Afschrijving…

Afschrijving…

Een begrip dat in verschillende kringen een andere betekenis krijgt tegenwoordig. Ik ben vooral vergroeid met de economische kant van dat begrip. Afschrijving van roerende goederen meestal stevig, lineair en goed uitlegbaar. Immers een nieuwe auto die je net de showroom uitreed is na ingebruikname meteen een stuk minder waard dan die door jou betaalde aanschafprijs. Het waarom is economisch. Zouden we een buiten op straat gebruikte en aan invloeden van weer en wind dan wel een mateloos slechte of veel kilometers rijdende auto niet afschrijven zou hij altijd zijn nieuwwaarde behouden en komt de economie op dat punt tot stilstand.

De kracht van de afschrijving is dan ook dat we (in meerderheid het geval) anders tweedehands auto’s, motoren, of fietsen nooit zouden kunnen betalen. Het ene merk schrijft meer af dan het andere. Klein en zuinig behoren tot de gunstige afschrijvers, groot en dorstig tot de ongunstige. En dan speelt het land van herkomst, merk en ook imago een rol. Maar over het algemeen ben je na een jaar of drie bijna 45% van de nieuwwaarde wel kwijt. Rijdt je tegen een boom en vertel je dat nog na is de auto wellicht total loss en krijg je de dagwaarde uitgekeerd bij all-risk-verzekeringen.

Daarbij hanteert men vaak een net even andere restwaarde dan in de reguliere handel. Valt soms mee, in andere gevallen tegen. Een auto die tien jaar oud is nog steeds all-risk-verzekeren is dus een dure hobby, omdat de dagwaarde dan (enkele uitzondering daar gelaten) vrijwel nul is. Wat schrijft nog meer af dan auto’s? Nou meubels bijvoorbeeld. Die prachtige nieuwe zitbank die je net geleverd kreeg en neergezet in je huiskamer is direct tweedehands op het moment dat de billen het stof of leer beroeren. En raak je meteen meer dan 50% van de waarde op kwijt. Een jaartje gebruik maakt dat zitmeubel voer voor kringloopwinkel of marktplaats.

Ook boeken ondergaan dat lot. Kijk maar eens hoe snel die in waarde verliezen, als ze niet behoren tot de groep boeken die in kleine oplage zijn uitgevoerd, een bijzonder onderwerp beschrijven en/of in goud zijn uitgevoerd. Vraag en aanbod bepalen dan verder wat die fraaie en interessante boeken nog waard zijn. De rest is voer voor de shredder of kringloopwinkel. En daar zie je de vergankelijkheid van beroemde titels heel goed. Zoals onlangs het zeer goed verkochte boek ‘vijftig tinten grijs’ waarvan ik drie exemplaren zag bij een kringloper voor 25 cent per stuk. En in nette staat ook nog. Afgeschreven. Net als we sommige mensen doen. Kanslozen, sommige daklozen, drinkebroers, hongerigen, mensen die knel zitten in een oorlogsgebied of niet passen in onze denkwereld.

Afgeschreven. Verdreven. Maar veelal ook zonder meerwaarde voor de samenleving. Zou er een kringloopsysteem voor bestaan? Of inruilen mogelijk bij de Schepper als die al bestaat. Ik zelf heb die laatste al veel eerder afgeschreven. Te veel voorbeelden gezien van wat niet deugt in die schepping. En dat gaat dan echt niet om mooie auto’s, lekker zittende bankstellen, of een warm aanvoelend huis. En wat dat laatste betreft, de meeste huizen schrijven niet af maar worden steeds meer waard. Maar ja, die zijn ook onroerend. Maakt bijna ontroerend. Stenen gaan voor mensen….nog altijd…(Beelden: eigen archief)

M.G.

M.G.

Tegenwoordig onderdeel van een Chinees bedrijf is de naam M.G. nu vooral verbonden aan elektrische wagens met de uitstraling van een rijdende badkuip. Maar ooit was het een van de visitekaartjes van de Britse auto-industrie. En was het ook een echt aansprekend sportwagenmerk dat werd opgericht onder de naam Morris Garages. Waarbij die naam dan weer verwees naar de eigenaar van die garages onder wiens dak de eerste MG’s het levenslicht zagen. Dat was al voor de oorlog het geval en die wagens waren goed gebouwd, bleken aardig betrouwbaar en reden weliswaar niet comfortabel, wel sportief. Na de oorlog werden ook bij ons MG’s verkocht aan liefhebbers en zag je de TC nog wel eens voorbij komen.

Een auto die zich baseerde op de vooroorlogse TB (ook befaamd door RAF-piloten die er graag in reden), maar dan met een verbeterde versnellingsbak. Vrij smalle spaakwielen deden gek genoeg niet veel af aan de wegligging. Die was gewoon goed. MG experimenteerde ook wel met normale ‘saloons’ zoals de toenmalige burgermansauto’s in het VK heetten, en werkte die dan om tot een MG-versie. Zo ontstond de YA en YB, op basis van een best saai aandoende Morris 8. Met de TD en TF zette MG hele stappen. Wagens met normale wielen, onafhankelijk geveerde voorkant, tandheugelbesturing en een wat hogere topsnelheid dan je met een oude TC kon bereiken. Met 130km/u was de koek overigens wel op.

Een beetje Opel of Renault reed dat indertijd ook, maar het open rijden langs de typische Britse landwegen vroeg om een andere stijl. Kon in een MG net even beter. Bij de TF ging de opwaardering steeds verder. Je kreeg zelfs het comfort van een paar op volwassen mensen ingestelde zijdeurtjes. Met de MGA zette MG een heel andere klasse sportwagens neer. Mooi welvend, rond, een Britse sportwagen die model zou staan voor alles wat ook de concurrentie wilde bieden. Door de jaren heen doorontwikkeld tot je er zelfs 180km/u mee haalde. Moest je wel wat centjes neerleggen, maar voor een MG had men dat best over. Gold ook voor de opvolger, de MGB.

Voorzien van een zelfdragende carrosserie, draairaampjes, naar keuze een harde of zachte kap. MG-adepten in Engeland vonden het maar niks, maar de auto bleek een enorme hit in de Verenigde Staten. En voor die markt werd de ‘B’ ook steeds verder ontwikkeld. Een GT kwam in het gamma, waarmee je ook een auto had voor in het dagelijks verkeer, je kon er zelfs je boodschappen in kwijt. Voor de VS kwam er zelfs een MGC die naar keuze een 6- of 8-pitter voorin had liggen. Het werd een beetje een mislukking omdat de auto eigenlijk geen vlees noch vis meer was. Met een top van bijna 200km.u was hij wel snel. MG werd door de jaren heen ook steeds meer een badge bij andere Britse merken die dan een van hun eigen sedans of hatchbacks lieten opkloppen bij MG tot sportieve variant en een meerprijs vroegen voor dat concept.

Het hielp niet echt voor wat de echte MG-fans van hun merk verwachtten. In de jaren daarna bleef het wat stil bij MG tot men de TF bracht, een soort retro-sportwagen met moderne techniek. Het was het laatste kunstje, of we moeten de door Rover op basis van de 90 nog uitgebrachte wagens met een MG-logo nog zien als echt de allerlaatste Britse auto van het merk. MG stierf net als Rover een relatief stille dood. Dat was tijdens de bankencrisis van na 2008 het geval. Een paar jaar later kochten de Chinezen de rechten en nog wat mallen. De hoop was er dat het merk MG herboren terug zou komen. Dat deed het ook, maar met relatief bescheiden wagens waarmee men eerst in het VK zaken deed, later ook het Europese vasteland opzocht. Elektrisch is nu de boodschap, saaiheid kennelijk ook. En dat maakt dat MG nog wel een naam is om rekening mee te houden, maar dat de ware adepten zich met walging afkeren van die nieuwe accu-gedreven wagens die er uit zien als dertien in een dozijn. Nee, dan was het vroeger allemaal veel mooier, leuker en sportiever…. (Beelden: Archief)

Nelis in Weesp…

Nelis in Weesp…

Als je dan toch in Weesp bent voor dat museum of anderszins, maak dan ook gebruik van de lokale horeca. Ik heb al eens eerder wat ervaringen met jullie lezers uitgewisseld. Niet altijd even positief, maar er zitten best pareltjes, ook al zou je dat in eerste instantie niet meteen zeggen. Zo is de al lang bestaande ijswinkel van Nelis een voorbeeld. Niet omdat men daar 2 Michelin-sterren verdient hoor, het is maar een simpel maar zeer smaakvol ingericht geheel. Maar men verkoopt er wel heel lekker ijs, en je kunt er ook terecht voor een heerlijk bakkie koffie of thee met iets lekkers er bij. De appeltaart is een aanrader, zeker als men die even opwarmt en voorziet van een klodder slagroom. Andere warme hapjes zijn er nog wel een dingetje.

Je moet goed opletten dat men bijvoorbeeld de verder smakelijke saucijzenbroodjes op de juiste temperatuur brengt, want dat wil er wel eens mis gaan. Gelukkig heeft men, anders dan eerder beschreven elders in Weesp, een waanzinnig goed team in dienst dat meteen datgene wat niet deugt weghaalt en vervangt door een nieuw exemplaar. Jonge mensen, maar kennelijk goed getraind en zeer servicegericht. Kijk, en dan maak je veel eventuele minpuntjes direct goed in mijn ogen. Meiden en jongens, men let op elkaar, is beleefd en dus gewoon zeer professioneel. Daarmee scoor je punten. Ook met een schoon toilet. Is hier top geregeld. Net als de wandversieringen, gemaakt van grote foto’s die een Weesps decor mengen met leuke uitstallingen van de eigen waren.

De menu/ijskaart ligt op elke tafel en is overzichtelijk en kleurrijk. Kortom, binnen het horecawezen van Weesp is dit wel een aanrader. Ook al zou je wellicht door die dominante ijs-etalage voor in de zaak (met zitjes buiten voor hen die even willen likken aan zo’n ijsje), de winkel eerder voorbij lopen dan een vergelijkbaar tentje met een andere uitstraling. De optelsom der dingen maakt dat ik deze winkel en haar team een 9.5 verstrek. Als men nu nog even oefent met die oven wordt het vast nog een 10. En dat is ze daar zeer gegund. (beelden:eigen archief)

Museum Weesp

Museum Weesp

Weesp, aardig en in mijn blogverhalen wel eens meer meegenomen als onderdeel van de inhoud, is een leuke kleine stad aan de Vecht. Dat kleine gaat er steeds meer vanaf, de stad groeit met de dag en wie dat wil zien moet eens gaan kijken daar. En als je er dan bent kijk meteen ook eens rond in het oude Stadshuis van deze Vechtstad dat echt centraal in het centrum uitkijkt op de omliggende straten en pleinen. Maar ook een verrekte aardig en door vrijwilligers bestierd museum herbergt op de bovenste etages. In diverse zalen en kamers daar exposeert men zaken die er uit de bodem zijn gehaald, men biedt er schilderijen aan met oude bestuurders van stad en omringend gebied. Want dat Weesp, was anders dan nu, voor een deel verantwoordelijk voor het hele gebied er om heen, inclusief de Bijlmermeer. Dat gebied werd op enig moment door midden gesneden door het toen nieuwe Amsterdam-Rijnkanaal en dat beperkte de invloed van Weesp direct.

In dat museum krijg je ook de indruk hoe welvarend dit stadje ooit was. De strategische ligging aan de Vecht maakte dat er heel wat industriele activiteiten plaatsvonden die vaak midden in Weesp terug te vinden waren. Zoals de chocoladefabriek Van Houten die daar decennialang dominant haar geur en kleur verspreidde. Tijdens ons bezoek aan het museum liep er net een expositie over dat bedrijf met die best grote naam dat begin jaren 70 het loodje legde doordat de concurrentie van grotere bedrijven en merken niet meer te bevechten viel.

De fabrieksgebouwen verdwenen. Dat zelfde lot trof de farmaceutische activiteiten die o.a. ooit van Philips waren en terug te vinden langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Gelukkig is er nog veel bedrijfsmatig ondernemerschap in Weesp te vinden, waardoor werkgelegenheid hier nog aardig wordt gegarandeerd. Dat museum kent buiten haar eigen onderkomens op die genoemde etage ook nog een soort dependance die een etage lager terug te vinden is. Daar is een ‘marmeren etage’ te vinden die compleet is opgebouwd met dit zware maar ook vrijwel onderhoudsvrije materiaal. Zeker ook de moeite van bezoek waard. Het oude stadhuis zelf diende ooit ook als rechtbank, cachot en op de binnenplaats als executieplek. Bizar bijna, maar wel efficient. Later werd het vastgebouwd aan een weeshuis voor armen en hulpbehoevenden.

Een heel complex dat van buiten en binnen duidelijk maakt hoe onze geschiedenis vaak is verbonden aan geloof en ondernemerschap. Zonder dat was dit een klein dorp langs het water gebleven. Nu een aardig plaatsje met fraaie forten uit de oudheid, mooie molens, geweldige horeca en leuke winkels. Weesp koos zelf om zich aan te sluiten bij de hoofdstad een paar jaar terug en dat zal heel veel invloed gaan hebben op de sfeer en bevolkingssamenstelling hier. Te hopen dat men het typisch Weespse karakter weet te behouden. Wat ik al eerder schetste rond de keiharde handhaving door het Amsterdamse Parkeerbeheer hier nadat men halverwege dit jaar betaald parkeren invoerde, geeft op dat punt te denken. Gelukkig is daar het genoemde museum waar je nog even terug kunt in de tijd en genieten van een groots verleden. Met de Museumjaarkaart krijg je ‘gratis’ toegang, er zijn liften voor hen die de monumentale trappen iets te veel van het goede vinden en er is een kleine museumshop achter de ingang. (Beelden: eigen archief)

Ultieme liefde..

O zeker, hij had er heel wat gekend, zowel oppervlakkig als intiem. Hij was er gek op geweest, achterna gelopen, had er kapitalen voor uitgegeven om hen goed gestemd te krijgen, had huizen verbouwd, vakanties georganiseerd, maar op enig moment toch ontdekt dat het kennelijk aan hem lag dat niets blijvends ontstond. Nooit de mooiste van de klas geweest tussen al die binken met hun strakke lijven, krullende haardossen, sterke verhalen en versierpogingen uit het boekje. Hij was wel slim en had daarbij de zakelijke genen van zijn vader overgenomen. Geld speelde op enig moment geen rol meer. Dus kon hij ‘kopen’ wat anderen met veel moeite bereikten. Maar hij was geen man met een wasbord als buik, licht kalend, hield van voetballen en auto’s, maar ook van zijn rust. Tuurlijk wilde hij dat allemaal delen met die vrouw van zijn leven die hem alles kon geven en echt ook het diepere van zijn wezen zag, maar buiten de eerder genoemden die vooral vroegen voordat ze iets gaven, was het geluk hem min of meer ontglipt. En dus nam hij een drastisch besluit. Voortaan hield hij het bij die blonde schoonheid die hem zoveel gaf en weinig vroeg. Die onbaatzuchtig was in de liefde, een eigenschap die hij bij al die vorige types nooit had ontdekt. Hij noemde haar zijn lieveling, en in feite was ze dat ook. Zeker als ze zich bij hem nestelde in zijn riante bed. Mira noemde hij haar, vond hij lekker klinken. En ze luisterde er ook naar…die lieve Labrador die hij als puppie in huis haalde en nu zo leuk jong volwassen werd. Hij verheugde zich op dat uitje naar het strand straks….Toch maar een goed jack aan doen, het zou vast fris zijn daar…..

Dubbeldeks…

Dubbeldeks…

Als ik iets als typisch Brits ervoer in mijn jongere jaren, dan toch wel die dubbeldeksbussen daar en de zwarte speciaal gebouwde taxi’s. Met name die dubbeldeksbussen, veelal in de kleur rood, vond ik bij bezoeken aan dat land geweldig. Later bleek me dat het fenomeen dubbeldekker ook elders in de wereld bekend was. Wat te denken van de stad Berlijn waar ze ook al van voor de oorlog bekend waren of steden als Hong Kong waar de Britten ze uiteraard meebrachten en daar tot ultieme vorm werden uitgebouwd.

Het fenomeen op zich komt voort uit de oude voorschriften voor paardenkoetsen en latere paardentrams in het Verenigd Koninkrijk. Met smallere voertuigen die hoog werden uitgevoerd kon je meer passagiers vervoeren, waarbij de mensen die wat meer betaalden in het overdekte deel onder in die koetsen plaatsnamen en de mensen die weinig betaalden boven op een open dek werden neergezet. De autobussen met motor die later de paarden opvolgden bleven dit patroon volgen.

Veel straten in het VK zo smal dat je met deze voertuigen wel en met bredere bussen niet kon passeren. De Britten waren er zo gek op dat ze indertijd ook dubbeldeks-trolleybussen gebruikten en zelfs dubbeldekstrams. Kijk meer eens in steden als Brighton waar ze die oude trams nog wel gebruiken voor toeristisch verkeer. Ook in Hong Kong kent men die dubbeldekstrammetjes nog. De bussenbouwers van het VK waren AEC, Daimler, Leyland en Bristol om er maar een stel te noemen.

Eerst hadden die wagens de motor voorin, naast de chauffeur, later bouwde men die motoren achterin en kreeg de chauffeur een platte neus voor zich. De bussen groeiden vooral in lengte en zijn veelal van zo’n 10-11 meter lang verlengd naar dik 13 meter. Op die manier kon je op die twee dekken al snel een dikke 100 passagiers vervoeren. Bij de oudste bussen had je achterop een open platform waar passagiers onderweg konden op- of afstappen.

De conducteur van dienst (bijnaam Clippie omdat hij daar je kaartje knipte) zorgde dat zwartrijden niet mogelijk was. De moderne bussen zijn van de eenmansdienst waarbij de chauffeur dubbele taken heeft en moderne stempel/scan-automaten zorgen dat mensen zelf hun kaartjes kunnen in/uitchecken. Het comfort ging er uiteraard ook op vooruit. Buiten het Verenigd Koninkrijk is Ierland een van de grootste gebruikers van dubbeldekkers. Daar zet men ze ook in buiten de grote steden, wat in Engeland of Schotland anders is.

Daar benut men vaak speciale enkeldeks bussen voor dat regionale vervoer. In steden waar je geen last hebt van over de weg hangende tramlijnen of elektriciteitsdraden zie je die dubbeldekkers overal rijden. In Berlijn heb ik er ook vaak in gereisd en dat was plezierig. Ook die Britse bussen benutte ik graag en in Edinburgh was de verbinding tussen vliegveld en stad met deze bussen ingericht. Ik maakte er graag gebruik van. Vooral bovenin en vooraan is het een schitterende uitkijkpost waar je veel van de omgeving in je op kunt nemen.

En je ook meteen een dwarsdoorsnede van de per land of stad verschillende passagiersgroepen kunt ervaren. Ook in ons land kom je nu dubbeldekkers tegen. Eerst alleen bij die typische toeristenbussen voor langere afstanden. Vaak met een eigen catering aan boord en zelfs toiletten. Later ook op lijndiensten. Zo rijd R-Net met dit soort bussen tussen Haarlem Centraal en Amsterdam VU op en neer om zo het individuele forenzenverkeer te verminderen. Jammer dat men bij inzet van die bussen niet had gedacht aan de bovenleidingen van de trams in de hoofdstad, die hingen lager dan de bovenkant van die bussen wat leidde tot een hoop noodzakelijke aanpassingen. Maar nu functioneert het.

Ook elders in NL zie je nu wat dubbeldekkers verschijnen op lijndiensten. Je kunt er domweg meer passagiers mee vervoeren dan in die bij ons meer bekende gelede bussen van het OV. De dubbeldekker stond een aantal jaren terug onder druk in het Londense OV. Er werden ook daar steeds meer gelede bussen aangeschaft. Dat vond toenmalig burgemeester Boris Johnson maar niks en hij gaf opdracht tot de ontwikkeling van een nieuw bustype dat speciaal voor Londen moest zorgen dat deze wagens niet zouden verdwijnen. Men noemde de nieuwe fraai afgeronde bus, de Routemaster 2, naar zijn illustere voorganger uit 1958. En zo was de cirkel rond. En blijft Engeland toch een beetje bijzonder. Wat ze zelf natuurlijk prachtig vinden. Zelf reed ik mee in dubbeldekkers in Londen, Edinburgh, Dublin, Berlijn, Praag, Essen, Florida om maar wat steden en streken te noemen en ik vond het iedere keer weer leuk…. Zelf ooit wel eens een soortgelijke ervaring gehad?? Ben benieuwd…(beelden: Yellowbird archief/internet)

Afkeer van links…en leugens..

Afkeer van links…en leugens..

Er is mij wel eens gevraagd hoe het toch komt dat ik zo’n afkeer voel van het hedendaagse links of wat daar in de politieke arena anno 2021 voor door moet gaan.

Nou, dat is simpel. Rutte mag dan de naam hebben, links liegt alles aan elkaar en doet dat consequent. Daarbij ben ik de moord op Fortuyn nog niet vergeten, noch het wegstoppen van die op Theo van Gogh door een fanatieke moslim. Maar vooral dat verzwijgen van waarheden rond het thema immigratie en multiculturele zaken die we echt als nadelen mogen zien. Dat Woke-denken is me er ook zo een. Het krankzinnige veranderen van onze geschiedenis om maar aardig gevonden te worden in extremistische kring, de anti-Israel-houding, de consequente klimaathysterie en vooral het weghouden van juiste cijfers in dat kader.

Zodra het (zoals dit jaar) koeler is dan normaal noemt de linkse lobby dat ‘invloed van het weer’, is het te warm ziet men direct een bewijs in de theorie rond het opwarmende klimaat. Feiten en cijfers gaan in de prullenbak. De uitbraak van een vulkaan op La Palma, een eiland voor de Afrikaanse kust in september was volgens sommige van die malloten ‘de invloed van het klimaat’ terwijl het juist andersom was. De uitstoot bereikte ook onze streken in een paar dagen, maar werd verzwegen omdat het niet door mensen was veroorzaakt…. Ja zo lust ik er nog wel wat. Cijfers worden weggepoetst of bestreden als ze van bewezen neutrale bron stammen.

Maar alles uit eigen kring (zoals die extremistische Urgenda-club) ziet men als waarheid waarop beleid moet worden gebouwd. 8% van de wereldwijde uitstoot aan vieze gassen en stoffen komt uit de gehele EU, Frenske Timmermans leverde deze cijfers zelf aan, hij wil meer dan 1,5 biljoen Euro’s gaan besteden om ons leven totaal om te gooien en die uitstoot te wijzigen. Kost ons als burgers per persoon tienduizenden euro’s aan al dan niet te lenen kapitaal om zo voor NL een besparing van 0,05% te bereiken. Alleen al 25 grote Chinese steden stoten 30% van de vuiligheid in de wereld uit. Niemand wil het daarover hebben, want communistisch daar, dus verwante partij. Men ziet de grote bosbranden in de wereld als gevolg van de klimaatveranderingen terwijl er links en rechts mensen werden gearresteerd die deze branden gewoon stichten.

Ook onlangs in Californie, waar een klimaatgekkie dat deed om zo aandacht te vragen voor dat klimaat. Hoe gek willen we het hebben?? Links ziet ons graag in elektrische auto’s rijden. Want beter voor het klimaat. Maar dat voor de grondstoffen van alle witte-katbatterijen die er in moeten worden gebouwd slavenarbeid nodig is, blijkt dan ineens geen probleem. Net zo min als het feit dat de meeste stroom voor die dingen gewoon wordt opgewekt door vuile centrales. Dan wel door kernreactoren, waar men dan in wezen weer tegen is. Maar ja, dat doel he?! Leugens, leugens, leugens. Feiten verdraaien, van elke immigrant een vluchteling maken en dan een paspoort geven waarmee die vluchteling (..) dan weer naar zijn/haar eigen thuisland kan reizen voor de vakantie. Ik liep hier dus even op leeg. Ik was boos, gefrustreerd door die vreselijke stromingen die ons chanteren en afpersen. Met links komt het wat mij betreft nooit meer goed. Echt socialisme (waar ook ik ooit in geloofde) bestaat niet meer. De arbeider ingeruild voor de grachtengordelbewoners en bureau-deskundigen. Kortom…nooit meer op stemmen! Of je moet een hekel aan jezelf als Nederlander hebben. En de landen die nog steeds zuchten onder links bewind mijn bewijs voor het gelijk…. Linksliegt!! En daarmee moet u het doen! U wilt me wel vergeven…. (beelden: archief/internet)

Messerschmitt…piepklein – grote faam..

Messerschmitt…piepklein – grote faam..

De naam Messerschmitt doet wellicht sommige ouderen nog de wenkbrauwen fronsen, voor mensen die zich zonder vooroordelen verdiepten in de geschiedenis is dit een heel grote. Qua vliegtuigbouw dan. Want een belangrijk deel van de Duitse Luftwaffe voor en tijdens WO2 was uitgerust met Messerschmitt’s. Van de Bf108 trainer tot de zeer opzienbarende Me-262 straaljager die al tijdens de oorlog rondvloog. Maar na de ook voor hem minder goed verlopen oorlog wilde oprichter en naamgever Willy Messerschmitt zijn mensen zo veel mogelijk aan het werk houden. Dat hij voorlopig geen vliegtuigen meer mocht bouwen accepteerde hij maar moeizaam, maar al snel vond men een alternatief; de bouw van kleine invalidenauto’s voor een groep kopers die in de oorlog aardig hadden geleden. Ingenieur Fritz Fend, ook al een luchtvaartpionier ontwierp het eerste voertuig, de KR175 en wist het concept bij Messerschmitt onder te brengen.

Sierlijk als een vliegtuigromp, een kap van een vliegtuig boven de twee inzittenden, die ook al weer net als in toenmalige sportvliegtuigen, achter elkaar plaats namen in de skelterachtige wagentjes. Een kleine een-cilindermotor van 174cc gaf 9 pk en draaide op tweetaktbenzine. Een succes vanaf de start. De eerste versie bracht het tot een ongelooflijke 20.000 exemplaren wat voor een karretje als dit ongekend was. Succes leidde tot ontwikkelingen en al snel kreeg de ‘Kabinenroller’ zoals zijn bijnaam werd, een grotere motor, een betere kap, hydraulische schokdempers en als fraaier zusje een cabrio-uitvoering met stoffen dak. De verkopen liepen als een speer. Ook in ons land kwam je die karretjes nog wel eens tegen.

Wilde je niet op de scooter met zijspan naar de camping, kocht je eventueel een Messerschmitt. Weinig wegenbelasting, zuinig en een top van 85km/u. Het was voor die tijd genoeg. Bagage nam je mee op een rekje boven de motor, of in een piepklein aanhangertje. Voor de liefhebbers van het betere scheurwerk kwam in 1958 de TG500 op de markt. Aangeduid als Tiger kreeg je nu vier wielen die vooral de achterkant breder maakten, maar ook een tweecilinder tweetaktblokje van 500cc waarmee de Tiger maar liefst 135kmu snel werd. Je reed er een beetje Opel Record mee zoek. Jammer genoeg voor Messerschmitt en Fend die nadat Messerschmitt weer terug ging naar de luchtvaart deze wagens in eigen beheer ging bouwen, was begin jaren zestig de trend richting dwergauto’s voorbij.

De duurdere Tiger verkocht dus duidelijk slechter dan het standaard model. Maar is nu een zeer dure klassieker geworden. Schrik maar niet van een prijs voor een goed rijdend exemplaar van rond de 35 mille. In Euro’s…dat spreekt. De Messerschmitt Kabinenroller dus. Een auto uit een ander tijdperk. Gekoesterd door liefhebbers in Duitsland, maar ook in ons land zijn die te vinden. Doet je terugdenken aan een totaal andere periode in autoland. Die van dergelijke mini-karretjes die in onze ogen zo klein zijn dat ze gevaarlijk ogen. En dat zijn ze eigenlijk ook. Maar ook curieus. (Beelden: Yellowbird archief)

Dakota…

Dakota…

Ik durf wel te stellen dat zonder dit vliegtuig de eerder al beschreven burgerluchtvaart nooit zo snel de ontwikkeling had doorgemaakt als we die in de afgelopen 60 jaar hebben gezien. Een vliegtuig dat door Albert Plesman, de oude voorman van de KLM, nog wel eens werd aangeduid als ‘die blikken Douglas’, was een machine die in zijn ontwikkeling vooral dank schuldig was aan de wat onstuimige ontwerper Donald Douglas. Die ging in op een paar specificaties van Amerikaanse luchtvaartbedrijven van voor de oorlog die een modern vliegtuig wilden zien dat op twee motoren van de ene kant van de VS naar de andere kon vliegen en daarbij sneller was dan de treinen van toen en ook meer comfort bood dan al die toestellen van hout en linnen die normaal het werk deden.

Ford had in die jaren al eens bewezen dat aluminium bruikbaar was als bouwmateriaal. Daarbij keek zijn bedrijf naar het Duitse Junkers voor dat materiaalgebruik en naar Fokker voor de manier waarop de zgn. Trimotor was opgebouwd. Maar die opbouw was in de ogen van Douglas ouderwets. Dus kwam hij met de toen revolutionaire DC-1. Glad, laagdekker, glimmend, intrekbaar landingsgestel en dus ook volledig van metaal. Een productieversie werd de DC-2, die wat groter was en meer aangepast naar de wensen van de kopers. De DC-2 kon in geval van nood ook op 1 enkele motor doorvliegen, een vereiste. KLM koos ook meteen voor die kisten en deed er goede zaken mee toen de PH-AJU ‘Uiver’ prijswinnend mee deed aan de befaamde Londen-Melbourne-race.

De naam en faam van KLM maar zeker ook Douglas waren gevestigd. Maar de Amerikanen wilden grotere toestellen, machines die verder konden vliegen en met nog meer comfort. De DC-3 zag het levenslicht. Groter, breder, krachtiger en duidelijk volwassener. Een toestel waarmee KLM zelfs naar Indie kon vliegen. De orders stroomden binnen. Ook uit Japan, waar men de licentierechten kreeg voor de DC-2 en de DC-3. Met motoren van twee keer 1000pk was die DC-3 een prima passagiersvliegtuig. Maar de oorlog dreigde en toen die eenmaal een feit was kwam Douglas met een herontwerp van wat al goed was en bood die als C-47 Skytrain aan. Een vrachtversie van de DC-3, met grote vrachtdeuren achter in de romp, een versterkte vloer, nog wat meer vermogen en voor militair gebruik aangepaste uitrusting.

Als parakist ideaal. Toen ook de Amerikanen aan de oorlog deel gingen nemen werden er duizenden van besteld. Een deel ging naar de Britten en die doopten de C47 om tot ‘Dakota’, een naam die het toestel haar leven lang zou blijven dragen. In zowat elke grote slag van WO2 deden de Dakota’s hun werk. Het toestel kon wat hebben, was simpel in onderhoud en bleek te vliegen door zelfs minder ervaren piloten. Na de oorlog, de machine was intussen ook in de Sovjet-Unie in licentie gebouwd als Lisunov Li2 en PS84, kwamen duizenden van deze machines beschikbaar voor gebruik in de civiele markt.

Diverse luchtvaartbedrijven in oost en west gingen er voor een prikkie mee vliegen. En de Dakota deed zijn werk tot in onze huidige tijden. KLM kreeg er tientallen, Martinair dankte haar start als onderneming aan deze kisten, maar overal elders in de wereld zag je Dakota’s de luchtvaart helpen heropstarten. En decennia lang bleven er honderden Dakota’s het inkomen verzorgen voor de ondernemingen die er mee vlogen. Later kregen die toestellen vaak een derde of vierde leven door er andere motoren in te hangen, of ze als museumkist tot nieuw te restaureren en dan weer in de lucht te brengen.

De meeste Dakota’s inmiddels dik 80-90 jaar oud. Een vliegend museumstuk, maar nog altijd veel mensen aansprekend met dat nostalgische geluid, die typerende staartstand als hij geparkeerd staat en het idee dat dit de machine was die ons vanuit de vroegere generaties aan het vliegen kreeg. De beperkte beschikbaarheid van benodigde hoog-octaan-benzine maakt het lastiger om de aloude Dak’s in de lucht te houden. Maar men schraapt vaak die benzine bij elkaar om het vliegende geheugen wakker te houden of te schudden. Een monument, klassieker, maar bovenal een bewijs dat wat oud is niet meteen behoeft te worden afgeschreven. De Dutch Dakota Association heeft haar vliegende exemplaar van dit type met veel liefde ondergebracht op Schiphol en maakt er af en toe vluchtjes mee. Het geluid van dat startende relikwie klinkt mij als muziek in de oren. Ook al was die DC-3 in het verleden in staat om mij als enige vliegtuig ooit tot een gevoel van luchtziekte te dwingen. Dubbele lading dus. Maar ik vergeef haar alles…..Als ze maar blijft vliegen! (Beelden: Eigen archief)

Chinese logica..

Chinese logica..

Een periode terug, voor de Corona-ellende, maakten wij samen met onze Soester vriendjes na een lange stadswandeling met museumbezoek gebruik van de diensten van een Chinees restaurant aan de Amsterdamse Zeedijk. Ik was toen, ook hier, nogal lyrisch over de keuken, de bediening en iets minder over de staat van het toilet. Best een aardig cijfer nog gegeven. Onlangs waren wij daar opnieuw. Twee maal zelfs. Eerst samen met vrouwlief, een week of wat later opnieuw met de Soester vrienden. Dat heerlijke typisch Chinese eten, onvergelijkbaar met die bekende Chinees om de hoek zoals je ze overal in Nederland tegenkomt, en de atmosfeer deden verlangen naar een herhaling van wat we toen meemaakten. Nou, die eerste keer met vrouwlief alleen, bleek het zelfs nog beter te kunnen dan voorheen.

De boel lijkt overgenomen, de toiletten keurig netjes en vernieuwd, de bediening nog steeds aardig, maar de taal ook nu een dingetje. Want toen we bij een bepaald gerecht ‘noodles’ bestelden om zo de maaltijd wat op te fleuren (..), kregen we een extra gerecht vol vlees en zo meer. Zalig hoor, daar niet van, maar wel wat veel allemaal. We sloegen ons er kranig doorheen. Het was de lieve jongedame die ons alles serveerde niet uit te leggen dat we net als een schaaltje witte rijst zonder inhoud verder, ook noodles wilden. Het was een gerecht of niets, zo bleek de logica, dus laat maar. Na een wel erg copieuze maaltijd zijn we daarna maar een lange wandeling gaan maken door de mooie binnenstad om het wat te laten zakken. Met onze Soester vrienden ging het kort daarna eigenlijk ook een beetje zo. De bestelling werd duidelijk doorgegeven aan een voor ons nieuwe, Nederlands sprekende en duidelijk hier geboren jonge man. Voorgerecht, hoofdgerecht, water, rijst etc. Onze vriend H wilde een apart gerecht met veel pepers, hij kon er tegen stelde hij, en dus vertrok de man die ons verzorgde richting keuken. Al snel nadat we in een als altijd humorvol gesprek zaten kwamen de gerechten. ‘Huh?’ Waar is het voorgerecht?? ‘O ja, vergeten…’. Dus dat kwam ook op tafel tussen al die andere zaken die er zo heerlijk uitzagen. En smaakten.

De kwaliteit is hier echt consequent prima voor de bakker. Maar dat speciale gerecht voor H bleek wel even een dingetje. Al snel zagen we hem zuur kijken. En dat zat niet in de scherpte van het gerecht. Hij zat op iets te kauwen wat hij niet weg kreeg. Even later weer. Het bleek dat de pepers die in het gerecht zaten verwerkt zo hard waren als karton. Niet weg te krijgen. Eigenlijk ook niet eetbaar. De rest van het maal was prima te doen, maar H had al snel een stapel op zijn bord liggen dat te vergelijken viel met wat een mosseleter aan schelpen opzij legt. Beetje jammer, en zonde van de centen. H was geprikkeld, en dat kwam niet door de gepeperde smaak. We vroegen de jongeman uit de bediening hoe dit gerecht in elkaar stak, want een dergelijke situatie hadden we nog nooit meegemaakt. Hij ging het navragen in de keuken. Bij terugkomst daar vandaan meldde hij keurig netjes dat het zo bedoeld was. Je moest die pepers uitkauwen en dan opzij leggen. ‘Tja, maar waarom leggen jullie dat dan niet even uit bij de bestelling??’ was de terechte vraag. De man had er geen antwoord op en putte uit in excuses. Maar de sfeer was wel wat bedorven. Net als dat gerecht. Je wilt een volledig gerecht en ook meer uitleg. Dat ging die eerste keer dat we hen bezochten toch beter. Zo zie je maar, elke verandering is niet meteen een verbetering. In dit geval zeker niet. Volgende keer nemen we wel een een Chinees woordenboek mee, wellicht dat dit helpt de communicatie te verbeteren. Overigens barst het hier elke keer van de Aziatische eetgasten. Die zullen het wel begrijpen….wij niet. (Beelden: Prive)