Heel lang lieveling van Nederlanders; Opel!

Heel lang lieveling van Nederlanders; Opel!

Zeg je in onze streken ‘Opel’ krijg je van veel kanten te horen dat men dat merk nou net wel kent. Vaak vanuit het verleden, want Opel was hier decennia lang mateloos populair en werd vanaf de jaren zestig tot negentig achtereenvolgens telkens best verkocht. Op een of andere manier hadden wij hier wel iets met dat merk. Het was Duits, oud, leunde vanaf 1929 op het Amerikaanse General Motors en startte al kort na de oorlog weer met auto’s bouwen. Waren de vooroorlogse Opels nog relatief bescheiden van omvang, na de oorlog nam men het principe aan van ‘veel auto voor je geld’, zoals dat nu vaak door Koreaanse merken wordt gehanteerd.

De eerste naoorlogse Opel was de Olympia. Hoewel men in de bestelwagensector de Blitz al kende die nog wat langer werd gebouwd. Beide wagens baseerden op vooroorlogse modellen. Was bij veel merken het geval na WO2, scheelde ook ontwikkelingskosten. Daarnaast was er de wat chiquere Kapitan die een zespitter voorin had zitten en vooral bij de toen ook al actieve gangster geliefd was. Je reed er veel politiewagens van toen mee zoek. Net als men in Detroit gewend was waardeerde ook Opel haar modellen met elk nieuw bouwjaar op.

Zo was de versie van 1950 optisch een heel andere dan zijn voorgangers, maar motorisch hield Opel alles bij het oude. En dat principe bleef men trouw tot en met bouwjaar 1957. De koets veranderde, de techniek niet. Betrouwbaarheid troef. Met de P1 uit 1957 kreeg de Olympia een heel ander uiterlijk. Panoramische voor en achterramen, een smak chroom en soms tweekleurige lak. De typische Opelklanten smulden. Het onderstel van die Opels was voor het eerst comfortabel, wij noemden dat als mensen langs de zijlijn, vaak zweverig. In 1958 kwam een soort automaat beschikbaar.

Naast de Olympia zagen we ook de grote Kapitan meebewegen. Amerikaanse styling, een bak ruimte en lekkere motoren. Elk jaar een nieuwe uitvoering, de klanten genoten er van. Veel daarvan overigens taxi-chauffeurs die er trouw hun rondjes mee reden. Na 1959 was de naam Olympia verdwenen, kregen we de Record in beeld. En ook die wagen bleef heel lang beschikbaar. Amerikaanse styling, dat comfortabele van de vering en loeibetrouwbare motoren. Wie Record reed kon zich laten zien. In de lijn van de grote modellen kwam naast de Kapitan nu ook een Admiral, Diplomat of Commodore beschikbaar.

Bij de duurste zelfs met een V8 van 5,3 liter inhoud die zo uit een Chevrolet stamde. Maar al die bewegingen maakte wel dat klanten meer en meer kozen voor andere merken. De prijzen van Opels flink gestegen en de gemiddelde arbeider en huisvader kon het zich niet meer veroorloven. Opel loste dat handig op met de super-eenvoudige en compacte Kadett. Rechttoe rechtaan vormgeving, ruimte voor vier en nog bagage mee ook. Een simpel 993cd motortje voorin, maar je haalde er 120km.u mee en als je rustig aan deed was hij nog relatief zuinig ook.

Sommige van die Kadett’s zoals de B uit 1965 werden hier mateloos populair en deden vele jaren lang dienst. Een sportieve Rally-uitvoering bekoorde vooral jonge rijders. Met die Kadett ging Opel ook de strijd aan met VW waar men nog lang vasthield aan het Keverprincipe. Maar daar brachten ze begin jaren 70 de Golf en Polo. Voorwielaangedreven wagens waarbij die (ook al) zweverige Kadett’s toch ouderwets leken. In 1983 reageerde Opel pas met de Kadett D.

Een vierkant ogende auto met de motor en aandrijving voorin waarmee men vooral het Opelpubliek weer aan zich wist te binden. Toevoegingen als de GT, een prachtige sportcoupe, maar meer nog de Manta, latere Ascona en zo meer zorgden voor een extra grote en trouwe klantenkring die het merk en hun keuze met verve verdedigden. In de jaren negentig ging Opel over een andere boeg. Men leende modellen van andere fabrikanten als Suzuki of Daewoo om daarmee gaten te vullen in het gamma.

Na de eeuwwisseling kwamen zelfs Amerikaanse wagens deze kant op als de Ampera die hier als Opel dienst moesten doen. Ondanks alle successen en het ijzersterke imago bereikte Opel overigens een bepaalde status nooit, die van winstgevende dochter van G.M. Altijd was er verlies. Iedere poging om het bedrijf af te slanken liep spaak op onwil van vakbonden of Duitse regering. Na de bankencrisis van een jaar of tien geleden ging het definitief mis. G.M. stond op wankelen, kreeg miljarden staatsteun maar moest daarvoor ook afslanken. Een van haar grootste problemen was Opel.

Het hele merk met alles er op en aan kwam op de markt. En na jaren zoeken werd het Franse PSA (Peugeot/Citroen) eigenaar. En wisten die Fransen eindelijk winst te maken. Men haalde de geleende modellen van andere merken uit het gamma, sloot alsnog fabriekslijnen en zette die Opels over op eigen platforms en techniek. De nieuwe Opels ogen geweldig, maar zijn toch wat kwijtgeraakt van dat typische wat het merk altijd in zich had en wat zoveel kopers aan zich wist te binden. De nummer 1 positie is het al langer kwijt. VW nam die plek over, en de Koreanen zijn nu de grootste concurrenten. Opel is haar plek als leverancier van ‘veel voor weinig’ leverancier allang kwijt. Men zet anders in. Zoekt nu ook elektrische tractie, veelal verkregen vanuit Frankrijk. Komt het toch nog goed met dat oeroude bedrijf van Adam Opel. Maar dat echt merkgevoel……nou dat is wel weg nu…. (Beelden: eigen archief)

Japans en onbekend; Isuzu!

Japans en onbekend; Isuzu!

Voor veel mensen is de naam Isuzu wellicht volstrekt onbekend, maar het was juist dit merk dat als een van de eerste Japanse automerken Nederlandse kopers aan zich wist te binden.

Waarbij moet worden aangemerkt dat het toch vooral een fabrikant van bedrijfswagens was die ergens in de jaren vijftig startte met de productie van personenwagens. Dat waren in principe Britse Hillman’s waarvoor men de licentierechten verkreeg, maar later kwam men ook met eigen wagens. De Bellel was daarvan een voorbeeld. Verscheen in 1961 en was een flinke auto. Onder de motorkap een vierpitter met 2 liter inhoud en een top van 145km/u. Isuzu kwam er een jaar later al mee naar Nederland en trachtte de middenklasser hier te verkopen. Als taxi lukte dat nog wel, maar echt heel veel werden het er niet. De auto had dezelfde prijsstelling als een beetje grote Citroen, Volvo of zelfs Mercedes en daar hielden de meeste Nederlanders niet zo van. Daarbij kwam dat de auto, hoe goed ook, toch net even te veel twijfels opwekte bij kopers die meenden dat die Japanners eigenlijk geen auto’s konden bouwen toch??

Elders in Europa lukte het beter met de Bellel en enkele exemplaren van deze klassiekers zijn daar nog wel te vinden. Een betere toekomst was beschoren voor de kleinere Bellett. In 1963 op de markt gebracht had hij een 1,6 liter motor en was er naast in een klassieke sedanvorm ook als 2&2 Coupe, en kostte hij omgerekend naar Euro’s iets van 3,5 mille. In die tijd best concurrerend. Een echte Coupe-versie werd door Giugiaro ontworpen en oogde overtuigend. Er waren best wat kopers voor Isuzu te vinden en ik herinner me ze ook nog goed uit de jaren 60/70. Toch hield Isuzu niet vol. Het merk werd onderdeel van General Motors en dat besloot dat de Japanners zich moesten concentreren op bestel/vrachtwagens en de personenwagendivisie moesten opgeven.

Het merk Isuzu verdween dus met stille trom en liet een gat achter dat door concurrenten als Mazda, Nissan en Toyota met plezier werd ingevuld. Maar het verhaal van Isuzu is nog niet klaar. Het merk maakte later soms wagens voor andere GM-merken zoals Opel en Vauxhall. Zo was de Opel Frontera gewoon een Isuzu met een aantal wijzigingen. Ook wat Pickups van Isuzu kwamen zo via een omweg terecht bij kopers die geen idee hadden van de herkomst van hun auto. En het werd nog fraaier toen het Chinese merk Landwind ineens die Frontera kopieerde en naar Nederland bracht. Made in China met een indirecte link naar Japan. Al was die Chinees zo slecht in elkaar gestoken dat het bijna schandalig was. Maar dit terzijde. Isuzu is nog steeds actief.

En zal nog wel even doorgaan met haar bedrijfswagens….Maar personenwagens zijn nu schaars. Want af en toe lieten ze nog wel eens zien wat ze zoal in hun mars hadden. Zoals met de bijster fraaie Piazza sportcoupe uit 1982 die hier zeker een hit was geworden ware men als merk nog te koop geweest. Ook de Vehicross uit 2000 liet zien dat men het ontwerpen van spannende wagens nog niet verleerd was. Dat was een Crossover die nu, 20 jaar later, zo mee had gekund in het concurrentieveld van juist dit soort wagens. Een leuk maar onbekend merk dus. En als gezegd, pionier in ons land onder de Japanse automerken. (Beelden: archief/internet)

GAZ – Russische Fordfabriek met eigen karakter..

Ook bij dit Russische automerk weet ik zeker dat veel lezers meteen melden dat ze geen idee hebben waar ik het over heb. Welnu, GAZ, oftewel de autofabriek van de stad Gorgy in de toenmalige Sovjet-Unie, werd in 1932 opgericht ter eer en meerdere glorie van het Russische volk. Maar wel met meer dan een beetje hulp van Henry Ford en zijn ingenieurs. De eerste modellen die de Sovjets dan ook bouwden waren gewoon Model A’s die in het westen zeer succesvol waren. Latere modellen van eigen bodem vertoonden nog steeds grote invloed vanuit de voormalige Amerikaanse leermeesters.

Later nam die invloed sterk af. Amerika toch de kapitalistische oervijand van het Stalinisme. GAZ moest op eigen benen staan en kreeg door de Tweede W.O. de nodige opdrachten vanuit het Rode leger. Men maakte o.a. stafauto’s die bij bossen werden gefabriceerd en bleek ook in staat vierwiel-aangedreven wagens voor dit doel te bouwen. En die ervaring zette zich door in de GAZ 69 ‘Jeep’ die na de oorlog in Oost-Europa zeer succesvol werd ‘verkocht’. Noeste wagens zonder al te veel comfort, maar wel in staat om zich overal doorheen te ploegen.

Elke auto die GAZ later uit bracht kreeg een M-nummer om aan te duiden welk model het dit keer betrof. Zo had men op enig moment de M20 in de aanbieding. Een ruime sedan met afgeronde achterkant die al snel de bijnaam Pobieda kreeg (Overwinning). De auto had een dorstige viercilindermotor in het vooronder met een drieversnellingsbak en was vooral populair bij overheidsdiensten zoals de KGB en andere geheime politie-dienaren in Oost-Europa. Ook taxi-chauffeurs waren er gek op.

Na een paar jaar volgde de sierlijke M21 Volga die ook onze streken bereikte. Technisch was er niet te veel veranderd, maar de carrosserie leek veel op toenmalige Britse en Duitse wagens uit de middenklasse. De oudere M20 kwam toen in productie bij de Poolse FSO-fabrieken. (Zie FSO-hoofstuk 25-10 jl)Met de Volga werden ook weer de nodige markten bewerkt. Zelfs de Nederlandse want ook hier reden die wagens rond. Zelfs leverbaar in toch wel erg kapitalistische tweekleurenlak.

Latere modellen van GAZ waren de M24 Volga met een strakke en ruime carrosserie en verbeterde techniek. Ook hier geleverd, o.a. met een Britse dieselmotor. GAZ bouwde ook zeer luxe limousines voor de top van de communistische partij. In totaal was GAZ zo gegroeid dat het gold als een van de grootste autofabrieken van Europa. In de huidige tijd is dat een stuk anders geworden. Na uiteenvallen van de Sovjet-Unie was de behoefte aan auto’s voor de partij weggevallen en kozen veel Russische klanten voor een westerse auto.

Net als bij andere fabrikanten in dat grote land werd GAZ in feite ontmanteld, opgeknipt en kreeg het andere taken toebedeeld. De hoogtijdagen waren voorbij. Maar men probeerde nog wel met o.a. oudere Chryslermodellen klanten te trekken. Daarnaast mocht men de Russische tegenhanger voor de Amerikaanse Hummer maken die nu breed worden ingezet door het Russische leger. Onbekend maakt onbemind wellicht, maar de geschiedenis toch aardig genoeg om hier te vermelden. (Beelden: Archief Yellowbird)

Zoeken met een lampje….Checker!

De kans dat de gemiddelde lezer hier een auto van dit merk tegenkomt onderweg is buitengewoon klein. En toch rijden er wel een paar in Nederland rond. Checker’s. Vaak hoekig gevormde enorm ruime wagens die met name in de V.S. veelvuldig als taxi werden ingezet. Gebouwd door een fabrikant die haar wortels had liggen in Kalamazoo Michigan en vooral bekend werd door de geleverde taxi’s. Vandaar die specifieke vormgeving en ruimte. Pas na de oorlog verschenen twee van haar succesmodellen, de Superba en de Marathon. Wagens die je als je wilde ook voor prive-gebruik kon bestellen, maar dat was dan wel voorbehouden aan liefhebbers.

De meeste (met name Marathons)Checkers gingen dus als taxi aan de slag. Vrijwel onverwoestbaar sterk gemaakt en simpel van onderhoud. Door de relatief hoge deuren en vierkante vormen was in- en uitstappen geen enkel probleem en sommige van deze taxi’s vervoerden 8 personen tegelijk. Tot 1965 zaten er door vliegtuigmotorbouwer Continental geleverde zescilinderblokken in, later kwamen diverse motoren van Chevrolet in het vooronder. De wagens bleken zo praktisch en ook gevraagd, dat Checker ze gewoon jarenlang bleef bouwen, zonder al te veel wijzigingen. Vaak een opmaat voor succes in autoland. Zelfde zag je bij de taxi’s van Austin en Toyota. De Marathon van Checker is zo sterk dat er heel wat van die wagens onder zware omstandigheden toch gewoon 1 miljoen kilometers mee gingen.

Checker nutte dat succes verder uit door er een limousine van te maken die typerend is voor de Amerikaanse leefstijl. Een verbouwde versie werd een stationcar en een daaruit afgeleide versie noemde men Aerobus, gebruikt voor het vervoer van passagiers en bagage tussen hotels en vliegvelden. Nadat de Checker Marathon toch uiteindelijk moest worden afgelost kwamen exemplaren met niet al te veel kilometers op de teller nog wel eens onze kant op en werden dan ingezet voor trouwerijen of als feesttaxi’s. Maakte de Checker’s niks uit, ze reden gewoon nog vele kilometers veilig verder. En de vormgeving maakt velen die er een zien nostalgisch. Zo ziet een Amerikaanse klassieker er uit. Zo ook een goed ontworpen taxi. Tegenwoordig is het stil bij het merk. Vermoedelijk staan de oude productiehallen leeg en verlaten in dat provinciale Michigan. (Beelden: Internet)

Leven met de Vliegende Pijl – 58 – Wo wollen Sie hin??

Omdat het werk ondanks de persoonlijke crisis intussen gewoon doorging, werden de bezoeken aan de ‘fabriek’ en de diverse locaties voor de Marketing Round Tables gewoon voortgezet. Mijn gevoel bij het merk bleven uiteraard uiterst positief en aan mijn professionalisme hoefde ook niemand bij fabrikant of importeur te twijfelen. Een van die bezoeken bracht ons weer eens naar Frankfurt. Voor onderhandelingen tijdens de IAA. Dat is zo’n beetje de meest belangrijke autotentoonstelling aan deze kant van de wereld en vrijwel elke zichzelf respecterende autofabrikant stelt daar de nodige zaken tentoon die je op de gemiddelde en toen nog gehouden RAI-autotentoonstelling niet zou of zult zien. In dat jaar moesten we weer eens stevig aan de bak over de Skoda-plannen bij Pon voor de komende jaren. Nog steeds was men niet echt tevreden over de bereikte resultaten al vertoonden die duidelijk een stijgende lijn nu we naast de goed lopende Octavia ook de Fabia in huis hadden en de Superb op het punt stond te arriveren.

De ‘grote baas’ van Skoda, Herr Detlef Wittig, was op de stand van Skoda Deutschland aanwezig, samen met zijn vele managers en we moesten daar stevig mee aan de bak. We zouden dan ook een paar dagen blijven. En dat hield in dat we er ook moesten overnachten. Een paar dagen zelfs. Maar dat viel niet mee in het altijd overvolle Frankfurt rond die IAA. Dus boekte onze ‘directiesecretaresse’ een hotelkamer voor mij en mijn toenmalige verkoopcollega Wim. ‘In een plaatsje vlakbij Frankfurt’ had ze ons nog voor vertrek met de KLM bezworen. We hadden meteen moeten weten dat zij van dat soort zaken echt geen verstand had, maar omdat ze het vertrouwen had van haar directe chef Hoekstra staken we de reservering in onze koffers en gingen onderweg.  Eenmaal geland in Frankfurt ook meteen aan de slag. Toen we de avondsessies hadden overleefd, vaak werd er lekker gegeten en gedronken met de vele mensen die we hadden leren kennen, bedachten we dat we maar even met de taxi naar ‘dat hotel’ moesten rijden. Wel zo handig. We stapten in, pakten het adres van het hotel en gaven dit door aan de chauffeur.

‘Wo wollen Sie hin?’ vroeg de man terwijl hij de motor van zijn Mercedes even afzette en zich naar ons omdraaide. ‘Worms?’. Ja, dat stond op die hotelbevestiging, dus daar wilden we heen. Het was al laat, we wilden slapen. De man zuchtte, startte zijn sterrenbak en reed weg. En bleef meer dan een uur rijden. Ver buiten Frankfurt, snelwegen, uiteindelijk naar Worms. Los van de lange rit waren wij er een enorm bedrag aan kwijt voor de chauffeur. Het hotel bleek ook nog eens gelegen aan een spoorwegemplacement waar dag en nacht werd gerangeerd. Gebroken stapten we ’s-morgens onder de douche, we moesten weer vroeg op weg naar Frankfurt.

Kochten ons een kaartje in de lokale boemeltrein en reden terug naar Frankfurt. Weer een dik uur reistijd. Wat een dom mens die collega-secretaresse! Dat moest anders! Dus de volgende avond, mijn collega Wim stapte intussen op het vliegtuig terug naar huis, ik moest nog even verder in verband met een MRT onder leiding van Alfred Rieck, op zoek naar een hotel. Vanuit Nederland te regelen, de secretaresse zou haar best doen alles te corrigeren. Ik kreeg daarop een telefoontje dat ‘alles in kannen en kruiken was’. Dus kreeg ik een naam van een hotelketen die ‘in Frankfurt’ gevestigd was en waar ik een kamer zou krijgen voor die volgende nacht. Skoda organiseerde intussen voor haar importeurs een shuttle-service met een bus. Mensen die naar hotels moesten worden gebracht stapten in, anderen moesten terug naar huis vliegen en dus werden al die lui in een keer vervoerd. De buschauffeur bleek een Griek of Spanjaard. Hij bakte van de route naar al die adressen niks. In mijn geval werd ik om een uur of half een in de nacht eindelijk afgezet bij ‘mijn hotel’. Vlak bij het vliegveld van Frankfurt. Jammer alleen dat ze daar niets wisten van mijn reservering. Nee, ik was duidelijk in het verkeerde hotel afgezet. Dus…in een taxi, en naar het volgende adres, aan de rand van het centrum van Frankfurt. Om een uur of twee lag ik in bed. En de volgende ochtend moest ik er weer vroeg uit….Het kon verkeren als je voor die nieuwe Pon-organisatie werkte. Gelukkig behield ik ondanks alles mijn enthousiasme voor het merk. Maar er werd ook veel gegromd over zoveel incompetentie bij mensen die meenden alles beter te weten. En daar waren er intussen heel wat van in dienst gekomen. En had men mij uitgezweten als al te grote realist. Wordt vervolgd! (Beelden: Skoda/internet/Yellowbird)

 

2030

Praat met iemand die naar eigen idee twee eigenschappen bezit die er voor hem/haar zelf toe doen en je komt al snel terecht op onderwerpen die kunnen leiden tot een scherpe scheiding der geesten. Een van die eigenschappen van deze mensensoort is ‘geloof in een milieuvriendelijke toekomst’ en de tweede ‘het eeuwige gelijk’. Als je deze eigenschappen aantreft bij dit soort mensen ontdek je vanzelf en al snel dat ze vaak te vinden zijn in de hoek van de GroenLinkse of D66 sprookjespartijen. Daar heeft men ook maar een credo; alles wat anderen doen (i.e. zij!) is fout. ‘Zij vervuilen de wereld, zij stoken tegen de klippen op, ze douchen te lang, ze rijden met vervuilende auto’s, stoken op houtblokken, gaan ook nog eens op vakantie en willen geen windmolens in hun achtertuin’. Het zal duidelijk zijn dat ik nu even net zo chargeer als de mensen die ik beschrijf. Waar deze lieden het ook vaak over eens zijn; in 2030 rijden we allemaal elektrisch! Nou…neem van mij maar aan; dat is zeker niet zo.

Daarvoor is een paar redenen te noemen. Allereerst….die elektrische auto’s zijn domweg te duur! Veel te duur. Ook al schermen die voorstanders dan met allerlei kilometer/kostprijsberekeningen, men houdt daarbij angstvallig de prijs van accu-pakketten buiten beeld. Als je die moet vervangen ben je zo een paar duizend Euri verder. Ook wordt je nooit verteld dat de actieradius (over het algemeen al met dik 40% overdreven) met 50% afneemt als het een beetje koud is buiten en je de kachel, verlichting, navigatie en ruitenwissers moet gebruiken. Daarbij is de oplaad-infrastructuur nog nauwelijks van de grond gekomen. Wil je dus in 2030 (12 jaar na nu) alle benzine/diesel/gasauto’s hebben vervangen dient een kapitaalslag te worden gemaakt die zijn weerga niet kent. De voorstanders, veelal zelf rijdend in leaseautos van een of andere organisatie die milieutechnisch welwillend doet wat haar personeel vraagt, zien die nadelen niet. Als wij nu maar uit onze ‘ouderwetse’ auto’s stappen en die massaal onder de grond laten begraven komt het goed met de wereld. Nou vergeet het maar!

We rijden momenteel alleen in ons landje al met 8,5 miljoen traditionele (om de term maar eens te gebruikten) maar zeer efficiente voertuigen rond. Het aandeel van de elektrische auto is ook na alle jaren propaganda uit de linkse hoek, plus de staatssubsidies op het gebruik, niet meer dan 1% van het jaarlijkse totaal aan verkopen. En van die 1% zit een groot deel in de zakelijke hoek i.c. de taxiwereld. Een deel van deze wagens verdwijnt na een paar jaar gebruik richting buitenland. In ons land zijn die wagen ook tweedehands nauwelijks gevraagd. Het resultaat is een lagere restwaarde dan vooraf bedacht. Vraag en aanbod en zo meer. Dan gebruikt met ook graag het argument dat de uitstoot van CO2 en dat soort stoffen enorm wordt teruggebracht als we elektrisch gaan rijden. Vergeten wordt dan dat van alle uitstoot 16% aan het totale verkeer kan worden toegeschreven. De rest is industrie, landbouw, veeteelt, huishoudelijk gebruik. Maar de symboolwerking is voor de actievoerende voorstanders van groter belang dan de feiten.

Grensoverschrijdende vervuiling bijvoorbeeld. Blijkt veel groter dan men dacht, maar die feiten worden weggepoetst. Net als de productie van accu’s, of de afvoer van de gebruikte exemplaren. Kortom, als we elektrisch gaan rijden komt er in de marge verbetering van die situatie. En niet veel meer. Leuke groene hobby dus, geen oplossing! En intussen kijk ik naar de vertegenwoordiger van zo’n groene partij die bij mij in de straat woont. En waar drie normale benzineauto’s binnen het gezin in gebruik zijn die regelmatig worden gebruikt. Het gezin heeft wel zonnecellen op het dak. Kennelijk om het geweten te sussen?! Intussen ben ik blij met mijn compacte benzineauto die me heen en weer naar Aken bracht met vier man en bagage. Zonder dat ik met de zenuwen hoefde te zitten over mijn actieradius. Nee, ik ben er nog niet aan toe. Eerst maar eens betaalbaar maken die dingen, een bruikbare actieradius bieden, een goede restwaarde, een laadinfrastructuur die vergelijkbaar is met die van normale tankstations en een oplaadtijd die niet in uren maar minuten wordt uitgedrukt. Pas dan zou ik eventueel ook enig enthousiasme kunnen voelen bij het idee dat we in 2030 allemaal elektrische zouden kunnen rijden. Vraag is wel of ik het tegen die tijd nog wel zou willen…… De leeftijd en zo meer…..:)

Amy

AM-2Was ik een fan? Nee! Niet meteen. Ik vind dat ze aardig zong en sommige van haar hits zing ik nog wel mee ook, maar ze was van een generatie of twee na mij en dan begint het gevoel voor moderne smaak toch iets te tanen. Opvallen deed ze overigens wel. Haar stem heel anders dan bij die riedeltjeszangeressen van tegenwoordig die zonder adlips schijnbaar niet kunnen functioneren. ‘Mens, zing toch eens rechtuit…’ zeg ik dan vaak. Amy Winehouse was van een andere orde. Als dat strotje open ging wist je wat ze wilde vertellen. En een uiterlijk zoals je bij weinig andere dames van de microfoon zag. Wonderlijk getoupeerd haar, een scherpe neus, onder de tattoo’s en in haar latere levensfase bijster mager. Amy leed aan een minderwaardigheidscomplex en verbloemde dat met haar talent, maar voor de echte verdoving zocht ze die in alcohol en drugs. En dodelijke cocktail. Maar het meisje was gedreven door haar echte talent. Amy_Winehouse_f4962007_crop

Zingen, af en toe wat acteren, het leidde tot vijf Grammy Awards! Dochter van een taxichauffeur en apothekersvrouw. Joods van herkomst, met lijnen naar het oude Rusland waar haar grootouders vandaan waren gekomen. Ze leerde slecht, alleen muziek had haar aandacht. Ze studeerde ook nog voor haar chauffeursdiploma zodat ze in het geval van mislukken van haar carriere nog de taxi van haar vader kon overnemen. Het werd niks. Ze was geen studiehoofd. Opvallend, grappig in het begin, en als ze zong werd je er stil van. Ze schreef haar eigen songs, richtte een eigen platenlabel op, trad op voor de groten der Aarde en had steeds weer top-40 hits. Helaas kreeg ze steeds meer last van haar drank- en drugsgebruik. Soms stond ze stomdronken op het podium en was geen schaduw meer van de succesvolle artieste die het wellicht had moeten zijn.

AM-1Ze schreef een nummer over die verslaving en hoe mensen haar wilden laten afkicken, wat ze nooit deed. ‘Rehab’ heette dat nummer en werd een grote hit. Maar als artieste bleek ze ook onbetrouwbaar door dat wangedrag. Haar angst voor de grote boze wereld maakte dat ze steeds meer ging gebruiken, al dan niet geholpen door haar vriendjes van het moment. Het richtte haar uiteindelijk ten gronde. Op 27-jarige leeftijd was het over en uit. Ze overleed op 23 juli 2011. Zeven jaar later reist een tentoonstelling over haar leven de wereld rond. Onlangs was die in Amsterdam te zien, bij het Joods Historisch Museum. Mooi gemaakt, lekkere muziek, mooi opnamen. Zonde van dat talent. Maar een mooi eerbetoon. Zelfs ik kon er van genieten. En dat op mijn leeftijd…… (Foto’s: Wikipedia/internet)

Rapportcijfers

Berlijn 1989Zakenreizigers zijn veelal efficiënte lieden. Die gaan niet op reis omdat het zo leuk is, maar omdat ze bepaalde doelstellingen moeten behalen voor het bedrijf of de organisatie waar ze actief zijn. Ik maakte in mijn vroegere carrière veel van die trips en ik weet nog hoe moe ik soms was van al dat gevlieg en heen en weer rijden naar de plekken waar die meetings werden gehouden die van belang waren voor het voortbestaan van de bedrijven waar ik voor werkte. Reizen is vermoeiend, verblijven in hotels niet altijd een even groot genoegen. Daarbij trekt het onderhandelen over bepaalde zaken veel energie uit je lijf. Zeker als dat moet in een voor jou vreemde taal en als de tegenpartij taai blijkt. Toch heb ik nog heel wat goede herinneringen aan een aantal van die trips hoor. Je zag ook veel onderweg en leerde het nodige over andere culturen. Daarbij werd eten en drinken in die landen weliswaar verstrekt maar best niet altijd geapprecieerd. Onze smaak is anders dan die in andere delen van de wereld. Hoe dan ook, zakenreizigers zijn doelgericht. Kijken anders naar een reis dan de gemiddelde toerist.

Londen vanaf de Tower Bridge 100888 AMT24 Scan10268Hoe vroeger je ergens aankomt hoe langer de dag duurt. Dagrandverbindingen dus van belang. Dat geldt voor de luchtvaartmaatschappijen die je benut als de spoorbedrijven die je vervoeren naar plekken die met de auto niet te handig zijn vanwege lastig parkeren etc. Uit onderzoek komt nu naar voren hoe die reizigers tegen bepaalde aspecten aankijken van hun beroepsmatige trips. Daaruit blijkt dat driekwart van alle zakenreizigers tevreden is over de behaalde doelen bij hun reizen en tochten. Kijk, dat maakt vrolijk. De Nederlandse handelsgeest is voor de moderne managers en andere onderhandelaars nog steeds belangrijk. Men vond tijdens die trips ook de hotels naar tevredenheid. De moderne hotels zijn dan ook in veel landen van een behoorlijk niveau. Met wat geluk uitgerust met gratis wifi(bijna 80% van de zakenreizigers wil dit aantreffen in een hotel) etc. zodat je alles wat je moet vastleggen ook kunt doorseinen naar de thuisbasis.

prag18Het rapportcijfer wordt al snel een stuk lager als het over de vervoersvormen gaat. Reizen per vliegtuig komt er nog net met een cijfer 6,1 vanaf. De enorme lange incheck, massaliteit op sommige luchthavens en gebrekkige informatie rond vertrek- en aankomst spelen een rol. Taxi’s zijn een bron van ergernis. Internationaal krijgen taxi’s een rapportcijfer 5,4.. Dat is best laag en geeft voor die branche te denken. Maar ook het vervoer per spoor is geen grote bron voor tevredenheid. Ook niet meer dan 5,4 als rapportcijfer. De reiziger voelt zich niet thuis in rommelige treinen die vertraagd opereren vanaf constant verbouwde stations. Dat de beveiligers op luchthavens het er met 5.0 wel heel slecht vanaf brengen heeft veel te maken met de onpersoonlijke botte wijze van optreden van deze leiden. Of zouden die zakenmensen, gewend aan efficiency deze lieden meer zien als ‘sta-in’-de-wegs’ tijdens hun tocht richting bestemming? Ik kan me daar alles bij voorstellen. Maar men mag zich toch wel eens beter trachten in te stellen op wie nu eigenlijk klant is en wie het salaris van al die medewerkers eigenlijk betaalt. Want daar lijkt het bij veel branches toch wel aan te mankeren. Met uitzondering van die hoteliers dus. Die snappen het meestal wel. Want cijfers liegen niet. (Bron: Zakenreis 476)