Als ik de vele ‘kenners’ en angsthazen in met name het ‘linkse kamp’ moet geloven is het aantreden van Donald Trump als Amerika’s president de opmaat naar een nieuwe wereldoorlog. De man wordt daarbij afgeschilderd als een idioot, dom, bullebak etc. Nu zijn er wel eens minder opvallende lieden tot president gekozen in dat grote land, maar om nu meteen te spreken over een dreigende oorlog gaat mij wat ver. Laten we wel zijn, de meeste oorlogen zijn niet gestart door de V.S. maar door andere landen. Wij in Europa hebben op dat punt een slechte naam, maar ook in Het Midden-Oosten kon en kan men er wat van om over het nog wat verder gelegen Verre Oosten maar niet eens te spreken. Als je terugkijkt naar bijvoorbeeld een jaar als 1967 zie je dat we daar een echte oorlog zagen in het Midden-Oosten. Israel vocht in dat jaar tegen de omliggende buurlanden die er ook toen al op uit waren om de joodse staat met behulp van de Sovjet-Unie van de aardbodem te vegen. Het pakte anders uit. Israel won en behield een aantal ‘bezette’ gebieden als veiligheidszone. De gevolgen daarvan ondervinden we nu, vijftig jaren later, nog. Maar laten we wel zijn, ook toen was er al sprake van extreem terrorisme.
Dat terrorisme werd toen al gepraktiseerd door de Palestijnen maar zeker ook door de IRA, ETA en nog een aantal groeperingen die het ergens mee oneens waren. De VS had intussen een erfenis overgenomen van de Fransen. De oorlog in Z.O. Azie. Met name de Vietnamoorlog was in die periode aan het ontwikkelen tot een echt grootschalig conflict waarbij het vrije westen stond tegenover het communisme van de Sovjet-Unie en China. Het is allemaal 50 jaar geleden, maar was die wereld dus echt zoveel veiliger als de huidige? Veel van de toenmalige hoofdrolspelers doen nog steeds hun best hun al dan niet terechte doelen te bereiken via donder en geweld. Maar wij mensen zijn nogal selectief in ons geheugen en missen veelal een aardige dosis realisme of kennis van de geschiedenis. Bedenk ook maar eens dat het nog minder dan 50 jaar geleden is dat de Sovjet-Unie met steun van haar bevriende (..) naties in het oosten van Europa (de meesten nu lid van de EU) een einde maakten aan de net ontwikkelde Praagse Lente in Tsjecho-Slowakije.
Het prachtige land met zijn aardige inwoners werd bezet door troepen van het voormalige Warschau-Pact. De spanningen in de wereld liepen er stevig door op. Expansiepolitiek van bijvoorbeeld Poetin baseert zich op diezelfde doctrine. Maar aan de andere kant, wat de NATO en EU sinds de Wende in 1989 hebben gedaan in Oost-Europa is ook een bron van ergernis voor de huidige Russische leiding in het Kremlin. Overigens was in 1967 het regime in Noord-Korea ook al aan de macht en deed dezelfde onmenselijke dingen als men nu nog uitvoert. Alleen was er nog geen nucleaire dreiging van die kant. Nu wel. En nog even een feitje; het was de democratische president Kennedy die de wereld echt op het randje van WO3 bracht toen hij de toenmalige Sovjet-Leider Chroetsjov de wacht aan zegde omdat die op Cuba raketten wilde installeren. In de achtertuin van de VS. Dat was nog eens een jaar of vijf eerder dan 1967! De Amerikaanse strijdkrachten gingen toen naar de hoogste staat van paraatheid. De volgende stap was oorlog geweest. En wij in Nederland sidderden. Nu zetten we als NATO raketten in de achtertuin van Rusland neer. En vinden het vreemd dat daar een stevige vorm van dreiging tegenover wordt gezet. Het kan allemaal verkeren. Net zoals we nu op een bepaalde manier tegen Israel aan zijn gaan kijken en op vakantie Vietnam bezoeken. Andere tijden, nieuwe zeden. Maar die angst en onzekerheid is er dus altijd geweest. Kijk maar eens terug naar die jaren en beoordeel zelf maar eens wat er nu zo anders is als toen. Het zal je verbazen hoeveel overeenkomsten we kennen met toen. En dat alleen al zou een waarschuwing moeten zijn om niet meteen in de angsthazerij te vervallen. Het evenwicht in de wereld is soms even ver te zoeken maar komt altijd weer in het midden te liggen. Vaak is dat nu net de plek waar wij wonen. Koesteren maar die plek!

In onze wijk zijn een paar jaar geleden van die ondergrondse vuilcontainers geplaatst. Beetje graafwerk en hup. Nieuw systeem, werkt prima. Maar ik ontdekte onlangs ook dat de bewoners ergens na de jaarwisseling hun oude kerstbomen van de ‘afvallende naaldensoort’ keurig naast die containers plaatsen. Niet de bedoeling, maar toch. Overigens worden die containers vaak ook oneigenlijk gebruikt. Een van de aannemertjes uit onze buurt wil nog wel eens een halve aanhanger spullen in dat ding dumpen, kennelijk om zich een ritje grofvuil-stortplaats te besparen of zo. Hoe dan ook, die kerstbomen deden me ineens terugdenken aan een heel andere tijd. Dik vijftig jaar geleden. In de huizen uit mijn jeugd stonden ook bomen. Niet van die Nordmannen of andere dure soorten, maar gewoon kerstbomen. Die dingen stonden er van pakweg een week voor de kerst tot een dag of tien later. Mooi opgemaakt met engelenhaar en ballen. Maar omdat we vrijwel allemaal met kolen stookten (olie en gas moesten nog worden uitgevonden..) werden die bomen kurkdroog en lieten al snel hun prikkende naalden vallen. Reden om ze direct na de kerst de deur uit te mikken. Die enkele uitzondering daar gelaten. En daar op straat was een cultureel evenement aan de gang dat je tegenwoordig niet meer zo ziet.
De zgn. kerstbomenjacht. Jongelui, ik ook, stroopten de straten af voor de afgedankte bomen, verzamelden en bewaakten ze daarna. Want dat oude groen ging dienen als brandstof voor het oudejaarsvuur dat in veel van die buurten gewoon midden in de straat werd ontstoken om 12.00 middernacht tijdens de Oudejaarsviering. Spannende dagen, want je moest bijna militair denken rond die bomenjacht. Je werd benoemd door de grotere jongens als ‘jager’ of als ‘bewaker’. En dat was nodig ook, want in belendende straten en buurten deed men precies hetzelfde en wie de grootste berg bomen bezat had ook het grootste vuur. Er wilde nog wel eens een knokpartijtje uit voort komen. Gelukkig was het een fenomeen dat iedereen in onze straat aansprak, dus de jonge lieden die als automonteur of smid in de buurt actief waren wilden wel een handje bijsteken als het op vechten aan kwam. En dat maakte veel verschil.
Net als de pluimpjespistolen en geweren die we bij de bewaking van die bomen gebruikten. Dwong respect af. Als ik het nu terughaal voor dit blog denk ik wel eens, jeminee, wat een risico voor die verrekte bomen…. Maar een fenomeen was het en als ik nu wel eens kijk op Google of Wikipedia zie ik dat het ook in andere steden en dorpen in die jaren heel normaal was. Toen ik die straat verliet om elders te gaan wonen was ik ook niet meer op de hoogte van hoe men dat met de kerst allemaal regelde. In de nieuwe woonbuurt kwam het niet voor, daar woonden geen jongelieden die er mee bezig waren. Ik hoorde het nog wel eens van mijn ouders. Die woonden in die periode na een verhuizing juist op dat punt in die straat waar wij vroeger de vuren stookten. En dat maakte soms nerveus, zo’n groot vuur voor de deur. Intussen is het ondenkbaar geworden. Overal staan auto’s en scooters, de huizen zijn allemaal gekocht door mensen met een andere mentaliteit of afkomst. Nee, geen bomen meer en al helemaal geen vuren. Men zet ze gewoon bij de vuilcontainer. En niemand die er naar omkijkt. Er is veel veranderd in de loop van al die jaren….
geregelde wereld anno 2016, maar een jaar of 50 geleden ging het qua bijzonder zaken doen toch nog een stukje anders in ons land en zo kon het gebeuren dat er ondernemers opstonden die nog een avontuur aangingen. Terwijl ze in feite de wind tegen hadden maar zich daar niet door lieten leiden. Een van die lui was luchtvaartpionier John Block. Een man die bij Martinair vanaf het begin bij dat bedrijf deel uitmaakte van de directie, maar qua karakter niet zo goed paste bij de degelijke en strenge Martin Schroder. Block was een totaal ander type. En dus zocht hij naar mogelijkheden om een eigen charterbedrijf op te zetten. Vanwege alle tegenwerking vanuit zijn oude werkgever, maar ook de KLM en de regering, besloot hij in eerste instantie om op het Maastrichtse vliegveld Beek zijn vergunning aan te vragen.
Transavia zou de maatschappij gaan heten en voor de (on)duidelijkheid voegde Block daar ‘Limburg’ aan toe. Vliegtuigen waren toen nog genoeg te vinden. DC-3’s, DC-4- en DC- 6 toestellen stonden wereldwijd te kust en te keur te koop. Block financierde zijn onderneming via allerlei wegen, en wist ook langs diezelfde wegen uiteindelijk aan een vloot DC-6 toestellen te komen die al snel werden gespoten in het nieuwe kleurenschema van zijn onderneming. En zoals het hem als proactieve ‘baas’ van het spul betaamde verkocht hij al vluchten voor opdrachtgevers terwijl hij nog niet eens mocht vliegen. Maar op 14 november 1966 kwam die vergunning er dan toch en twee dagen later steeg de eerste DC-6 van Transavia op. Richting Italië met het Nederlands Danstheater gezelschap als passagiers.
Sindsdien is er veel gebeurd. Transavia werd een begrip op de chartermarkt, later op de vakantievluchtenmarkt en sinds een aantal jaren als low-budget-airline onder auspiciën van Air France-KLM waar het als een van de weinige divisies winst maakt. Transavia wordt al heel lang niet meer geleid door ondernemers als Block. Die verdween al snel toen Transavia een meer gestructureerde vorm aan nam met nieuwe aandeelhouders. De vloot veranderde. De oude propellervliegtuigen verdwenen en er kwamen Franse Caravelles in dienst. Er zijn vast nog mensen die zich herinneren dat je met de TROS met zo’n toestel naar Groningen kon vliegen om daar een uitzending van die omroep bij te wonen. Het hield de machines ook in de wintermaanden actief. Op enig moment, lang geleden, kocht Transavia splinternieuwe Boeing 737’s.
Een toestel dat nu, in zijn nieuwste vorm, nog steeds de ruggengraat vormt van het bedrijf. De kleuren van Transavia veranderden ook, net als haar rol in de luchtvaart. En anders dan je bij Martinair zag dat na vertrek van de oude garde werd ontmanteld door de aangestelde managers zonder visie of kennis van de markt, bleef Transavia succesvol actief. Nu dus al weer ruim 50 jaar. Toch iets om even bij stil te staan. Vandaar dit blogje… Heb je zelf ervaringen met Transavia door de jaren heen? Laat maar lezen hier. Ik vind dat zelf erg aardig. (Foto’s: Yellowbird, LPAC, internet, archief)
Ze is helaas al weer een paar jaar hemelen, maar ik kwam haar naam onlangs weer eens tegen en vond het best een goed idee om er wat schrijfwerk aan te wijden; Farah Fawcett! In de jaren 70 en 80 een grote Amerikaanse ster die haar carrière ooit begon als model voor shampoo en scheerzeep. Opvallend, maar zeker, zij had een haardos die er zijn mocht. Amerikaanser kon je ze bijna niet krijgen in die tijd, qua sterrendom dan. Farrah behoorde niet tot de rondborstige soort tv- of filmsterren. Daar zaten haar talenten niet. Wel in haar schitterende glimlach, mooie stem en haar sexy uitstraling. Ze werd pas echt beroemd toen ze opdook in de reeks ‘De man van zes miljoen’ waarin ze haar toekomstige man Lee Majors tegenkwam. Toen een grote meneer in het Amerikaanse TV-landschap. Weer later werd ze hoofdrolspeelster in de reeks ‘Charlie’s Angels’. Vanaf 1976 trad ze daar in op en dat maakte haar niet alleen tot een sekssymbool, haar weelderige kapsel maakte haar ook tot voorbeeld voor veel vrouwen over de hele wereld.
Na deze kop voor dit verhaal weet ik al dat een deel van de lezers zal afhaken. Al was het maar omdat iedereen zo zijn of haar eigen waarden hanteert op dit gebied. En ik zie door de generaties heen ook grote verschillen onder ouders bestaan. Maakt niet uit van welke volksstam je afkomstig bent, welk geloof je aanhangt of dat je afkomstig bent uit een rijk of arm milieu. Ettertjes kom je overal tegen en heel wat kinderen groeien op in de gedachte dat het leven slechts bestaat uit de drie m2 die zij zelf in dat eigen wereldje uitmaken. Het valt niet te verklaren dat kinderen ‘alles mogen’ en vrijwel niets meer ‘hoeven’. Hoe anders was dat in onze jeugdige tijden. Opvoeding was gemiddeld genomen streng. Ouders en opvoeders schroomden niet om met harde hand discipline te brengen bij hun nageslacht. Geen geduvel, geen kwajongensstreken, je kon een pak slaag verwachten.. Op school niet anders. De katholieke broeders waar ik indertijd mijn scholing genoot hielden de knoet er goed onder.
Elke afwijking van regels of gedrag werden streng en soms stevig fysiek bestraft. Maakte niemand zich druk over. Kinderen moesten gehoorzamen en werden nog lang niet gezien als prinsen of prinsesjes zoals je dat nu zo veel ziet. Het ego-gedrag dat sommige moderne kinderen laten zien was ons vreemd. Je wilde overigens ook graag leren ‘voor later’. Je wist dat je gedoemd (..) was te gaan werken en als je dit dan deed was een goede opleiding nodig. Ouders namen zichzelf vaak als voorbeeld. De geslaagden of de minder bedeelden. ‘Zie hoe het mij verging, als jij nu gewoon lekker doorleert kom je een stuk verder (of tenminste net zo ver als ik)’. Huiswerk diende gedisciplineerd gemaakt te worden, en wie met een slecht rapport thuiskwam hoefde niet te rekenen op veel begrip. Je kreeg dan gewoon ‘op je lazer’. En dan trof ik het thuis nog niet eens zo slecht. Slaan was meer mijn moeder dan mijn ‘leenvader’ voorbehouden. Mijn moeder kon niet goed tegen dwars liggen en haar karakter was er een met een kort lontje. Deed je wat ze wilde was alles tof, maar o wee als je eens dwars lag. Nu haalden we dat niet eens zo vaak in ons hoofd hoor. Maar aan tafel kon het wel eens leiden tot stevige discussies als we iets moesten eten wat wij echt niet lustten en Ma er toch op bleef aandringen dat we het spul naar binnen zouden werken.
Qua kookkunst en smaak hield ze meer rekening met de smaak van haar partner dan met die van ons. Ik heb wat de meest vreselijke groenten naar binnen gewerkt met behulp van appelmoes of glazen water. De oorlogstrauma’s speelden daarbij en rol. Maar toen ik eenmaal de deur uit was gegaan, werden door mij heel wat van die groenten in de ‘ban’ gedaan en nooit meer gegeten. Maar aan de andere kant, ik was en ben best blij met wat me toen is bijgebracht. Sociaal denken is een voordeel, kritisch kijken naar wat je wordt voorgeschoteld ook. Een zekere creativiteit ook en natuurlijk de wens en het verlangen om er in het leven iets van te bakken. Verwend werd ik nooit. Dat paste ook niet bij die tijd en al helemaal niet bij ons gezin. Intussen kijk ik naar een groepje jonge puberjochies die met steentjes staan te gooien naar een vuilcontainer in de straat, daarbij natuurlijk ook geparkeerde auto’s rakend. Hun ouders letten niet op, of kijken naar een andere kant weg. Want stel je voor dat je ze moet aanspreken op dit gedrag…….Nee, dat past niet in de huidige tijd. Prinsjes zijn het. En die moeten bij voorbaat al bejubeld worden. Ook als het gewoon ettertjes zijn……


Aan de zuidkant van de grote stad waar ik woon, werk en leef, bevindt zich een paar enorm uitgebreide groene zones die bij mensen van buiten onze stad nauwelijks bekend zijn. Zoals het Amsterdamse Bos dat in basis werd opgezet om niet alleen bleekneusjes uit de grote stad van de jaren twintig/dertig in de vorige eeuw van wat frisse lucht te voorzien, maar ook om de massale werkloosheid die toen heerste te helpen onderdrukken. Ergens in 1932 werd het project in fase 1 afgerond, daarna kwamen er nog wat stukken bij en zelfs na de oorlog legde men een nieuw deel aan ten zuidwesten van de toenmalige verbindingsweg tussen Amstelveen en Schiphol. Het Amsterdamse Bos is intussen verworden tot een flink groot woud vol spontane of aangestuurde natuur. Er zijn vennen en grote waterplassen te vinden, strandjes, wandelpaden en fietswegen, je kunt er via de zgn. Bosbaanweg met de auto in en wij zijn er dan ook al vele jaren lang regelmatig te vinden. Heerlijk wandelen bij het geluid van de vogels, het ritselen van de bladeren en het geblaf van de altijd in dubbele zin van het begrip uitgelaten honden.
En wie houdt van dynamiek, kom dan bij stevige westenwind eens langs, dan landen de vliegtuigen op de zgn. Buitenveldertbaan en dan lijkt het wel of ze midden in het bos de landing willen inzetten. Ik kijk er als liefhebber altijd met veel plezier naar. Stukje verderop, aan de rand van de chique wijk Buitenveldert en begrenst door de Amstel ligt nog een prachtig gebied. Ik beschreef het al eens eerder. Het Amstelpark. Ooit onderdeel van de opzet voor de begin jaren zeventig gehouden Floriade-expositie. Die tentoonstelling verdween, het park bleef. Prachtig, rustig en interessant. Voor hen die er oog voor hebben. Beide groengebieden zijn voor ons simpel te bereiken. Met de auto, fiets of als het moet lopend. Je kunt er heerlijk vertoeven en waant je zeker niet in de grote stad. En wellicht maakt dat Amsterdam wel extra zo’n aantrekkelijke stad om in te wonen. Of voor toeristen om te bezoeken. Niet allemaal komen ze voor de Wallen, musea of Coffeeshops. Als ik de talen hoor die hier in die bos- en parkgebieden worden gesproken heeft het nieuws over al dat groen ook mensen van elders bereikt. En dat is goed. In de winter is het allemaal weer voor de Amsterdammers. En voor hen is het natuurlijk ooit bedoeld geweest. Als Oase in de drukke omgeving van een enorme stad. De hoofdstad!
Er was een tijdperk dat zelfs ik iets had met voetballen. Niet omdat ik die sport nu zo goed kon beoefenen, als we het ‘putten’ in de straat even vergeten voor het gemak. Als ik in clubverband speelde was dat vaak als keeper of als halfspeler. Niks in de voorhoede. Maar wel effectief. Zeker als een tegenstander me voorbij wilde en ik dan de van Co Prins overgenomen ‘schoffel’ toepaste was ik lastig te passeren. Co Prins zegt ie? Wie? Nou, van de vele fenomenen die het Amsterdamse voetbal ooit kenmerkten was dit een grote. Geboren in 1938 en gevoetbald voor god en de duivel was hij als gevolg daarvan voor niemand bang. Zeker niet voor scheidsrechters of spelers van de tegenpartij. Het onderuit halen van een tegenstander deed hij effectief. Hij speelde jarenlang bij Ajax, Oranje, maar ook in Duitsland en Amerika. In België werkte hij jarenlang als trainer. Man van een grote mond en ik denk een klein hartje. Typische Amsterdammer. Minder begaafd als de alom betreurde maar ook bejubelde Johan uit Betondorp.
Zijn karakter was een ding om rekening mee te houden. Ik maakte hem eens mee in een kroeg aan de Amsterdamse Amstelstraat waar mijn lease pa regelmatig zat voor de ‘autohandel’ in die jaren. Cootje Prins zat daar ook regelmatig. En dat was goed te merken. Een jaar later zag ik hem spelen in het Olympisch Stadion. Hij speelde zoals hij sprak. Zoals later Hazes zong of zoals die volkszanger in Vinkeveen in diens stamkroeg lachte. Amsterdammers van toen waar je nu met een lampje naar moet zoeken in de hoofdstad. Co Prins’ manier van spelen sprak mij als jeugdig talent (..) op het voetbalveld zeer aan. Het maakte me overigens ook niet geliefd als speelgenoot op de velden. Men voetbalde het liefst aan de andere kant van het veld als ik was opgesteld. De Prinstechniek leidde niet tot veel applaus.
Het gestrekte been en zo. Gelukkig kreeg je toen nog geen gele kaarten. Co Prins intussen verhuisde na zijn Amerikaanse avontuur naar clubs als MVV, Vitesse en Helmond Sport. Effectief, maar ook niet geliefd. Zijn carrière kreeg nog een extra impuls toen hij meespeelde in de film Escape to Victory die ging over een voetbalelftal in WO2. Hij was te zien op tv bij de NCRV en speelde fanatiek zaalvoetbal. Een man met een karakter, zoveel was wel duidelijk. Hij overleed plotseling aan hartfalen tijdens een partijtje voetballen in Antwerpen. Werd maar 49 jaar oud. En is bij veel mensen allang vergeten. Maar niet bij mij. Te lang als voorbeeld gediend. Maar of dat nu zo’n goed voorbeeld was achteraf bezien? Ach, ik ben nooit een echt talent geweest in dat voetbalwereldje. Hij wel! Onbegrepen vaak, maar toch! (Beelden: Internet)
Die bootjes waren relatief snel, je had er binnen- en buiten zit- of staanplaatsen en de cabine voor de kapitein/stuurman was een beetje hoger gelegen dan de plek waar de (Vaak vele)passagiers werden ondergebracht. Regelmatig voeren die bootjes over het IJ heen en weer, vaak op volle kracht en zo ontweken ze behendig de grote vaart. Maar niet de golven en dat wilde nog wel eens uitpakken in een aardig nat pak door overkomend water voor hen die op het open dek vooraan waren gaan staan. De bootjes kregen de (bij)naam van de rederij, Bergmann. Intussen allang geleden overgenomen door Mokumse rondvaartgrootheid Kooy, maar indertijd een bedrijf met een aardige vloot schepen. Het aardige van die bootjes was ook dat je er mee werd afgezet bij de begin/eindhalte van de trammetjes naar/door Waterland naar Volendam. Dat was handig voor hen die bijvoorbeeld in Ilpendam woonden en in Amsterdam werkten, maar ook voor de nodige toeristen.
Een uitstapje naar Volendam was best een heel dagje. En nog leuk ook. Mijn moeder nam ons als kinderen nog wel eens mee. Het meest spannende toch het varen met dat bootje van Bergmann. Vanwege die golfslag. En je hoorde dan ineens tot die schepen die daar allemaal voorbij voeren. Hetzelfde gevoel had ik vorig jaar toen we met een veerpontje overstaken van Noord naar het CS tijdens Sail. Tussen die enorme drukte van passerende jachtjes en af en toe toeteren als er weer een kano of half gezonken plezierscheepje voor die grote pont langs trachtte te komen. Maar toch wel heel anders dan in mijn jeugdjaren en aan boord van die Bergmannbootjes. Al was het maar door die golven. Of zijn die in je jeugd gewoon hoger omdat je zelf kleiner bent? Zou zo maar kunnen. Maar het is een herinnering die me niet zo snel los laat. En dat is voor mij al heel bijzonder…net als die bootjes zelf! (Beelden: Historisch archief/Bakker archief/Binnenvaart)
Onlangs zag ik een documentaire over de VOC-schepen en Amsterdam. Was best aardig om te zien hoe die enorme schepen (van toen), na een lange reis naar verre en exotische oorden aan de oostkant van de Amsterdamse haven in die tijd bij laag water niet over de daar aanwezige zandbanken heen konden komen. Die ondiepten waren ontstaan in het zuidwestelijk gebied van de Zuiderzee. Daardoor was het met die schuiten vaak niet mogelijk om bij de veelal ook nog heersende zuidwestenwinden die hindernissen voor de haven van Amsterdam, te nemen en binnen te zeilen. Er bleef niet veel meer over dan bij Pampus voor anker te gaan. Voor Pampus liggen stond gelijk aan geen kant meer op kunnen en dus waren de bemanningen van die schepen na hun lange reizen min of meer gedwongen stil te zitten of te hangen. Voor Pampus liggen kreeg zo een eigen plekje in de Nederlandse taal. Mijn pa gebruikte nog een andere uitdrukking; als we, kind dat we waren, nieuwsgierig vroegen wat hij of wij zouden gaan doen, antwoordde hij steevast: ‘Naar Pampus pap eten’. Oftewel, een niets zeggend antwoord dat gelijk stond aan ‘gaat je niks aan’. Pampus was dus in de Amsterdamse taal vervat, maar wat was het eigenlijk?
Pas op school leerde ik van een eilandje dat aan de oostkant van de stad, tussen Amsterdam en Muiden net boven het water uitstak van het intussen IJsselmeer, niet ver van de Oranjesluizen. Het forteiland Pampus werd (slim) vanaf eind 19e eeuw gebouwd op het zgn. Muiderzand, onderheid met 4000 palen van 11 meter lang. Het fort bedoeld als onderdeel van de zgn. Ring rond Amsterdam, ook Fort Amsterdam genoemd. Men dacht in die tijd nog dat je met dit soort fortificaties de vijand buiten de deur kon houden. De kanonnen die men monteerde zouden Amsterdam afdoende kunnen beschermen. Toen het eiland en fort eenmaal klaar waren, bleek die hele ring van forten rond de hoofdstad overbodig geworden. De vijand was intussen gemotoriseerd en een paar jaar later vloog hij gewoon over die forten heen. Wat bleef was een uniek verdedigingssysteem dat in de jaren twintig nog werd voorzien van luchtafweergeschut. Maar in 1933, toch slechts een paar jaar voor de Tweede W.O. sloot men de boel, trok de soldaten terug en liet het fort het fort.
Tijdens de hongerwinter staken veel mensen over het ijs richting het oude fort en namen alles wat brandbaar was mee naar huis. Het verval sloeg toe. Na de oorlog heeft de Mijnopruimingsdienst er nog wat explosieven tot ontploffing gebracht, maar verder bleef het een eenzaam plekje in dit grote watergebied tussen Amsterdam en het (tegenwoordige) Flevoland. Intussen woont er een enkel paar mensen dat het hele jaar door gasten ontvangt, rondleidingen geeft en het fort plus eiland wat onderhouden. Er varen in de zomermaanden wat pontjes op en neer tussen Amsterdam en Pampus en de watersporttoerist weet het haventje ook wel te waarderen als plek in de luwte bij zwaar weer. Intussen is er ook een baken voor de luchtvaart geplaatst waarop overvliegende toestellen kunnen navigeren op hun routes naar of van hun bestemming. Een stipje in het IJsselmeer dus. Nu onderdeel van de Gemeente Muiden. En in de winter buitengewoon stil. Dan kan je dus echt voor het gelijknamige eiland gaan liggen als je wilt en zelfs wat pap eten. Maar voor de gezelligheid hoef je het niet te doen. (Foto’s: Internet)