Leven met de Vliegende Pijl – 26 – Klantenkring en kwaliteit!

Skoda kende als merk een bijzondere klantenkring die je voor een deel kon opsplitsen in de periode van voor de verplichte APK (1983) in ons land en die van daarna. Het Tsjechische merk had in die eerste jaren vooral politiek principiële of sterk prijsbewuste rijders. Mensen die net als ik zelf indertijd gingen voor het merk, er ook iets mee hadden. Soms koos men dan voor het Tsjechische merk vanuit overwegingen waarbij ook het Russische Lada of Scaldia een rol speelden. Communistische sympathieën kwamen soms ook voorbij, maar vooral toch die financiële overwegingen. Wie nieuw wilde rijden en niet al te veel eisen stelde aan zaken als imago of wegligging had er in die periode een prima auto en merk aan. Dat werd compleet anders toen de APK-keuringen in ons land werden ingevoerd aan het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Mensen met een Franse of Italiaanse auto die meenden dat hun vlotte of modieuze auto nog jaren mee kon ontdekten toen tot hun schrik dat veel van die wagens na een paar jaar gebruik al compleet verrot waren en die jaarlijkse verplichte technische keuring niet meer door zouden komen. Het waren vooral ook mensen die best wat spaargeld hadden of in de huizenhausse uit die dagen geld hadden overgehouden dat ze via een persoonlijke lening of zo konden besteden aan een nieuwe auto. En dat zorgde voor veel nieuwe klantenaanwas voor het Tsjechische merk. Voor veel van hen was het dan soms wel wennen aan de bijzondere eigenschappen van die toenmalige Skoda’s. Zwaarder sturen (tot en met 1984 worm en rol stuur) plus toch ook de zijwindgevoeligheid die hoorde bij het concept van de motor achter, het soms matige starten als je de gebruiksaanwijzing niet had gelezen, allemaal dingen die men soms niet gewend was. En de gebruikersklachten stegen daardoor soms wel. Sommige Skoda-klanten meenden oprecht dat ze een Mercedes-Benz hadden gekocht voor een prijs die nu nog steeds belachelijk laag is. Omgerekend E. 3.400,- kostte toen een splinternieuwe S-105S en dat was dus best goedkoop. Zo goedkoop, dat Skoda er ook trots mee adverteerde. En strijd leverde met het Russische Lada om wie nu wel de goedkoopste auto van Nederland kon verkopen. Imago telde daarbij wat minder, lage kosten ook. Maar helaas waren al die Oost-Europeanen in de dagelijkse situatie net als veel westerse tegenvoeters met een lage prijs, niet zo goedkoop als ze leken.

Waren die Skoda’s dan nog best redelijk betrouwbaar, je kwam ondanks de genoemde praktische punten meestal wel op de plek van bestemming aan. Bij Polski-Fiat/FSO of Dacia was de kans dat je door mechanisch falen niet aankwam veel groter. Vooral die Poolse wagens blonken negatief uit door grote technische problemen. Veroorzaakt door de slechte lagers die de Polen gebruikten in de toch ook al erg oude en in licentie gebouwde Fiat-motoren. Versnelling- en cardanassen, motorblokken, alles liep in de soep bij die auto’s en daarbij had je dan ook nog het probleem van de vele elektrische defecten. De klanten voor juist dit soort wagens kwamen veelal uit andere Oost-Europese of Italiaanse modellen, waren wel iets gewend op dat punt, maar dit was wel erg vervelend. Nog een geluk dat wij er zo weinig van verkochten… Ik beschreef ze al eerder. De Hyundai’s van de eerste generatie die wij een tussen 1978 en 1983 verkochten waren technisch goed in orde. Daar vond je mechanisch geen echte problemen. Maar in tegenstelling tot wat we bij Skoda gewend waren, roestten die Koreaanse karretjes letterlijk zowat al in de showroom. Het was soms verschrikkelijk en je moest wel heel veel geluk hebben wilde die auto’s een jaar of zes mee gaan. En het aantal klachten over dat fenomeen werd door de Koreanen in die eerste jaren weinig adequaat verminderd. Integendeel! Kostte veel klanten! Dat deed men bij het Daihatsu zoals wij het vanaf 1985 leerden kennen veel beter. Klanten die voor dat merk kozen kregen een meer dan betrouwbaar stuk vervoer.

En glimlachten om de problemen van hen die gingen voor iets anders dan Japans. Nu was in het gebied waar wij de wagens op de markt brachten Japan nog een beetje beladen begrip. Veel klanten uit Amsterdam-Zuid/Buitenveldert of Amstelveen waren vaak ietsjes ouder, hadden de oorlog, en meer speciaal die in Nederlands-Indie meegemaakt en wilden nog niet dood gevonden worden in een Japanse auto. Aan de andere kant woonden er ook mensen die in hun familie nogal wat voorbeelden hadden gekend van slachtoffers die niet meer terug kwamen uit de Duitse kampen en daarover weer hele verhalen wisten te vertellen rond Slowaken of Polen. Je moest als dealer met alles rekening houden. Toch waren het over het algemeen plezierige mensen die we in onze merken mochten zetten. Skoda hield gelukkig ondanks de genoemde klachten links en rechts redelijk wat klanten trouw. Zeker toen men begon met de veel beter sturende en er aardige uitziende modellen van na 1984 werden klanten fervent positief wat zich later zou vertalen in een veel groter probleem dan gedacht, inruilen van een paar jaar oude Skoda’s van dat technisch wat oudere type op de toen (1989) revolutionaire Favorit. Maar daarover verderop in dit vervolgverhaal meer. – Wordt vervolgd – (Afbeeldingen: Yellowbird archief/Skoda)

Maakte het leger mobiel; de Jeep!

Als er een auto is die in zijn  tijd de wereld deed veranderen dan toch wel de door de Amerikaanse fabrikant Bantam ontwikkelde en gefabriceerde ‘General Purpose Vehicle’ of wel ‘GP’ wat in het Amerikaanse legerjargon weer werd vertaald in Jeep. Het Amerikaanse leger was in de eerste oorlogsjaren op zoek naar een auto die in staat zou zijn om allerlei taken te verrichten, vervoerd kon worden met de toenmalige transport- en zweefvliegtuigen en elk terrein aan zou kunnen. Later namen Willys-Overland en Ford het concept voor de oer-Jeep over van de tot dan volstrekt onbekend maar kennelijk geniale American Bantam Company. Willys-Overland kreeg voor de oer-Jeep de handen van de generaals op elkaar. De kleine fabrikant bouwde indertijd Austins in licentie voor de Amerikaanse markt en had best een probleem toen de legerleiding een eerste order uitdeelde voor 70 complete auto’s.

Acht daarvan moesten bestuurbaar zijn op alle vier de wielen. Binnen enkele maanden had Willys de eerste Jeep klaar en even later ging de bestelde reeks naar het leger. De Jeeps kwamen in latere jaren ook uit de fabrieken van Ford trouwens. De wagens werden aangedreven door een kleine 45 pk sterke benzinemotor die de schitterende naam ‘Go Devil’ droeg. In de loop van de oorlogsjaren werd de Jeep in totaal ruim 600.000 keer gebouwd en het bleek een zeer waardevol onderdeel van de Amerikaanse oorlogsvoering. Jeeps doken overal in de wereld op waar de Amerikanen actief waren. Ze werden gebruikt als vervoermiddel voor officieren, als mitrailleurcarrier, ambulance, tractor voor vliegtuigen, verkenningsvoertuig of noem maar op. De wagens, met hun karakteristiek huilende motor, werden met de eerste parachutisten meegestuurd die op 6 juni 1944, dit jaar 65 jaar geleden, in Frankrijk landden in het kader van de invasie.

Maar ze reden ook massaal de stranden van Normandie op en trokken daarna dwars door Europa heen om soms ergens in Tsjecho-Slowakije of zo te eindigen. Jeeps bleven jarenlang het standaard vervoermiddel voor heel wat legerorganisaties, ook in Europa. Een deel van de ex-legerwagens kwam ook terecht in civiele handen. In de jaren na de bevrijding was elke auto een kostbaar bezit. Handige garagebedrijven bouwden de Jeeps om tot luxe wagens, maar ook bestellers en politiewagens en er was een vruchtbare markt voor. De Jeeps werden in de naoorlogse jaren steeds verder ontwikkeld. Het leger was een grote afnemer. De wagens kregen wat sterkere motoren en rondere lijnen en ze werden ook technisch wat geavanceerder. Fiat-Chrysler is tegenwoordig de fabrikant die de merkrechten voor Jeep heeft. Een Cherokee of Golden Eagle zijn dus directe familieleden van de oer-Jeep’s die zijn naam slechts dankte aan de wonderlijke Amerikaanse gewoonte om namen af te korten voor het gemak. Decennia later gebeurde dit ook met een ander vierwiel-aangedreven icoon, de HMV, oftewel de intussen alom bekende Hummer die door de GI’s Humvee werd genoemd. Maar dat is een heel ander verhaal. (Beelden: Internet/Wiki)

Levert vooral andere merken; Isuzu!

In mijn recente blogs over imago en zo meer heb ik al eens uitgelegd dat grote autoconcerns soms meesters zijn in het delen van hun platforms en/of technieken met andere merken, waardoor de ontwikkelingskosten voor een bepaald model worden uitgesmeerd over een zo breed mogelijke periode of hogere aantallen verkochte auto’s. Dit fenomeen tref je aan bij vrijwel alle grote jongens in automotiveland en levert ze bepaald geen windeieren op. Bij General Motors kent men ook een paar merken die we hier nauwelijks (meer) kennen maar die wel een grote rol spelen bij de productie van modellen die onder de naam van een ander concernmerk worden vermarkt. Denk maar eens aan de Opels die eigenlijk afkomstig zijn uit Korea en gebouwd werden bij Daewoo dat in onze streken op enig moment Chevrolet moest heten.

In Japan heeft GM ook zo’n merk, Isuzu. En ook dat bedrijf vervulde vooral een productierol. Al moet gesteld worden dat Isuzu een van de eerste Japanse automerken was die het ook bij ons probeerden. Met erg aardige personenwagens als de Florian of Bellel en Bellett die in bepaalde vorm zelfs taxichauffeurs overhaalden er een of meer te proberen. Toch trok General Motors de stekker uit dit avontuur en liet Isuzu later vooral bedrijfswagens bouwen die onder de merknaam Opel via de achterdeur ook Nederland bereikten. Denk maar eens aan de stoere Frontera 4×4 die heel wal Opelrijders het gevoel gaven dat ze in een stevige Duitser rondreden terwijl de auto toch echt uit Japan kwam. Het gescharrel met merken door GM had ook een nadelig effect, er werd ook driftig gekopieerd.

En zo kon het voorkomen dat een jaar of wat geleden ineens een kloon van die Isuzu verscheen onder de Chinese merknaam Landwind. Had een uiterlijk dat wel heel goed ‘gejat’ was. De veiligheid was men bij de Chinezen echter vergeten en dat avontuur stopte al snel. Maar Isuzu bouwde intussen vrolijk verder. Maakte o.a. de Gemini. In eerste instantie een op de Opel Kadett C van toen gebaseerde compacte auto die bij Isuzu meteen een stevige 1,8 liter motor geleverd kreeg die 110pk’s beloofde. Wel een heel andere auto dan de wat suffige Opels die we hier kenden. Isuzu paste de motoren in 1977 zodanig aan dat deze voldeden aan de milieunormen van toen. GM liet de Isuzu ook verkopen als Chevrolet Gemini, Buick Opel, Holden Gemini, Opel Gemini en Saehan Gemini. Om maar een idee te geven van dat ‘batch-selling’ idee wat men bij GM hoog in het vaandel heeft zitten. De opvolger van die Kadettkloon was een eigen ontwerp dat over de hele wereld verkocht moest kunnen worden.

En zo werd de Gemini dan ook verkocht als Chevrolet, Pontiac, Holden en kon zo op vrijwel elk continent worden gevonden. Gek genoeg niet in Europa, bij Opel zag men weinig handel in de nieuwe Japanner. Dat maakte ook dat we hem hier nooit zagen rijden, of het was een grijs geïmporteerde versie. Aan het einde van de jaren negentig staakte Isuzu te productie van haar eigen personenwagens nadat het eerder nog een tijdje een Hondamodel had aangeboden als Isuzu. Om het ingewikkeld te maken…. Tegenwoordig dus vooral achter de schermen werkend en het moederconcern bedienend met bedrijfswagens en suv’s. Maar daardoor niet minder belangrijk in autoland. En meteen ook een voorbeeld van hoe het in autoland toe gaat. Kijk maar eens naar je eigen auto en bedenk dat die wel eens heel ergens anders vandaan kan komen dan je zelf dacht. Best confronterend.

De bom

A B-52G Stratofortress bomber aircraft of the 1708th Bomb Wing takes off on a mission during Operation Desert Storm.

B52G van de USAF

Aan het begin van deze maand werd in Japan herdacht dat twee grote steden in dat land in 1945 op de betreffende data, getroffen werden door de eerste aanvallen met (Amerikaanse) atoombommen. Experimenten met een nieuw wapen dat zij n vruchten af zou werpen. Hoewel er honderdduizenden doden vielen was dat toch vooral aan Japanse kant en konden de Amerikaanse troepen die in die periode gek werden van de fanatieke weerstand bij de Japanse verdedigers van eilanden in de Stille Oceaan, opgelucht adem halen. De oorlog was afgelopen en Japan capituleerde. De atoombom bleek een vreselijk wapen. Mensen werden min of meer weggevaagd en de ellende voor gewonden en andere overlevenden was dat de straling hen alsnog een leven lang zou teisteren. Atoombommen zijn vreselijk vuile wapens en dat werd al snel ook hun grootste aantrekkingskracht. Niet alleen de Amerikanen bouwde hun atoommacht uit, ook de Russen, Fransen, Engelsen, Israeli, Indiers, Pakistani, en nog zo wat landen beschikten op enig moment over wapens met een kernlading. Er waren jaren dat we de Aarde waarop we leven een keertje of 80.000 volkomen zouden kunnen vernietigen, in het beste geval de komende 20.000 jaren onleefbaar maken. Dat zorgde voor zogeheten stabiliteit.

Tupolev tu-95ms_004En juist dat evenwicht willen lieden verstoren die met compacte atoomwapens graag strategische doelen zouden willen vernietigen. Omdat ze haat voelen tegen andere mensen en de gevolgen van die bommen op Japan zien als het beoogde doel. Vernietiging van hen die hun doctrine of geloof niet aanhangen. Maar daarmee ook de kans om via dialoog of gewoon vredelievend naast elkaar bestaan een leukere toekomst op te bouwen. Atoomwapens zijn decennia lang goed gecontroleerd aanwezig geweest bij de grootmachten die ooit de dienst uitmaakten. En de wapensystemen waarmee men die dingen kan vervoeren zijn steeds geavanceerder geworden. Boven Japan moesten er nog speciale uitvoeringen van standaard bommenwerpers aan te pas komen. De B-29’s die deze bommen afwierpen waren ontdaan van hun bewapening, ze vlogen hoger dan normaal en waren voor de Japanse verdediging daardoor niet meer te onderscheppen. De bom moest dan op een bepaalde manier worden afgeworpen, maar wel boven het doel.

Hiroshima 1945Tegenwoordig schiet je die dingen vanaf land of vanaf de zeebodem als een soort hagelstenen af op je tegenstander en weet je met een raket meteen 20 steden uit te schakelen. Het atoomwapen als ultiem vernietigingswapen. Overigens zijn er intussen ook ‘normale’ bommen beschikbaar die enorme krachten kunnen ontwikkelen. De Russen gaan prat op die ontwikkelingen. Hele steden plat gooien zonder stralingsgevolgen. Valt er toch nog iets te veroveren. Ook de Amerikanen bezitten dat soort wapens, de eerste keer dat ze werden ingezet was dat boven Afghanistan waar ze de vermeende schuilplekken van Osama Bin Laden in de bergen bestookten met die dingen. De luchtdruk is zo groot dat je als mens aanvallen met die wapens alleen al door de luchtdruk niet meer overleeft. Wat zijn we toch geraffineerd geworden waar het gaat om de vernietiging van anderen. En wat blijven we toch terughoudend als het gaat om acceptatie van uitgestoken handen. We zullen hopen dat het min of meer gezonde verstand van al die staten die nu zo graag dreigen met atoomwapens, zal prevaleren. Want niemand bij zijn gezonde verstand kan zich een voorstelling maken van de gevolgen die het gebruik van die dingen anno 2015 zou kunnen hebben. Slechts de Japanners kunnen het ons voorhouden. Nog steeds. En dat is maar goed ook!

De wereld van Disney

WP_20141010_019Als je ongeveer van mijn leeftijd op jonger bent is de kans groot dat je ooit te maken hebt gekregen met een creatie van Walt Disney. Een man die al heel vroeg de potentie zag van getekende figuurtjes, en daarmee een imperium opbouwde dat wereldwijd voor miljarden aan omzetten is gaan zorgen. Disney is een grootheid en hij heeft ook het concept van de Disneyparken bedacht. In Amerika een fenomeen. Ergens in de jaren tachtig bezochten wij het park in Florida en dat maakte ook op mij grote indruk. Ik schrijf bewust ‘ook’ want ik ben een beetje een cynicus op het gebied van sprookjes. Daarbij heb ik een enorme afkeer van filmverhalen bijvoorbeeld die niet goed eindigen. Dat overkwam Bambi….diens moeder werd doodgeschoten naar ik mij herinner en die kwetsbare Bambi was zo alleen op de wereld dat ik er wel iets in herkende.

WP_20141010_031Ik heb me indertijd de ogen uit de kop gehuild als klein kind. Sindsdien kwam het niet meer helemaal goed met de relatie tussen Disney en mij. Nou jou, ironisch bedoeld. Ik was een fan van Donald Duck, zijn neefjes, oom Dagobert en de sukkelige Goofy. Ook hond Pluto kon er mee door. Met de toch wat oudere en net even te slimme Mickey Mouse had ik niet veel. Latere Disney/figuren zijn soms aan mij voorbij gegaan. Er zijn hele series waar ik niks mee heb. Toch is het meer dan indrukwekkend als je ziet wat het concern wat Disney toch heeft neergezet, allemaal heeft voortgebracht. En om daar nu een beetje een beeld van te krijgen loopt er nu in het Hoorns Museum van de Twintigste Eeuw een expositie. Vol merchandising, posters, films, archiefbeelden etc. WP_20141010_024 Leuk voor jezelf, maar zeker ook voor kinderen. Die juist vaak met de nieuwe producties veel op hebben. Denk aan ´Cars´ of ´Planes´. Zou ik nu jong zijn geweest zou ik daarop alleen al gevallen zijn vanwege de onderwerpen. Disney zelf heeft de grootste groei van zijn bedrijf niet meer meegemaakt. Hij overleed op hoge leeftijd. Liet veel van het tekenwerk toen al decennia lang over aan anderen. Bestuurde zijn bedrijf en genoot van de resultaten. Net als bezoekers kunnen doen als ze even naar Hoorn afreizen. De moeite waard mensen.