Toen ik aan het einde van het jaar 1965 mijn eerste stappen zette op het pad van de beroepsverandering waren dat ook meteen heel heftige. Ik was tot dan gewend aan het beschermde van de bankinstelling waar ik voordien i n hartje Amsterdam had gewerkt en waaraan ik ook voor een deel mijn avondstudies dankte die ik op dat moment nog volop volgde. Maar mijn karakter paste niet bij de discipline van een bank. Daarbij, de luchtvaart trok me. De vliegtuigen en de bijbehorende dynamiek. De eerste baan die op mijn pad kwam was die van expediënt op Schiphol bij een wat je nu zou noemen logistiek bedrijf. In het verleden schreef ik daar al eens wat zinnen over in oudere blogs. Toen ik dan ook aan het prille begin van het daaropvolgende jaar mijn plek innam aan de andere kant van het enige bureau bij het bedrijf waar ik in dienst was gekomen besefte ik me na twee weken of zo dat dit soort bedrijven bestond uit twee werelden. Die van de import en de export. De exportmensen waren vrije denkers, creatief zoals ik zelf was en nog ben, en met talent voor de juiste contacten.
Immers die exportlading moest vervoerd worden met luchtvaartmaatschappijen op de juiste momenten, met in acht neming van alle geldende regels, maar ook voor een interessant tarief. Ondanks het nodige papierwerk voelde ik me in die voor mij nieuwe rol buitengewoon goed. Maar er was een schaduwkant (..) aan het beroep, bij al die papieren voor de luchtvaartmaatschappijen behoorden ook douaneverklaringen. Wat voerden we uit, welke statistieknummers voor het CBS omschreven de goederen het beste, was het een Nederlands product of iets van doorvoer uit andere landen etc. Voor die uitvoerpapieren had je speciale wetboeken nodig, met alleen maar nummers en beschrijvingen van goederen. Voor mij lang Chinees, maar mijn toenmalige chef was er helemaal in thuis. Die was declarant van huis uit en dat was een apart beroep. Die lieden voerden voor hun klanten juist spullen in en gaven ze aan bij de douane op zodanige wijze dat de douane of inspectie Invoerrechten en Accijnzen geen aanleiding zag om het spul te visiteren of zelfs te blokkeren.
Want o wee als je iets verkeerds aangaf en zo mogelijk de staat benadeelde. Invoerrechten waren toen nog van toepassing, net als omzetbelasting. Pas na een rondgang langs alle loketten van de douane kreeg je voldoende stempels om het spul uit de KLM-loodsen te halen en in je bestel- of vrachtauto te laden voor vervoer richting klant. In- of uitklaren heette dat. De gemiddelde declarant was veel meer van de cijfers, van de kennis van het wetboek, met fantasie hadden ze vaak niet veel en dat merkte je ook op de kantoren waar die twee takken van sport bij elkaar zaten. Heel wat discussies meegemaakt. Export was snelle handel, de douane een obstakel waar je het liefst omheen zeilde, import meer van de rust, het nadenken, en zorgen dat de Nederlandse klant zijn spullen weliswaar op tijd kreeg, maar ook dat de relatie met de overheden niet op de proef werd gesteld. Ik vraag me nu, een halve eeuw later, wel af hoe die beroepen nu worden uitgeoefend. Immers, computers, internet, grenzeloos Europa en TTip op komst. Andere omstandigheden en vast ook andere regels. Ik leerde er in die periode toen creatief omgaan met de mogelijkheden. Een geweldige leerschool. Waar je snel moest inspelen op een probleem, soms hands-on moest bijspringen om een vlucht niet te vertragen. Maar van dat wetboek rond die I&OB heb ik nooit veel opgestoken. Vast een karaktertrekje, ook al veroorzaakt door die beroepskeuze van zoveel jaren geleden. Zou er trouwens nog net zoveel worden gestempeld door die douanemensen als indertijd? Ben nog benieuwd ook…..(Beelden: LPAC Collectie)

Onlangs zag ik een documentaire over de VOC-schepen en Amsterdam. Was best aardig om te zien hoe die enorme schepen (van toen), na een lange reis naar verre en exotische oorden aan de oostkant van de Amsterdamse haven in die tijd bij laag water niet over de daar aanwezige zandbanken heen konden komen. Die ondiepten waren ontstaan in het zuidwestelijk gebied van de Zuiderzee. Daardoor was het met die schuiten vaak niet mogelijk om bij de veelal ook nog heersende zuidwestenwinden die hindernissen voor de haven van Amsterdam, te nemen en binnen te zeilen. Er bleef niet veel meer over dan bij Pampus voor anker te gaan. Voor Pampus liggen stond gelijk aan geen kant meer op kunnen en dus waren de bemanningen van die schepen na hun lange reizen min of meer gedwongen stil te zitten of te hangen. Voor Pampus liggen kreeg zo een eigen plekje in de Nederlandse taal. Mijn pa gebruikte nog een andere uitdrukking; als we, kind dat we waren, nieuwsgierig vroegen wat hij of wij zouden gaan doen, antwoordde hij steevast: ‘Naar Pampus pap eten’. Oftewel, een niets zeggend antwoord dat gelijk stond aan ‘gaat je niks aan’. Pampus was dus in de Amsterdamse taal vervat, maar wat was het eigenlijk?
Pas op school leerde ik van een eilandje dat aan de oostkant van de stad, tussen Amsterdam en Muiden net boven het water uitstak van het intussen IJsselmeer, niet ver van de Oranjesluizen. Het forteiland Pampus werd (slim) vanaf eind 19e eeuw gebouwd op het zgn. Muiderzand, onderheid met 4000 palen van 11 meter lang. Het fort bedoeld als onderdeel van de zgn. Ring rond Amsterdam, ook Fort Amsterdam genoemd. Men dacht in die tijd nog dat je met dit soort fortificaties de vijand buiten de deur kon houden. De kanonnen die men monteerde zouden Amsterdam afdoende kunnen beschermen. Toen het eiland en fort eenmaal klaar waren, bleek die hele ring van forten rond de hoofdstad overbodig geworden. De vijand was intussen gemotoriseerd en een paar jaar later vloog hij gewoon over die forten heen. Wat bleef was een uniek verdedigingssysteem dat in de jaren twintig nog werd voorzien van luchtafweergeschut. Maar in 1933, toch slechts een paar jaar voor de Tweede W.O. sloot men de boel, trok de soldaten terug en liet het fort het fort.
Tijdens de hongerwinter staken veel mensen over het ijs richting het oude fort en namen alles wat brandbaar was mee naar huis. Het verval sloeg toe. Na de oorlog heeft de Mijnopruimingsdienst er nog wat explosieven tot ontploffing gebracht, maar verder bleef het een eenzaam plekje in dit grote watergebied tussen Amsterdam en het (tegenwoordige) Flevoland. Intussen woont er een enkel paar mensen dat het hele jaar door gasten ontvangt, rondleidingen geeft en het fort plus eiland wat onderhouden. Er varen in de zomermaanden wat pontjes op en neer tussen Amsterdam en Pampus en de watersporttoerist weet het haventje ook wel te waarderen als plek in de luwte bij zwaar weer. Intussen is er ook een baken voor de luchtvaart geplaatst waarop overvliegende toestellen kunnen navigeren op hun routes naar of van hun bestemming. Een stipje in het IJsselmeer dus. Nu onderdeel van de Gemeente Muiden. En in de winter buitengewoon stil. Dan kan je dus echt voor het gelijknamige eiland gaan liggen als je wilt en zelfs wat pap eten. Maar voor de gezelligheid hoef je het niet te doen. (Foto’s: Internet)


Nee! Ik ben niet van de Weg-met-ons mentaliteit die de laatste jaren in ons land opgeld doet. Ingegeven door een wel erg politiek correcte denkwijze, maar meteen ook zonder enig besef van hoe de geschiedenis in de wereld of in Nederland in elkaar stak of steekt, wordt er telkens weer gewezen naar vroeger en naar de hoeveelheid schaamte die wij allemaal zouden moeten voelen voor het slecht behandelen van de medemens in die lange periode. Als we dan overtuigd zijn van het gelijk van die groepen die meestal nog ‘namens die en die’ opereren, maar het eigen volk daarbij een figuurlijke messteek in de rug geven, komt meestal ook nog een claim omhoog. Voor elk evenement is er wel een Stichting die het gelijk van de getroffenen weet te behandelen. Of het nu gaat om de vroegere slaven, de politionele acties, Srebrenitzja, woekerpolissen of de waterstand in de Angel tijdens de winter, altijd zijn er slimmeriken die hiermee goede sier denken te maken. Liefst nadat een instantie of bedrijf ook nog excuses heeft aangeboden. Overigens heb ik niks tegen die claims en die excuses als een of ander bedrijf weer heeft gerommeld met de wetten in dit land, of meent dat klantvriendelijkheid of wetgeving voor hun branche niet geldt. Maar al die feiten uit het verleden?

Hoewel ik uit een gezin stam waar de auto vrijwel altijd centraal stond, al was het maar omdat mijn leasevader daarin handelde op zijn manier, was het gebruik van tram, trein en pont ons niet onbekend. Met ons bedoel ik dan mijn moeder, broer en ik. Met de ‘Blauwe’ tram naar Zandvoort, of in het ‘Bootje van Bergman’ naar de overkant van het IJ en dan op de NZH-tram naar Volendam Marken en zo meer. In de stad zelf maakten we vaak gebruik van de trams van het GVB. Prima verbindingen, wij hadden twee tramlijnen echt om de hoek van ons woonadres beschikbaar, en betaalbaar. Als puber maakte ik er veel gebruik van. Ik zat in Amsterdam-West op de middelbare school, gevolg van de katholieke opvoeding, en daar kon je het beste maar met de tram naartoe reizen. Wat ik keurig deed. Met de toenmalige lijn 3 naar de Rozengracht, daar over op Lijn 13. Die bracht je dan tot de toenmalige grenzen van de stad. Daar zat mijn school, op een toen nog open liggende zandvlakte.
Later ontdekte ik dat je ook met de tramlijn 4 naar het CS kon reizen en daar over op diezelfde 13. Dan kon je tenminste zitten. Immers, die lijn 13 begon daar. Vooral in de winter van groot belang. Veel van die trams waren nog van het heel ouderwetse type. Twee-assers met een losse aanhanger. Later ook nog wel drieassers met hun gesloten balkons. Ik reed zo vaak in die trams mee dat ik ook precies doorhad hoe je met dat ene gestempelde kaartje de halve stad door kon. Was dat belangrijk? Wel als je ook interesse had in de trams, de types en de nummering van die dingen. Had ik net zoveel interesse in als in de vliegtuigen die mijn latere interessesfeer zouden beheersen en de auto’s die ons leven thuis soms zo interessant maakten. Ik wist op enig moment precies welke trams werden ingezet op lijn 4. En op die ook door mij gefrequenteerde lijn 13 reden soms afwijkende tramtypen.
Omdat je op de Rozengracht heel bijzondere rails had liggen die zorgden dat vooral die oudere trams aardig heen en weer slingerden hadden die de voorkeur boven die logge drieassers uit die periode of de schitterende gelede trams die de GVB vanaf eind jaren vijftig toevoegde aan haar gamma. De tijden van de oude ‘blauwen’ waren geteld. Ik maakte nog net die overgang mee. Voordeel van die blauwe trams was trouwens dat ze open balkons hadden waar je met een sprintje zo op kon springen. Had je dan geluk stond de conducteur net aan de voorkant van die wagens en kon je een paar haltes gratis mee. Hij stempelde je kaartje met een rittijdstip. Hoe verder je kwam, hoe later die tijd en hoe verder je kon rondreizen in Amsterdam. Wat ik soms graag deed. Gewoon overstappen van de ene op de andere lijn en dan zien welke trams men nu weer op lijn 16 of 24 gebruikte. Maar die oude puntige tweeassers bleven mijn favoriete tramwagentype.
Haar leven lang verlangde ze al. Naar uit de ban los kunnen komen. Naar wilde avonturen, verre plekken, mooie mensen, liefde op het eerste of tweede gezicht. Ze droomde er van om met haar rugzak op de schouders gewoon in een vliegtuig te kunnen stappen en dan ergens heen te reizen waar het avontuur lonkte. Of de wandeltocht naar Rome te volbrengen, desnoods naar een onbewoond eiland om daar dan met een in haar droombeeld zelf geboetseerde minnaar een maandje de beest uit te kunnen hangen. Die dromen achtervolgden haar al sinds haar jeugd. En natuurlijk had ze wel eens geprobeerd om uit de sleur van het ouderlijk huis weg te komen. Dat was maar ten dele gelukt. Jong verloofd met Michel, die jongen die bij de melkboer bijverdiende en volgens haar ouders niet wilde deugen. Maar in feite was hij bijzonder lief voor haar geweest. Maar dat lieve beviel niet, ze wilde avonturen beleven en Michel vond zelfs Duitsland al ver. Daarna zocht ze haar heil in de studie. Haar ouders hadden haar dat dringend opgelegd. Want wie leert heeft een goede toekomst. Met vlag en wimpel was ze geslaagd, maar daarna was haar leven nog steeds niet die richting opgegaan die ze had gewild. Er was wel liefde komen. Van Frank. Een grote vent met krullend haar. Samen hadden ze de stap gewaagd en ze moest toegeven, hij wist hoe hij een vrouw moest geven wat ze zocht. Jaren lang was ze samen met hem door het leven getrokken. Ze kwam in andere landen, maar eenmaal moeder van drie kinderen werd het ook wat beperkt allemaal. En de caravan achter de door hen samen gekochte Opel was ook niet alles. Al snel vervielen ze in sleur en was van de oorspronkelijke passie tussen hen beiden weinig meer over.
Het is en blijft bijzonder dat we op 5 mei de bevrijding vieren van ons land in 1945. Tegenwoordig wordt die feestdag verbreed en spreken heel wat politiek geïnteresseerde lieden over ‘vrijheid’ in het algemeen. Als een verworvenheid, als een recht dat vanzelf komt. Gek genoeg leven we nu net in een tijd dat die vrijheid van alle kanten onder druk is komen te staan. Nederland als natie wordt bedreigd doordat we op deze aardkloot moeten samenleven met lieden die nog altijd geloven in voor hen heilige zaken die voor anderen meer lijken op sprookjes uit de verwarrende bloedhitte van de woestijn. Onze wereld heeft daarnaast te maken met dictators die al dan niet met steun van hun eigen bevolking menen dat onze vrijheden een zodanige doorn in hun oog zijn dat ze ons die vrijheden graag zouden willen afnemen. Alles naar het model van de doctrine waarmee die dictatoren hun macht uitoefenen. Denk maar eens aan hoe het de journalisten verging of momenteel vergaat in landen als Rusland, Turkije, Cuba, Egypte, Uganda, Venezuela en zo meer.
Wie tegen de dictator schrijft of spreekt zal daarvoor de prijs moeten betalen. En dat is meestal niet net als bij ons vaak het geval is, een taakstraf of een geldboete. Vrijheid is een verworven recht, maar voor de goede orde, onze vrijheid danken wij aan jongelieden die in 1944/5 onze streken zuiverden van de verschrikkelijke Naziterreur. Britten, Canadezen, Polen, Amerikanen. De Nederlandse soldaten hobbelden daar wat achteraan. De befaamde Prinses Irenebrigade reisde met de oude Koningin Wilhelmina mee, vocht een heel stuk minder hard dan die geallieerden die het vuile werk deden. We danken dus aan hen dat wij vrij zijn. Aan de Amerikaanse atoomparaplu dat we niet onder de voet werden gelopen door de stalinistisch horden en aan de NATO dat we nu alsnog niet met Poetin te maken hebben aan onze westkust of oostgrens. Zeker niet aan onze eigen inzet. Defensie van ons land is van een droevig niveau. In geval van nood zijn we niet in staat onze eigen grenzen te verdedigen. Met dank aan vorige kabinetten is zoveel bezuinigd dat we geen pantservoertuigen meer bezitten, onvoldoende vliegtuigen, weinig bases, te weinig marineschepen en wat we dan nog wel hebben valt bij gebrek aan onderhoud in flinke aantallen rijdend, vliegend of varend uit elkaar.
Kortom, de grote mond rond vrijheid van meningsuiting danken we aan de partners binnen de NATO, niet aan onze eigen inzet. En in ons land plus onze bevolking is nog een groot aantal mensen te vinden die menen dat we die vrijheid best een beetje mogen inleveren als anderen (..) zich daarbij plezieriger voelen. Men bedoelt dan de mensen die hierheen komen om een betere toekomst te vinden, maar die het hier niet zo fijn vinden door al die vrijheden waar men niet aan gewend is. Inleveren die vrijheid dan maar? Voor het grotere belang van een multiculturele samenleving die vooral niet al te Nederlands moet zijn. Dus die taal is niet belangrijk, onze feestdagen vast goed te missen, scholing onnodig en integratie al helemaal niet. Ik vrees dus voor die juist vandaag zo gevierde vrijheid. Omdat er stromingen zijn die er niet mee kunnen of willen omgaan. En dan is grote waakzaamheid geboden. Pas als we dat voor mekaar hebben valt er weer echt iets te vieren. Wat blijft is dankbaarheid. Aan hen die onze vrijheid bevochten. Vast niet met het idee dat we diezelfde vrijheid nu met open armen weggeven aan iedere willekeurige dictator of doctrine die daar om vraagt of dat zelfs van ons eist. De bevrijders draaien zich om in hun graven. Hier of overzee….

Het CIS (de unie van samenwerkende staten) werd de opvolger. Anno 2016 zien we weer een sterk Duitsland, dat in feit de EU bestuurt, zorgt voor de enorme vluchtelingenstromen vanuit de arme en geplaagde gebieden in Afrika en Midden-Oosten. We zien een Russische Beer die langzaam aan haar verloren gebieden weer inneemt. Goedschiks of kwaadschiks. Een leider aan het roer die de Russen weer zelfvertrouwen schenkt en de defensiemacht opnieuw brengt tot Sovjet-niveau’s. Poetin wordt een soort moderne Tsaar genoemd, Merkel de ‘Leider van Europa’. En de landen die tussen deze twee grootmachten in zitten kijken er naar en weten niet wat ze nu precies moeten. Kiezen of kabelen. Het lijkt er op dat die keuze nog wel eens een lastige kon worden. Feit blijft dat deze landen net als de VS een belangrijke rol spelen in de moderne geschiedenis en vermoedelijk ook de nabije toekomst. In hoop of vrees. En wij in ons kleine landje zullen daar mee moeten leren leven. Of we nu willen of niet.
Van die lijn 9 was ook nog een afgeleide, de 9K. Die reed een iets andere route, via de Karsselaan. Scheelde iets van tien minuten. Was ik dik op tijd maakte het niet uit, was je al wat laat (in de winter hadden ook de trams van het GVB moeite met sneeuw en ijs) nam je liever niet die 9K lijn. Toch zorgde Maarse en Kroon met haar creme/blauw gespoten bussen in de meeste gevallen wel dat ik redelijk comfortabel en op tijd bij mijn werkstek aankwam. Dan moest ik nog wel van het busplein naast de ingang van het toenmalige Schiphol dwars over het platform heen lopen, wat met veel sneeuw ook weer ietsjes minder was, maar dan nog. Het waren avonturentochten in die jaren. Dat eindigde toen ik mijn rijbewijs haalde en de toenmalige werkgever een VW busje kocht voor vervoer van de spullen van onze klanten. Die mocht ik dan als ‘verst wonende’ mee naar huis nemen als de dienst er op zat. Was het busje pas laat ‘thuis’ stapte ik alsnog op de bus en liet me naar huis vervoeren. Maarse en Kroon bleef nog een paar jaar actief, fuseerde later met een hele reeks andere bedrijven en is nu volkomen verdwenen in R-Net van Connection. Nog steeds met geweldige verbindingen van/naar de luchthaven. Want die erfenis nemen ze die niet af. Alleen is bus 9 er niet meer. Die is bijgeschreven in de geschiedenisboeken. Waarvan ik er onlangs eentje kocht…..
Het openbaar vervoer van onze stad kent een redelijke servicegraad waar het mensen betreft die met de fiets naar, van of in het centrum van Amsterdam willen reizen. Die kunnen dan tegen extra betaling voor hun tweewieler mee. Toen wij onlangs ook weer eens met de Metro reisden, de auto is geen optie gezien de bespottelijke parkeertarieven in de hoofdstad, werd het deel van het verder redelijk volle metrostel waar wij instapten deels geblokkeerd door drie fietsen. Twee stonden naast elkaar geparkeerd tegen de wand naast de ingang, een derde stond midden in het looppad, de eigenaar zat er half op. Niks mis mee, wij konden nergens zitten, dus bleven maar in de buurt van die uitgang staan. Vier haltes was best te doen toch? Bij het uitstappen bleken de twee geparkeerde fietsen toe te behoren aan een wat ouder licht gekleurd echtpaar. Ze wrongen en stootten zich een weg tussen de overige passagiers door naar hun tweewielers. Die dingen moesten van het slot en dan weer tussen de andere passagiers door naar de uitgang gebracht. Geen woord van excuus, geen vraag om even te mogen passeren. Nee, gewoon doorduwen. Dat leidde tot wrevel. Ook bij ons, en dat ontaardde weer tot een klein relletje.
Want de man van het tweetal was niet zo van de kritiek. Hij vond dat wij hem sowieso al aankeken met een ‘neerbuigende blik’. Op het perron van het station ging het nog even verder. Nu ben ik niet zo’n ruziezoeker, je koopt er niks voor en is zonde van je tijd. Maar vrouwlief laat een discussie niet zo maar lopen. Wel opgevoed als zij is verweet ze de man dat hij ‘ordinair’ was….. Dat kwam aan. De man bleef op afstand roepen over discriminatie en zo meer. Hij had vermoedelijk respect gewild, maar dat kreeg hij als aanstichter van de rel echt niet. Gelukkig stapten ze met hun fiets in een andere metro. En ik pakte het krantje met die titel en las me een weg door de nieuwsberichten. Fietsers zijn rare mensen, respect vragende fietsers nog een klasse erger. Gewoon vergeten is het beste. Maar voortaan gaan we niet meer in een hoek staan waar de fietsen zijn geparkeerd. Je weet maar nooit wat voor types je dan weer tegenkomt….