In 1977 maakte ik ook al snel maar tevens voor het eerst kennis met de wereld van de bonussen die autodealers krijgen als ze een goede prestatie neerzetten. Ik was zelf zo enthousiast over die nieuwe wereld waarin ik was terechtgekomen en de uitdagingen die ik tegenkwam dat wij al snel opstoomden naar een hoge positie op de dealerranglijst. Ongekend voor een bedrijf dat een jaar eerder nog ergens onderaan had gebungeld. In Amsterdam zaten nog twee Skoda-dealers die de rol van het aloude en eerder genoemde dealerbedrijf van Brouwer, hadden overgenomen. Een er van was dat rommelige garagebedrijf waar ik omwille van de chaos binnen niet had willen kopen in 1973, de andere zat ergens aan de rand van de Jordaan en zo bleek later, al vele jaren dealer van het Tsjechische merk te zijn, zonder dat ik die echt van naam of lokatie kende. De competitie was dus niet mis in die periode, maar wij hadden aan de die Amstelveenseweg intussen een fatsoenlijke showroom, een redelijk goede organisatie en wij hadden ‘mij’….. Englebert hield een wedstrijd en als hoofdprijs kregen we een reis aangeboden naar Turkije. Ongekend natuurlijk, maar we wonnen ook nog. En de importeur zette mij op de lijst van genodigden, samen met mijn echtgenote. (Foto: Mijn Skoda 120L in de toenmalige uitmonstering die hem best stoer maakten. Op deze parkeerplek ontmoetten we trouwens vrienden voor het leven…)
Zure gezichten bij de relatief nieuwe collega’s, maar er was niets aan te doen. De importeur wilde geen technische mensen meenemen. Dus vloog ik naar Istanbul en maakte daar samen met wat collegadealers een fraaie rondreis in dat mooie land. Waarbij het de bedoeling was ook de Turkse (licentie)Skodafabrikant te bezoeken die zich vooral bezig hield met bedrijfswagens. We zagen veel, zelfs die lokaal geproduceerde Skoda’s, maar de fabriek bleek gesloten toen we met een bus vol dealers voor de deur stonden. Het was het begin van een druk reisschema. Englebert wilde in die jaren vooral overtuigen. Want als je de fabrieken zou zien waar de verkochte auto’s vandaan kwamen zouden we vanzelf nog gepassioneerder ons werk doen. En dat werkte voor mij goed moet ik zeggen. Een jaar later moesten we daartoe naar Praag en Mlada Boleslav. In een Skoda! Voor veel dealer-eigenaren even wennen, want die reden per definitie niet in een auto van het eigen merk. Ik wel, dus mocht ik die trip maken. Met mijn toen bijna nieuwe S-120L, intussen uitgemonsterd met zwart vinyl dak, brede lichtmetalen velgen, Michelin banden en Koni dempers. Voor de auto was het niet zo’n probleem, voor de inzittenden wel, want op hoge snelheden waren die wagens echt nog wel wat lawaaiig. Maar we reden in een keer door naar Beieren voor de ontmoetingsplek met de andere uitverkoren dealers en de importeur. Om dan gezamenlijk de toen nog hermetisch afgesloten Tsjechische grens bij Waidhaus/Rozvatov over te steken. (Foto: De Skoda-dealers tijdens een laatste pauze voor de grens tussen de CSSR en Duitsland)
Het bleek een zeer enerverende toestand. Controles, wachten, weer controles, en grenswachten die niet snapten dat wij met Skoda’s naar hun land toe kwamen. Wij waren trotser op het merk dan zij, dat bleek al snel. Onderweg waren we trouwens tijdens een ‘plaspauze’ een ander echtpaar in een Nederlandse Skoda tegen gekomen. Leuke lieden, afkomstig uit Soest en werkzaam bij de toenmalige dealer, Alblas, uit die plaats. We zouden samen met hen de leuke dagen in Tsjecho-Slowakije omzetten in een vriendschap voor het leven. Die bestaat nu nog, al is de man van het stel helaas in 2000 overleden. Veel te jong, totaal onverwacht. Maar goed, dat vriendschapsgevoel werd op een begroeide heuvel langs de Beierse snelwegen toch maar mooi gekweekt. (Foto: Een Skoda Pickup zoals deze in Turkije werden gebouwd anno 1977 voor de gesloten fabriek waar ze in elkaar werden gezet)
De importeur en fabrikant hadden voor ons een mooi programma in elkaar gezet. We logeerden in het Praagse Parkhotel, werden naar de fabriek gebracht in een bus, we bezochten een historische tentoonstelling over de geschiedenis van het Tsjechische Land, Slot Karlstejn, en het naast de fabriek gelegen Skoda Museum. In die jaren niet veel meer dan een lelijk gebouw met oude Skoda’s achter ramen met gordijnen uit het jaar kruik. Maar wat er stond was voor Skoda-liefhebbers zoals ik om van te watertanden. Aan de productieband van de nieuwe Skoda’s zagen we wel waarom bepaalde zaken goed of verkeerd gingen bij de producten die we verkochten. Het was er in die periode niet al te schoon, mensen aan de lopende banden leken weinig geïnspireerd door het werk dat ze deden, en de onderdelen die zij in de nieuwe auto’s monteerden moesten wij meestal na een maand gebruik alweer vervangen. Toch zagen we ook heel positieve dingen hoor. Zoals de antiroestbehandeling die de S-105/120’s ondergingen. Combinaties van zinkprimers en afdichtingmiddel, dat hielp al veel om de roestgevoeligheid van de vorige modellen tegen te gaan. Omdat wij in ons land ook nog eens uitgebreid tectyleerden kon je op een dergelijke Skoda gemakkelijk tien jaar garantie tegen roesten geven. Echte roest zag je vrijwel nooit op die wagens in die jaren. (Foto: Ben je in het toenmalige Skoda-Museum vol schitterende modellen uit het verleden, laat de flits op de camera het afweten…Overigens kwam die camera uit de DDR..)
Dat rijden op en neer naar en van Tsjecho-Slowakije leerde me in die tijd ook veel over hoe goed zo’n wagen ook kon en moest zijn. Voor een promotor van het ware geloof en verkoper met een verhaal toch een belangrijke steun in de rug. Op een stevige kruissnelheid haalde je er 1 op 14 mee, mooie waarden voor een auto die toch best zwaar was en met zijn vierbak hoge toerentallen liep. De stoelen zaten prima, alle bagage konden we moeiteloos kwijt in de grote kofferbak voorin en dat hielp ook weer extra bij het rechtuit rijden. Want over die wegligging van die eerste exemplaren van deze serie was intussen veel te doen geweest en dat zou leiden tot een complete onderstelaanpassing bij de fabricage van de auto’s. Maar uiteindelijk ook tot het faillissement van de toenmalige importeur. Wordt vervolgd (Beelden: Auteur! Alle teksten zijn ook eigendom van de auteur)

Terwijl de dealerorganisatie van Skoda toch wat zuchtte en steunde onder de technische problemen die de nieuwe Skoda’s S-105/120 van dat eerste bouwjaar opleverden, besloot importeur Englebert dat men het merkengamma maar eens wat verder moest uitbreiden. Het Poolse Polski-Fiat werd in die jaren los gekoppeld van de toenmalige Fiat-importeur Leonard Lang, en nu separaat geïmporteerd. Die Polski’s waren op het oog noeste uitvoeringen van de aloude Italiaanse Fiat 125 uit de jaren zestig. Door de Polen gebouwd was het een ruime en luxe auto, die wel ongelooflijk zwaar stuurde, en achteraf bezien echt uitermate beroerd in elkaar stak. Reed je er niet te hard mee bleef de brandstofconsumptie nog wel binnen de grenzen van het toenmalige redelijke, maar veel zuiniger dan een op tien werd het vaak niet. Voor veel van de dealers uit die periode was het echter wel een aardige aanvulling op het Skoda-gamma. Niet elke koper wilde meer in een auto met de motor achterin rijden, en zo’n Polski kreeg je nauwelijks door een bocht gestuurd, laat staan dat het ding zijwindgevoelig was. Daarbij kon je er ook stationcars van bestellen en die waren echt gigantisch groot. Zeker als je keek naar de niet al te hoge prijzen die de Polen er voor vroegen.
Slim als men was bij de toenmalige Skoda-importeur, werden dealers min of meer opgezadeld met een dwangcombinatie van dealerschappen. Wilde je Skoda blijven verkopen moest je die Poolse Fiat’s er bij gaan doen. Het was bij ons intern direct een fikse discussie waard. En die werd ook gevoerd. Maar uiteindelijk besloten we met de deal in zee te gaan. Het zou ons nog veel meer grijze haren opleveren dan normaal al op de toen nog relatief jonge bol zouden kunnen of mogen verschijnen. Maar het kon nog erger. Importeur Englebert zocht en vond in Oost-Europa nog een merk dat hier toen nog volstrekt onbekend was, Dacia! Een Roemeense kloon van de aloude Renault 12. Een auto met voorwielaandrijving, een fatsoenlijke wegligging en aardige prijs. Wisten wij veel. ‘Doe die Dacia ook maar’, besloten we naïef als we waren en door de dalende omzetten van Skoda na een jaar ook wel iets gedwongen. En zo waren we binnen een jaar nadat ik dienst was gekomen bij het Mokumse dealerbedrijf, ineens dealer voor maarf liefst drie Oost-Europese merken.
Het werden avontuurlijke tijden. Waren die Dacia’s slechte auto’s, er viel van alles van af wat bij een originele Renault gewoon vast bleef zitten, die Polski’s waren echte rampen op wielen. En neem van mij aan, we waren wat gewend geraakt met die Skoda’s uit het eerste bouwjaar van het toen nieuwe type. Bij de Poolse Fiat’s waren het vooral lagers die zorgden voor veel en ernstige problemen. Maar ook de elektrische installatie was een drama. Importeur Englebert geloofde er echter in en bleef onze garantieclaims ook keurig belonen. Dat ik soms zelfs moest bijspringen om al die claims te ordenen en in te dienen bij de importeur deed er niet toe. Ik denk dat 45% van alle werkplaatsomzetten indertijd van doen hadden met al dat garantiewerk. Skoda had bij haar nieuwe modellen als eerder gesteld, gekozen voor een constructie waarbij de aloude techniek van de S100/110 gelepeld was in de koets van een auto die volgens mij ooit bedoeld was voor iets heel anders. Het bleek in die eerste periode technisch een soort van wangedrocht. Men had o.a. de koelvin voorin de neus van de auto gezet, die via een pijpen- en slangenstelsel moest zorgen voor binnen grenzen houden van de motortemperatuur.
Zou hebben kunnen werken, als er geen bochten en andere obstakels in dat koelsysteem hadden gezeten. Luchtbellen waren vaak het gevolg en die zorgden voor heel veel koelproblemen en soms zelfs vastgelopen motoren. Daarbij hielp ook niet mee dat de zelfdenkende vin voorin het nu net niet deed op het moment dat die het hardste nodig bleek. De startmotor van fabrikant Pal gaf nog net zoveel problemen als bij de vorige modellen en de wegligging was er beslist niet beter op geworden. Dat kon je trouwens simpelweg oplossen door er brede sloffen onder te hangen met goede banden van Michelin of zo en die dan te combineren met Koni-schokdempers. Als zodanig werd mijn eigen Skoda 120L uitgerust die ik in 1978 in gebruik nam. Een knalrode weer, die van een klant werd ingeruild die toch maar in een Dacia ging rijden. De nieuwe Skoda voor mijn privégebruik had nog geen 9000 km gereden. Een buitenkansje. En verder moest Skoda vooral veel doen aan wegwerken van de kinderziekten. Dat lukte de Tsjechen een stuk beter en sneller dan de Polen en Roemenen. Het was intussen 1978 geworden! Wordt vervolgd (Beelden: Yellowbird archief/internet – Alle teksten zijn eigendom van de auteur)
Onze eerder beschreven trip met de Soester vriendjes naar Hoorn bracht ons traditiegetrouw ook weer een gezamenlijk dinertje, dat wij dit keer haalden bij Restaurant-café Ridderikhoff aan de Roode Steen in Hoorn. Recht tegenover het al eerdergenoemde Noord-Hollands-Museum en het beeld van JP Coen, exploiteert dit bedrijf een behoorlijk terras. Tafels en stoelen staan relatief dicht op elkaar, je moet dus even passen en meten om er met vier man te kunnen eten zonder anderen aan te stoten. Maar ja, de bediening maakte veel goed. Men werkt hier deels met mensen die een geestelijke achterstand bezitten, maar de servicegraad is zodanig dat je dit helemaal niet merkt. Men is domweg aardig, efficiënt, en het eten is prettig van prijs en buitengewoon van kwaliteit. Op deze dag waren de hoofdgerechten in de aanbieding. Prima prijsje, en wat we geserveerd kregen was lekker.
Minder plezierig is dat je weliswaar bij enkele gerechten salade meegeleverd krijgt, maar die mag wat smeuïger van samenstelling zijn. Nu voelde ik me toch teveel een soort van konijn. Dat je volgens de kaart ook geen echte salade apart kunt bestellen blijft vreemd. Maar de friet die men serveerde was weer pure klasse en kwam in een soort ijzeren rekje op tafel. Aardige gimmick. We aten drie soorten (gekozen) gerechten en de kwaliteit en smaak waren prima. Een rapportcijfer 7,5 is op zijn plek voor het geheel. De jonge man die ons bediende krijgt daar echt een halve punt extra bij. Die snapte zijn werk beter dan sommigen die dit werk doen om hun studie te betalen of zo. Mocht je dat bezoekje aan Hoorn brengen, dit restaurant heeft veel te bieden!!
Laat ik voorop stellen, ik ben geen liefhebber van shoppen voor kleding. Een echte man, hier wijken mijn al dan niet bestaande vrouwelijke karaktertrekken voor mijn ware macho-aard. Kleding is noodzakelijk om je te beschermen tegen koude of hitte, maar echt een genoegen vond of vind ik dat nooit. Alleen al het passen in een veel te klein hokje zonder haakjes of redelijke belichting is een crime. Maar goed, ik ben al heel wat jaartjes keurig getrouwd en dan is de wederhelft nog wel eens geneigd mij mee te nemen voor haar eigen shopsessies. Al was het maar om mijn mening af te lezen van mijn gezicht als ik weer eens voor zo’n paskamer geparkeerd sta of zit en het beoogde kledingstuk moet aanschouwen. Van de meegenomen artikelen gaat 90% weer terug naar het rek. Er is een reden voor. Veel van die kledingzaken maken het echt lastig om goed te kiezen. En die pashokjes zijn in veel gevallen een drama. Zelfs een groot warenhuis op dit gebied als C&A heeft nog nooit gehoord van redelijke haken in die hokjes. Ik snap wel dat het voor dames (of wat daar voor door moet gaan…….) lastig is om kleding uit te trekken en dan weer aan. Voor mij als observant valt altijd weer op wat een geklungel dat met zich meebrengt.
Het kan heel anders. Paar keer gezien dat bijvoorbeeld de winkels van Marlies Dekkkers (Lingerie) mensen in dienst hebben met verstand van zaken en daarbij de klant ook nog juist adviseren. Een maatje anders kan veel verschil maken in draagcomfort. Maar het meest ultieme op het gebied van winkelgenoegens brengt toch wel de in ons land nog redelijk nieuwe Primark-keten met zich mee. Wil je weten hoe graaien er uit ziet? Hup naar de Primark! Leuk en fris ingerichte zaken met een afgedwongen looproute van en naar de roltrappen, enorm veel laag geprijsd spul en met wat geluk ook nog aanbiedingen die je afvragen of er een bodem is qua prijsniveau. Wie daar in de buurt zit met een op eigen smaak gebaseerd modewinkeltje kan de WW nu al vast beter regelen. Primark heeft alles voor de modebewuste (jongere) man of vrouw. Wil je daarin mee? Stap daar dan zeker binnen. Ook ik val voor de charmes van dat bedrijf. Ooit kocht ik er een jeansbroek die ik echt jarenlang heb afgedragen. Onverslijtbaar. En voor dat geld? Ook shirts, shorts, boxers, sokken, een das voor winters gebruik, ik ga er voor. En nee, ik vraag me dan niet af waar het vandaan komt en wat het ooit kostte.
Omdat ik ook wel snap dat een T-shirt met opschrift Amsterdam dat voor 2 euro in die winkel hangt bij productie hooguit 20 centen heeft gekost. Maar ja, er is markt voor en mensen die werken in die slavenateliers hoeven op de steun van Sylvana Simons niet te rekenen. Die kijkt alleen maar terug in de tijd in de hoop op een vergoeding die haar frustraties een beetje kunnen dempen. Nee, die moderne loonslaven krijgen van weinig organisaties steun. En reken maar dat ze voor alle grote ketenwinkels in binnen- en buitenland aan de slag zijn. Zoals wij ook best weten dat iPhones gemaakt worden door pessimistische loonslaven in China of zoiets. Neemt me toch niet weg dat ik die Primark een erg aardige winkel vind en dat ook de mensen die er werken een compliment verdienen. Ik moet de eerste nog tegenkomen die klantonvriendelijk gedrag vertoont. En dat is bij andere zaken met duurdere artikelen vaak heel anders. Net als die pashokjes. Sluitpost denk ik bij veel winkels. Wellicht toch eens wat meer tijd besteden aan kijken hoe de succesvolle concurrent het doet. Want laten we wel zijn…ook een keten als de Action bewijst dat goedkoop niet meteen hoeft in te houden dat je in een soort akelig verlichte budgetwinkel je inkopen doet. En daar schort het elders nogal eens aan. En ik constateer slechts…
Ooit legde de toenmalige directeur van de Nederlandse Bank ons bij een bezoek aan zijn kantoor uit dat een belangrijk deel van onze economische groei te danken was aan de indertijd alsmaar stijgende prijzen voor onroerend goed. Dat was nog voor de economische crisis. Toen die toesloeg in de VS en de bankenwereld vooral bleek te bestaan uit blaaskaken en over het paard getilde figuren die van modder goud probeerden te maken stortte die prijzen voor onroerend goed in en daarmee ook de economie. Een crisis die heel wat schade aan richtte en waarvan de gevolgen nu nog steeds zichtbaar zijn. Maar intussen zijn we weer een paar jaar verder en wat blijkt, juist die huizenprijzen schieten weer door het plafond. Deels omdat het ons allen weer wat beter gaat, maar ook omdat de vraag naar huizen het aanbod al decennia overschaduwt. Nieuwbouwprojecten worden wel opgezet, maar je kunt toch lastig elk weiland in ons druk bevolkte stukje Nederland vol zetten met bewoonbare huizen van beton en stenen. De milieufanatici zien je komen.
Een betaalbaar appartement vinden op enig niveau in een even leuke omgeving als ik nu tot de mijne reken is een illusie aan het worden. Onlangs bekeek ik een website waarop men dit soort woningen aanbood in een buurgemeente. Het was een moooi project, moet nog gebouwd worden, oppervlakten van 85-125m2. De goedkoopste uitvoering kostte ‘slechts’ 495.000 Euro. De grotere kwamen al snel 2 ton hoger uit. Ben je dus opnieuw miljonair. Nou ja, omgerekend in de goede oude guldens dan. Het kan verkeren..Overigens is het einde van de hausse nog niet in zicht, al vlakken de prijzen in Amsterdam momenteel wat af. Er ontstaat een gat tussen vraag en aanbod. Het wordt te duur. En dus vertrekken potentiele kopers richting Haarlem of Almere. En dat zal Amsterdam niet helpen aan een verbetering van haar inwonerniveau. Van alleen sociale woningbouw kan een stad ook niet leven. Maar wie het wel kan betalen blijft uiteraard graag hier wonen. Al was het maar om de voorzieningen en de gezelligheid…. (Afbeeldingen: CBS, Yellowbird)
Alweer een tijdje terug dat ik een review kon schrijven over ervaringen in de vaderlandse horeca. Komt toch vooral omdat we er relatief weinig gebruik van maken en ook omdat we een deel van die bezoekjes dan niet vermelden omdat we terugvallen op bekende adressen. Wat bevalt moet je koesteren. Maar eenmaal onderweg, zoals hiervoor beschreven in mijn verhaaltje over Den Bosch en Nijmegen, strijken we op de gok neer bij een lokale uitbater om daar dan te ondergaan wat gastvrijheid of kwaliteit/prijs-verhoudingen zoal doen met onze meninggever. Zo ook in Den Bosch waar we dus aan de Markt bij ’t Opkikkertje plaats namen op het in de zon gelegen en met leuke planten ingerichte terras.
De parasols waren bij onze komst nog niet uitgeklapt maar er stond voldoende ochtendwind om het in de zon vol te kunnen houden. De gastvrouw was vriendelijk en efficient, de cappuccino (tweede kop gratis..) werd geserveerd in wel erg kleine kopjes. De thee bood een tea-for-one pot, met een uitleg over hoe je met de aangeboden Earl Grey (waarom is Breakfast tea vaak zo lastig te bestellen…?!) thee moest omgaan. De Jan de Groot Bossche Bol was vers en kwam met bestek. Kijk, zo hoort het. Dat geldt ook voor het toilet. Is dat schoon moet je constateren dat men proper is van zichzelf, zo niet…opletten in de keuken. Maar bij ’t Opkikkertje was alles voor mekaar. Binnen is het een klein zaakje, voral waar de kassa staat is ook meteen een trappenhuis gesitueerd en komen mensen elkaar ongewild nog wel eens tegen. Afrekenen bracht wel aan het licht dat men hier weet dat er veel toeristen komen. Maar goed, het terras was geweldig, de service goed en de sfeer vriendelijk/gezellig. Rapportcijfer: 8.0
Onderweg in Nijmegen vielen we ook zonder echt na te denken neer op het fraai opgestelde terras van Wijncafe Pinot aan de Grote Markt in die stad aan de Waal. Om ons heen wat zitjes en alles voorzien van kussens. Ook hier weer in de zon, en vriendelijke gastvrouw die ondanks de drukte oog had voor haar klantjes. De lunch die we bestelden (met oerbrood) was buitengewoon smakelijk en mooi opgemaakt. Dit keer dronken we een glaasje wijn en wat bier, en zaten we echt een uurtje heerlijk te genieten. Dat terras ligt aan een drukke wandelroute, maar ook komen alle stadsbussen van Nijmegen er voorbij. Opmerkelijk beslissing in en stad die zo links wordt bestuurd. Maar het restaurant kan daar niks aan doen. Ook hier weinig kritiekpunten. Alles netjes, smakelijk en voor elkaar. Rapportcijfer: 8.0
Een printer is niet veel meer dan een schrijfmachine die door jouw toetsenbord op je laptop of anderszins in beweging wordt gezet. Hij drukt af wat jij hem wilt laten afdrukken. Een stom ding, maar tegenwoordig best slim uitgerust. Je kunt er vaak mee scannen (noem het kopieren) en in sommige gevallen mailen of als dat nog bestaat, faxen. Er bestaan wat verschillende soorten printers, maar de meest gebruikte zijn de inkjet- en laserprinters. Een paar merken maken ze zelf, anderen laten dat over aan andere bedrijven. Canon doet het zelf. En in goede kwaliteit. Ik ben nu al een jaarthe of 20 vaste klant bij die lui en de gemiddelde printer gaat een jaar of 2,5-3 mee. Daarna zit de afvaltank vol en is een nieuwe kopen goedkoper dan de oude schoon laten maken. Noem maar eens een onderwerp waarmee het milieu beter gediend zou zijn. Bij andere fabrikanten gaat het vast niet zoveel anders op dit punt. Hoe dan ook, je koopt dan weer een nieuwe en tracht te snappen wat daar dan weer voor vullingen in zitten.
Vertaald…een vulling van een printer heet een cartridge. En daar wringt mijn ergernisschoen. Want ik heb nog nooit een opvolgende printer kunnen kopen die de cartridges van de vorige met liefde accepteert. Nee, telkens weer een andere soort. Wie net als ik niet zonder wil komen zitten op het moment dat een concept of een of ander geschrift uitgeprint moet worden, neemt van die dingen op voorraad. En als je dan van printer wisselt zit je al snel met een overbodige voorraad. Ik ben er zo een. Een bak vol. Allemaal nieuw gekocht. Met een houdbaarheidsdatum die ver uitstijgt boven die van die printers waarvoor ze bestemd zijn. Maar wie neemt die van je over? Ik heb het al eens geprobeerd tijdens een rommelmarkt. Alsof je griepvirussen tracht te verpatsen. Men kijkt er naar, trekt de neus op en loopt door. Nee, geen handel. Ook bij de kringlopers van dit land kom je ze wel eens tegen, maar als ze al nieuw zijn, nooit die soort die jij in jouw printer nodig hebt.
Ruilen zou een optie zijn, maar ik denk wel eens dat iedere printereigenaar zijn eigen cartridges heeft en niemand vergelijkbare exemplaren kan benutten. Bij mijn hofleverancier, een groothandel, hangen er voor mijn printer altijd net twee exemplaren. Een voor de zwartwit-kant van de teksten en een voor de kleurenfoto’s. Meer niet. En aan de prijs. Het verdienmodel voor deze apparatuur is natuurlijk nu net die cartridges. Want zo’n schrijver kost je vaak nog geen honderd euro. Kortom, het is een aardige handel. En ik ga nu toch echt eens nadenken wat ik met die nieuwe oude cartridges aanmoet. Toch maar naar de kringloop?? Wellicht! Maar voordien ben ik wel benieuwd wie onder mijn lezers hetzelfde ervaart als ik. Want ik kan daarin toch niet uniek zijn….toch??
Als er een merk slim is omgegaan met haar modellen en de daaruit voortvloeiende licentiebouwrechten dan toch wel Fiat. Want de Italianen lieten heel wat van hun vroegere modellen ook fabriceren in een keur van landen waar men juist met die vaak wat oudere Fiat’s decennialang gek zou blijven. Een compliment voor de ontwerpers. Een van die wagens was de redelijk hoekige Fiat 124 die bij zijn aantreden in de jaren zestig als modern door het leven ging. Maar aan het einde van dat decennium werd hij opgevolgd door de nog wat vlottere 131 Mirafiori. En dus leefde de 124 gewoon voort. O.a. in Zuid-Amerika, het Midden-Oosten maar zeker ook in de Sovjet-Unie. Met dat land werd door de Fiat-directie een overeenkomst gesloten dat men tot in lengte van jaren de oer-124 zou mogen bouwen. De Sovjets pakten dat meteen grootschalig op. Hun eigen personenwagens waren veelal ouderwets van opzet en de afwerking was veelal bedroevend. Om de 124 te kunnen bouwen op een manier die ook Fiat beviel werd in een nieuw te bouwen stad, een even nieuwe productielijn neergezet. Togliati heette die plek, vernoemd naar een oude Italiaanse communistenleider.
In 1969 werden wat prototypen in elkaar gezet door de Russen, op basis van door Fiat aangeleverde onderdelen. Maar echt produceren deed men pas vanaf begin jaren 70. Shiguli heette de auto in Rusland, VAZ de bouwer. Toen bleek dat die Russische naam erg veel leek op de aanduiding van het vrouwelijk geslachtsdeel in de Baltische Staten, werd Lada de exportnaam voor de Russische Fiat. En onder die naam werd de auto ook bij ons geïmporteerd. Met succes. Voor weinig geld kocht je een nieuwe stoer aandoende auto. Dat stoere beperkte zich niet tot de buitenkant, want dan moest je wel twee keer kijken wilde je het onderscheid zien met een Fiat (of SEAT waar de 124 ook werd gebouwd). De Russen verstevigden het model om hem meer op de Russische omstandigheden uit te rusten. De motoren werden verbeterd, de kachel versterkt en de vering aangepast. Niet alles viel daardoor beter uit dan bij het origineel.
De Lada’s maakten meer lawaai dan de oer-Fiat had gedaan. Vooral een gevolg van die aangepaste motoren. Maar die motoren reden wel op vrij lage octaangehalte benzinesoorten, waar de Fiat alleen op Super wilde draaien. Dat met al die aanpassingen een Lada een ‘stevige’ auto werd zal niemand verbazen. Ook het brandstofverbruik was daardoor niet meteen om te lachen. Toch werd de auto een aardig succes. Hij was immers redelijk ruim, sterk en ook in grote aantallen leverbaar. Niet alleen in Rusland maar ook in de andere Oostbloklanden, en bij ons in het westen. Lada als merk hier kreeg al gauw de naam ‘veel voor weinig’ te leveren en dat trok zeker in ons land kopers. Een later geleverde stationcar maakte het succes ook nog eens compleet. Wat meespeelde was dat die Lada qua roestgevoeligheid net even taaier was dan zijn Italiaanse voorbeeld. In ons land van groot belang. Pas in 1977 werd de oer-Lada voorzien van wat verbeteringen. Een veranderde carburator, een wat aangepast interieur en nieuwe lakkleuren. En zo hield Lada de auto ‘bij de tijd’ al was dat dan wel de tijd van het Oostblok. Met concurrentie uit landen als Polen, Tsjecho-Slowakije of Roemenië kon die Lada nog wel scoren, maar zette je hem tegenover moderne auto’s uit West-Europa werd het toch lastig.
Mensen met een sterk communistische instelling vielen massaal voor de stoere Rus, maar voor anderen was het echt een beetje beneden de waardigheid. Al moet gezegd dat zelfs de Nederlandse overheid ooit nog eens een stuk of 1500 van die wagens kocht voor haar ambtenaren. Wat niet met gejuich werd ontvangen maar wel een opsteker was voor het imago. In 1989, toen de omwentelingen in Oost-Europa plaatsvonden werd de oer-Lada nog steeds gebouwd. Intussen wel naast een stel doorontwikkelde zustermodellen, maar de markt was toch echt weggezakt. En dus werd die oude productielijn stopgezet na de val van de Sovjet-Unie. De versies met grotere motoren werden nog wel gebouwd, zij het in beperkte aantallen. De andere tijden voor de Russische autokopers zorgden ook voor een enorme vraag naar westerse en Aziatische modellen. De Lada’s waren uit. Na een paar jaar was het ook afgelopen in ons land. Trouwe dealers gingen nog even door, maar de kopers waren verdwenen. Intussen probeert Lada het nog eens opnieuw met wat nieuwe auto’s die baseren op Renaulttechniek. Maar of er nog iemand op dat Lada-imago zit te wachten? En ook als klassieker hebben die oude Lada’s weinig waarde. Maar bedenk wel dat er miljoenen van zijn gemaakt. Meer dan Fiat zelf ooit had kunnen dromen. (Beelden: Internet)
Neem van mij maar aan, imago is iets dat hangt aan mensen en merken vanuit het perspectief dat wij zelf of anderen er aan toe dichten. De bekende hokjesgeest waarin met name Nederlanders anderen stoppen, zorgt voor veel misverstanden of wonderlijke verwijten. Maar in autoland is imago iets wat onuitroeibaar lijkt te zijn verbonden aan ervaringen uit het verleden. Waarbij een deel van die ervaringen in de huidige tijd nog steeds op lijken te gaan. Bedenk maar eens dat wij in ons land Duitse automerken zien als oerdegelijk, daarbij voorbij gaand aan het feit dat een deel van de individuele merken en modellen helemaal niet afkomstig zijn uit dat zo gekoesterde buurland. Een merk als Opel bijvoorbeeld (nu onderdeel van Peugeot/Citroen) was jarenlang een samenraapsel van Koreaanse, Japanse, Italiaanse en Amerikaanse modellen. Op zich niks mis mee, maar liet je mensen de vergelijkbare modellen zien met de naam van de oorspronkelijke bouwer er op, schatte men die wagens meteen wat lager in.
En dat was zeker bij de Japanse productie onterecht. Japanse auto’s zijn per definitie loeibetrouwbaar en gaan ook lang mee. Japanners kunnen echt auto’s bouwen en zijn razend innovatief. Maar dat sterke imago geldt ook voor wagens die dezelfde Aziaten tegenwoordig laten bouwen in Portugal, Frankrijk, Engeland, Turkije of waar ook. En dat soort landen staat als het om eigen merken gaat meteen op een heel ander niveau. Onlangs las ik een Duits onderzoek naar hoe men bepaalde auto’s ervoer na pakweg 2 jaar rij-ervaring. Dan ging het om zaken als betrouwbaarheid, evt. storingen, reparaties etc. Zeer opvallend, van de identieke drieling (en in Tsjechie gebouwde) Toyota Aygo, Citroen C1 en Peugeot 108, scoorde de Toyota veel beter dan de Franse zusjes. Toyotarijders vonden hun compacte auto kwalitatief veel beter dan mensen die voor zo’n Franse versie gingen. Wat vreemd is want ze zijn echt volkomen en tot de laatsche technische bout en moer identiek!!
Diezelfde situatie zie je bij de in Slowakije gebouwde VW UP!, Skoda Citigo en Seat Mii. VW rijders zijn veel kritischer op hun UP! dan de vaak zeer merktrouwe Skoda- en Seatrijders. Het vooroordeel is soms hardnekkig. Net als voldoende kennis van zaken. In een globaliserende wereld is niets meer wat het lijkt. En dat wordt niet beter. Nu zijn veel merken nog uitgerust met redelijk unieke technieken. Maar als je kijkt naar elektrische auto’s is straks de aandrijflijn bij alle merken ongeveer gelijk. Je krijgt een pakket accu’s, een elektromotor en wat elektronica. Het imago zal er zeker onder lijden. Al zijn er altijd mensen die menen dat een in China gebouwde Volvo toch een superieure auto is aan een door Duitse arbeiders gebouwde Audi. Snappen doe ik het niet, maar dat zal vast komen door de beroepsdeformatie die mijn deel is na een decennium of vier in die handel. Hoe dan ook, imago zit tussen de oren, en heeft meestal weinig van doen met de werkelijkheid. Als je dat maar weet….
Met onze Soester vriendjes maakten we onlangs ook even (flink wat) tijd voor een bezoek aan het hier al eerder beschreven Jooods Historisch Museum in Amsterdam. Dat vindt je tegenover het Waterlooplein en de Mozes en Aaronkerk. In het hart van wat ooit de echte oude Jodenbuurt van Amsterdam was. Voor vrouwlief en mij was het intussen al de derde keer dat we dit museum bezochten. Het blijft echter een zeer integere expositie waar men (ver)verleden en heden met elkaar vermengd. Naast de uitgebreide basiscollectie is er ook altijd iets bijzonders te zien. Dit keer een uitstalling van een reeks schilderijen en prenten van een (kennelijk) beroemde Poolse schilderes en een erg aardig overzicht over 100 jaar muziek. Dat daarbij Joodse artiesten een belangrijke rol speelden was en is logisch.
Tenslotte is dat de sfeer waarin het museum zich uit. Links en rechts heeft men de expositieruimte aangepast, de presentatie verbeterd, met erg handige en soms indrukwekkende kreten uitvergroot aan de wanden. Van de wijze waarop de Joodse medemensen al in de 19e eeuw nadachten over integratie en het wegnemen van weerstanden, valt veel te leren in onze zo turbulente en door sommige minderheden gedomineerde 21e eeuw. Omdat we nu zien dat dominantie van geloof alleen maar zorgt voor een tegenbeweging die weer leidt tot een loopgravenoorlog die zijn weerga niet kent. Dat werd in de 19e eeuw al gezien door Joodse wijsgeren. Niet slim, vermijdt de confrontatie en houdt je geloof gewoon voor thuis.
Het blijft ook mooi om te zien hoe wij eigenlijk nauwelijks door schijnen te hebben hoeveel die geloven ook op elkaar lijken en dat in basis veel van wat we zien als christelijk in feite niet veel anders is dan een opgesmukt deel van de joodse oer-religie. Confronterend voor de een, zeer interessant voor de ander. Ik behoor tot de laatste categorie. Naast het JHM is er met datzelfde toegangskaarten nog een viertal andere lokaties te bezoeken. Vijf-voor-de-prijs-van-een dus. Je kunt ook naar de overkant van de drukke Weesperstraat om daar de oude en grote Portugese synagoge te bezoeken. Meer dan de moeite waard. Maar ook de Hollandsche Schouwburg valt te bezoeken.
Een gebouw met een diep-trieste geschiedenis omdat daar tijdens de Tweede W.O. veel Joodse mensen werden opgevangen en per tram afgevoerd naar de diverse treinstations voor vervoer naar het Oosten. Maar ook het Nationaal Holocaust Museum en het Joods Cultureel Kwartier staan op de lijst van gebouwen waar je naar binnen kunt. Voor veel mensen zal het te veel zijn om in een keer te doen. Gelukkig is dat kaartje een maand geldig. Wij hadden de pech dat we uiteindelijk net een paar minuten in de Synagoge konden rondkijken. Toen was het donker en sloot men de boel. Maar indruk maakte het opnieuw. Dit museale pareltje in hartje Amsterdam moet eenieder toch eens bezoeken als je de kans hebt. Zeer de moeite waard. En….goed beveiligd. Voor het geval je het idee hebt dat je daar over de schouder zou moeten kijken tijdens je bezoek….