Minderheden….en de claimcultuur..

Minderheden….en de claimcultuur..

Wie mij al die jaren al volgt en leest weet dat ik het met bepaalde minderheden niet zo op heb. Dat zit toch vooral in de sfeer van constant claimgedrag, gezeur om gelijk, geld willen ontvangen, wegpoetsen van negatief gedrag in die groepen en zo meer. Omgekeerd zie ik juist weer dat mensen uit andere minderheden erg halsstarrig zijn in hun afkeer van weer andere groepen die niet meteen behoren tot de mainstream in dit land.

Zo zie je dat veel nieuwkomers een bloedhekel hebben aan homo’s en joden en dat ook niet onder stoelen of banken steken. En daar waar het uit de hand loopt zijn het met name linkse wethouders te vinden die dan rapporten daarover in de onderste lade van hun Stalinistische bureau’s verstoppen. De claimcultuur is er ook zo een. ‘Mij is onrecht aangedaan, en ik wens daar nu excuses voor en daarna compensatie’. Deze groepen vindt je veel bij hen die uit de tropen deze kant op kwamen en hier een mooi bestaan op bouwden om daarna te ontdekken dat het bestaan vooral door werken moest worden bereikt. En dat bevalt kennelijk minder. Zo tipte ik al eens de vermeende slachtoffers van de slavernij aan die vele generaties na de echte slachtoffers van dat gedrag door een bepaalde elite, een linkse gektesekte kennelijk gebruiken om hun ‘pijn’ om te zetten in klinkende munt.

Gaat nooit over realiteit, altijd over vermeend lijden. Zo was ook de situatie in Nederlands-Indie van na 1945 er een die wederom bepaalde mensen deed besluiten tot een claim richting de Nederlandse overheid. Maling aan de tijdgeest van toen….de slachtoffers, de wreedheden die van beide kanten kwamen….Nee, als het om geld gaat…. Ik snap die excuusmentaliteit dan ook niet zo. Want die is wel erg selectief. Excuses en compensatie zie je maar weinig richting de eigen bevolking. Groningen, Zeeland (de watersnoodramp van 1953 was een direct gevolg van bewust achterstallig onderhoud aan de toenmalige dijken…) Limburg, de toeslagenouders, de gepensioneerden en zo meer. Allemaal minderheden, maar mooi geen excuses en geen compensatie. Op het moment dat ik dit stukje schrijf is nog niet duidelijk hoe feilbaar die overheid opereerde tijdens de COVID-periode.

En dan ook nog even over die slavernij en armoede uit het verleden. Slavernij kwam hier al dik 2000 jaar geleden voor. Met name de Romeinen sleepten heel wat goedkope arbeidskrachten mee uit de lage landen. Dat deden ook de oude Egyptenaren in hun invloedssfeer, de volken in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Men was ook niet vies van het vol zetten van harems met meiden die men elders roofde. Slavinnen voor het leven, geen ander doel dienend dan de lusten bevredigen van de toenmalige vaak islamitische machthebbers. Hoeveel claims zijn daarvoor eigenlijk ingediend? Armoede was daarnaast voor de grote meerderheid van ons volk door de eeuwen heen de norm.

De welvaart die uit handel in goederen, specerijen of mensen in die eeuwen werd verdiend bereikte vrijwel nooit de 90% van de bevolking die woonde in krotten, plaggenhutten en met een levensstandaard die vergelijkbaar was met de gemiddelde inwoner van een dorp in donker Afrika. En toch zouden wij ons collectief schuldig moeten voelen voor wat er ooit heeft plaatsgevonden onder regie van de VOC of aanverwante organisaties. Stel ik dan toch even die Romeinen tegenover. En de Franken, de Fransen, Spanjolen, Duitsers en wat dies meer zij en hier te lande huis hielden. Nooit hoor ik daar iets over….nooit! Wellicht omdat de minderheden hier de meerderheid overschreeuwen? Hoe dan ook, wie zijn geschiedenis niet kent heeft in de toekomst niets te zoeken. Ik raad ons volk aan eens wat minder in de excuusmodus te duiken en wat meer in de claimcultuur het gelijk te zoeken. Wellicht dat ook die mensen die ooit in armoede opgroeiden dan nu in welvaart verder kunnen…..Maken we van die meerderheid een heel grote minderheid. Dat wordt wennen in Den Haag….Links schiet nu al in een kramp bij het idee…….want mijn plan is vast niet ‘Politiek correct’ zoals die lui dat altijd claimen na te streven….(Beelden: Eigen archief/internet)

Dia’s

Dia’s

Jaja lieve kijkbuiskindertjes en bloglezers, ooit had opa Meninggever geen digitale camera of smartphone om daarmee zijn plaatjes te schieten. Nee, dat ging allemaal met een camera waarin een filmpje zat. Naar gelang het type of de keuze van materiaal had je dan 24 of 36 opnamen beschikbaar en schoot je dus altijd selectief de onderwerpen die je van te voren had bedacht. Lukraak foto’s maken was er niet bij. De eerste camera’s waren een soort plastic doosjes met een lensje voorop, een cassette propte je in dat ding en met wat plastic of metalen schuifjes maakte je een foto, of zoals in mijn geval dia, en transporteerde dan de film naar het volgende potentiele plaatje. Film vol? Naar de fotozaak of centrale en hopen op goed resultaat.

In 1971 toen ik echt ging fotograferen deed ik dat op aanraden van een in die dagen goede vriend, op dia. Dan kon je later leuke voorstellingen houden in kleur en op een groot scherm geprojecteerd. Door de jaren heen maakte ik zo dik 15.000 beelden. Die heetten officieel dia-positief. Toen ik overstapte op digitale camera’s van de eerste soort, bleef de SLR van goede snit en met een scala aan lenzen voortaan in de bijbehorende aluminium koffer. In feite begon ik opnieuw met fotograferen. De latere smartphones verbreedden het aanbod van mogelijkheden.

Een nieuwe digitale SLR die ik ooit kocht inclusief nieuwe lenzen was toch vooral voor de luchtvaart bedoeld. Hoe dan ook, keurig gesorteerd in mijn op zolder staande archief bevinden zich al die dia’s. Toch zonde. Dus maar eens digitaliseren. Ik begon daar jaren her met verve mee en kwam tot ongeveer halverwege. Toen schakelde Windows van Win7 naar 10 en deed de scanner het niet meer. Dat was wel een tegenvaller. Maar ach, er zijn erger dingen. Maar het bleef jeuken. Onlangs kocht ik mij van o.a. de verkregen verjaardagsgelden een nieuwe scanner. Deze werkt op andere wijze en biedt me de kans om nog wat beelden uit die bakken vol platen en plaatjes tot eind jaren negentig te redden voor het nageslacht of gewoon mijzelf. Het vraagt tijd en discipline. Ik hoop oprecht dat die mij zijn gegeven. Want de eerste resultaten zijn bemoedigend…. Ik hoop af en toe ook hier wat te kunnen laten zien….Wens me maar sterkte… (Beelden: Archief)

De kracht van stoom…

De kracht van stoom…

Het scheelt maar een enkele letter maar vergis je niet, deze vorm van aandrijving bij machines zorgde ook voor een revolutie in de wereld van het vervoer, de landbouw en nog veel meer. Stoommachines, met dank aan mensen als James Watt een eeuw of wat terug, maakten dat wat voorheen ambachtelijke en zeer zware handarbeid was, door die machines kon worden gedaan in een fractie van de tijd en met een grote welvaart tot gevolg.

Al was die welvaart wat beperkt qua toegang en ging die veelal naar hen die investeringen hadden gedaan waardoor de introductie van dat nieuwe wondermiddel mogelijk werd. Stoom werd opgewekt door het verhitten van water middels grote boilers waarin je dan vooral kolen mikte en verbrandde. Met dank aan die stoom kregen we echte fabrieken met honderden arbeiders die van alles en nog wat maakten.

We konden als mensen ineens reizen maken in een fractie van de tijd die bijvoorbeeld een zeilschip of postkoets nodig hadden om ergens te komen. De trein baseerde zich ook op het principe. Een stoomloc trok dan wagons met passagiers of goederen in een uurtje van Amsterdam naar Haarlem waar je met een trekschuit een halve dag over deed. En al die schuiten kregen opvolgers in de vorm van stoomboten die nu nog af en toe door Sinterklaas wordt benut en wiens knechten door al dat gestook hun kenmerkende kleur opliepen. Roet overal als gevolg van het principe.

De uitstoot van al die machines was niet alleen zuivere stoomdamp natuurlijk, in Engeland gingen hele steden bijna ten onder aan de roet en smog die door die nieuwe industrie werd veroorzaakt. Maar ja, efficient, en duidelijk handiger dan alles wat daarvoor was benut. Die Britten ging nog veel verder. Want wat met treinen kon moest ook op de weg mogelijk zijn. En zo ontstonden met name vrachtwagenmerken als Leyland en Sentinel waar men trucks in elkaar stak die door stoom werden voortgedreven.

Er was een chauffeur voor nodig, maar ook een stoker die de vaak handzamer stoomketels voorzag van genoeg kolen om een rit te volbrengen. Beide mannen zagen zwart van het roet, kolengruis of wat ook, maar aan het principe werd vastgehouden tot na WO2. De eerste vliegtuigbouwers wilden ook wel eens kijken of die stoommachines hun vliegmachines in de lucht konden brengen maar dat bleek wat tegen te vallen. Deze waren bepaald niet lichter dan lucht en dat is toch wel een soort van voorwaarde om te kunnen vliegen in een toestel van houten frames met linnen omhulsels. Nee, vliegen kon je er niet mee, maar verder? Stoom als wondermiddel, meer dan 150 jaar actueel gebleven. Schoorvoetend kwamen andere bronnen van brandstofmotoren een beetje in zwang. Benzine als eerste, diesel later pas en ook nog eens gas.

Gelijktijdig deden de eerste elektrische apparaten en voertuigen van zich spreken. Al een eeuw terug. Maar dat laatste zette niet meteen door. Geen actieradius, die batterijen veel te zwaar en het systeem van opladen al te ingewikkeld. Stoom handiger, kolen overal te vinden, en dan wist je wat je had. Voor benzine was je nog afhankelijk van oude paardenhandelaren die er een handeltje bij gingen doen. En bij veel schepen hield men het op het bunkeren van kolen en water, net als in de treinenhandel. Of in de wegenbouw….stoomwalsen waren nog tot ver in de jaren zeventig gewoon in zwang en gebruik. Kortom, nog maar zo kort geleden.

Met het uitfaseren van al die stoommachines daalde het percentage smogdagen in de wereld met grote sprongen. De sterfte onder mensen die er altijd in of mee hadden gewerkt zakte ook weg en het comfort was daarnaast met sprongen vooruit gegaan. Nu bekijken we al die stoomboten en machines met de nodige nieuwsgierigheid en nostalgie. Net zoals we bezoeken brengen aan kolenmijnen. O nee, niet in China, waar men die kolen nog gewoon in massale hoeveelheden uit de grond haalt. Ten behoeve van enorme energiecentrales die met hun stoom stroom opwekken om zo de gemiddelde behoefte van de Chinees te bevredigen. Die rijdt nu af en toe in een EV en meent het milieu te redden. Maar eigenlijk houdt hij nog steeds vast aan 19e eeuwse technieken. Zal Kameraad Tsji een worst zijn….als hij maar rijdt….Toch? (beelden: Archief/internet)

Storm…

Storm…

Terwijl ik dit verhaal schrijf heb ik net tegen een stevige stormachtige wind in gelopen die windkracht 7-8 haalde uit het zuidwesten en de overgang van voor deze tijd best zachte temperaturen naar meer bij de maand van het jaar passende aankondigde. En terwijl ik mijn pet vasthoudend voortploeterde door een kale polder waar de wind om me heen loeide dacht ik terug aan 25 januari 1990. Op die dag werd Europa, maar zeker Nederland getroffen door de zwaarste storm uit de geschiedenis. 17 mensen verloren die dag het leven, de schade aan gebouwen, bomen en andere al dan niet roerende zaken was ongekend en ik weet nog goed dat de tocht vanuit Amsterdam-Zuid naar ons toenmalige huis in Almere uren duurde.

Waarbij de toen net nieuwe auto van het geliefde merk de nodige beuken door de wind opliep maar verder geen krimp gaf. Zelfs Schiphol was op enig moment afgesloten van de buitenwereld, treinen reden niet meer en vele straten hadden last van omgewaaide bomen. Mensen strandden onderweg, moesten noodgedwongen bij vreemden onderdak vragen want de weg naar huis was gewoon onbereikbaar. Wat daarbij toch opviel was dat men bij de daartoe bestemde overheidsorganen anders dan nu het geval vaak is, geen echte waarschuwingen vooraf had gegeven.

Het zou volgens weerdeskundigen van toen een storm van Windkracht 10 worden en in het binnenland viel het waarschijnlijk wel mee. Dat pakte heel veel anders uit. Uiteindelijk loeide deze storm met windkracht 12 over ons heen en het binnenland had net als de kust enorme overlast van dit bijzondere ding voor onze streken. De hoogste windkracht werd op enig moment gemeten op Schiphol met 161 km/uur wat in ons land uiterst extreem is. Al was er ooit in Hoek van Holland anno 1921 een stormvlaag die nog net even hoger kwam in kracht. De depressie die de ellende veroorzaakte had een kernwaarde van 950Mb en bleek ondanks dat, of wellicht juist dankzij die waarden, toch in staat tot vernietigende kracht. Na die enorme stormkracht besloot men in ons land het waarschuwingssysteem bij te stellen en ook voortaan waarschuwingen te geven met kleurcodes van geel naar oranje en uiteindelijk rood.

Die storm waar ik toen mee te maken had was duidelijk een dieprode, die van vandaag (voor de lezer even terug in de tijd) kwam tot oranje. Na die datum die ik noemde kwamen wel meer stormen voor. Soms later in het seizoen, een enkele keer vroeger. Maar deze uit 1990 is en blijft voorlopig de zwaarste ooit voor ons land. En opvallend is dat in die bewuste maand januari Europa nog twee van die kneiters over zich heen kreeg waardoor de schade voor de verzekeringswereld zo groot was dat men de premies structureel wel moest verhogen. Want dat is altijd het gevolg van al die claims die bij dergelijke stormen horen. Mij staat die storm persoonlijk ook bij door die toch best ‘avontuurlijke’ thuisreis maar ook omdat ik op enig moment in mijn toenmalige kantoor met verbazing stond te kijken naar de schade die om ons heen werd aangericht aan huizen en bomenrijen die decennia lang hadden gestaan in aangrenzende groengebieden bij ons bedrijf maar nu in korte tijd met de grond gelijk werden gemaakt. En ook dat de gebouwen waarin wij gezeteld waren nul komma nada schade hadden opgelopen. Wat, gezien de bouwwijze, best apart was….(Beelden: Internet)

Rooie Rogers…

Rooie Rogers…

In mijn vroege jeugd waren de cowboyfilms en dito helden niet te tellen. In die jaren waren die cowboys toch de helden van een nieuw tijdperk en net zoals de geallieerden volgens de toen aangeboden cinematrografische beelden die vreselijke Moffen en Jappen hadden aangepakt en verslagen, maakten de grote en kleine filmverhalen van toen duidelijk hoe je afrekende met tegenstanders van het ‘barbaarse’ type. Indianen moesten er dus altijd aan geloven en de helden reden met hun paarden aan het einde van de film richting de prachtige zonsondergangen die het Wilde Westen kenmerkten al dan niet in gezelschap van een bloedmooie cowgirl die ze soms uit de klauwen van die koppensnellende indianen hadden gered. Een van die helden was de man met de bijzondere naam ‘Rooie Rogers’.

Dat was natuurlijk de vertaling die wij er als actieve straatcowboys met onze klapperpistolen en vilten cowboyhoeden aan gaven. Wist je veel. In het echt was dit een held van het volk. Op elke uitingsvorm van gedrukte publicaties kwam hij voor. Van plakplaatjes bij de kauwgum tot uitvouwposters in bladen die speciaal over filmproducties gingen. Films die niet zoals nu werden gedraaid op een of andere streamingsdienst, nee je moest er voor naar de bioscoop. Toen ik dat een keer deed werd mijn beeld van Roy Rogers, zoals hij in het echt van die films heette, aardig geweld aan gedaan. Want in plaats van indianen te bestrijden met zijn colts deed hij dat al zingend met zijn gitaar. Mijn hemel welk een deceptie.

Toch bleef de man een fenomeen. Geboren in 1911 als Leonard Franklin Slye in Cincinnati speelde hij samen met zijn echtgenote, Dale Evans, in vrijwel elke film die men rond het duo uitbracht. En dat waren er tientallen. Zoveel dat hij voor het Amerikaanse publiek een all-American-hero werd en allerlei ereprijzen kreeg voor hij in 1998, intussen 87 jaar oud, overleed. De meeste van zijn films zijn afkomstig uit de periode 1935-1959, dus toen ik die films zag was hij eigenlijk al een oudgediende en teerde vooral op oude roem. Roem die hij zelf graag tot het einde overeind hield. Een beetje zoals John Wayne later deed. Was het een goede zanger? Nou ja in het wilde westen van de VS vast wel. Nu oogt het allemaal erg oubollig en je mist die slachtpartijen van indianen natuurlijk… Maar een fenomeen dient aandacht te krijgen, en deze broeder was voor mij als kind toch een belangrijke ster. Zingend of niet. (Beelden: Internet/Getty)

Vergeten warenhuis…

Vergeten warenhuis…

Voor geboren en getogen Amsterdammers van mijn generatie was dit warenhuis aan de Reguliersbreestraat ooit een begrip. De Galeries Modernes! Ergens in de 19e eeuw op poten gezet door een Franse zakenman die zijn eerste filiaal opende in Rotterdam en wiens broer in Amsterdam een eigen filiaal opzette waarvoor hij diverse panden aan genoemde straat opkocht. Even voor WO2 besloot deze ondernemer om al die oude pandjes te slopen en een nieuwbouwpand neer te zetten met de nodige in die tijd tenminste als zodanig bedoelde moderne architectuur en fraaie inrichting. Dat pand stond pal naast dat nog steeds zo fraaie Tuschinski theater en kon qua stijl nauwelijks meer daarvan afwijken.

De Galeries was een concurrent voor V en D of Bijenkorf en verkocht van alles en nog wat. Qua prijzen hing het wat tussen al die bekende ketens in. Maar men kende ook iets bijzonders. Anders dan die concurrenten waren de verschillende filialen van het bedrijf, mede door de verschillende eigenaren, ook qua aanbod en beprijzing onderscheidend. Zo kon het zijn dat wat in Groningen gold als ‘niveau’ in Amsterdam toch meer op de prijs werd ingezet. Ook verkocht men levensmiddelen wat de concurrentie toen nog niet deed. Naast de hoofdstad en Rotterdam vond je vestigingen in Utrecht, Groningen, Den Haag, Arnhem en Leiden om er maar een stel te noemen. Al die vestigingen hadden dus ook veelal verschillende eigenaren, het waren meer franchise-filialen dan vestigingen van een enkel consistent optredend bedrijf. Toch was het voor de gemiddelde Amsterdammer van toen een leuke plek om te winkelen en je moest je best doen om er zonder iets aan te schaffen uit te lopen.

Wat je bij V & D tot jaren later vanwege het wonderlijke aanbod veel beter lukte. Maar de rommelige structuur bij de G.M. zorgde ook voor onheil. Financiele verliezen waren op enig moment zo groot dat men wel moest onderhandelen met overnamepartners. KBB werd er daarvan een omdat die een deel van het aandelenkapitaal van Galeries Modernes wist te verwerven via eerdere Belgische investeerders die er graag vanaf wilden. De directie van G.M. was blij want wilde niet in handen vallen van Duitse of Amerikaanse investeerders, maar het resultaat was uiteindelijk hetzelfde. Al snel sloot men de ene na de andere vestiging. En in 1984 ging de laatste vestiging van de Galeries dicht. In 1970 was dat al in Amsterdam gebeurd en werd het ooit zo moderne gebouw totaal omgebouwd tot Hema-vestiging.

Intussen is het pand in gebruik door diverse winkels waarvan de samenstelling nogal eens verschilt. Zo zat er ooit een Kruidvatwinkel in, maar ook die is weer verdwenen. Hema zette in op haar filialen aan de Kalverstraat en Nieuwendijk en verliet het Galeries-pand jaren geleden alweer. Een icoon in de stad is gewoon verdwenen. En na mijn generatie of die net na mij zal de naam ook wel in de vergetelheid raken. En dat is best jammer. Maar ja, wie zal er over 30 jaar nog weten wat V&D was of Hudsons Bay?? Ik vrees dat het daarmee net zo zal gaan verlopen….Alles is relatief, de handel ook! (Beelden: Wikipedia/internet)

Bedacht merk; Mercury!

Bedacht merk; Mercury!

Zoals Toyota ooit Lexus bedacht en er wel meer voorbeelden zijn in autoland van door grotere moeders bedachte automerken, deden de grote drie in de VS die al ver voor de Tweede Wereldoorlog. Men bedacht een merk en vulde daarmee dan weer stukjes van de markt met wagens die in feite gewoon uit de moederfabriek kwamen maar met een wat afwijkende vormgeving of uitvoering. Dat deed dus ook Ford met Mercury. Dat in 1938 opgezette merk moest het opnemen tegen Buick, Oldsmobile en Pontiac van GM of DeSoto en Dodge bij Chrysler. Men voegde de nodige zaken toe bij Mercury waardoor kopers van dat merk altijd net even beter in de luxe en prestaties zaten dan de oer-Fords uit eigen huize.

Zo kreeg je na de oorlog bij een Mercury al een V8 motor waar Ford nog werkte met 6-cilinders in lijn. Mercury bouwde al tijdens de oorlog haar wagens en wist er ook nog klanten voor de vinden. Een van die oorlogsmodellen bouwde men nog een paar jaar door na 1945 en dat deed men vooral omdat vernieuwing van de modellen door de economische gevolgen van de oorlog in die jaren er na financieel onhaalbaar was. De ronde rug van de Mercury tussen 1946-48 was 1 op 1 afkomstig van Ford. Een revolutionaire verandering was bij Mercury zichtbaar toen men in 1949 kwam met een schitterende lage auto (Step-down) die meteen onafhankelijke wielophanging voor kreeg en de V8-motor gelijk meer vermogen leverde.

Die wagen kwam er als sedan, coach en cabriolet. Geliefde wagens, en later vaak benut voor ombouw tot zeer sportieve Custom-cars. Deze Mercury bleef drie jaar in productie. Toen verscheen de Monterey die al wat oogde als de later zo bekende ‘Amerikaanse sleeen’. Een voorruit uit een stuk, panoramische achterruit en meteen 25 pk meer uit dat bekende V8-blok. De potentiele snelheden gingen gestaag omhoog. De Mercury-rijder werd voor vol aangezien. De wagens van volgende bouwjaren deden daartoe nog wat schepjes metaal en vermogen bij het al bestaande en het aantal modellen groeide ook. Een prachtige Coupe uit de jaren zestig was de Marquis die standaard een vinyl dak kende en een bruut vermogen bood van 330 pk’s. 190km/u was nu in zicht voor eigenaren en die genoten vooral van de er bij behorende luxe.

Een tegenhanger voor de van Ford afkomstige Mustang werd de wat uitbundiger vorm gegeven Cougar die sportieve lieden de 200km.u deed aanraken. Bij de Cougar altijd een V8, een Mustangrijder kon nog een 6-in-lijn kiezen. Gek genoeg besloten de Mercury-voormannen om de volgende Cougar’s ook als sedan en zelfs stationcar uit te brengen. Prachtige, ruime en luxe wagens met een berg vermogen, maar geen Mustang-achtige sportieve auto meer natuurlijk. Een mastodont was ook de Marquis uit bouwjaar 1975. Over de tweeduizend kilo zwaar en bijna 6 meter lang, en ook leverbaar als stationcar was dit echt een wagen voor de verwende koper. Er tegenover zette Mercury later de Bobcat neer, een compacte auto op basis van de Ford Pinto met nu ineens een zuinige 4 cilinder of 6-in-lijn. Alles bedoeld om klanten weg te trekken bij vooral de Europese concurrentie. Wie de geschiedenis kent van de Pinto weet dat de Bobcat niet bepaald populair geworden is. In drie jaar tijd werden er net 80.000 van gebouwd en verkocht. Intussen is Mercury verdwenen. Rationalisering bij de grote Amerikaanse merken deed hen besluiten afscheid te nemen van veel van die submerken en zich te concentreren op de basis-modellen uit eigen huize. Mercury’s worden nu vooral gewaardeerd als klassiekers of youngtimers. Een deel echt gekoesterd. Maar je moet je wel een stevige brandstofrekening kunnen veroorloven om er nu nog mee rond te rijden. Want ze stammen veelal uit de tijd dat benzine nog 35 oude centen de liter kostte. En dat is heel lang geleden…(Beelden: Archief)

De Pijp…

De Pijp…

Een Amsterdamse wijk die van chique buurt naar volkswijk werd omgevormd en nu weer op weg is een van de vele yuppenbuurten van mijn stad te worden is de Pijp. In het zuidelijk deel van de stad gelegen kent deze wijk een bewogen historie die deels ook is verbonden met de geschiedenis van de buurgemeenten Ouder- en Nieuwer-Amstel. En met de naamgevende Amstel die aan de oostelijke kant deze wijk vol verschillende culturen nog steeds tot grens dient. De Pijp was ooit wat beperkter van omvang dan hij nu bestuurlijk is verworden. Stadsbesturen en deelraden maakten dat sommige straten het ene moment in Oud-Zuid behoorden te liggen, dan weer toegevoegd werden aan de Pijp.

Hoe dan ook, ooit was het grondgebied waar de woonwijk van nu al ruim 150 jaar op te vinden is gelegen in buurgemeente Nieuwer-Amstel. Een gemeente die ooit zelfs het bestuurlijk beheer uitoefende over heel Amsterdam, maar dit terzijde. Dat Nieuwer-Amstel kende wat agrarische bebouwing, sloten, vaarten, maar ook op enig moment de nodige luxe buitens. En die werden vaak bewoond door wat welvarender Amsterdammers die de toen nog veelal stinkende stad met haar vol vuilnis en kadavers gestorte grachten ontvluchtten en hier buiten de Veste Amsterdam hun heil zochten. Grond kostte nog niet zo veel, en zo kochten veel van die lui een landgoed dat soms wel een kilometer of 2 lang en honderden meters breed was.

Daarop verkavelden ze dan stukjes grond ten behoeve van kleine ambachtslieden die daar dan weer een kleine nering van wisten te maken. De patronen van de latere straten werden bepaald door de zandpaden en sloten die in dat hele gebied de verbinding verzorgden tussen Amstel en Boerenwetering die weer tussen stad en Haarlemmermeer afwatering verzorgde. Toen de stad Amsterdam groeide, de nieuwe economie met haar havens en handel in de 19e eeuw deed de stad opbloeien als nooit eerder, trok dat ook mensen aan van heinde en verre. Vaak immigranten uit de provincie. Drentenaren, Friezen, Groningers. En die wilden uiteraard net als nu allemaal een huis.

De parallel met nu is daarbij extra opvallend. Het toenmalige stadsbestuur zag wel iets in de expansie van de stad naar het zuiden toe en liet haar oog vallen op het gebied waar juist die rijkere Amsterdammers bij de buren onderdak vonden. Maar doordat het die rijkeren intussen minder goed ging en het proletariaat het steeds beter had, werd de strijd tussen de buurgemeenten uiteindelijk gewonnen door Amsterdam. Verkoop en ruil van grond en goederen maakten het gebied beschikbaar voor bebouwing met ellenlange straten vol etage-woningen. Veelal gelijkvormig en in hoog tempo gebouwd. Molens die tot dan de boeren dienden of de polders droog hielden werden gesloopt. Wetering werd gracht, de Amstel ingedamd.

Waar het kon behield men de oude bebouwing met name langs het water overeind, maar de tussenliggende straten volgden het patroon van veel voor weinig. De smalle straten, de redelijk kleine etagewoningen, winkels, handel, alles werd ingebakken in de wijk die door die smalle straten al snel de bijnaam De Pijp verdiende. Ambachtslieden, mkb-ers, arbeiders. Katholiek en protestants door elkaar, een levendige wijk. Goede scholen verrezen, een giga-kerk van Cuypers, de St.Willibrordus buiten-de-Veste en een nieuwe brug over de Amstel die Zuid en het ook al uitgebouwde Amsterdam-Oost met elkaar zouden verbinden. Begin 20e eeuw was de wijk af en zette Amsterdam stappen richting het volgende project dat door Berlage op poten zou worden gezet, het chiquere Nieuw-Zuid.

De scheiding van de Pijp en de rest van Zuid kwam eerst te liggen bij de huidige Tolstraat, later bij de Jozef Israelskade. De huizen totaal verschillend van elkaar, de huren ook van een andere orde. Na de Tweede Wereldoorlog was De Pijp nog een eldorado voor de arbeidersklasse en middenstand. Maar na de jaren zestig raakte de boel er in verval. Panden werden slecht door matig onderhoud en uitwoning. Oorspronkelijke bewoners weggetrokken, immigratie deed zijn invloed gelden. Dit keer van mensen uit andere landen en culturen. Verpaupering werd in de jaren 70/80 eindelijk stevig aangepast. Vernieuwde huizenblokken, de winkeliers verdwenen, veel garagebedrijven vertrokken. De lange straten werden rustiger van aard. Horeca kwam er voor in de plaats. Jongelui kochten beschikbare etages en knapten die op. De wijk weer levendiger, zelfs een beetje neo-chique. Wie er nu loopt ziet de veranderingen. Een leuke wijk met oude invloeden, nooit bedacht door de bouwmeesters van toen, want deze huizen en straten werden nooit gebouwd voor de eeuwigheid. En dat was bij sommige panden ook te merken. Bekende namen van bedrijven verdwenen. De hoofdstraten nu vol coffeeshops (echte, geen hash..) uitheemse groentenwinkels en bloemisten. De lange zijstraten winkelloos. Maar voor jongeren toch een leuke wijk. Helaas, ook hier…peperduur. Beetje etage van 45m2 kost je tegenwoordig 3.5-5.5 ton in Euro’s. Net of je terugkijkt in de tijd. Maar wel een wijk die een bezoekje waard is als je in onze stad op bezoek bent. (Beelden: archief)

Sypesteyn…

Sypesteyn…

Ik geef het meteen toe, beste lezers en lezerinnen…. Deze meninggever heeft iets met de geschiedenis, omdat die zoveel vertelt over onze herkomst, cultuur en zeker ook toekomst. Zonder enige kennis van de geschiedenis heb je in de toekomst niks te zoeken. Wie niet kan duiden hoe dingen pasten in een bepaalde tijd kan zeker die toekomst niet voorspellen. Helaas zie ik al te vaak dat mensen die zich experts noemen dit maar al te graag toch doen. Hoe dan ook, bij een van onze tochten over piepkleine landweggetjes en dwars door nooit eerder bezochte dorpen en stadjes kwamen we bij toeval langs Kasteel Sypesteyn. Zal niet meteen allerlei bellen doen rinkelen. Eerlijk gezegd had ik er nog nooit van gehoord. Dus opgezocht.

Dat prachtige kasteel met zijn torens en kantelen stamt niet uit een heel vroegere periode waarin de adel zich ten laste van de burgers kon laten verwennen in zo’n enorm landhuis, nee, dit kasteel is pas eind negentiende eeuw gebouwd. Als onderkomen voor een nazaat van vroegere landheren die hier de boel bestierden. De familie Van Sypesteyn. Op de terreinen waar volgens de overlevering ooit wel een oud kasteel moest hebben gestaan waarvan een ruine nog een aantal jaren overeind had gestaan, herbouwd en in 1673 opnieuw vernield. Het nieuwe kasteel werd gebouwd op de teruggevonden resten van het oude en kreeg een zekere grandeur, tot anno 1927 het geld op was en de bouw werd afgerond op het niveau waarop het nu nog verkeert.

Een kasteel met een sterk stenen landhuiskarakter, een buitenmuur met gebouwen waarin je dat oude en vroegere kasteel terug moet zien, een machtig mooie tuin, en binnen verzamelingen van de kasteelheer, waaronder het nodige porcelein. In 1902 al werd door de familie Sypesteyn een Stichting opgericht die bouw en onderhoud van kasteel en omgeving voor haar rekening moest kunnen nemen. Daardoor zijn het kasteel en de verzamelingen samen museaal beschermd en kan men er sindsdien gasten ontvangen (12 euro entree, museumjaarkaarthouders gratis toegang) en valt er vlak na de ingang ook koffie te dringen in een tent. Al dit moois vindt je in Loosdrecht, niet meteen een plek waar je aan kastelen denkt, eerder aan water en zo. Maar het kasteeltype noemt men daar dan weer wel een Waterburcht, omgeven door sloten en plassen, en dat geheel oogt door de stenen bouw die heel erg verwijst naar vroeger eeuwen noest en voor de eeuwen te bewaren. Opdat we iets van die vaderlandse geschiedenis leren.

Vaak zo gewelddadig, omgeven door haat en nijd, geloofsconflicten en zo meer. De furie daarvan kon oude kastelen verwoesten, maar de drang tot herbouw ook weer iets moois opleveren, ook al is het dan een paar eeuwen later. Wij deden de rondgang door het kasteel niet. Te druk naar ons idee. Meer mensen kenden dit kasteel kennelijk en wij waren maar dagtoeristen op doorreis. Maar we gaan er zeker nog eens heen om te kijken wat er binnen allemaal te vinden is. Al was het maar om inzicht te krijgen in hoe deze familie door de eeuwen heen zich staande heeft weten te houden. Zoek je dit kasteel? Het ligt aan de Nieuw-Loosdrechtsedijk 150 in Loosdrecht. En als je daar dan toch bent rijdt dan ook eens helemaal binnendoor langs Tienhoven naar bijvoorbeeld de Vuursche of zo. Je zult genieten. Gegarandeerd. En grote wegen kom je niet tegen onderweg. Ook prima te doen op e-bikes…(Beelden: Eigen materiaal)

Posbank…

Posbank…

Wie meent dan Nederland alleen maar vlak land kent, weidegrond of stedelijke bouw met alles wat daarbij hoort, raad ik aan om eens 100km oostelijker van Amsterdam op zoek te gaan naar de Posbank. Te bereiken via Rozendaal (nee, niet dat Roosendaal in West-Brabant maar het tamelijk welvarende plaatsje naast Arnhem..) of Rheden. Een werkelijk prachtig gebied waar je heerlijk kunt fietsen en wandelen. De haarspeldbochten bergop of af zijn soms adembenemend, maar eenmaal op de top krijg je een vergezicht te zien dat je de adem doet benemen. Zeer fraai. Met name zo aan het einde van augustus met de heide in bloei (dit jaar echt op zijn fraaist met dank aan een wat koele zomer..) is het er een eldorado.

Een omgeving die mij overigens aardig bekend is uit de jeugd. Want wij kwamen hier toen regelmatig met dank aan de vrienden van onze ouders, Ome Karel en Tante Cor. De eerste met een grote behoefte aan de Veluwe op zijn vrije zondag ritjes, en Tante Cor omdat ze uit haar eerste huwelijk een dochter had overgehouden die nog in Arnhem woonde. Ons gezin reed dan mee die kant op. Vaak in een van de toenmalige ‘handelauto’s’ van mijn leasepa, die het soms best lastig hadden met al die hellingen daar. Gold ook voor de Traction Avant van Ome Karel. Met volle last was het best een ritje om boven te komen. Voor moderne auto’s is het allemaal een fluitje van een cent. Zie ik ook bij de fietsers die zich naar boven spoeden met hun e-bikes. De oudere generatie waant zich Joop Zoetemelk met al die ondersteuning… Hoe dan ook, genieten daar op die Posbank.

Er zijn fraaie campings te vinden, uitspanningen (wel even de verhalen/opmerkingen van gebruikers lezen..), bospercelen vol echt wild (van herten tot wilde zwijnen)… Die laatsten moet je niet tegenkomen op je wandelingen natuurlijk, maar in de praktijk lopen ze ook liever voor jou om dan omgekeerd. Wat ik vooral fraai vind en vond daar, die enorme uitzichten over de omgeving. Met mooi weer zoals wij dat afgelopen maand augustus meemaakten tijdens ons meest recente bezoek aan die Posbank, is de Rijn op afstand te zien, is de heide roze van kleur oneindig groot en zorgen de bossen voor een mooie groene afwisseling. Schapen op de hellingen zijn witte bewegende puntjes op afstand, en zonder al die dagjesmensen zou het er uiterst stil zijn. Dat is het overigens wel in de bossen van de Posbank, daar hoor je zowat elke tak kraken, en is het stedelijk gebied ook figuurlijk ver weg.

Ik zou bezoekers overigens afraden hier in het duister of bij ook maar een beetje slechter weer de barre tochten op en neer te gaan doen. Daarvoor mankeert de verlichting, is de wegmarkering toch te matig tot slecht, de bochten te scherp of onoverzichtelijk en staan de bomen soms wel erg dicht bij de rijwegen. Daarbij blijken de (goede) fietspaden voor een beetje wielrenner geen uitdaging, maar die wegen voor de auto’s en motoren wel en rijdt men daarop vaak onverlicht rond. Maar ja, elk voordeel heb ze nadeel zoals een Amsterdamse wijsgeer ooit oreerde…. In alle andere omstandigheden is die Posbank eigenlijk een totaal pakket van genoegens voor wie van natuur en stilte houdt. Wij zijn blij dat we er weer eens waren. Ome Karel en Tante Cor zijn vanaf ‘boven’ vast trots op me….(Beelden: eigen gemaakt)