De auto van pa….

De auto van pa….

In mijn lange ervaring binnen de automotive-branche en alles daar omheen is me wel duidelijk geworden dat hele generaties autobezitters/rijders zich vaak bij hun merkkeuze orienteerden op wat zij vroeger in hun jeugd thuis aan auto’s meemaakten. De autokeuze van ‘vader’ werd dan vaak 1 op 1 overgenomen. Wat leidde tot een grote merkentrouw in bepaalde families.

Men luisterde nog naar de oudere generaties en daar zijn sommige merken heel groot mee geworden. Zo was Opel ooit jarenlang nummer 1 qua marktaandeel in ons land. Opa, vader en zoon allemaal Opel-rijders. Veel auto voor je geld en dan die leuke vakanties die men zich zo goed herinnerde. Daar waar ‘pa’ een avontuurlijker mens bleek of bij toeval stuitte op een auto die beviel dan wel betaalbaar was zag je merken als Fiat voorbij komen of Citroen.

Mensen met een voorkeur voor het bijzondere gingen nog wel eens voor een Brits automerk en namen de ‘makkes’ daarbij mee als ‘dat hoort er bij..’. Er waren ook mensen die kozen voor degelijk, no-nonsens. Maar niet wilden rijden in een ‘dweil op de weg’, ook het imago van Opel. Dat volk koos dan voor Ford of Volkswagen. En bleef ook net zo merktrouw. Voor de directieleden van bedrijven waren er de grote Amerikanen, Mercedes en dergelijke. Niet meteen een familiemerk vaak, maar wel goed opgeslagen in de herinnering.

Bij ons thuis kwamen heel wat merken voorbij. Chevrolet, Studebaker, Ford, Hansa, Citroen, maar ook IFA (Oost-Duitse DKW), DKW en vooral Skoda. Vooroordelen (niets menselijk was ons vreemd) zorgden voor een totale afkeer van Italiaans en Frans spul. Ik kan me niet herinneren dat we daar ooit in zijn weggeweest. En de klap met de malle molen raakte ook mij toen ik zelf voor de keuze stond een nieuwe auto aan te schaffen.

Ik beschreef dat al eens een paar jaar terug in de hoofdstukken over ‘leven met de vliegende pijl’. Een Skoda werd mijn vervoermiddel en waar ik ze zelf kocht was en is dat nog altijd mijn favoriete merk. Zeker toen ik ze later in mijn leven zag bouwen wist ik, ‘dit zit goed’. Zakelijk kwamen er ook Subaru’s voorbij, Hyundai’s, Daihatsu’s, Oldsmobiles, Dacia’s, FSO’s en af en toe een grote Audi, VW, Renault of Rover. De acceptatie veranderde intussen en nieuwere generaties kijken heel anders aan tegen die vele automerken.

Men kijkt niet meer weg van Chinese wagens met een krankzinnig bedachte naam. Maar ja, lage aanschaf, bijtelling en natuurlijk elektrisch want moet van de baas… De mening van Pa of de rest van de familie telt nu minder. Opel staat niet meer in de top 10, het merk werd Frans net als Fiat of Alfa-Romeo. De merkwaarden van toen zijn verdwenen. Net als sommige merken die we indertijd koesterden. Ten onder gegaan of in handen gevallen van Chinese bedrijven.

Denk aan Saab (failliet) of Volvo (nu Chinees). Rolls Royce werd BMW en Bentley ging naar Volkswagen. Niets is meer wat het ooit was, maar het was voorheen lang zo gek nog niet qua indeling van de markt en haar merken. Je moet er nu zowat een studie voor volgen. En bedenken dat die nieuwe auto (of dure tweedehands) je kan brengen waarheen je wilt. Actieradius een groter ding dan vroeger. Maar toen was technische betrouwbaarheid iets vaker een dingetje. Kortom….er is veel veranderd. En Pa? Die kijkt vanaf een wolk toe, schudt zijn hoofd en bedenkt zich dat wat zoonlief nu weer oreert complete onzin is. Immers, alles is relatief…. Voor jou ook? (Beelden: Archief)

Vliegtuigjes…

Vliegtuigjes…

Zo omschrijven veel mensen van volwassen leeftijd zonder al te veel eigen liefhebberijen de gedachte dat je met een doosje plastic onderdelen en een tekening iets in elkaar gaat zetten dat moet gaan lijken op een vliegtuig, maar dan op schaal. En vul voor dat woord vliegtuigje maar in; autootje, treintje, bootje, huisje of wat ook. Want de plastic modelbouw wereld is veel groter dan sommigen zich realiseren.

En voor de goede orde, was dit ooit een meer dan betaalbare hobby, tegenwoordig moet je flink diep in de eigen zakken of budgetten tasten om je een aardig model te veroorloven. Kijk maar eens in het eldorado voor grote en kleine liefhebbers van het vliegende spul, de Aviation Megastore in de Zuidwesthoek van Schiphol, aan de rand van de Ringvaart en de oude N201. Wat je daar aantreft aan keuze en schalen is onvoorstelbaar, maar dat geldt ook voor het geld dat op de kassa achterblijft als je iets van de gading hebt gevonden.

Die modelbouwindustrie bestaat niet alleen meer in Engeland of Amerika. Tegenwoordig zijn Chinese, Japanse, Tsjechische of Poolse bedrijven wereldwijd dominant en wat zij aan detaillering en potentiele bouwkwaliteit bieden is ongekend. Je betaalt iets, maar dan krijg je ook wat. Een beetje modelbouwer bedient zich ook van het juiste referentiemateriaal, verf, lijm, gereedschap en zo meer. Alles bij elkaar best een kostbare geschiedenis.

Hoe anders was dit toen ik nog een klein ventje was en met zeer weinig zakgeld mijn eerste modellen aankocht. Dat waren in de meeste gevallen kits van Airfix. Een Brits bedrijf dat al sinds 1939 bestond en na een paar jaar andere speelgoederen te hebben geproduceerd in 1949 kwam met de plastic kits die het zo beroemd zouden maken. Met veel pijn en moeite en geleend geld kreeg men de productie van deze simpel te bouwen kits voor mekaar en deed men de slimme zet door die kits te verpakken in plastic zakjes die werden afgesloten via een omgevouwen papieren bouwtekening met aan de buitenkant een fraai getekend actiebeeld van het te bouwen vliegtuig.

Voor weinig geld te koop en elk jaar weer een paar nieuwe. Via de lokale speelgoedwinkels te vinden. Later voegde men auto’s, tanks, boten en zo meer toe aan het gamma. En door het toen recente verleden, de twee wereldoorlogen waren maar relatief kort geleden afgelopen, had men geen enkele moeite met voorbeelden vinden die jonge bouwvakkers van deze kits konden aanspreken.

Latere kits groeiden in omvang, kregen kartonnen verpakkingen, hogere prijzen maar ook een sterk verbeterde vormgeving en kwaliteit. Burgervliegtuigen werden toegevoegd en zo kon een jeugdige modelbouwer doorgroeien naar een aardige expert op dit gebied. Ik werd er daar een van. Heel wat Airfixkits sier(d)en mijn collectie. Helaas had mijn moeder vroeger de ellendige gewoonte om nu net in mijn uitgestalde collectie te gaan stoffen…Heel wat schade was het gevolg. Airfix bracht later ook dozen vol ‘soldaatjes’ die je kon inzetten bij zelf gebouwde kopie-veldslagen. Je kon er het ‘Wilde Westen’ mee invullen of een of andere Brits koningshuis met gevolg van eeuwen her in het zonnetje zetten.

Alle bijbehorende mannetjes schilderen was best een dingetje. Voor mij zelf waren de grote bommenwerpers uit WO2 meer van de gading. Grote kits, veel werkende onderdelen, de beschilderingen, en als ze dan klaar waren een parkeerplek vinden. Het was een ware uitdaging. En terwijl ik me netjes hield aan de bekende schaalgrootte 1:72 ging Airfix ook over naar 1:48 of zelfs 1:24 en dan kreeg je enorme kits voor je handen waarin men zelfs een elektromotor verwerkte waarmee je propellers kon laten draaien…. Intussen is die modelbouw toch iets meer voor de specialist geworden. Jongelui willen dat niet meer, die zitten op hun kamer met digitale games en hun smartphone. De ware liefhebber toch een slag ouder en professioneler. Maar wat heb ik er nog mooie herinneringen aan. Airfix bestaat nog steeds. Net als ik. Soms vergrijp ik me nog wel eens aan een opgeslagen kit van de bergzolder. En heb weer net zo veel plezier als vroeger….. Kinderhanden zijn snel gevuld…en als je jong van geest bent geldt dat ook nog steeds….. (beelden: Yellowbird archief)

Tussen droom en werkelijkheid…

Tussen droom en werkelijkheid…

De typische forens maakt nog steeds veelvuldig gebruik van de auto. En dat is elk jaar weer een groeiend feit. Dus van die zogeheten ‘milieuvriendelijke’ dromen komt weinig tot niets terecht. Het simpele antwoord op de vraag ‘waarom niet’ komt toch vooral door de matige tot slechte bereikbaarheid van bepaalde plekken in dit land via het nog steeds aardig falende OV. Ik ken uit mijn omgeving en uit de praktijk een situatie waarbij de betreffende reizigster voor het bereiken van haar kantoor elders in het land moet zien per trein een belangrijke overstapplek te bereiken wat in slechts 50% van de gevallen echt lukt.

Dan moet ze daar veelal maar hopen dat de aansluitende trein uberhaupt komt en als die haar dan op het bestemmingsstation heeft afgezet is de bus die ze nodig heeft vaak nergens te bekennen. Met de auto is dit een ritje van pakweg 45 minuten uit en thuis, met de trein is haar reistijd al snel 2.5 uur. En dan moet ze ook nog een keer terug. Zullen we dan met deze ervaringen in het achterhoofd even kijken naar de echte feiten? De Nederlander rijdt in grote meerderheid per auto naar/van de werkplek. 66.2% benut de auto dus en nog eens 3.5% stapt bij een ander in. Samen 69.7%. Slechts 9.7% van de forenzen doet dit soort dagelijks vervoer per trein.

Zitten ook scholieren en studenten bij dit totaal. Maar zeker is dat dit een bepaald niet aansprekend vervoermiddel is voor hen die ergens echt op tijd moeten komen. Nog eens 2.6% benut andere vormen van OV als de bus, metro of tram. Het zal duidelijk zijn dat veel combi’s van OV worden gemaakt door hen die op plekken wonen of werken die met de trein niet te bereiken zijn. Ik weet uit eigen ervaring dat voor grootstedelijk vervoer dat OV altijd moet worden benut om uberhaupt bij een NS-station te komen.

Nu kan dat uiteraard ook per fiets en de typische stedeling (zij die ook op bijpassende stromingen stemmen…) fietst in de stad graag naar werkplek of school. 7.5% van alle reizigers. Best een aardig aantal. Mits het niet regent of sneeuwt. Zijn er ook nog wandelaars? Jawel, 0,6% van de forenzen loopt op en neer. In het vakje overig vervoer staat maar liefst 9.9%. Die mensen gaan vermoedelijk met een scooter, elektrische step, (water)taxi of soortgelijke vervoermiddelen. Maar een specificatie ontbreekt. De cijfers zijn van 2022, een jaar later groeiden de files weer, net als de vertragingen op het spoor. Kortom, de forens doet zijn vervoer het liefst op efficiente en mobiele wijze. Het thuiswerken valt langzaam aan weg. De normale situatie keert weer. En zo hoort het ook….Hoe gaan jullie om met je persoonlijke vervoer? Of blijf je het liefst thuis op de bank omdat je niks meer hoeft?? Mag ook hoor…. (Cijfers: RDC Beelden: archief Yellowbird)

Dorpsgek…

Dorpsgek…

Onlangs sneeuwde het weer eens stevig. Ook al was door de #linksliegt brigades (zie blog De Pessimist van 26-1 jl) voorspeld dat we nooit meer sneeuw zouden zien als we niet ophielden met ons moderne leven en ons bekeerden tot het geloof van de terugkeer naar de middeleeuwen, er lag ineens een dik pak wit spul op onze straten, huizen, spoorrails en voertuigen. Nederland raakte meteen ontwricht. Treinen reden nauwelijks, het autoverkeer kende recordfiles. Fietsen was niet meer mogelijk en lopen slechts op eigen risico.

Voor mij is dat dan een uitdaging. Ik pak meteen de sneeuwschuiver, trek winterschoenen aan, en ga aan de slag. Maak de stoepen voor de deur vrij, veeg alles van de auto af zodat die in geval van nood meteen kan worden benut, strooi zout op stoep en looppad naar ons huis en maak zo een veilige passage voor onze deur mogelijk. Bij de buren doe ik dat ook. Die zijn vaak druk met kinderen naar de creche of kleuterschool brengen of hebben ander drukke werkzaamheden en ik ben tegenwoordig natuurlijk een genietende pensionado die niets meer ‘hoeft of moet’. Als het even kan schuif ik ook een deel van de rijbaan schoon, waardoor het bijster langzaam rijdende verkeer in onze straat even wat beter vooruit kan komen.

Op dat uur van de dag, veelal in het vroege ochtendschemer, blijk ik dan zo’n beetje de enige te zijn. Terwijl dit in feite een burgermans/vrouws plicht is. De doorgaande routes doet de gemeente voor je, of Rijkswaterstaat, maar die eigen stoep of die van je buren is niet alleen een kleine moeite maar geeft toch dat gevoel van ‘samen sterk’. Burgermansfatsoen is dan van toepassing en op dat punt pas ik prima in het beeld. Maar je bent al snel een soort dorpsgek in de ogen van de Tesla- of KIA-rijders in deze omgeving. Die gaan er vanuit dat alles vanzelf gaat en dat ‘de staat’ alles maar moet oplossen. Precies die mentaliteit die ik ook zo verafschuwde in het vroegere Oostblok. Maar ja, wellicht verlangen die types wel naar zo’n wereld. Ik niet…. Dus als het nodig is schuif en bezem ik die sneeuw weg…. Jullie ook?? (beelden: archief)

Nederland is een veilig  verkeersland…

Nederland is een veilig verkeersland…

Al zou je het soms niet willen aannemen, cijfers liegen niet. En in dit geval gaat het dan over de verkeersveiligheid in Nederland en het daaraan gekoppelde aantal verkeersdoden. Niet vergeten dat wij hier meer dan 10 miljoen auto’s kennen en een veelvoud aan andere verkeersvormen. Denk maar eens aan tweewielers, driewielers, brommobielen, etcetc. Met bijna 18 miljoen inwoners op een kleine oppervlakte zou je denken dat ons land er qua verkeer uit zou zien als een derdewereldland wat op andere terreinen wel terug te zien is. Maar gek genoeg behoren we hier verkeerstechnisch gezien tot de top 3 van veiligste landen binnen de EU.

Ons verkeer is goed gestructureerd, veel verkeersvormen verlopen gescheiden (behalve in de grote steden..) en de snelheden zijn beperkt. Daar waar doden te betreuren vallen zien we dat vooral fietsers en voetgangers slachtoffer zijn of worden. De oorzaken zijn divers, maar vaak zijn andere verkeersdeelnemers niet de directe oorzaak. Ons eigen gedrag is meer de reden van al die ellende.

Wie zijn eigen kunnen overschat maakt grotere kans op een ongeluk dan wanneer je het inzicht bezit dat in die drukte 35km/u fietsen niet zo handig is. Ook denken dat je op je fiets (of scooter) altijd voorrang krijgt van trucks of tractoren met aanhanger rekent buiten de wrede waarheid. Zwakkere verkeersdeelnemers worden nog wel eens over het hoofd gezien en beseffen vaak niet dat verkeersregels ook voor hen gelden. Niet op iedere rotonde heb je namelijk voorrang. En een rood verkeerslicht geldt ook voor jou op je fiets…

Als er drietanden op het of bij de rand van het fiets/looppad staan moet jij stoppen en niet de auto’s die op je afkomen. Het is er maar een voorbeeld van. Ook eenrichtingsverkeer is niet alleen ingesteld voor autobestuurders, ook voor tweewielergebruikers. Maar ach, het lijstje kan nog veel langer, hoeft niet, een ieder zal zich er in herkennen. Wat de cijfers betreft, per miljoen inwoners vallen de meeste slachtoffers in het land Roemenie. 3,5 keer zoveel als in Nederland. Polen komt er ook slecht af, net als Griekenland. Daar neemt men over het algemeen de regels toch een stukje minder serieus. Ook Portugal en Tsjechie zijn nog ver af van onze cijfers in Nederland. En hoe staan wij er dan voor? Na Zweden (20 doden per miljoen inwoners) komen wij in ons drukke landje met 27 per miljoen op een goede tweede plek, gevolgd door Ierland met 29 per miljoen. En met die cijfers laten we weer eens zien dat, hoewel elke dode (of gewonde) er een teveel is, we toch de zaken een stuk beter voor mekaar hebben dan de landen om ons heen. Mogen we best een beetje trots op zijn. (beelden: archief)

Sjoemelen….

Sjoemelen….

Wie mij al een tijdje volgt weet dat ik wel het een en ander heb ervaren in de wereld van de vliegende vrienden of de automobiele omgeving. Vele jaren werken in of met dat spul maakt dat je met een bepaalde blik kijkt naar wat er af en toe speelt. Dat doe ik anders dan de gemiddelde ‘journalist’ die leeft van zgn. schandalen of ‘sjoemelaffaires’. En komen die voor? Zeker. Maar soms is de waarheid een beetje anders dan men in dit Madurolandje graag wat opblaast.

Zo was er die VW-affaire. Opgeblazen tot buitengewone proporties door een linkse pers en milieubeweging die meende dat men dit grote concern op de knietjes moest krijgen door iets wat in feite voor kopers of gebruikers van diens auto’s nauwelijks of niet van belang was. Men had in de VS bij milieutests gesleuteld aan de software van met name dieselauto’s waardoor die schoner (b)leken dan ze in de praktijk waren. Toen VW meteen in de excuusstand schoot was het hek van de dam.

De fanatieke haters van alles wat wielen heeft zochten en vonden diverse andere misstanden. Het bleek geen typische VW-probleem, nee branchebreed bleek die software bij veel merken aangepast. Maar VW moest bloeden. Gelukkig had het Duitse concern voldoende veerkracht om over te schakelen naar elektrische wagens. De linksextremisten tevreden, de aandeelhouders ook, maar voor gebruikers betekende dit dat men in feite moest afzien van een auto uit de stallen van VW omdat de prijzen van die accu-aandrijvers dik waren verdubbeld. Andere merken moesten gedwongen fuseren of verdwenen zelfs helemaal van de markt.

Onlangs was er weer een affaire. Daihatsu, dat fijne Japanse merk uit de Toyota-stal had de kluit belazerd. Bij veiligheidsproeven hadden ze hun (vaak compacte) modellen uitgerust met geweldig werkende airbags en zo meer. De scores hoog, de wagens als veilig op de weg gezet. In de praktijk bleek dat men veel goedkopere onderdelen (als die airbags) in productiemodellen monteerde. En dat deed men ook bij wagens die voor andere Japanse merken werden geproduceerd. Zo wist men de kosten te drukken en de winst te verhogen. Als onderdeel van Toyota was dat ook een oekaze; winst maken. Het schandaal raakte bekend en de directie van Daihatsu moet diep buigen voor haar klanten maar zeker ook voor die topheren van Toyota.

Die meteen de bezem door de Daihatsu-stal haalde. Want een dochtermerk van het grote Toyota, dat als onderdeel van het concern goed is voor 1.7 miljoen auto’s per jaar, mag zulke schandalen niet veroorzaken. De verkopen kwamen stil te liggen e n beroepsclaimers doken er op met het idee dat er heel wat te halen viel. Ook in Nederland. Maar die hebben weinig kans. Daihatsu is sinds 2009 niet meer in Nederland te koop en de laatste wagens die het merk hier verkocht zijn ten eerste niet getroffen door dat schandaal maar kwamen ook nog van Toyota. Kortom….veel geblaat, weinig wol. Ik zelf vind het erg jammer dat juist dit merk door deze schandalen in diskrediet wordt gebracht. Uit mijn ervaring peurend moet ik constateren dat het prima wagens waren met verfijnde techniek en prima prijzen voor de consument. Waren andere tijden, ik weet het, en veiligheid toen een wat minder issue. Was het ons toen overkomen als dealers denk ik dat de stemming niet vrolijk was geweest. Maar dat gold dan ook voor onze toenmalige klanten. En die zijn toch het belangrijkste. Veiligheid voor alles. Heel wat anders dan een beetje uitstoot meer of minder. Maar dat zullen de linksextremisten wel weer anders zien. Maar dat interesseert mij dan weer niet. (beelden: Yellowbird archief)

Applaus…

Applaus…

Iedereen wil wel eens een klopje op de schouder krijgen voor dit of dat. Een applaus is daarvan de overtreffende trap. In de luchtvaart is het vaak een teken van ellende bij passagiers die voor hun leven vrezen maar blij zijn dat ze weer op de grond zijn. Ik maakte het nog wel eens mee aan boord van vakantievluchten dat men als jaarlijkse passagier kennelijk blij was dat die vlucht van 1,5-2 uur goed was afgelopen. Maar bij normale vluchten kom je dit echt niet tegen.

Dat geldt niet voor de Russen. Los van alles zijn dat mensen die in feite elke dag leefden of leven met de dood. Je hoeft maar te kijken naar wat filmpjes over het dagelijkse wegverkeer daar en je snapt dat je een verachting voor de dood moet hebben om daar de weg op te gaan. Zo was dat ook voor hen die in de Sovjet-tijden aan boord stapten van een van de vele (12.000) vliegtuigen van staatsluchtvaartbedrijf Aeroflot.

Veelal toestellen van eigen fabrikaat, gevlogen door piloten die niet altijd de wodka lieten staan voor een vlucht, waardoor de uitkomst van zo’n reis niet meteen vast stond. Toch viel het aantal ongelukken en incidenten relatief nog mee ook. Maar de gemiddelde Russische passagier klapte zich na de landing toch de handen warm als men weer aan de grond stond.

Dat fenomeen verdween wat toen na de val van de USSR Aeroflot uiteenviel in tientallen luchtvaartbedrijven die in de nieuwe staten van het CIS werden opgericht om tenminste de hoogst noodzakelijke vliegverbindingen te blijven verzorgen. Onderhoud veelal matig, de vliegtuigen afgevlogen, maar de tarieven laag. Er werd ook toen veel afgeklapt aan boord. Bij het nieuwe Aeroflot kwamen westerse vliegtuigen in dienst. Airbussen, Boeings, Bombardiers, Embraers. Toestellen met een bewezen staat van dienst en dat trok niet alleen Russische passagiers aan, maar ook westerse of Aziatische. En die klapten niet meer.

Het ging die maatschappij goed en men sloot zich aan bij allerlei westerse allianties wat de veiligheid en economische voorspoed deed groeien. Tot Rusland Oekraine binnenviel en de westerse landen zich meteen afwendden van wat Moskou in een jaar of 30 aan goodwill had opgebouwd. Gevolg, hele vloten westerse toestellen (veelal gehuurd van westerse bedrijven) bleven in Rusland en werden genationaliseerd en bleven in dienst zolang de onderdelen voorradig waren. Ook het nieuwste materieel bleef vliegen. Passagiers aan boord beseffen dat inventiviteit en onderhoud van levensbelang zijn voor een veilige vlucht. En als zelfs zo’n moderne Europese of Amerikaanse kist veilig is geland een applaus voor de crew weer van toepassing is. Ik snap dat wel. Want het blijft een wonder dat men ondanks alle boycots en barrieres met gestolen vliegtuigen veilig weet te vliegen. En o ja, veel oude Sovjedt-types zijn onder het stof vandaan gehaald en worden ook weer ingezet. Op binnenlandse lijnen, van/naar vliegvelden die op zich al relatief veel gevaar in zich hebben door de omstandigheden daar. Als je na een vlucht aan boord van zo’n toestel klapt snap ik dat wel weer. En denk ik terug aan die jaren dat we ook hier nog klapten voor die piloten. Nooit begrepen waarom, maar vanuit Russisch perspectief wel…. (Beelden: Archief/internet)

Rare namen…

Rare namen…

Het was eind 1978 toen voor onze toenmalige showroom aan de Amsterdamse Amstelveenseweg een wat wonderlijk (maar niet onaantrekkelijk) autootje stopte van waaruit twee keurig geklede heren hun opwachting maakten bij ons team van toen. Dat autootje was een Koreaanse Hyundai Pony. Van zowel merk als land van herkomst (Zuid-Korea) wisten we toen nog maar heel weinig. Die Pony was een wonderlijke mix van Mitsubishi-techniek met wat Ford aankleding en dan gebouwd door de Koreanen die toen vooral naam maakten met een brede reeks voertuigen en tankschepen.

Het Hyundai-concern was enorm van omvang, met die auto’s wilden men indertijd de West-Europese markt bestormen. En met nog wat bescheiden ambities lukte dat aardig. Wij werden dealer. In 1979 startte de verkoop en echt het kon slechter zijn uitgepakt. Met een vierdeurs-sedan, een driedeurs coach, een combi en een pick-up hadden ze best een aardig gamma en dat kostte dan ook niet te veel. De Nederlander vond er wel iets van, mede omdat je naast die leuke auto ook een radio standaard aan boord kreeg.

Een trucje dat men af had gekeken van de Aziatische broeders uit Japan. Alleen die naam was een dingetje….Van Jundee tot Hundie, alles kwam voorbij. Maar kon het schelen, het spul was te verkopen. Nu, 45 jaar later is dat Hyundai, samen met haar dochtermerk KIA een gevestigde naam. Een derde merk uit die hoek werd later Daewoo, dat het niet redde, net zo min als Ssangyong. Intussen worden we overspoeld door wagens van Chinese herkomst.

En veel van die auto’s stammen vaak uit dezelfde bron. Even veel merken uit dat grote land danken hun ontstaan en techniek aan nauwe samenwerkingsverbanden met westerse merken. Slimme autobouwers hebben soms een hele fruitmand vol merken waaruit de wereldwijde klandizie kan kiezen. Waren de eerste Chinese merken nog twijfelachtig van kwaliteit, denk aan het totaal mislukken van Landwind hier, tegenwoordig kunnen ze aardig mee komen met de gevestigde orde. En zijn het vooral de jongere auto-leasers of gebruikers die er wel Bami in zien.

Let maar eens op Lynk&Co of MG. Maar je krijgt nu ook te maken met Aiways om er maar eens een te noemen, BYD (dat al eerder op de markt verscheen met haar elektrische stadsbussen..), Changan, Changfeng, Chery, FAW (Hongqi), Geely (eigenaar van Volvo en submerken als Zeekr, maar ook Proton en Lotus), Great Wall (met submerken Ora, Wey en Haval), JAC, Qoros, SAIC (o.a. met Roewe, het oude Rover), SGMM (Wuling, Baojun), Smart (50% in handen van China), en zo meer. En zeg dan maar eens dat die naam Hyundai zo lastig uit te spreken is. En dan praat ik nog niet over Vinfast uit Vietnam dat ook deze kant op komt en allerlei klonen die hier onder een ander logo worden aangeboden. Zoals Polestar dat gewoon een elektrische Volvo uit China is. Er is veel veranderd door de jaren heen. En reken maar dat die Chinezen alles uit de kast zullen halen om u en mij te overtuigen dat de automobiele toekomst van het volk bij hen ligt. We gaan het zien, net als we deden met die Koreanen. Die zijn intussen onderdeel van de gevestigde orde geworden. Net als de Japanners. De rest is een kwestie van tijd…. (Beelden: archief)

Wie kent nog…..Zundapp?

Wie kent nog…..Zundapp?

Het bedrijf en merk werden bij ons vooral bekend door de bromfietsen en motoren die de Duitsers maakten en verkochten. Tweewielers, scooters, brommers, en dan met tweetaktmotoren, het werd een handelsmerk van deze firma. Opgericht in 1917 als de Zunder Apparatebau Gesellschafft MBH door Fritz Neumeyer die daarbij samenwerking zocht en vond bij klokken/gereedschapmakers Thiel en staalfabrikant Krupp. In eerste instantie werkte Zundapp als toeleverancier van onderdelen voor de Keizerlijke strijdmacht, later moest het gedwongen overstappen op andere zaken.

En dat werden tweewielers. Vanaf 1921 werden de eersten daarvan geproduceerd. Baserend op Britse licenties en altijd met een tweetaktmotor waar men in Duitsland indertijd heel lang in bleef geloven. Na hele reeksen lichte, middelzware en zelfs zware motorfietsen die eerst met een ketting werden aangedreven bracht Zundapp later ook cardanaandrijving uit voor haar zwaardere modellen.

Door deze ontwikkeling overleefde het bedrijf ook de financiele crisis van een kleine eeuw geleden. Daarna mocht men voor de nieuwe Duitse Wehrmacht aangepaste motoren leveren vanwege de goede band die de leiding had met de nazi’s. Dat leverde heel wat orders op, mede doordat de Zundapp’s het tijdens de Tweede W.O. prima volhielden in allerlei omstandigheden.

In de jaren dertig ging men ook aan de slag met vierwielers. En opvallend, men haalde Ferdinand Porsche in huis om de eerste daarvan te ontwikkelen. Een auto voor iedereen moest het worden, in feite een voorloper op de Volkswagens. De Type 12 van Zundapp kreeg achterin een vloeistofgekoelde vijfcilinder stermotor, toen meer een type motor voor vliegtuigen. Porsche had zijn oog laten vallen op de bekende viercilinder boxer met luchtkoeling.

De eerste prototypen werden opgebouwd uit staal en hout met een los ladderchassis. Productiewagens zouden een zelfdragende carrosserie krijgen. Maar de prototypen voldeden niet. De koeling deugde niet en Zundapp besloot de verdere ontwikkeling te staken. Porsche verhuisde naar NSU om daar zijn eigen auto met boxermotor te ontwikkelen.

Maar dat werd door de Fuhrer zelf tegengehouden. Dat is echter aan ander verhaal. Bij Zundapp ging men overigens wel verder met de productie van auto’s. Driewielige vrachtwagentjes, maar ook een zgn. Schnell-laster die opvallend genoeg wel weer werd geleverd met de door Porsche zo gevraagde boxermotor. En die motoren haalde men uit de tweewielerproductie en ervaring. Na W.O. 2 was Zundapp even het spoor bijster.

Maar zoals zo veel Duitse bedrijven krabbelde men langzaam aan weer overeind en nam opnieuw de productie van tweewielers op. Halverwege de jaren vijftig ontdekte men echter dat er een nieuwe markt was voor piepkleine zgn. ‘dwergauto’s’ die populair waren bij autokopers met heel weinig geld, een gezin, en de behoefte om overdekt te rijden. Bij toeval had men een ontwerp van Dornier overgenomen voor zo’n wagentje dat bij Zundapp de Janus werd genoemd. Niet zo gek want de voor- en achterkant verschilden niet zoveel van elkaar en boden ook meteen de toegangsdeuren naar het interieur. Daar zat je rug aan rug tegen elkaar aan, maar met wat passen en meten konden wel vier personen mee.

De kleine vierwieler had een maximum snelheid van 90km/u met dank aan een 1 cilinder tweetakt van 248cc. Die leverde 14 pk bij 5000toeren, wat het geluid aan boord niet meteen ‘op afstand’ hield. Hoewel de auto een prima kwaliteit kende t.o.v. de concurrentie van o.a. BMW of Messerschmitt was de Janus toch een auto in de marge. Er werden er geen 7000 van gebouwd. Maar die zijn tegenwoordig nog wel geliefd in bepaalde kringen. Het project liep uit op een megaverlies en Zundapp stond zowat op omvallen. Men verkocht een deel van de productielijnen aan Glass (toen ook een automerk) en de fabrieksgebouwen in Neurenberg deed men ook van de hand. Zo kwam er weer wat geld in de kas. Tweewielers moesten het merk overeind blijven houden daarna. Auto’s bouwde men niet meer. Maar wat men bouwde is natuurlijk wel bijzonder en had via via invloed op ontwikkeling elders…In 1985 fabriceerde men de laatste tweewielers en ging het bedrijf alsnog ter ziele. (beelden: Internet)

Droommuseum…

Droommuseum…

Hoewel ik niet mag klagen over de mij toebedeelde (of is het nu toe geeigende..) ruimte in huis om daarin mijn mini-museum annex bieb te huisvesten, is de ultieme droom toch wel om nog eens een echt museale omgeving op te vullen met wat ik door de jaren heen zoal om me heen verzamelde. Inclusief beelden die al dan niet bewegen. Wie, net als ik, gek is van alles wat met transport over de weg, rails of door de lucht beweegt snapt meteen wat ik bedoel.

Velen zijn overigens tot zo’n museale omgeving geroepen, weinigen uitverkoren. En ik ben met die groep lieden die smachten naar meer ruimte zeker niet uitzonderlijk. Je hebt allerlei soorten verzamelaars, je komt ze tegen in diverse kringen en met onderscheidende soorten collecties. Van postzegels tot echte trams, van teddyberen tot WC-brillen. Het begint meestal bescheiden met een klein stukje vitrine of boekenkast, een schuurtje of garage wellicht, maar veelal loopt het daarna danig uit de hand. Dus ga je, net als ik, dromen over huizen of gebouwen waarin je alles wat je zoal om je heen koestert kunt uitstallen en er de nodige verhalen over wilt vertellen dan wel kennis delen. Soms zie ik wel eens van die huizen ergens te koop staan.

Maar meestal overstijgen ze twee tot drie keer het eventueel beschikbare budget. En dan moet je vaak nog gaan (ver)bouwen voor dat gewenste museum. Eigenlijk zou ik zelf wel willen kiezen voor een qua omvang relatief bescheiden huis als daar een grote loods of zo achter stond die zich liet verbouwen tot… Maar ja…ik heb er heel wat bekeken door de jaren heen maar altijd stonden ze op plekken waarvan ik dan dacht…’Tja, dat is wel ver weg…’, dus ook niet alles. Collega-verzamelaars loeren daar ook op natuurlijk.

Sommigen verbouwen een garage aan/in hun huis tot ultieme mancave, maar ja, haal daarna maar eens een hoop mensen binnen. Je wilt daarbij ook niet de deuren open stellen en mensen binnen halen die later nog eens onuitgenodigd terugkomen. En echt, ook dat is al gebeurd. Net zoals in de wereld van de autodealers of fietsenhandelaren dan wel telefoonwinkels. Altijd blijven er lieden rondlopen die wat jij zoal verhandelt of laat zien gratis willen ‘inkopen’. Nee, dat is het dus ook niet. Blijven daardoor alleen al de wildste dromen. En op mijn geachte leeftijd komt van al dat verhuizen wellicht ook niet veel goeds meer. Blijft de optie om de boel te verkopen en op te ruimen. Een halve eeuw verzamelwoede. Keurig gerangschikt…maar niet gratis. Al was het maar om al die onuitwisbare herinneringen. Iets wat een niet-verzamelaar helemaal niet kent of wil kennen. Logisch. Maar ik ben blij dat ik af en toe nog van die jeugdige dromen heb rond dat museum….Het houdt me jonger dan ik ben. En zo hoort het ook….Toch? (beelden: prive)