Leven met de vliegende pijl – 23 – Nieuwbouw en expansie

Ergens halverwege 1985 was het nieuwe showroomgebouw klaar. Het oogde op afstand nog relatief bescheiden, maar het was een enorme stap vooruit als je het vergeleek met wat we voorheen hadden gehad aan uitstalruimte. Het gebouw kon bij een beetje strak parkeren een tiental nieuwe auto’s herbergen. We hadden nu een keurige toiletruimte, een wat groter kantoor, en een secundaire showroom naast het kantoor voor meerdere medewerk(st)ers, waardoor we met wat passen en meten ook nog eens twee auto’s konden neerzetten. Het gebouw was lichtgekleurd, had veel glas, schuifdeuren, diverse zgn. loopdeuren voor klanten en personeel en een vrije strook parkeerruimte voor de deur. Aan de gevel kwamen lichtbakken voor de beide merken, waar tussen ik een grote vierkante lichtbak liet monteren met de naam van ons bedrijf. Immers, daar was ik toch wat eigenwijs in, ons bedrijf was naar mijn mening de magneet, de merken onze producten. Een nieuwe werkplaats werd ook achter de showroom gebouwd, we huurden een deel van de belendende panden bij de houtleverancier die we als buurman kenden op dat oude bedrijventerrein.

De werkplaats werd opnieuw ingericht, er kwam een grote balie voor de ruime nieuwe receptie, plus een ook nieuw en uitgebreid magazijn. Poetsen en accessoires inbouwen deden we voortaan een stuk verder op in het terrein waar we gevestigd waren en daartoe kwamen twee Surinaamse werknemers de gelederen versterken. Voor de opening die we zeer feestelijk en professioneel in elkaar staken (net als de door Ikea geleverde kantoormeubels) werd een geweldige publiciteitscampagne opgezet en dat zorgde voor een groots actieweekend en een feestelijk evenement waar beide importeurs ook bij aanwezig waren. We verkochten meteen al een hele reeks Daihatsu’s en ook Skoda profiteerde van deze opleving in de belangstelling. Ook al had importeur De Binckhorst weinig meer te bieden dan een tot ‘toverbal’ omgespoten Skoda Rapid 130G. De tijden van de vernieuwing leken daar nog ver weg. Maar wij zorgden zelf voor het nodige ‘nieuws’ op dat punt. Al snel werden de verkopen van vooral Daihatsu zodanig grootschalig dat we zelfs in de nieuwe situatie ruimte te kort kwamen.

Maar dat kwam niet alleen door Daihatsu. Ook de Skoda-verkopen liepen door ons eigen toedoen weer extra op, niet in de laatste plaats doordat we uiteindelijk via ‘actiemodellen’ de kopers wisten te lokken voor ons Tsjechische gamma. Daarbij schrokken we er niet voor terug om een hele reeks wagens van de importeur af te nemen, die in serie te laten bijspuiten (bijvoorbeeld bumpers, grille, spoilers), te voorzien van wat aardige extra’s en dan in de markt te zetten. ‘Clipper’ heetten ze, of ‘Star’. Die laatste kreeg een aangepaste cilinderkop zodat deze Skoda’s ook op loodvrije benzine of lpg konden draaien. Het bleek een succes. De Binckhorst was er blij mee en wij ook, want het maakte ons eens te meer tot de meest succesvolle Skoda-dealer van heel Nederland. Opvallend was daarbij dat we de ‘eer’ die daarbij zou horen vaak niet kregen. De Binckhorst kende in die jaren een wat grillig beleid en dan kon er toe leiden dat we het ene jaar werden verkozen tot ‘beste dealer van Nederland’ op basis van verkopen, en het volgende jaar verguisd omdat we te maken kregen met heel andere criteria voor verkiezing van de beste dealer. Ik ben er nog eens voor uit een vergadering weggelopen van alle Nederlandse dealers en de importeur. ‘Waren ze nu helemaal van de trap gevallen?’. De relatie met de toenmalige rayonmanager kwam nooit meer helemaal goed. Ook al niet toen hij aan de overkant van de doorgaande weg langs onze panden foto’s ging staan maken maar niet naar binnen kwam. Bedrijfsspionage? Mijn vrij opgewonden karakter van toen zorgde daarop voor een stevige klacht richting directie van de importeur. – Wordt vervolgd (Beelden: Yellowbird archief)

Leven met de vliegende pijl – 19 – Nieuwe neuzen!

Ergens in de jaren tachtig werd duidelijk dat de tot dan geleverde Skoda-modellen met worm en rol stuurinstallaties en de nog uit de jaren van de 1000MB stammende bumpers toe waren aan een facelift. Een stevige meteen die ergens in 1984 werd ingezet. De toenmalige Skoda’s kregen een totaal nieuwe neus, kunststoffen bumpers, andere binnenbekleding, en een veel beter aanvoelende tandheugelinstallatie voor de bestuurde wielen van de luxere modellen. Doordat die wielen ook wat verder uit elkaar werden gezet, verbeterde de wegligging opmerkelijk, al werden die wagens in die jaren nooit echte liefhebbersauto’s. Maar voor de gemiddelde Skodakoper, vaak afkomstig uit andere wat goedkopere merken, was dit een enorme stap vooruit. Daarbij kwam nog eens dat naast de serie 105/120 nu ook een 130 werd geleverd, die o.a. positief opviel door een zelfde achterasconstructie als de aloude Rapid Coupe.

En om het nog mooier te maken kwam er ook een S130G Coupe, die ook weer als Rapid in de prijslijst verscheen en geweldig reed. Door de 1300cc motor was het ook bepaald een vlotte wagen die flink wat nieuwe klanten wist te trekken voor het merk. De kritieken vanuit de autojournalistiek werden er, als verwacht, niet meteen veel beter door, maar men werd wel iets milder in het oordeel. De Skoda’s stuurden veel fijner, het geluidsniveau in het interieur was, mede door een voor sommige modellen beschikbare vijf-versnellingsbak, verlaagd, en die nieuwe neuzen zorgden voor een sterk gemoderniseerde blik. De verkopen bleven op niveau, ook bij ons in het dealerbedrijf, al zochten we wel als managementteam van het dealerbedrijf naar verbreding van het totale gamma. Juist voor klanten die ‘iets anders wilden dan een Skoda’. En dat waren er best veel…. Maar voorlopig had Skoda weer een paar jaar haar zaakjes voor elkaar en het moet gesteld, de kwaliteit was nu op behoorlijk peil voor een fabriek uit die streken. Wordt vervolgd! (Beelden: Yellowbird archief)

Leven met de vliegende pijl – 9 – Hundie!

In die jaren waaraan ik nu even refereer, zo tussen 1980-82, verging het ons dealerbedrijf dus wat minder goed. We waren dealer van het Tsjechische automerk met die lange traditie, maar de bevooroordeelde pers fakkelde zowat bij elke rijtest alles af wat die Tsjechen zoal produceerden. Dat was wellicht voor een deel nog te verklaren, maar het werd me een aantal jaren later duidelijk dat er indertijd achter de schermen ook wat rekeningen werden vereffend met vertegenwoordigers bij de toenmalige importeur door de mannen die zichzelf zagen als ‘goden’ in dat vakgebied. Het zichzelf autojournalist noemende volk had ook commerciele belangen. Geen advertenties, geen goede pers! Zo simpel was het. Als dealer moest je intussen toch wat, dus we zochten naar expansie via andere kanalen. En op dat moment in de tijd kwamen we dus in contact met dat automerk wat we nu, anno 2018, allemaal zo goed kennen. Ik had er indertijd zelf nog nooit van gehoord toen de eerste vertegenwoordigers van wat later de importeur zou worden, voor ons bedrijf stopten.

Het bordeel paarse interieur en de beperkte binnenruimte nam je uiteindelijk dan maar op de koop toe. We zagen er toch wel iets in en gingen in zee met de nieuwe importeur. Die was zelf gezeteld in een piepklein kantoor achter een caravanhandel in Leidschendam, maar de sfeer was er goed en de service vriendelijk. Al snel stonden de Koreaantjes in onze showroom en reden we rond in een demonstratiewagen. Wat lastiger bleek, voor de meeste Nederlanders was die naam even onbekend, maar meteen ook onuitsprekelijk.

Wij zelf maakten er Hie Joen Dai van, maar onze collega-dealer in Amsterdam-Centrum noemde zijn nieuwe merk Joen Dee en de Koreanen spraken het uit als Oendee of zo. Gelukkig heette dat eerste model dat ze jaren zouden voeren gewoon Pony en dat was voor veel mensen wel uit te spreken. Tot die ene keer dat er een plat Amsterdams sprekende potentiele koper binnen stapte en mij op luide toon vertelde dat hij wel eens wilde proefrijden in een ‘Hundie Ponnie’. Kijk, toen wisten we dat er nog heel veel werk te verrichten viel. Het succes en zeker de winst werd ons uiteindelijk niet gegund met en door Hyundai. De match was er na een paar jaar niet meer toen het merk naar een nieuwe importeur overging en die daarop aan het redelijke grote dealerkorps van die eerste paar jaar zulke eisen stelde dat wij daaraan gewoon niet konden maar vooral ook niet wilden voldoen. Intussen waren we wel veel wijzer geworden. En ik leerde zelf in die jaren dat als je klanten iets wilt verkopen de naam van het merk tenminste herkenbaar en uitspreekbaar moet zijn en de communicatie op dit punt overduidelijk. Maar als pioniers waren we daar toen nog lang niet zo mee bezig. Maar mijn creativiteit op marketinggebied wel gewekt. Wordt vervolgd op 09-09 a.s. (Foto’s: Yellowbird Photo – Alle teksten zijn eigendom van de auteur) 

 

Hundie

ALD - Hyujdai Pony GLS RAI - RAI 1981 Scan10257In die jaren waaraan ik nu even refereer verging het ons bedrijf wat minder goed. We waren dealer van het Tsjechische automerk met die lange traditie, maar de pers fakkelde zowat elke dag alles af wat die Tsjechen zoal produceerden. Dat was wellicht voor een deel nog te verklaren, maar ik kwam er later achter dat er achter de schermen ook wat rekeningen werden vereffend met vertegenwoordigers bij de importeur door de mannen die zichzelf zagen als ‘goden’ in dat vakgebied. Als dealer moest je wat dus we zochten naar expansie via andere kanalen. En op dat moment kwamen we in contact met een automerk dat we nu wellicht kennen, ik had er zelf nog nooit van gehoord toen de eerste vertegenwoordigers van wat later de importeur zou worden, voor ons bedrijf stopten. Men vertelde enthousiast over Hyundai. Een nieuw Koreaans merk waar wij zeker dealer van zouden kunnen worden als we de moed hadden te geloven in een toekomst die ons zeker zou voeren naar winst en succes.

ALD22 - Hyundai Pony TLS RAI 0281 - Scan10256We reden even proef in het eerste exemplaar van het technisch kunnen dat de Koreanen in Nederland importeerden, de Pony sedan. Een auto waar de gemiddelde Europese (lees Nederlandse) man maar moeizaam in paste. Maar hij was opgebouwd uit onderdelen van Mitsubishi en Ford en de vormgeving was van Italiaanse snit. Het bordeel paarse interieur nam je dan maar op de koop toe. We zagen er wel iets in en gingen in zee met de nieuwe importeur. Die waren zelf gezeteld in een piepklein kantoor achter een caravanhandel in Leidschendam, maar de sfeer was er goed en de service vriendelijk. Al snel stonden de Koreaantjes in onze showroom en reden we rond in een demonstratiewagen. Wat lastiger was, voor de meeste Nederlanders was die naam onbekend, maar ook onuitsprekelijk.

ALI10 - Hyundai Pony TLS GN83BP Spl 0781 Scan10262Wij zelf maakten er Hie Joen Dai van, maar onze collega-dealer in Amsterdam-Centrum noemde zijn  merk Joen Dai en de Koreanen spraken het uit als Oendee of zo. Gelukkig heette dat eerste model dat ze jaren zouden voeren gewoon Pony en dat was voor veel mensen wel uit te spreken. Tot die ene keer dat er een plat Amsterdams sprekende potentiele koper binnen stapte en mij op luide toon vertelde dat hij wel eens wilde proefrijden in een ‘Hundie Ponnie’. Kijk, toen wisten we dat er nog veel werk te verrichten viel. Het succes en zeker de winst werd ons uiteindelijk niet gegund met en door Hyundai. De match was er niet meer toen het merk naar een nieuwe importeur overging en die daarop zulke eisen stelde dat wij daaraan gewoon niet konden maar vooral ook niet wilden voldoen. Intussen waren we wel veel wijzer geworden. En ik leerde zelf in die jaren dat als je klanten iets wilt verkopen de naam van het merk tenminste herkenbaar en uitspreekbaar moet zijn en de communicatie op dit punt overduidelijk. Maar als pioniers waren we daar toen nog lang niet zo mee bezig.