Wie me nu, intussen toch al weer ruim 12 jaar, volgt, weet dat ik wel ‘iets heb met vliegtuigen’. Dat begon ooit lang geleden in de woonomgeving waar ik als kind die oude bromtollen van toen voorbij hoorde en zag komen die in die jaren nog gemeengoed waren. Het Schiphol uit die gekoesterde periode lag nog een kilometer of vijf dichter bij de stad en de start- en landingsbanen hadden aanvliegroutes die nog gewoon over de stad heen leidden. Niets zo mooi als een Super Constellation of DC-7C die dwars over de woonstraat heen stak richting veilig Schiphols beton. En bij die machines wilde wel eens een motor ‘afpikken’ onderweg dus zag je een propeller in vaanstand als dat toestel dreunend overkwam. Het maakte allemaal grote indruk op me. Daarbij bouwde Fokker op Schiphol ook nog straaljagers die uitgebreid werden getest voor ze naar de Luchtmacht gingen en ook dat spul kwam nog wel eens voorbij. Het fascineerde me net zo als de trucks van het autobedrijf aan de overkant van onze woning of de huurauto’s die ze daar voor de deur hadden staan. En ik wilde er alles over weten.
Die vliegtuigen werden indertijd uitgebreid beschreven in bladen als ‘Avia’ of ‘Cockpit’. Dat laatste blad werd vol gepend door Hugo Hooftman, een auteur die ik hier wel eens eerder heb beschreven. Met die bladen kreeg je ook nog wel eens een aardigheidje en een erg leuke attentie was een korting op een rondvlucht boven Amsterdam bij Cockpit. Toen ik 14 jaar oud was kreeg ik zo’n kortingbon en toog op de fiets met mijn toen goede vriend Hans naar Schiphol. We gingen vor het eerst echt vliegen. In een tweemotorige De Havilland Dove van Martin’s Air Charter. Welk een avontuur. De machine gromde en dreunde bij de start, na een korte aanloop waren we los en draaiden we richting stad. En vlogen we over de werkplek van mijn leasepa, de straat waar we woonden, de Dam, en langs het Olympisch Stadion.
Welk een avontuur. Ik schreeuwde tegen Hans wat ik allemaal zag en hij schreeuwde terug wat er aan zijn kant van het vliegtuigje te zien was. Het avontuur was ‘al’ na pakweg 20 minuten voorbij. De kist landde weer op Schiphol. En daarna wist ik het zeker, dit moest ik meer doen. Intussen zijn we heel wat jaren verder. En heb ik veel gevlogen. Veelal met groot plezier, een enkele keer met wat minder als het weer zodanig was dat je toch even minder lol beleefde. Van Piper Cub tot Boeing 747 en alles daar tussen in. Ik hield en houdt er een logboekje over bij en dan is toch leuk te zien waarin ik allemaal de vleugels strekte en genoot van de ervaringen. De bestemmingen, de plekken waar we boven vlogen. De toestellen waarin ik vloog. Als 14-jarig jochie over gedroomd en meer dan waargemaakt. Hoe het Hans is vergaan weet ik niet op dit punt. Maar wellicht vult hij me nog eens aan. En dat alles omdat die vliegtuigen van toen over onze hoofden heen dreunden. Waar nu vooral de Groenlinksers zoveel bezwaren tegen maken. Die missen toch een cultureel gen vrees ik. Want trekschuiten en zeilschepen hebben voor mij wat minder aantrekkingskracht. Maar dat zit natuurlijk in die genen. Je bent er maar mooi mee behept…


Met beperkte snelheid rijden dus, en al klikklakkend over al die wissels en rails de seinen in de gaten houden. Buiten stonden die voor hem op de juiste stand. Binnen deden alle apparaten wat ze moesten doen. Toeters en belsignalen gaven aan waar de veiligheidssystemen hem van blok naar blok loodsten. Uiteindelijk reed hij nu met 80km/u over de spoordijk langs Amsterdam-Oost, passeerde links het Muiderpoortstation en zette koers naar het Amstel Station. Daar moest hij volgens schema over precies een minuut aankomen. Ging lukken. Alle seinen op groen. Bij de Tugelaweg nam hij snelheid terug. Langzaamaan. Want schokkend rijden was niet aangenaam voor de reizigers. Hij keek op zijn dashboard. Alles volgens schema. Alles onder controle. Langs het perron van het station stonden heel wat reizigers op hem te wachten. Jonge mensen vaak. Deze lijn was een drukke. Daarom hield hij er zo van. Hij stopte precies op tijd en wachtte tot alle passagiers waren in- of soms uitgestapt. Net toen hij het signaal hoorde snerpen van zijn conducteur ging er een rood licht branden boven zijn hoofd. ‘He….net nu, ik ben net zo lekker bezig’. Maar hij wist wel hoe laat het was. Zijn vrouw had de koffie klaar en verwachtte dat hij naar beneden kwam. En dus zette hij zuchtend zijn apparatuur af, stapt vanuit zijn zetel de zelfgebouwde cabine uit en sjokte de trap af. Hij moest straks maar zien dat hij het programma in zijn simulator even terugstelde op de tijd waarin hij wilde rijden naar Utrecht. Nu even pauze. Zijn vrouw wachtte hem op. Met een stukje cake en een warm kopje koffie. Het leven was goed. Zeker als gepensioneerde marineman met een passie voor treinen….
Oh wat heb ik warme herinneringen aan tv-programma’s als ‘Showroom’, ‘Het Pakhuis’ of soortgelijke. Het waarom ligt hem in het feit dat ik als verzamelaar en liefhebber van wat ik steeds weer zie als leuk en (be)waardevol daarbij bevestiging vond van mijn gelijk. Het is leuk om er een serieuze hobby op na te houden en ‘later’ zou ik wel zien wat er dan met al dat spul zou gebeuren. De uitstalling van al dat verzamelde spul nam al snel een paar kamers in beslag en daar gingen we altijd vrij slim mee om. Later werd het vooral een kwestie van stapelen en was tussen de diverse kasten en vitrines doorlopen een tamelijk hachelijke onderneming. Maar ook huiskatten zijn een redelijk slechte toevoeging aan in kasten opgestelde modellen. En het begon ooit zo simpel. Een plank boven mijn (opklap)bed in het ouderlijk huis herbergde de eerste zelf gebouwde vliegtuigmodellen. In een aantal kastjes lagen mijn luchtvaartbladen en boeken.
Toen ik ging trouwen en verhuisde naar ons eigen piepkleine woninkje werd er voor de hobbyspullen ook een ruimte gebouwd, in een gangkast bovenaan de toen vrij steile trap. Maar al snel woonden we ruimer en kregen de liefhebberijen meer ruimte. En begon de grote expansie. Een jaar of tien geleden, voorafgaand aan de verbouwingen in en aan ons huis die extra ruimte moest bieden, had ik de meeste zaken weer eens in de handen. Het was onvoorstelbaar veel. Alleen al het parkeren en opslaan van al die dozen vol mooie zaken bracht een hele logistieke operatie met zich mee. Toen de boel klaar was en de herinrichting begon van vooralsnog alleen mijn hobbymuseum bleek al snel dat het heel lastig zou zijn om alles weer terug te plaatsen. Het paste niet meer zo goed. Een jaar lang heb ik staan passen en meten. Velen om mij heen zuchtten dat het wellicht handiger was om wat zaken te verkopen, dingen weg te doen of me zelfs te specialiseren.
Klinkt leuk, maar wie eenmaal besmet is met een verzamelaarvirus kan dit dus niet. Als ik al zwakten heb zitten in mijn karakter, dan deze wel. We zijn nu een aantal jaren verder, en warempel, het past nog steeds. Veel van de uitgestalde waren zijn goed te bekijken. Het papieren archief heeft een plekje gekregen en zaken die ik niet kwijt kan keurig netjes opgeslagen. Vol is vol, dat is zeker, en ik heb al eens verhaald dat het hier voor enkele bezoekers claustrofobisch aandoet. Maar de ware liefhebber vindt het hier schitterend. En daar gaat het me om. Liever een huis vol hobbyspullen waaraan wij (vrouwlief heeft zo haar eigen verzamelingen) plezier beleven dan een vol geraniums waarachter we ons zouden moeten vervelen. Hoe kom ik nu (weer) op dit onderwerp?
Wel in Oost-Nederland is ooit door een Provinciaal bestuur ruim een miljoen Euro betaald om een collectie van een ‘alles-verzamelaar’ op leeftijd over te nemen die anders dreigde uit elkaar te vallen. De collectie is zo groot dat de man nauwelijks meer kon leven in zijn woonhuis en schuur. Er is dus nog hoop, ik kan gewoon doorgaan met verzamelen, de Provincie of de Gemeente ziet het wellicht straks allemaal als echt museaal en van lokaal of regionaal belang en is er toch nog hoop voor zoonlief. Die dreigde al dat na mijn onverhoopte verscheiden de hele boel in de ‘container’ zou worden gesmeten. Zou wel zonde zijn van al die potentiele waarde natuurlijk. Hoewel de jongere generatie gemakkelijker met geld smijt dan de oudere….Maar een miljoen Euro? Gelukkig is alles hier wel gecatalogiseerd. Dat had die man in het oosten des lands niet gedaan. Ik maak het mijn opvolger(s) ook veel te gemakkelijk en voor de goede orde, het is lang niet zoveel waard!
Veel vrouwen zijn volgens mij van mening dat 99% van de mannen afkomstig is van Mars en zij zelf van Venus. Mannen zijn vaak grof, snappen niets van emoties, willen maar een ding als het er op aan komt en dat is zeer zeker niet de vuilniszakken buiten zetten. Mannen zelf zien hun leven pas echt ingevuld als ze in huis of daar in de buurt een ruimte hebben waar ze zich kunnen terug trekken. Nooit veel verder gekomen dan de oermens die in zijn grot levend allerlei handige of wellicht zelfs nutteloze zaken binnensleepte en bewaarde. Mannen met interesses in nog iets anders dan het huishouden, klussen, kinderen of de mooiste aller scheppingen, de vrouwen in ons leven, vullen die ruimten op met alles wat ze leuk of interessant(er) vinden. De een doet dat met zijn motorfiets(en), de ander met in blisters verpakte dames op schaal, stripboeken, tv-schermen om alle sportwedstrijden te volgen, er zijn mensen met museale verzamelingen schaalmodellen, treinenbanen, of wat ook.
Leuk om in te vertoeven, liefst met vrienden voor het ‘Amstelbier-gevoel’. Niks voor vrouwen. Die vinden dat vaak kinderachtig. Wat die mannen dan weer niet begrijpen en daarop reageren met nog meer terugtrekkende bewegingen. In feite zouden veel mannen wel twee huizen willen bezitten. Een voor het gezin, waar ze dan zeker een keer het vlees komen snijden per week, en die eigen omgeving waar niets hoeft, veel mag en geen kritiek bestaat op het eigen gedrag. Die zgn. ‘Man-Caves’ zijn een internationaal fenomeen. Ik lijd er zelf ook aan hoor. Geen nood, de laatste die dat niet zal toegeven. Omgeven door de dingen die van belang zijn geniet ik van vroeger en nu, en ook de toekomst. Ik schrijf er o.a. deze blogs en ben dan ook extra gestimuleerd door wat ik zie of wat voor het grijpen ligt.
Lukt je echt niet als je in de huiskamer het gesprek gaande moet houden of naar tv-programma’s moet kijken die je feitelijk niet echt interesseren. Vrouwen hebben veelal heel andere interesses. Niet bevooroordelend bedoeld hoor. Maar het is niet anders. Onlangs was ik weer eens op bezoek bij iemand die zo’n enorme ‘Man-Cave’ helemaal voor zichzelf had. Vol met een museum waar hij alles over wist, wat andere collecties (tot op het toilet hing het vol met vitrines en schaalmodellen). Zijn vrouw kwam er naar zijn zeggen twee keer per jaar langs. Als de caravan er werd gestald en als dat ding er begin van het zomerseizoen weer uit werd gehaald. Zijn passies deelde ze niet. Ook dat is een typische vrouwelijk trekje. Geen interesse tonen voor wat manlief zoal uitspookt. Daarbij drinken ze zelden bier en kunnen ook geen echt grote verhalen opdissen. Daarin zijn wij mannen uniek. Vandaar dat we ons zo graag onder vrienden terugtrekken. Proost mannen! En als je nog geen mannengrot bezit, wacht niet te lang er een te bouwen of in te richten. Echt waar, het redt je relatie. Mits je op tijd ook die vuilniszakken buiten zit of de hond even een rondje laat maken. Dan is alles top op Venus en kun jij snel afreizen naar Mars!















