen er stationcars en diesels uit de fabrieken van het aloude merk. Veel ware liefhebbers moesten daar niks van hebben. Toch bleef de naam Jaguar wel staan voor dat typische Britse, ook al kreeg je dat dan slechts in naam en houtnerf dashboards in een compacte auto geboden. Midden in de financiele crisis van 2008/10 besloot Ford afscheid te nemen van haar Britse dochter.

Uiteindelijk werd Tata uit India de nieuwe eigenaar. En kreeg Jaguar daarmee lucht om verder te gaan. Men maakt nu weer erg aansprekende wagens, de naam van het merk waardig en opnieuw geschikt voor de zakenrijder die iets anders wil dan een plastic fantastic Tesla of standaard BMW. Leder, hout, het zit er allemaal weer in, maar nu op een technisch andere basis. En hybrides ook beschikbaar voor hen die dat wil. Jaguar niet voor iedereen, en dat zie je terug aan de verkoopcijfers in ons land. Maar wel iets heel bijzonders. Mijn verhaal is natuurlijk niet compleet over dit merk, maar ik hoop wel een beeld te hebben gegeven van hoe zo’n merk door de jaren heen ook in Nederland een eigen plek wist te behouden. (Beelden: Archief Yellowbird/internet)

GAZ – Russische Fordfabriek met eigen karakter..

Ook bij dit Russische automerk weet ik zeker dat veel lezers meteen melden dat ze geen idee hebben waar ik het over heb. Welnu, GAZ, oftewel de autofabriek van de stad Gorgy in de toenmalige Sovjet-Unie, werd in 1932 opgericht ter eer en meerdere glorie van het Russische volk. Maar wel met meer dan een beetje hulp van Henry Ford en zijn ingenieurs. De eerste modellen die de Sovjets dan ook bouwden waren gewoon Model A’s die in het westen zeer succesvol waren. Latere modellen van eigen bodem vertoonden nog steeds grote invloed vanuit de voormalige Amerikaanse leermeesters.

Later nam die invloed sterk af. Amerika toch de kapitalistische oervijand van het Stalinisme. GAZ moest op eigen benen staan en kreeg door de Tweede W.O. de nodige opdrachten vanuit het Rode leger. Men maakte o.a. stafauto’s die bij bossen werden gefabriceerd en bleek ook in staat vierwiel-aangedreven wagens voor dit doel te bouwen. En die ervaring zette zich door in de GAZ 69 ‘Jeep’ die na de oorlog in Oost-Europa zeer succesvol werd ‘verkocht’. Noeste wagens zonder al te veel comfort, maar wel in staat om zich overal doorheen te ploegen.

Elke auto die GAZ later uit bracht kreeg een M-nummer om aan te duiden welk model het dit keer betrof. Zo had men op enig moment de M20 in de aanbieding. Een ruime sedan met afgeronde achterkant die al snel de bijnaam Pobieda kreeg (Overwinning). De auto had een dorstige viercilindermotor in het vooronder met een drieversnellingsbak en was vooral populair bij overheidsdiensten zoals de KGB en andere geheime politie-dienaren in Oost-Europa. Ook taxi-chauffeurs waren er gek op.

Na een paar jaar volgde de sierlijke M21 Volga die ook onze streken bereikte. Technisch was er niet te veel veranderd, maar de carrosserie leek veel op toenmalige Britse en Duitse wagens uit de middenklasse. De oudere M20 kwam toen in productie bij de Poolse FSO-fabrieken. (Zie FSO-hoofstuk 25-10 jl)Met de Volga werden ook weer de nodige markten bewerkt. Zelfs de Nederlandse want ook hier reden die wagens rond. Zelfs leverbaar in toch wel erg kapitalistische tweekleurenlak.

Latere modellen van GAZ waren de M24 Volga met een strakke en ruime carrosserie en verbeterde techniek. Ook hier geleverd, o.a. met een Britse dieselmotor. GAZ bouwde ook zeer luxe limousines voor de top van de communistische partij. In totaal was GAZ zo gegroeid dat het gold als een van de grootste autofabrieken van Europa. In de huidige tijd is dat een stuk anders geworden. Na uiteenvallen van de Sovjet-Unie was de behoefte aan auto’s voor de partij weggevallen en kozen veel Russische klanten voor een westerse auto.

Net als bij andere fabrikanten in dat grote land werd GAZ in feite ontmanteld, opgeknipt en kreeg het andere taken toebedeeld. De hoogtijdagen waren voorbij. Maar men probeerde nog wel met o.a. oudere Chryslermodellen klanten te trekken. Daarnaast mocht men de Russische tegenhanger voor de Amerikaanse Hummer maken die nu breed worden ingezet door het Russische leger. Onbekend maakt onbemind wellicht, maar de geschiedenis toch aardig genoeg om hier te vermelden. (Beelden: Archief Yellowbird)

Frans topmerk met Amerikaans hart; Facel Vega!

Als je tegenwoordig een gemiddeld iemand vraagt welke Franse merken zoal bekend zijn hoor je toch al snel de bekende jongens als Citroen, Peugeot of Renault, maar Facel Vega komt meestal niet voorbij. Behalve bij echte kenners. Toch was dit merk ooit bedoeld als concurrentie voor Jaguar of Ferrari. Luxe sportieve wagens dus met grote prestaties. Gebouwd door een bedrijf waar ene Jean Daninos aan het roer stond., En die man had praktische maar ook innovatieve gedachten voor zijn auto’s. Zo ontwierp hij met zijn team prachtige wagens vol potentie die werden aangedreven door uit de VS geimporteerde V8’s waarvan het vermogen zodanig was dat je met je Facel Vega over de 230km/u kon rijden. En dat anno 1954. Aansprekende prestaties. Niet dat hij er veel van verkocht, maar dat hielp wel voor de exclusiviteit.

Als dat al niet door de stevige prijzen werd bewerkstelligd, want een Facel Vega was geen Opeltje of Volkswagen. Een werkelijk slagschip was de Excellence die qua prijs terechtkwam in het segment waar je ook een Rolls Royce kocht. Motorisch gelijk aan zijn oudere voorgangers, maar voorzien van vier portieren die zonder middenstijl openden en je dus een groot comfort boden bij in en uitstappen. Nadeel van die constructie, de stijfheid van de carrosserie was een dingetje en kon zorgen voor aanslaande portieren. Maar een luxe sedan met een top van boven de 200km/u was wel weer aansprekend in bepaalde kringen.

De Facel Vega’s werden steeds minder Barok in hun uiterlijk, verkochten weliswaar daardoor beter, maar de kritiek op het wonderlijke karakter, Franse auto met Amerikaans hart, zwol zodanig aan dat men besloot om een wat kleiner model uit te brengen met eigen motoren. De Facellia was geboren. Met een eigen 1,6 liter grote motor was dit een puur Frans product. Maar dan ook wel een met de slechtste eigenschappen van Franse techniek ingebakken in de genen. De motor, uitgerust met twee bovenliggende nokkenassen, was van bedroevende kwaliteit. Van de net 1250 gebouwde Facellia’s stonden de meesten regelmatig en langdurig in de werkplaats voor stevige reparaties. Facel Vega’s naam ging onderuit. Dat trachtte men nog wel te pareren door een Volvomotor in te kopen en het volgende model (1963-4) een andere type-aanduiding te geven, maar het kwaad was al geschied. Facel Vega ging failliet. En werd nooit meer tot leven gewekt. De Franse autowereld was een mooie merknaam armer. Als klassieker zijn die Facel’s best aan de prijs. Beetje oude met V8 motor doet dik 50 mille in goede staat. De kleine Facellia’s zijn tegenwoordig ook gevraagd en doen ongeveer de helft. (Beelden: Yellowbird archief)

Louwman Collectie en Museum…

Mag ik als conclusie maar meteen aangeven dat iedereen die ook maar iets heeft met het fenomeen auto en met name de ontwikkeling daarvan en ook nog eens met een prachtig ingericht museum, zeker op korte termijn zou moeten afreizen naar Den Haag waar je dan het ongekend fraaie Louwman Museum vindt naast de N44 tegenover de paardenracebaan Duindigt. Want na een recent gebracht bezoek kan ik als getuige-deskundige echt wel constateren dat hier iets heel bijzonders is neergezet. Die Louwman-collectie die in het museum is ondergebracht is er wel een van buitengewone aard. De familie Louwman, toch vooral bekend tegenwoordig van haar activiteiten als Toyota-importeur, startte al in 1934 met het bij elkaar brengen van heel bijzondere voertuigen.

En dat ging door de generaties van de familie heen gewoon door. Op enig moment richtte men voor het uitstallen van de collectie een grote koepel in bij het importeurscentrum Raamsdonkveer, maar dat was na een aantal jaren gebruik toch wel wat te klein. Dus pakte men het ambitieus aan en vestigde zich een paar jaar terug in Den Haag, het oude honk. In een prachtig gebouw, omgeven door een mooi landgoed, met een parkeergarage onder het gebouw. Parkeren kost je daar overigens 6 euro. Wie met een echte klassieker komt mag op andere plek zijn auto (uit)stallen. De entree is zakelijk ingericht, links de jassen en tassen opbergen, rechts meteen de museumshop. Wat daar te koop is mag je niet verwachten bij de Action, de prijzen zijn er ook totaal anders.

Goed nadenken over wat je zou willen aanschaffen wel een advies om in het achterhoofd te houden. Maar het ziet er wel gelikt uit. En dat gelikte gaat op voor het hele museum. Beneden is een schitterend ingerichte horeca-gelegenheid, opgebouwd uit een meer dan ruime zaal met allerlei gevels van huizen en winkels en ook nog wat oude auto’s en andere objecten ter verhoging van de sfeer. De service is er zakelijk en snel. De Museum-route loopt volgens achterliggende gedachte van boven naar beneden.

Met de lift omhoog dus en dan via een werkelijk schitterend (maar niet altijd logisch) ingerichte looproute langs alles wat met de vroegste ontwikkeling van de auto van doen had langzaam naar beneden. Diorama’s op schaal maar ook 1:1, maken duidelijk dat de meeste autobouwers toch ooit begonnen zijn als koetsenmakers voor paardentractie.

Al lopend kom je allerlei ontwikkelingen tegen. Je ziet hoe pakweg honderd jaar geleden de benzine-auto de strijd aan ging met de elektrische en stoomtractie en hoe die gewoon naast elkaar konden bestaan. Je ziet ook dat die elektrische wagens ook toen al zuchtten onder last van hun accu’s en leden onder het gebrek aan actieradius. Niets veranderd. Bij stoomtractie was je toch meer machinist dan chauffeur en de aandrijving was veel te ingewikkeld om de strijd met benzine aan te kunnen. Leuk is ook een klassieke auto met magneettractie, heel ingewikkeld, maar zonder al te veel energie te gebruiken onderweg. Helaas vroeg de productie van die wagens wel te veel van de fabrikant, die stopte er mee. Er is een ongekende veelheid aan prachtige wagens te zien. Een deel direct herkenbaar omdat ze vaak uit de jeugdjaren in de herinnering zitten. Maar er staan ook wagens die je echt nergens zult tegenkomen. Krankzinnig van uitvoering, perperduur, maar wel in die collectie. En je weet bijna zeker dat met een slinger of omdraaien sleutels die schitterende wagens zo staan te zoemen en weg kunnen rijden.

Het is te veel om even in een uurtje op te nemen. Prachtig uitgestald, en met zoveel ruimte om de meeste zaken heen dat men de volgende generatie Louwmans gewoon kan laten door verzamelen. Ruimte genoeg. Ik genoot net als het gezelschap waar ik in verkeerde en deze dag voor mocht gidsen. De ambiance is rustig, ruim en voldoende informatief. Voor de liefhebbers van het kleine zijn er ook stellingen vol vitrines met schaalmodellen te vinden, maar bijvoorbeeld ook keramiek en zilverwerk. Toegang van het museum is 15,00 E. p.p. De MJK en RotterdamPas geven gratis toegang. Afrekenen van de parkeergarage moet je doen bij de uitgang van die garage zelf en dat is niet zo klantvriendelijk. Moet aan de kassa toch ook kunnen zou ik denken. Maar verder…petje af voor dit prachtige museum. (Beelden: Yellowbird collectie)

Poetin’s limousine….

Je leest de status van een groot leider niet af aan zijn daden, zo lijkt het wel eens, maar aan de grootte van zijn persoonlijke limousine. Denk maar eens aan de enorme Cadillac van de Amerikaanse presidenten, die in het jargon bekend staat als ‘The Beast’. Die wagen is tonnen zwaar en zodanig gepantserd dat hij vrijwel elke aanslag of aanval kan overleven. Eigenlijk een glimmend gepoetste tank op min of meer normale wielen. De Russische president Poetin was dit al jaren een doorn in het oog. Zijn Zil’s stamden nog uit de tijden van Sovjet-Unie en oogden niet meteen als showcase voor het moderne Rusland en waartoe dat land in staat was. Dus vond Poetin dat er een nieuwe limousine moest komen. Een die zich kon laten zien aan de wereld. En dus kwam er een nieuw bedrijf, een nieuwe topmanager (ex Daimler Benz) en een specificatie die de Russische president zou bevallen. De Aurus Senat was het resultaat. Een auto die er zijn mag.

Geleverd op een wielbasis van 4.30mtr (er komt ook een ‘korte’ versie met 3.30mtr) en een uitmonstering die Russische klanten moet weg halen bij merken als Rolls Royce of Bentley. De motorisering komt van Porsche en men denkt aan het milieu want hij wordt geleverd met hybride-aandrijving, deels elektrisch dus. Dat zorgt voor bijna 600pk vermogen en een koppel als een dieseltrein. Sprinten van nul naar honderd kilometer per uur kan ook, en wel binnen zes seconden. En dat met zo’n enorme bak. De meeste burgermansauto’s in dat grote land komen niet eens in de buurt. Dat de ontwerpers hebben gekeken naar Bentley en Rolls is niet zo gek. Wil je opvallen moet een auto iets hebben wat tegelijk herkenbaar maar ook vreemd werkt. In eerste instantie worden de enorme auto’s gebouwd in een fabriek bij Moskou, waar er pakweg 150 per jaar worden gebouwd. Maar als er vraag is naar de meer normale (..) versies, gaat dat aantal oplopen naar 5000 stuks per jaar.

En men zal de verkopen niet beperken tot het Russische thuisland. Men wil ze ook aan andere wereldleiders kunnen bieden, en daarbij zal de prijs toch een rol spelen. Intussen stonden de eerste meer normale uitvoeringen op autoshows. Klaar om met hun looks ook die leiders van met Rusland bevriende naties te overtuigen dat Rusland meer biedt dan Lada’s en dat soort wagens. En de President zelf? Die is tevreden. Want zijn Aurus was best een topic tijdens een zomerse ontmoeting met Trump. Wie de grootste heeft is best een dingetje onder dit soort mannen. Ik vrees dat Trump binnenkort in een oplegger-limousine op staatsbezoek gaat…(Beelden: AMUS)

Borgward komt terug

Geef Chinezen een vinger en ze pakken je hele hand. Zo gaat dat zeker vaak in de wereld van het grote geld en het zakendoen. Chinezen kochten intussen heel wat bedrijven en merken op in het westen en bouwen dan de boel om tot iets wat lijkt op… maar het net niet meer is. Laten we wel zijn voor veel mensen van mijn generatie is bijvoorbeeld Borgward een automerk om te herinneren. Ook al ging het al in 1961 failliet. De enige grote autofabriek van Noord-Duitsland met schitterende auto’s als de Isabella in de showroom en nog wat submerken als Hansa en Goliath onder haar beheer. Borgward was indertijd best wel een merk van enige statuur. Wie zo’n auto kon rijden was vaak directeur van een eigen textielfabriek of scheepswerf.

Nu, na een jaar of 55 is Borgward op de weg terug. Niet meer in eerste instantie uit Duitsland afkomstig maar uit China. De Chinezen kochten een paar jaar terug de merkrechten en beloofden dat ze er iets nieuws van zouden bakken. Met o.a. elektrische SUV’s, een markt daarvoor was zeker in China zelf zeker te vinden en die historisch sterke westerse naam goed voor de verkopen. Maar Borgward gaat ons verrassen. Want men komt ook met SUV’s met een meer dan betaalbare prijs waarin men een tweeliter benzinemotor monteert die 224pk gaat leveren en standaard vierwielaandrijving kent en een geflipperde zesbaks-automaat. De auto wordt aangeduid als BX7 en moet het kunnen opnemen tegen de gevestigde orde van o.a. VW en BMW.

Daartoe krijgt de nieuwe Borgward ook een vracht aan extra’s mee die je elders extra moet betalen. De prijs moet ergens rond de 45 mille komen te liggen en dat is dan nog maar het eerste model. Een kleinere BX5 en een BX-6 met coupe-achtige lijnen komt er aan, net als die beloofde elektrische versies. De wagen wordt in China al op de lopende band gebouwd en het zal niet te lang duren voor je in Duitsland de eerste exemplaren van dit retromerk kunt kopen. Later willen de Chinezen ook weer terug naar de wortels van het merk als ze de Borgwards voor Europa in Bremen gaan bouwen. Dat kent vele voordelen, ook v.w.b. de zekerheden die de moderne Euro-NCAP botsproeven en uitlaatgastests betreft. In Duitsland werkt met op moderne wijze via internet samen met Sixt, de autoverhuurder. Die zal er zelf wel een aantal gaan inzetten. Volgens de Duitse autopers komt Borgward in eerste instantie beschikbaar in Duitsland, Frankrijk en Italie. Men zoekt voor de kleinere Europese landen nu al naar importeurs en dealers. Want de opmars van Borgward zal niet te stuiten zijn. Zo zelfverzekerd is men wel. En ik denk…terecht! (Beelden: AMuS/Internet)

Wandelen door Zuid…

Het oude Stadhuis van Nieuwer Amstel werd uiteindelijk het Gemeente-archief Amsterdam.

Als ik wel eens mensen te gast had of heb die Amsterdam willen zien en dan niet specifiek de bekende plekken als Dam, musea of de P.C. Hooftkoopgoot, laat ik ze vaak bepaalde routes lopen. En stevig ook. Dan wandelen we bijvoorbeeld in redelijke tempo langs de Amstel, toch de naam gevende stroom water die de stad in feite vormde, richting het oude centrum. En dan komen we steevast langs ofwel de Amsteldijk dan wel Weesperzijde voor onze toeristische route met uitleg. Want die route laat goed zien hoe de stad ooit door de eeuwen heen over de eigen grenzen heen bleef uitbreiden. En dat doet Amsterdam nog steeds. Heel wat vroegere buurgemeenten werden zo opgeslokt of men kocht land van die buren om daar stadsuitbreiding ruimte te geven. Tijdens onze wandelingen laat ik ook de diverse schillen zien die de eeuwen verbeelden waarin dit zich allemaal afspeelde. Het grappige is dat de grote expansie eigenlijk plaats vond in de 19e eeuw. De grote stad trok mensen aan vanuit heel wat verre streken, al was dat dan wel in Nederland zelf. Friezen, Zeeuwen, Limburgers, bedenk het en men kwam zich omwille van de economische dynamiek in Amsterdam settelen.

Aan de Weesperzijde staan fraai versierde panden…peperduur tegenwoordig.

Daarvoor had men huizen nodig. En omdat de meeste nieuwe bewoners vaak leefden van een laag inkomen mocht dat weinig kosten. En zo ontstonden de nu nog bekende arbeiderswijken als De Pijp. Waarvan een groot deel werd gebouwd op het grondgebied van Nieuwe-Amstel dat een zeer behoorlijk gebied van haar gemeente in die periode over deed aan de grote buurman. Inclusief het oude Gemeentehuis. Dat vindt je nu nog langs de Amsteldijk, ter hoogte van de zgn. Tolstraat. En die dankt zijn naam weer aan de oude tolhuizen die daar ooit hebben gestaan. Amsterdam dempte sloten, en bouwde in feite op dezelfde wijze als die waterwegen de nieuwe straten. Zat ergens een bocht in een sloot zit die dus ook in de straat. Overigens heette dat deel van de stad waarover ik het heb ooit gewoon Amsterdam-Zuid.

Het plan Zuid en Oud-Zuid links op deze foto. De Amstel is hier op haar breedst..

Toen achter de waterstroom dat we nu kennen als de Jozef Israelkade het Plan Zuid van Berlage werd gebouwd was die nieuwe buurt Nieuw-Zuid en noemde de gemeente Amsterdam het oudere deel Oud-Zuid. Latere stadsbestuurders gaven er weer andere benamingen aan, alles moest met de tijd mee. En wat voor Zuid gold was ook van toepassing op de uitbreidingen aan de westkant van de stad of het oostelijke stadsdeel. Kenmerkende eigenschappen, revolutiebouw, lange rechte straten en veel gelijkvormigheid. Al snel werden de huizen door de beoogde huurders ingenomen, en soms door de jaren heen compleet uitgewoond. Nog niet zo lang geleden zijn veel oudere woningen opgeknapt en onderdeel geworden van de yuppenbuurten die Amsterdam er nu zo veel telt. Waarbij veel van die oude huurvoorraad in de particuliere verkoop werd gedaan.

De Rijnstraat was ooit de belangrijkste toegangsweg vanuit Utrecht richting het centrum..

Opvallend detail is ook dat langs die eerdergenoemde waterweg, de Amstel, de huizen aan beide zijden relatief duur en chique waren of zijn. Bedoeld voor de beter gesitueerden van toen. Versieringen, luxe, uitzicht op het water, het mocht wat kosten. En als je over die wandelwegen met me mee loopt zie je ook niets van die vroegere armenwijken maar slechts de chique van vroeger. Zo wilde de stedelijke bestuurders het ook graag zien. Eveneens mooi, aan die eerdergenoemde Tolstraat lag ook de diamantslijperij van de familie Asscher. Een groot gebouw dat zorgde voor flink wat werkgelegenheid.

Amsterdam kent heel wat groenzones….

De veelal joodse werknemers kregen een piepklein huisje van de firma in een buurtje dat wat verscholen ligt tussen de veel hogere huizenblokken waar de elders werkenden woonachtig waren. Je moet er eens doorheen lopen om te zien hoe armoedig dat vroeger allemaal zal zijn geweest. De term bloeddiamanten past ook best bij deze benadering vanuit de grote heren die flink verdienden aan de handel in dit harde edelstenenspul. Maar ook dit wijkje is intussen gerenoveerd en wordt bewoond door heel andere lieden. Kortom, een dorpje in de stad. En de moeite waard om te bezoeken. Mocht je eens in de buurt zijn…Maar wel de wandelschoenen aan. Een beetje wandeling is toch al snel 10-12 km lang. Oefenen is noodzaak….

Duusboerk…

WP_20141127_003Ook al kom ik dan al decennia lang regelmatig in het Teutoonse land der oosterburen, er zijn steden die ik in het verleden nog nooit echt bezocht. Had vele redenen. Soms omdat het er daar niet uitzag, of zoals in dit geval, omdat de stad een bedrijf herbergde waaraan ik weinig fijne herinneringen koesterde. Toen onze Soester vriendjes met het voorstel kwamen om weer eens samen op stap te gaan en dan van de kerstmarkten en winkels te genieten in juist deze stad was mijn aanvankelijk enthousiasme niet zo groot. Niet om het gezelschap, of het prima hotel met faciliteiten waar ik meteen ‘U’ tegen zei, nee, het was die stad. ‘Kon niks zijn, zo grauw en industrieel’. Dus toen ik samen met hen voor het eerst het centrum van Duisburg(spreek uit Duusboerk) in liep werd ik blij verrast. De stad is groot, uitgebreid, en omvat zo’n half miljoen inwoners. Er is een haven, metronetwerk en er lopen heel wat vertegenwoordigers van andere culturen rond.

WP_20141127_015 In die zin dus gewoon een grote stad met alles wat daarbij hoort. Elke zichzelf respecterende winkelketen zit er ook, zoals de Hema, maar ook giga-warenhuizen van Karstadt en Kaufhoff. De kerstmarkt is er gezellig, groot, mooi verlicht, en net als vorig jaar in Düsseldorf stond ook hier een stevig en fraai verlicht reuzenrad. Loop je met een camera rond is er voldoende te vinden om even vast te leggen op de gevoelige digitale plaat. Er zijn parken, kunstwerken en de oude Salvatorkerk, een gotisch godshuis dat tussen 1415 en 1513 werd gebouwd en intussen diensten verzorgt voor de Protestantse gemeente van Duisburg. Je moet het gebouw absoluut even bekijken als je genoeg hebt van de vele, vele naoorlogse bouwwerken die deze stad ook wel kenmerken. Want meer dan 80% van de oorspronkelijke stad werd weggevaagd tijdens de Tweede W.O. en men bouwde na de oorlog weinig terug in de vooroorlogse stijl, al zijn er wel wat aardige voorbeelden van terug te vinden.

WP_20141127_004Duisburg mist wellicht het chique van Düsseldorf, het gezellige van Aken en Keulen, het is een stad met alles er op en aan en wie van shoppen houdt komt hier best aan zijn/haar trekken. Opvalllend was de sfeer. Die is heel gemoedelijk en qua eten en drinken is dit een paradijs. Er is heel veel  meer te vinden dan alleen maar schnitzels en friet. Wij aten overheerlijk bij een Chinees restaurant met geweldig terras in een giga-winkelpassage. De bediening was net zo goed als het eten. Zalig, en voor een prijsje…… De verlichting ’s-avonds is overweldigend. Dat heeft men in Duisburg top voor elkaar.

WP_20141127_038En dat geldt ook voor de cultuur, veel kunst op straat, musea, boekenzaken, kortom ook liefhebbers van juist dit facet van het leven zijn hier vast zeer tevreden. Ons bezoek was er een van slechts een paar dagen. Jammer, want er is voldoende om je hier nog wat langer vast te houden. Ik trek al mijn vooroordelen direct in. Ik had het er naar de zin. Net zoals ooit Gerardus Mercator, die hier woonde en werkte en uiteindelijk ook werd begraven. Duisburg ligt op 1,5 uur rijden van Utrecht in hartje Roergebied, steden als Oberhausen en Essen vindt je op 15km afstand ongeveer. Goede verbindingen en meestal parkeren in het centrum van de stad voor een rrelatief laag bedrag.