Leven met de vliegende pijl – 20 – Meneer L en de nieuwe Sgoda….

Skoda kende in die jaren een klantenkring die overal vandaan kwam. Jong, oud, arm, soms beter gesitueerd. Mensen die we nu een BN-er zouden noemen en zij die nooit bekend zouden worden. Je had klanten met een paar wonderlijke karaktereigenschappen. Zo herinner ik mij iemand die zijn Skoda met JIF had gepoetst. Die auto glom daardoor zo ‘mooi’. Maar na een regenbui was dat glimmende oppervlak weggespoeld en bleven een doffe lak vol krassen. We hadden mensen die meenden dat ze een Rolls Royce hadden gekocht voor hun (omgerekend naar nu) 3.500 Euro. Ik kom er later nog wat dieper op terug. Tot de typische klantenkring voor het merk Skoda van de jaren 70/80 behoorde een zeer oude heer die zich ergens halverwege die jaren tachtig meldde voor een nieuwe telg uit ons gamma Tsjechische modellen. Ik vond het al een wonder dat de man nog liep, hij bleek later 91 jaar oud te zijn en was naar eigen zeggen ‘belangrijk geweest bij de organisatie van de World Press Photo tentoonstellingen’. Hij kwam van oorsprong uit Oostenrijk en had daardoor wel iets met de auto’s uit dat hedendaagse ‘zusterland’ Tsjecho-Slowakije, dat vroeger immers onderdeel was geweest van het door hem gekoesterde Astro-Hongaarse Keizerrijk. Daarbij had een enorm Duits-achtig accent en sprak ons merk consequent uit als Sgoda!

Het bleek overigens een beminnelijk mens, al nam hij wel heel veel tijd in beslag. Zijn verhalen waren buitengewoon breed en wij hadden omwille van de tijd beschikbaar en de andere klanten die zich ook nog wel eens in onze showroom oriënteerden, een beperkt gevoel van geduld. Een deal sloot je normaal in 20-30 minuten was het credo. Dat ging bij de Heer L. niet lukken. Zijn vrouw, lieve oude dame, hemelde haar man uitgebreid op. Hoe belangrijk hij was geweest en hoeveel kilometers ervaring hij wel niet had. Nu was dat laatste meestal een reden om geen proefrit aan te bieden in het beoogde model, vaak was het juist die ‘uitgebreide ervaring’ die zorgde voor de meest stressvolle proefritten. Toch wilde meneer L wel even voelen hoe die ‘Sgoda’s’ reden. En dus werd er een demowagen voor de deur gezet en reed ik zelf even met de familie richting het Amsterdamse Bos om daar in alle rust even wat rondjes te draaien. Dat beviel de man goed. Hij reed ronduit beroerd, de voet op de koppeling wilde maar niet omhoog komen en zijn gasvoet ging veel te zwaar omlaag. De arme demonstratieauto loeide en kreunde. Maar Meneer L en zijn vrouw waren overtuigd.

 

Dit was een leuke auto voor ze en toen we weer terugkwamen in de showroom kocht hij uiteindelijk een nieuwe auto in de kleur lever-beige die Skoda indertijd in het gamma had maar vrijwel niemand wilde hebben. Een paar weken later kwam de heer L zijn nieuwe vervoer ophalen. Weer werd het een langdurige toestand. Afleveringen werden door ons meestal gepland en uitgebreid gedaan, we legden graag uit waar de verlichting zat, we schonken koffie en zetten er een bloemetje bij voor de partner. Nadat de oude auto was ingenomen, een echt half overleden Austin Allegro uit het jaar kruik, kwam het moment dat de heer L met al zijn rijervaring vertrok. Gillend zette de nieuwe Skoda zich in beweging. We roken buiten de auto zowat de koppelingsplaten. Hielpen hem de uitrit van de altijd drukke weg waar langs we gevestigd waren, veilig te nemen. Zwaaiden nog even en stapten weer naar binnen. De volgende aflevering wachtte. Slechts een minuut later hoorden we de klap. ‘Nee he’ spotten we nog. Maar het bleek ja. De heer L had ergens halverwege de weg waar hij op was gereden, besloten om te keren. Nerveus, natuurlijk. Maar daar waar hij dat deed kon je niet keren. Toen hij het toch deed kon een busje dat aan kwam snellen hem niet meer ontwijken. En dat was einde oefening. De arme oude mensen kwamen er goed uit, de Skoda was zodanig beschadigd dat die niet meer gerepareerd kon worden. Voor de werkplaats was dat jammer, weer een klant minder erbij. Maar voor de heer L was ook net zo jammer. Zijn rijbewijs werd ingenomen. Hij mocht niet meer autorijden. Wij hebben hem nooit meer gezien. Bijzondere klanten, net wat ik zeg….Wordt vervolgd – (Beelden: Yellowbird archief)

Van harte!!! Vrouwlief is jarig!!

Weet ik zelf hoe het voelt?? Zeker wel, want deze kroonleeftijd bereikte ik helemaal aan het begin van dit jaar ook! Deed dat zeer? Fysiek niet echt, wel een stukje geestelijk. Immers je bent ineens niet meer ‘jong’ maar wordt gezien als ‘belegen’. En dat terwijl je fysiek nog aardig van de fitte soort bent en elke dag de trappen nog met twee treetjes tegelijk beklimt. Je sjouwt nog steeds zonder morren en rijdt de halve wereld (…nou ja..) door op zoek naar leuke of interessante oorden of mensen. En toch zegt die leeftijd iets over het ouder worden. Iedereen wil dat bereiken, maar zelden wil men het ook zijn. Zeker als die leeftijd gekoppeld is aan kwalen of ernstige tekenen van verloedering. Ook al weten we allemaal dat het vanaf je 30e allemaal slechts minder wordt, de gemiddelden voor mannen en vrouwen laten zien dat 50 het nieuwe 40 is en zo meer. Maar die spiegel….die anderen…. Nu weiger ik op veel momenten domweg te accepteren dat de kalender bepaalt of zou moeten vertellen hoe ik me moet voelen, en dat helpt veel. De geest blijf jong, ook al tonen de kloven in het gezicht aan dat die jeugd lang geleden is verdwenen. Weg gewaaid in de jaren van werken en genieten. Vandaag wordt vrouwlief even oud als ik. Dan haalt ze me weer voor even in. Komt in de leeftijd der wijzen. Ik hoop uiteraard dat het ook de leeftijd der gezonden of gelukkigen wordt of blijft. Zeer gegund. En verder…gewoon van harte proficiat lieve schat! En nog vele jaren – liefst nog wat samen. En ja, u mag haar feliciteren, op de bekende sociale media of hier. Ik geef het haar door……Dank bij voorbaat….:)

Even over mijn egowijzigheid…

Noem het een groot ego, een stevig karakter, eigenwijsheid of wat ook, maar feit blijft dat ik in mijn leven zelden afstand deed van de bij mij bekende waarheid. Blauw is blauw, groen groen en rood rood. Ik ben niet zo van de nuances en wie me wel eens tegenkwam in discussies zal dit direct onderkennen. Waar het vandaan komt? Vermoedelijk een genenkwestie, want ook bij de directe familie zat of zit dit in het bloed. Van vaders en moederskant. Stevige meningen, uitspraken en daarbij aardig vast in de schoenen staan. Het bepaalde voor een deel het verloop van de carrière. Voor mij was niveau van denken, kennis, ervaring bijvoorbeeld veel belangrijker dan allerlei theoretische verhalen van mensen die zaken oreerden die mij compleet vreemd waren. Ingewikkelde analyses? Ook niet voor mijn manier van denken voorbestemd.

Geen daden maar woorden?! Kon rekenen op stevige kritiek en vermaningen. In mijn vervolgverhaal over dat (grote) deel van mijn professionele carrière komt dat regelmatig voorbij. Het is wat het is en niets is wat het lijkt. Keep it stupid simple en maak het niet ingewikkelder dan het is. Mijn en dein, je blijft af van mijn verantwoordingsgebied. Werkt voor je zelf prima. Tot je natuurlijk een muur van beton tracht te slechten met je blote handen of niet in de gaten hebt dat meepraters plotseling messen in je rug steken. Symbolisch, maar toch. Het overkwam me allemaal. Zelfs in hoeken waar je het niet verwachtte. Onlangs had ik hierover een gesprek. Met iemand die zelf aangaf ‘het niet zo belangrijk te vinden wat zij zelf of anderen over bepaalde dingen dachten’. Geen zin om discussies te voeren, gewoon meebuigen en toegeven.

Maakte haar heel gelukkig. Onderdanig, niet zo van het egocentrische en ook heel gelukkig in het leven. Dat is naar mijn idee vrij vrouwelijk. Dames doen dat ook om leuk en lief gevonden te worden, een eigenschap die mij aardig vreemd was en is. De hork komt eerst, de leraar daarna en de wat botte manager op de koop toe. Daarbij heb ik de eigenschap snel te leren, te snappen waar zaken over gaan en direct te kunnen reageren. Ik bestudeer slechts belangrijke geachte contracten goed, maar verder zijn daarbij vaak een paar zinnen relevant. Zo lees ik ook boeken uit de opgebouwde bibliotheek en kan ik daardoor meestal snel bepaalde items terugvinden. Zij die mij echt goed kennen (veel mensen menen me te kennen zonder iets over me te weten…zoals ik onlangs op Linkedin en bij dit bloggen weer eens ervoer) weten wel dat veel van wat ik zoal oreer ook is doordrenkt van mijn Amsterdamse ironie, mijn ook ingebakken gevoel voor humor en dat niet alles zo sterk is bedoeld als het eruit komt. Net als de inhoud van dit blogje. Eigenlijk vooral lezen met een glimlach om de mond s.v.p. Gewoon even een Selfieverhaal met een knipoog. Of toch….?! (Beelden: Internet/archief)

Tatoeages…

Natuurlijk, ik ben geen norm op dit gebied. Ik ben al bang voor de naald van de dokter of in dat kader, de assistente van Dracula als er weer eens bloed wordt gevraagd. Dus om dat vrijwillig te ondergaan is net een brugje of wat te ver. Maar afgelopen zomer zag ik wel dat ik een eenling begin te worden. Hoe heter het weer, hoe meer kleding verdwijnt bij ons volkje en wat dan tevoorschijn komt is soms echt opzienbarend. Waren tatoeages vroeger het domein voor dronken zeelieden die zich in een ver weg gelegen haven van een al dan niet geslaagde afbeelding van een zeemeermin op hun bovenarm lieten voorzien, tegenwoordig schijnt het normaal te zijn om 50% van je lijf te lenen als platform voor een ‘kunstwerk’. Waarbij ik het begrip ‘kunst’ maar even tussen aanhalingstekens zet, want sommige van die artiesten hebben zeker niet de Rietveld-Academie voor Beeldende Kunsten doorlopen. Het lijkt soms wel of er een blinde met naald en inkt aan de gang is gegaan. Net als het dragen van Talibanbaarden lijkt dat tatoeages laten aanbrengen tot regel verheven. Met een verschil natuurlijk.

Die barbaarse beharing is vrijwel zeker in een kwartier of zo te verwijderen. Met dat in de huid aangebrachte spul ligt dat toch iets anders. Gaat nooit meer weg of je moet over kapitalen beschikken en een ijzeren zenuwstelsel, dan is het min of meer weg te laseren. Maar in normale situaties loop je dus je leven lang met zoiets in het rond. Mannen moeten het vooral zelf weten hoor. Wellicht behoren ze bij een criminele bende of zijn onderdeel van een fanatieke stripboekenclub, maar bij vrouwen ligt dat toch een stuk genuanceerder. Ik ben nog opgevoed met de splitsing tussen fatsoen en ordinair en helaas dames vol bekladderde armen benen of zelfs gezicht, ik vind dat toch behoren tot het laatste.

Doodzonde soms. Prachtig koppies, mooie lijven en dan al die flauwekul die alleen maar afleidt van het origineel. Dat je vroeger een vlinder liet zetten op een borst….mwah. Een pijl of iets anders op het punt waar al je zenuwen samenkomen in je onderlijf…OK! Was voorbehouden voor de mensen die daar op die plek even mochten rondkijken en had nog iets sexy’s, maar dat halve lijf vol min of meer onherkenbare flauwekul…nee. Ordinair. Dat je ergens een naam laat plaatsen, klein, minder opvallend, vooral doen! Maar bedenk nou eens dat je ook een normaal leven moet leiden. Wellicht op kantoor of in de zorg. Je vergooit toch een stuk van je toekomst. Het lijkt bij sommige werkgevers al een rol te spelen. Maar zeker ook omdat je nu niet weet hoe we straks, in de toekomst, naar die dingen kijken. Om het over verval niet te hebben. Oud houdt meestal in slap hangen, uitzakken, rimpels. En dan is een tatoeage ineens verworden tot iets compleet anders. Wil je echt niet. Ik zeker niet. Maar ja, ik ben dan ook niet van die naalden… Dus denk nog eens na voor je zelf tot lopend kunstwerk wordt omgevormd. Overigens…die inkt is naar verluid niet onschuldig. Net zo min als de manier waarop veel van die kunstenaars de properheid in acht nemen. Een ontsteking of Hepatitis liggen al snel op de loer dan. En nu krijg ik vast commentaren van lezers die uiteraard ‘hier’ ‘daar’ of ‘overal’ een tatoe hebben laten zetten. Ik ben benieuwd. Komt u maar…..desnoods met plaatjes…(Beelden: Internet/Google)

Leven met de vliegende pijl – 19 – Nieuwe neuzen!

Ergens in de jaren tachtig werd duidelijk dat de tot dan geleverde Skoda-modellen met worm en rol stuurinstallaties en de nog uit de jaren van de 1000MB stammende bumpers toe waren aan een facelift. Een stevige meteen die ergens in 1984 werd ingezet. De toenmalige Skoda’s kregen een totaal nieuwe neus, kunststoffen bumpers, andere binnenbekleding, en een veel beter aanvoelende tandheugelinstallatie voor de bestuurde wielen van de luxere modellen. Doordat die wielen ook wat verder uit elkaar werden gezet, verbeterde de wegligging opmerkelijk, al werden die wagens in die jaren nooit echte liefhebbersauto’s. Maar voor de gemiddelde Skodakoper, vaak afkomstig uit andere wat goedkopere merken, was dit een enorme stap vooruit. Daarbij kwam nog eens dat naast de serie 105/120 nu ook een 130 werd geleverd, die o.a. positief opviel door een zelfde achterasconstructie als de aloude Rapid Coupe.

En om het nog mooier te maken kwam er ook een S130G Coupe, die ook weer als Rapid in de prijslijst verscheen en geweldig reed. Door de 1300cc motor was het ook bepaald een vlotte wagen die flink wat nieuwe klanten wist te trekken voor het merk. De kritieken vanuit de autojournalistiek werden er, als verwacht, niet meteen veel beter door, maar men werd wel iets milder in het oordeel. De Skoda’s stuurden veel fijner, het geluidsniveau in het interieur was, mede door een voor sommige modellen beschikbare vijf-versnellingsbak, verlaagd, en die nieuwe neuzen zorgden voor een sterk gemoderniseerde blik. De verkopen bleven op niveau, ook bij ons in het dealerbedrijf, al zochten we wel als managementteam van het dealerbedrijf naar verbreding van het totale gamma. Juist voor klanten die ‘iets anders wilden dan een Skoda’. En dat waren er best veel…. Maar voorlopig had Skoda weer een paar jaar haar zaakjes voor elkaar en het moet gesteld, de kwaliteit was nu op behoorlijk peil voor een fabriek uit die streken. Wordt vervolgd! (Beelden: Yellowbird archief)

Gesloten gordijnen…

In onze straat wonen vooral keurige Nederlandse of goed geintegreerde mensen van elders met de daarbij behorende typische gewoonten. Jong, oud, man, vrouw, gezin of gepensioneerd. Alles door elkaar heen en vooral rustig en harmonieus samenlevend. Zoals we dat in dit land graag zien en beleven. Overdag is men geneigd met elkaar een praatje te maken, men komt af en toe eens bij elkaar op visite en bepraat dan de situatie in land, stad of wijk. Maar over een ding zijn we het over het algemeen helemaal eens. Als het donker wordt en de lichten in huis aan moeten gaan de raambedekkers dicht. We genieten van rust in huis, voelen ons veiliger achter gesloten gordijnen of wat daar tegenwoordig als alternatief voor wordt aangedragen en maken het juist in dit donkere jaargetijde gezellig. Ooit was dit totaal anders. De Nederlandse huizen stonden erom bekend dat de ramen altijd doorkijkjes boden richting interieur en mensen die daarin leefden.

Een rondje door je eigen woonwijk maakte al snel duidelijk dat we met zijn allen veel deelden, alleen de smaak is of was een lastige. Maar verder? Tuurlijk zijn er uitzonderingen. Altijd is wel ergens een gordijn vergeten. Toen ik met mijn hondje nog het laatste rondje van de dag liep kwam ik ze nog wel eens tegen. Huizen met alle lichten aan, maar de inkijk voor de volle 100% gegarandeerd. Met soms wondelijke observaties als gevolg. Maar het sterft uit. We beplakken de ramen nu met folie voor overdag en sluiten de boel af als het dus donker is. Vreemd? Nee! Je kunt nu eenmaal niet meer pronken met de veren die je door de jaren heen op je bestaan deed groeien. Het is te link. Ratten en kakkerlakken lopen ook rondjes en kijken waar iets te halen valt. Juist in die wijken waar mensen die ramen lekker open te kijk stellen opdat je weet welk merk en type flatscreen er staat of welke smartphone voor het grijpen op tafel ligt. Opsporing Verzocht doet de rest.

Kijk eens naar een aflevering van dat programma en je doet een slot extra op je voor- en achterdeur. Nederland verliest daarmee haar kenmerkende karakter. Bij ons zelf was dit gedrag al veel langer gemeengoed geworden. We woonden ooit in de Bijlmermeer en daar was ieder flat zo’n beetje Fort Knox! En niet ten onrechte. Opslagboxen, auto, bergkamers, en uiteraard de flat zelf, alles moest het ontgelden. Voor de lieden die dat inbraakwerk deden was het naar eigen verklaring een bron van inkomen, voor de huur betalende bewoners een en al ergernis en meteen ook stress veroorzakend. De nieuwe samenleving stelde zich in die jaren aan ons voor en verliet ons daarna nooit meer. Het naïeve denken van de jaren 60 maakte plaats voor het realisme van de jaren tachtig en daarna. In onze huidige woonstraat is niet zo lang geleden een leuk jong stel met twee kinderen komen wonen. Fransen, Italianen, niet geheel duidelijk. Wel tweeverdieners met een goede baan bij een paar grote bedrijven. En die laten de hele dag en avond hun ramen onbedekt. Zoals het volgens hen hier te lande vermoedelijk hoort. Een gidsland op dit gebied. Zal na een onverhoopte slechte ervaring wel over gaan. Maar verfrissend is het allemaal wel….(Beelden: Yellowbird photo/archief)

 

Nauw verbonden met de hoofdstad…maar niet altijd liefdevol..

Een van de grootste buurgemeenten van Amsterdam is Nieuwer-Amstel. Nu nog vooral bekend door de grote kern Amstelveen die het centrale bestuur van die gemeente vertegenwoordigt, maar vroeger toch vooral door het enorme uitgestrekte gebied waarin water en agrarische vormen van bestaan het meest belangrijk waren. Het gebied bestond vooral uit de stroom van de Amstel, aftakkingen, veenpolders en plassen en er woonden dan ook relatief weinig mensen. Maar de gemeenschap op zich was na het nog wat langer bestaande Ouder-Amstel, flink ouder dan die in Amsterdam. Anders dan in het drukke Amsterdam ging het leven nog vrij lang zijn gang op een bijna Middeleeuwse manier. Als je ziet hoe uitgestrekt dat gebied indertijd was en hoeveel inspanningen men deed om dat gebied min of meer droog te malen en ook bewoonbaar gte maken en te houden, overvalt je toch een gevoel van bewondering. Nieuwer en Ouder-Amstel zijn overigens nog steeds onderdeel van het grotere gebied Amstelland, maar daartoe behoort Amsterdam uiteindelijk ook.

De vele polders van Nieuwe-Amstel reikten tot ver in de omtrek. Bedenk maar dat Amsterdam in feite werd omsloten door haar grotere buurman in oppervlakte. En dat gaf voor de stedelijke bestuurders van de steeds groter worden buurstad gretige blikken op dat omliggende gebied toen Amsterdam steeds meer behoefte kreeg aan uitbreiding van haar woonwijken. Opvallend is dat langs de boorden van de Amstel door Nieuwe-Amstel werd gebouwd op plekken die we nu als Amsterdam beschouwen. Maar na een stevig staaltje landjepik door Amsterdam buiten haar eigen ‘Veste’ kwamen bijna 12.000 inwoners van de buurgemeente ineens in Amsterdam terecht, maar ook het werkelijk schitterende raadhuis van de gemeente dat Nieuwer-Amstel speciaal had laten neerzetten langs de Amstel om nog even aan te tonen van wie dit gedeelte van de Amstellandse polder eigenlijk was. Amsterdam bouwde de straten van haar nieuwbouwwijk Zuid overigens precies langs het patroon van de oude poldervaarten en als je daar nu rondloopt zie je ook dat die straten soms kilometers lang en kaarsrecht verlopen, of ergens halverwege een nauwelijks te verklaren verhoging van het straatniveau kennen. Alles van doen met die oude poldersituatie waar ook dijken moesten worden overwonnen.

Overigens kreeg Nieuwe-Amstel wel wat compensatie voor dat inpikken van polders en land. Later werd dat nog eens gedaan toen Amsterdam de Buitenveldertse polder benutte voor de bouw van flats en dure koopwoningen voor mensen die in de jaren 50/60 wat meer luxe wilden. Eerder al was een deel van de aan het Nieuwe Meer grenzende polderland omgevormd tot het Amsterdamse Bos. Ook de Bijlmermeer kwam op deze manier in handen van de hoofdstad. In latere jaren kreeg Nieuwer-Amstel zelf meer aanzien. Amstelveen werd uitgebouwd met dank aan de groei van Schiphol en de behoefte van met name welvarende joodse inwoners om in het groene land een woning te verwerven.

Afspraken met KLM en Fokker maakten dat Amstelveen intussen ook een stevige gemeente is geworden. Bovenkerk en Nes aan de Amstel behoren bij het huidige bestuursgebied van de gemeente. Van het polderland is nog maar weinig over al is het ten zuiden van Amstelveen tot aan Uithoorn nog steeds relatief open gebied. Intussen breidt Amsterdam toch weer uit richting de buurgemeenten. Men bouwt het groene landschap langs de Amstel (Amstelscheg)wat tot haar grondgebied behoort gewoon dicht. Over een jaar of 15 is dat een aaneengesloten bebouwd gebied. Jammer, maar helaas.

En de buurgemeenten profiteren mee van die bouwzucht. Voor hen die nog even naar de geschiedenis van die 19e eeuw willen kijken, langs de Amsteldijk op de hoek van de Tolstraat staat nog steeds dat fraaie oude stadhuis van die buurgemeente. Ingeklemd in de Amsterdamse bebouwing. Nu een hotel, voorheen het Stadsarchief van de gemeente Amsterdam. Hoe wrang kan het gaan. Ook op bestuurlijk niveau. En voor stadsgrenzen moet je ook goed uit je doppen kijken, want op veel punten zijn de twee buren fysiek echt met elkaar verbonden..(Beelden: Yellowbird fotoarchief)

Leven met de vliegende pijl – 18 – Tussentijdse ontwikkelingen…

Terwijl de fabrieken in het Tsjechische land dus relatief grote aantallen van die sinds 1970 gebouwde Skoda’s uitspuwden werkten technici aan hele series nieuwe ontwikkelingen die halverwege de jaren zeventig de opvolgers zouden kunnen vormen voor de zo om hun wegligging (motor achter) bekritiseerde S100-110 modellen. Soms deed Skoda die ontwikkeling alleen, dan weer in combinatie met de Oost-Duitse fabrikanten EMW Wartburg en Sachsenring Trabant. Die laatste merken hadden weliswaar wagens met voorwielaandrijving in de aanbieding, zij misten expertise op het gebied van viertaktmotoren en goede versnellingsbakken die de Tsjechen nu net wel bezaten. Prototypen van erg aardige modellen voor de toekomst verschenen zowel in de DDR als in Tsjecho-Slowakije. Die toonden aan dat Skoda in beide landen technisch de touwtjes aardig in handen kon krijgen als de politieke leiding van beide communistische staten durf had gehad op dit punt.

Die bleek echter niet voorhanden en alle pogingen om moderner auto’s te bouwen moesten van de hoge communistische leiders in die staten worden gestaakt. De Oostduitsers gingen daardoor gewoon door met hun pruttelende tweetakts en Skoda zocht naar een ultiem model dat de oude reeksen zou kunnen opvolgen. Daarbij maakte men gebruik van ontwerptekeningen voor een grote middenklasser die men ergens in 1974 had uitgetest. Een wagen met een 1400 of 1600cc motor voorin en de aandrijving op de achterwielen. Groot, ruim en comfortabel. Hoekige lijnen en bij sommige van die ontwerpen een opvallende hop-up bij de c-stijl zorgden voor een lekker modern uiterlijk. Omdat al die ontwikkelingen smoorden in politieke onwil bleef men bij de fabrikant zitten met veel frustraties. Die werden nog groter toen werd besloten dat om kostenbesparende redenen de opvolger voor de S100-110 reeks technisch gebaseerd moest blijven op die toen geproduceerde modellen. Skoda schoof daardoor inventief als Tsjechen zijn, twee zaken maar over elkaar heen. Slim wellicht, goedkoop zeker, maar eigenlijk ook wel wat achterhaald.

Men nam de carrosserie van die middenklasser, vijlde dat ontwerp links en rechts bij en hing er de techniek van de 100/110/serie onder en achterin. Waarbij de basismotor iets werd opgevoerd, net als die van het grotere luxe model. 1050cc en 1200cc werd de cilinderinhoud en men verzon het al eerder genoemde technisch wat risicovolle koelingssysteem met radiator in de neus en pijpen en slangen richting motor achterin. De nieuwe wagens kregen een opmerkelijke kofferbakklep, die naar opzij opende. Dat deed men om veiligheidsredenen. Immers, een normale koffer- of motorkap kon soms onder bepaalde omstandigheden aardig vervelende verwondingen of erger verzorgen bij inzittenden als een auto als deze frontaal botste. Door die zijwaarts openende kofferklep werd dat risico met ruim 50% verminderd. Maar het bleef wel raar staan als die klep open stond. De kofferbak zelf was door een wat slimmere constructie flink groter en het interieur schoot er een heel stuk op vooruit. De wagens waren ruim genoeg voor een gemiddeld gezin, waarbij je dan ook nog doorklapbare achterbanken kreeg met extra bergruimte achter de rugleuningen van de achterbank. Een doordachte auto, alleen die wegligging…….. Wordt vervolg! (Beelden: Yellowbird collectie/archief/Skoda)

Warrig en sexy, Suranne Jones!

Je zou haar kunnen kennen uit de bekende politiereeks Scott & Bailey die al een paar jaar ook op de Nederlandse zenders wordt gedraaid. Maar haar oeuvre is een flink stuk groter, ook al moet je dan wel even zoeken op Netflix of BBC One. Een echt geweldige rol speelt ze in Doctor Foster, een reeks over een vrouw die niet alleen huisarts is maar ook moeder en echtgenote van een man die niet wil deugen. Dat verhaal zorgt voor een geweldige serie die in 2017 een vervolg kreeg en waarvoor men een derde overweegt. Ik heb het over de Britse actrice Suranne Jones (40) die haar eerste bekendheid kreeg in de bekende reeks Coronation Street. Een vrouw die er uit ziet of ze naast haar rol in de series en films waarin ze acteert ook nog even de was en slaapkamers van de studio doet. Maar ook expliciete seks uitstraalt. Beetje onverzorgd, maar wel sexy.

En een gezicht dat duizend uitdrukkingen kent. Gepokt en gemazeld in het acteurs vak. Winnares van grote prijzen in haar vakgebied. Intussen speelt ze weer in tv-series als Save Me en Gentleman Jack. Haar manier van acteren weer heel anders dan die van de eerdergenoemde dames in dit vakgebied. Altijd wat warrig aandoend, maar vastberaden als het er op aankomt. Zij heeft ook in haar normale leven een heerlijk ironische manier van tegen de dingen aankijken. Zoals wanneer ze het heeft over haar eerste herinneringen uit haar jeugd. Dat waren koeien die bij hen thuis door de ramen naar binnen keken. Verwijzing naar haar opvoeding op het Britse platteland. Op school voelde ze zich altijd anders dan de rest en ze werd dan ook uitvoerig gepest. Zit daar dan haar verbeten blik en aanpak van sommige rollen in?! Ze ging pas echt leven toen ze kon gaan acteren.

Het is haar passie. Haar liefdesleven is pas onlangs tot rust gekomen toen ze trouwde met een scriptschrijver en redacteur waarmee ze in 2016 een zoon kreeg. Als ze even niet hoeft te acteren is ze zeer actief in de wereld van liefdadigheid t.b.v. goede doelen. Niet in de laatste plaats omdat haar moeder ooit werd getroffen door borstkanker en dat een enorme stempel op haar leven zette. Suranne Jones is er ook weer zo een om in de gaten te houden. Heerlijke actrice, geen plastic fantastic zoals je zaak in de VS ziet, maar gewoon down-to-earth acteren. Wat de karakters die ze speelt zo levensecht maken. Herkenbaar ook. En als ik dan in het verlengde die reeks Doctor Foster mag aanbevelen?! Kijk dan meteen naar haar gezicht en snap wat ik bedoel met mijn verhaal…(Beelden: Internet)

Museale tram en bestuurlijke bedreiging..

Los van mijn meer bekende interessen op het gebied van luchtvaart en auto’s heb ik er nog een. Trams! Met name de soort die in onze hoofdstad rondreed en nog rijdt. Trams maakten zo lang ik al leef al deel uit van mijn observatorische gestel en ik heb er heel wat ritjes in doorgebracht. Van de oude blauwe trams met hun open balcons tot de moderne Combino’s. Een prima vervoermiddel dat je met een redelijke snelheid dwars door onze mooie stad heen brengt naar plekken waar je eventueel iets wilt bezoeken. Anders dan je zo vaak ziet in ons land waar het industrieel erfgoed betreft hebben we met die trams kennelijk nog wel iets, want elke grote stad met een tramwegennet heeft ook wel een of andere vorm van museale tramverzameling. En zeer terecht. Vrijwilligers werken zich vaak in het zweet om die uitgerangeerde wagens weer helemaal in nieuwstaat te brengen en oudgedienden brengen die fraaie ontwerpen dan weer op de rails. Een enkele keer op het stedelijke net, maar in Amsterdam ook op een eigen trace dat is aangelegd op het oude stoomtramspoor tussen Amsterdam Haarlemmermeerstation en Bovenkerk, net ten zuiden van de stad.

Duizenden mensen per jaar jaar vervoert men met die oude trams en dat is voor iedereen een plezierige beleving. Maar zoals zo vaak zijn bestuurlijke wegen soms ondoorgrondelijk. Het intussen tot een museaal spoorbedrijf omgevormde tramvereniging heeft een stel oude loodsen beschikbaar waar men al pakweg 40 jaar lang onder relatief primitieve omstandheden de oude trams onderhoudt. Daardoor raken die kwetsbare trams niet verloederd wat in open opslag direct op de loer ligt. Maar het terrein achter het ook al zo kenmerkende en museale station van de club is voor projectontwikkelaars goud waard en ook groenlinkse bestuurders zijn niet vies van een beetje geld verdienen. Men wil de grond gewoon verkopen en daar dan woningen neerzetten die in de huidge tijd goud opleveren. Maar ja, die trams en hun vrijwilligers dan??

Nou die moeten volgens die progressieve politici gewoon weg. Dus neem je ze eerst een stukje gemeentelijke subsidie af. We zullen ze leren! En daarna ga je vertellen dat de huur op hun onderkomen wordt opgezegd. Ze moeten opkrassen. Heen en weer rijden mag, maar opslaan niet. Deze kortzichtigheid van de stedelijke bestuurders in het Kremlin aan de Amstel zorgt toch voor enige paniek onder de mensen die genieten van die oude trams. Al eens eerder werd een oude remise van een andere club op dezelfde wijze ontmanteld en de collectie raakte daardoor heel snel in verval. Maling aan het verleden, lang leven de groenlinkse toekomst. Maar hoort een elektrische tram daar nu net niet bij dan?! De tramliefhebbers hebben intussen steun gekregen vanuit Amstelveen. Daar ziet B & W maar ook de Gemeenteraad wel het nut of de noodzaak van die museumtrams. Nu nog eens zien dat men wellicht daar een loods kan bieden om die unieke trams onder te brengen. Lukt dat niet wordt het wel erg lastig allemaal. En verdwijnt wederom een stukje van onze geschiedenis door kortzichtigheid van de politiek! Wil men dat stigma? Ik mag hopen van niet…… (Beelden: Yellowbird archief/internet)