http://www.beeldbank.amsterdam.nl/beeldbank/weergave/record/layout/widget/tmpl/widget?id=PBKD00200000018&width=640 Indertijd was het op het hoofdstedelijk IJ bijzonder druk. Niet af en toe een beetje druk zoals nu vaak het geval is, maar echt druk. Het oostelijke havengebied was het overslaggebied voor alles wat met zeeschepen werd aangevoerd. Op de kop van die eilanden lagen de grote passagiersschepen die o.a. emigranten vervoerden naar Canada of Australie. Een stuk verderop langs de kaden, de vrachtschepen die over de hele wereld voeren. Vaak met een Nederlandse vlag aan boord. Er was toen nog een druk stuk werkgelegenheid aan de noordkant van het IJ waar de Draka, ADM en NDSM huisden. Werf- en andere industriele bedrijven met ook nog altijd een belangrijke onderhoudsfunctie. Daarbij was er veel verkeer van binnenvaartschepen en lichters. Kortom, achter het Amsterdamse CS was op het water van de haven altijd veel te doen. Het water zelf daardoor meestal in grote beroering, golven van een halve tot hele meter hoog soms, zeker als er een groot vrachtschip voorbij was gevaren. Naast de veelal zeer drukke IJ-veren van het GVB, waarop indertijd ook al het autoverkeer mee moest naar de andere kant, van een IJ-tunnel was wel sprake maar die lag er nog lang niet, was er ook een forenzenveertje dat vertrok vanaf het toenmalige Noord-Zuid-Hollandse Koffiehuis, net als toen gelegen voor het Centraal Station, al was dat dan net even op een andere locatie.
Die bootjes waren relatief snel, je had er binnen- en buiten zit- of staanplaatsen en de cabine voor de kapitein/stuurman was een beetje hoger gelegen dan de plek waar de (Vaak vele)passagiers werden ondergebracht. Regelmatig voeren die bootjes over het IJ heen en weer, vaak op volle kracht en zo ontweken ze behendig de grote vaart. Maar niet de golven en dat wilde nog wel eens uitpakken in een aardig nat pak door overkomend water voor hen die op het open dek vooraan waren gaan staan. De bootjes kregen de (bij)naam van de rederij, Bergmann. Intussen allang geleden overgenomen door Mokumse rondvaartgrootheid Kooy, maar indertijd een bedrijf met een aardige vloot schepen. Het aardige van die bootjes was ook dat je er mee werd afgezet bij de begin/eindhalte van de trammetjes naar/door Waterland naar Volendam. Dat was handig voor hen die bijvoorbeeld in Ilpendam woonden en in Amsterdam werkten, maar ook voor de nodige toeristen.
Een uitstapje naar Volendam was best een heel dagje. En nog leuk ook. Mijn moeder nam ons als kinderen nog wel eens mee. Het meest spannende toch het varen met dat bootje van Bergmann. Vanwege die golfslag. En je hoorde dan ineens tot die schepen die daar allemaal voorbij voeren. Hetzelfde gevoel had ik vorig jaar toen we met een veerpontje overstaken van Noord naar het CS tijdens Sail. Tussen die enorme drukte van passerende jachtjes en af en toe toeteren als er weer een kano of half gezonken plezierscheepje voor die grote pont langs trachtte te komen. Maar toch wel heel anders dan in mijn jeugdjaren en aan boord van die Bergmannbootjes. Al was het maar door die golven. Of zijn die in je jeugd gewoon hoger omdat je zelf kleiner bent? Zou zo maar kunnen. Maar het is een herinnering die me niet zo snel los laat. En dat is voor mij al heel bijzonder…net als die bootjes zelf! (Beelden: Historisch archief/Bakker archief/Binnenvaart)

Wiens schuld is het dat het verkeer in de grote stad vaak zo chaotisch verloopt? Ligt dat slechts aan de verkeersdeelnemers? Natuurlijk, er mankeert veel aan de kennis van regels bij vooral jongere weggebruikers. Zo zijn eenrichtingsstraten niet voor iedereen duidelijk. Is met de scooter over een trottoir rijden meer schering dan inslag. Parkeren op diezelfde stoep ‘moet kunnen’ en met te hoge snelheden een straat injagen is ook al meer normaal dan uitzonderlijk geworden. Maar de overheid kan er ook wat van. Men laat het hier veel voorkomende langdurig afsluiten van straten over een laag geschoolde ambtenaren die zonder enig inzicht van de gevolgen toestemming geven tot het opbreken van een weg, gracht of die straat waardoor bedrijven niet te bereiken zijn en het verkeer hopeloos vastloopt. Daarnaast is laden en lossen of verhuizen iets dat met wat heethoofdige karakters in de file er achter kan leiden tot stress maar ook onwettig geachte alternatieve omwegen.
Tel daarbij op dat de politie vele taken kent, maar toezicht op het verkeer behoort daar kennelijk niet meer bij. Je moet wel met een watervliegtuig op de Amstel landen wil er een agent iets ondernemen. Men rijdt vrolijk langs kruispunten waar mensen massaal door rood rijden vanaf de andere kant en een unieke Amsterdammer die als voetganger of fietser wacht voor een rood stoplicht is ook geen reden voor optreden. Nee, de politie is druk met van alles, maar ik weet niet echt waarmee. Nou ja, in geval van nood blijken we voldoende blauw op straat te hebben om de boel op te lossen, maar dat geldt niet voor het verkeer. Sinds de specialisten van de verkeerspolitie er niet meer lijken te zijn, wordt het overgelaten aan de vaak jonge surveillant om af en toe te oefenen op jonge dames die met hun fiets toch daar fietsen waar het niet mag, al dan niet zonder achterlicht op de door hun fraaie achterwerk bezeten fietsen.
Onlangs zag ik een documentaire over de VOC-schepen en Amsterdam. Was best aardig om te zien hoe die enorme schepen (van toen), na een lange reis naar verre en exotische oorden aan de oostkant van de Amsterdamse haven in die tijd bij laag water niet over de daar aanwezige zandbanken heen konden komen. Die ondiepten waren ontstaan in het zuidwestelijk gebied van de Zuiderzee. Daardoor was het met die schuiten vaak niet mogelijk om bij de veelal ook nog heersende zuidwestenwinden die hindernissen voor de haven van Amsterdam, te nemen en binnen te zeilen. Er bleef niet veel meer over dan bij Pampus voor anker te gaan. Voor Pampus liggen stond gelijk aan geen kant meer op kunnen en dus waren de bemanningen van die schepen na hun lange reizen min of meer gedwongen stil te zitten of te hangen. Voor Pampus liggen kreeg zo een eigen plekje in de Nederlandse taal. Mijn pa gebruikte nog een andere uitdrukking; als we, kind dat we waren, nieuwsgierig vroegen wat hij of wij zouden gaan doen, antwoordde hij steevast: ‘Naar Pampus pap eten’. Oftewel, een niets zeggend antwoord dat gelijk stond aan ‘gaat je niks aan’. Pampus was dus in de Amsterdamse taal vervat, maar wat was het eigenlijk?
Pas op school leerde ik van een eilandje dat aan de oostkant van de stad, tussen Amsterdam en Muiden net boven het water uitstak van het intussen IJsselmeer, niet ver van de Oranjesluizen. Het forteiland Pampus werd (slim) vanaf eind 19e eeuw gebouwd op het zgn. Muiderzand, onderheid met 4000 palen van 11 meter lang. Het fort bedoeld als onderdeel van de zgn. Ring rond Amsterdam, ook Fort Amsterdam genoemd. Men dacht in die tijd nog dat je met dit soort fortificaties de vijand buiten de deur kon houden. De kanonnen die men monteerde zouden Amsterdam afdoende kunnen beschermen. Toen het eiland en fort eenmaal klaar waren, bleek die hele ring van forten rond de hoofdstad overbodig geworden. De vijand was intussen gemotoriseerd en een paar jaar later vloog hij gewoon over die forten heen. Wat bleef was een uniek verdedigingssysteem dat in de jaren twintig nog werd voorzien van luchtafweergeschut. Maar in 1933, toch slechts een paar jaar voor de Tweede W.O. sloot men de boel, trok de soldaten terug en liet het fort het fort.
Tijdens de hongerwinter staken veel mensen over het ijs richting het oude fort en namen alles wat brandbaar was mee naar huis. Het verval sloeg toe. Na de oorlog heeft de Mijnopruimingsdienst er nog wat explosieven tot ontploffing gebracht, maar verder bleef het een eenzaam plekje in dit grote watergebied tussen Amsterdam en het (tegenwoordige) Flevoland. Intussen woont er een enkel paar mensen dat het hele jaar door gasten ontvangt, rondleidingen geeft en het fort plus eiland wat onderhouden. Er varen in de zomermaanden wat pontjes op en neer tussen Amsterdam en Pampus en de watersporttoerist weet het haventje ook wel te waarderen als plek in de luwte bij zwaar weer. Intussen is er ook een baken voor de luchtvaart geplaatst waarop overvliegende toestellen kunnen navigeren op hun routes naar of van hun bestemming. Een stipje in het IJsselmeer dus. Nu onderdeel van de Gemeente Muiden. En in de winter buitengewoon stil. Dan kan je dus echt voor het gelijknamige eiland gaan liggen als je wilt en zelfs wat pap eten. Maar voor de gezelligheid hoef je het niet te doen. (Foto’s: Internet)
Hoewel ik uit een gezin stam waar de auto vrijwel altijd centraal stond, al was het maar omdat mijn leasevader daarin handelde op zijn manier, was het gebruik van tram, trein en pont ons niet onbekend. Met ons bedoel ik dan mijn moeder, broer en ik. Met de ‘Blauwe’ tram naar Zandvoort, of in het ‘Bootje van Bergman’ naar de overkant van het IJ en dan op de NZH-tram naar Volendam Marken en zo meer. In de stad zelf maakten we vaak gebruik van de trams van het GVB. Prima verbindingen, wij hadden twee tramlijnen echt om de hoek van ons woonadres beschikbaar, en betaalbaar. Als puber maakte ik er veel gebruik van. Ik zat in Amsterdam-West op de middelbare school, gevolg van de katholieke opvoeding, en daar kon je het beste maar met de tram naartoe reizen. Wat ik keurig deed. Met de toenmalige lijn 3 naar de Rozengracht, daar over op Lijn 13. Die bracht je dan tot de toenmalige grenzen van de stad. Daar zat mijn school, op een toen nog open liggende zandvlakte.
Later ontdekte ik dat je ook met de tramlijn 4 naar het CS kon reizen en daar over op diezelfde 13. Dan kon je tenminste zitten. Immers, die lijn 13 begon daar. Vooral in de winter van groot belang. Veel van die trams waren nog van het heel ouderwetse type. Twee-assers met een losse aanhanger. Later ook nog wel drieassers met hun gesloten balkons. Ik reed zo vaak in die trams mee dat ik ook precies doorhad hoe je met dat ene gestempelde kaartje de halve stad door kon. Was dat belangrijk? Wel als je ook interesse had in de trams, de types en de nummering van die dingen. Had ik net zoveel interesse in als in de vliegtuigen die mijn latere interessesfeer zouden beheersen en de auto’s die ons leven thuis soms zo interessant maakten. Ik wist op enig moment precies welke trams werden ingezet op lijn 4. En op die ook door mij gefrequenteerde lijn 13 reden soms afwijkende tramtypen.
Omdat je op de Rozengracht heel bijzondere rails had liggen die zorgden dat vooral die oudere trams aardig heen en weer slingerden hadden die de voorkeur boven die logge drieassers uit die periode of de schitterende gelede trams die de GVB vanaf eind jaren vijftig toevoegde aan haar gamma. De tijden van de oude ‘blauwen’ waren geteld. Ik maakte nog net die overgang mee. Voordeel van die blauwe trams was trouwens dat ze open balkons hadden waar je met een sprintje zo op kon springen. Had je dan geluk stond de conducteur net aan de voorkant van die wagens en kon je een paar haltes gratis mee. Hij stempelde je kaartje met een rittijdstip. Hoe verder je kwam, hoe later die tijd en hoe verder je kon rondreizen in Amsterdam. Wat ik soms graag deed. Gewoon overstappen van de ene op de andere lijn en dan zien welke trams men nu weer op lijn 16 of 24 gebruikte. Maar die oude puntige tweeassers bleven mijn favoriete tramwagentype.

Van die lijn 9 was ook nog een afgeleide, de 9K. Die reed een iets andere route, via de Karsselaan. Scheelde iets van tien minuten. Was ik dik op tijd maakte het niet uit, was je al wat laat (in de winter hadden ook de trams van het GVB moeite met sneeuw en ijs) nam je liever niet die 9K lijn. Toch zorgde Maarse en Kroon met haar creme/blauw gespoten bussen in de meeste gevallen wel dat ik redelijk comfortabel en op tijd bij mijn werkstek aankwam. Dan moest ik nog wel van het busplein naast de ingang van het toenmalige Schiphol dwars over het platform heen lopen, wat met veel sneeuw ook weer ietsjes minder was, maar dan nog. Het waren avonturentochten in die jaren. Dat eindigde toen ik mijn rijbewijs haalde en de toenmalige werkgever een VW busje kocht voor vervoer van de spullen van onze klanten. Die mocht ik dan als ‘verst wonende’ mee naar huis nemen als de dienst er op zat. Was het busje pas laat ‘thuis’ stapte ik alsnog op de bus en liet me naar huis vervoeren. Maarse en Kroon bleef nog een paar jaar actief, fuseerde later met een hele reeks andere bedrijven en is nu volkomen verdwenen in R-Net van Connection. Nog steeds met geweldige verbindingen van/naar de luchthaven. Want die erfenis nemen ze die niet af. Alleen is bus 9 er niet meer. Die is bijgeschreven in de geschiedenisboeken. Waarvan ik er onlangs eentje kocht…..

Het zal er vast mee van doen hebben dat ik mijn leven lang in de buurt heb gewoond, maar Schiphol was en is een vast onderdeel in mijn leven. Het dit jaar precies 100 jaar bestaande vliegveld startte ooit in 1916 als een ‘vliegweide’ waar de eerste pioniers in ons land zich de lucht in waagden met hun fragiele bouwsels die deels afkomstig waren uit oorlogsbuit. Nederland was in dat jaar niet betrokken bij de Eerste Wereldoorlog die toen in de landen om ons heen woedde, maar onze strijdmacht wilde wel op moderne wijze (..) meedoen met de ontwikkelingen. Soms werd ons dat aangedragen via in ons land neergekomen vliegers wiens vliegende kratten snel door de Nederlandse soldaten werden opgelapt en ingezet voor eigen gebruik. De vliegweide Schiphol was dan ook een militaire basis. Paar loodsen, drassig grasveld en vliegen maar.
Overigens dankt Schiphol haar naam aan de vele schepen die in deze hoek van de Haarlemmermeerpolder ten onder waren gegaan toen die polder nog een enorm meer was. De heersende winden zorgden voor veel onheil en ellende en deze hoek van het meer kreeg al snel de naam ‘Scheepshol’. De verbastering naar de latere naam voor het vliegveld is een logische. Pas toen Plesman met zijn KLM op Schiphol neerstreek en de eerste luchtlijnen startten kreeg Schiphol enige naam en allure. Overigens wilde Plesman het liefst op een andere plek een groter vliegveld, maar door steun en enthousiasme van de Amsterdamse bestuurders bleef Schiphol waar het was en groeide het uit tot wat het nu is.
Het is een enorme oppervlakte geworden die in niets meer lijkt op dat oude vliegveld dat tot 1967 dienst deed maar al snel veel te klein was geworden voor de toenmalige vliegtuigen en stromen passagiers. Schiphol werd Schiphol-Centrum en Schiphol Centrum veranderde zodanig dat men nu van Schiphol City spreekt. Het vliegveld is een 24-uursbedrijf geworden, met winkels, treinstation, busverbindingen naar vele uithoeken en dagelijks luchtlijnen naar de meeste uithoeken van onze planeet. Overstappunt voor heel veel passagiers die de faciliteiten waarderen en de strakke organisatie die men op Schiphol al zo lang koestert en aanbiedt. Niet voor niets wordt het vliegveld internationaal gewaardeerd, al zakken we (..) wel steeds verder weg. De bouwactiviteiten met bijpassend ongemak laten hun sporen na. En de concurrentie slaapt niet. Schiphol is ook druk geworden, heel druk.
Er moet verlichting komen van die druk. Dat zocht en vond men op Lelystad Airport waar over niet al te lange tijd vakantievluchten zullen gaan en komen. Waardoor op Schiphol zelf ruimte ontstaat voor vluchten met nog apartere bestemmingen als uitgangspunt. Het vliegveld bouwt hiertoe een nieuwe terminal, het oude vrachtgebouw en kantoorflat, waar ik zelf nog eens 12 jaar werkte, wordt afgebroken, nieuwe platforms aangelegd. Schiphol groeit en bloeit. En dat tegen de stromen in die zowel in het weer en de politiek altijd over het vliegveld zijn heengetrokken. Ondenkbaar om Schiphol op te heffen of te verplaatsen. Tientallen miljarden Euro’s voor nodig, en 200.000 banen op de tocht. Nee, beter om in de omgeving aanpassingen te doen. Niet te dichtbij bouwen en zo meer. Maar ook dat is de afgelopen 100 jaar weinig veranderd. 100 jaar Schiphol. Het wordt gevierd. Diverse exposities (net een geopend in Hoofddorp, v.a. September a.s. in Amsterdam Museum) een paar boekwerken, en dit blog. Schiphol verdient het. En ik ben blij dat ik heel wat jaren heb liggen op en rond die trots makende nationale luchthaven.
Over Amsterdam en mijn liefde voor die stad heb ik in mijn vorige verhaal al eens stevig uitgepakt. En die liefde kan best met een dubbel gevoel gepaard gaan hoor. Door de jaren heen is de stad niet altijd ten positieve ontwikkeld. Maar hij leefde en leeft wel en dat is ook door kunstenaars in die perioden vastgelegd. Schilders, schrijvers, fotografen, filmers. Allemaal vielen ze voor deze stad en zijn inwoners en er is ongekend veel werk gemaakt dat deels in de schappen bij musea is opgeslagen. Het Amsterdam Museum, ik schreef er in voorkomende gevallen al eens eerder iets over, exposeert momenteel werk van juist die kunstenaars. De stad centraal gesteld, maar meteen ook een mooi overzicht van de geschiedenis. Onder de naam MADE IN AMSTERDAM loopt deze expositie van 11 maart tot en met 31 juli a.s. in dat erg aardige museum dat je vindt aan de Kalverstraat 92 in Amsterdam. 
Nu is dat museum op zich al een genoegen, waar je snel leert waarom Amsterdam zo uitgroeide tot de stad die het nu nog steeds is, maar door de ogen van deze kunstenaars komen er dan weer wat andere zaken naar boven dan de bekende beelden van havens, schepen en mooie panden. De gewone mens is in Amsterdam natuurlijk van het grootste belang geweest en die krijg je bij deze tentoonstelling goed in beeld. De toegangsprijs voor het museum is E.12,50, kinderen tussen 5/18 betalen E.6,50, voor jongere kids is de toegang gratis. Je kunt er in tussen 10/17.00u, ook op zondag. Er zijn liften en op elke etage toiletten en zitplekken. Kortom, geen excuses om niet te gaan. Zeker niet met een Museumjaarkaart….
Ik merk ook dat naarmate mijn leeftijd zorgt voor steeds meer kaarsjes op de al dan niet in huis gehaald of zelf gebakken taart rond mijn jaardagen, ik die stad meer koester. Die grachten, de oude panden, de straatjes met hun winkeltjes, de vele eethuizen. Mijmerend staar ik wel eens over het IJ waar vroeger de oude zeeschepen voorbij kwamen en het een levendige toestand was. Ik mis nog wel eens die oude gierende blauwe trams, de oer-Amsterdamse gezelligheid. Een koffiehuisje waar je naar binnen kon voor echte koffie met een Moezelientje of Kano. Ik mis het platte Amsterdams. Wat je tegenwoordig hoort is vaak een mengeling van alle landaarden die deze stad lijken te hebben geannexeerd. De ware Amsterdammer trok zich steeds meer terug. Verspreidde zich richting Noord-Holland, Flevoland of Haarlemmermeer.
Wilde een echt huis met tuin en een min of meer witte school voor zijn kinderen. Het haalde soms de kern uit een bepaalde buurt, maar legt ook vingers op zere plekken. De echte Amsterdammer is niet gespeend van humor, en dan ook nog van de wat ironische soort. Soms met een vleugje joods verleden. En dat is nodig als je ziet wie deze stad zoal menen te moeten veranderen. Een paar decennia falend stadsbestuur, megalomane stadsdeelbestuurders, provinciale amateurs die op politieke stromen een functie krijgen in de grootste stad van ons land en dat het liefste zien veranderen in een groot toeristisch dorp. Het liet allemaal haar sporen na. Kijk naar het chaotische verkeer, de anarchie van krakers, fietsers en scooters, het gebrek aan overzicht. En toch, mensen, ik blijf het een lekkere stad vinden. Kom ik dan nooit ergens anders? Natuurlijk wel. Veel en vaak. En daar zitten ook plekken tussen die ik best leuk vind. Maar daar hangt dan uiteindelijk toch niet die sfeer die Amsterdam zo leuk maakt. Want veelkleurigheid kent ook haar pluspunten.
Ik ben de laatste die dat niet wil erkennen. Voorbeelden zat van ontwikkelingen die bijdragen aan het fijne karakter van die stad. Wonen deed ik er lang, tot we besloten om na een Bijlmer-avontuur de grote tocht oostwaarts te maken en in Almere neer te strijken. Met een wijk vol andere Amsterdammers. Begin jaren tachtig. Eindelijk geen verloedering meer en ook geen criminaliteit. Ruim tien jaar later verhuisden we weer terug. Naar de zuidkant van de stad, waar het nog goed toeven was en is. En we het stadshart op loopafstand hebben liggen. Zo fijn, zo warm, en zo bekend. Kortom, ik ben een Amsterdammer in hart en nieren. En ik zal dat nooit onder stoelen of banken steken….
Het boek waar ik nu aan werk, soms duurt zo´n schrijfproject langer dan je van tevoren kunt inschatten, vertelt het verhaal over mijn overstap van de luchtvaartsector waar ik een jaartje of 12-13 had rondgelopen naar die van de auto´s. Dat hield direct in dat je van b/to/b naar b/to/c ging, oftewel, van de zakelijke verkoop van service aan bedrijven naar directe verkoop aan particulieren. Ook dat heb ik een jaar of 13 gedaan. En met de merken die wij als dealer voerden in dat Amsterdamse garagebedrijf waar ik voor werkte kregen we heel wat klanten binnen die vielen in het hoofdstuk ‘bijzonder’. Ook al waren sommige heel aardig en leuk, er zaten er toch ook tussen die je liever kwijt dan rijk was. Dat zat soms in karakter, of de manier waarop mensen omgingen met ons als verkopers of onze werkplaatsmedewerkers. Tot de eerste categorie behoorde een zeer oude heer die zich ergens halverwege de jaren tachtig meldde voor een nieuwe telg uit ons gamma Tsjechische modellen. Ik vond het al een wonder dat de man nog liep, hij bleek later 91 jaar oud te zijn en was naar eigen zeggen ‘belangrijk geweest bij de organisatie van de World Press Photo tentoonstellingen’. Hij kwam van oorsprong uit Oostenrijk en had daardoor wel iets met de auto’s uit dat hedendaagse ‘zusterland’ Tsjecho-Slowakije, dat vroeger immers onderdeel was geweest van het Astro-Hongaarse Keizerrijk.
Het bleek een beminnelijk mens, al nam hij heel veel tijd in beslag. Zijn verhalen waren buitengewoon breed en wij hadden omwille van de tijd beschikbaar en de andere klanten die zich ook nog wel eens in onze showroom oriënteerden, een beperkt gevoel van geduld. Een deal sloot je normaal in 20-30 minuten was het credo. Dat ging bij de Heer L. niet lukken. Zijn vrouw, lieve oude dame, hemelde haar man uitgebreid op. Hoe belangrijk hij was geweest en hoeveel kilometers ervaring hij wel niet had. Nu was dat laatste meestal een reden om geen proefrit aan te bieden in het beoogde model, vaak was het juist die ‘uitgebreide ervaring’ die zorgde voor de meest stressvolle proefritten. Toch wilde meneer L wel even voelen hoe die ‘Sgoda’s’ reden. En dus werd er een demowagen voor de deur gezet en reed ik zelf even met de familie richting het Amsterdamse bos om daar in alle rust even wat rondjes te draaien. Dat beviel de man goed. Hij reed ronduit beroerd, de voet op de koppeling wilde maar niet omhoog komen en zijn gasvoet ging veel te zwaar omlaag. De arme demonstratieauto loeide en kreunde. Maar Meneer L en zijn vrouw waren overtuigd.
Dit was een leuke auto voor ze en toen we weer terugkwamen in de showroom kocht hij uiteindelijk een nieuwe auto in de kleur lever-beige die Skoda indertijd in het gamma had maar vrijwel niemand wilde hebben. Een paar weken later kwam de heer L zijn nieuwe vervoer ophalen. Weer werd het een langdurige toestand. Afleveringen werden door ons uitgebreid gedaan, we legden graag uit waar de verlichting zat, we schonken koffie en zetten er een bloemetje bij voor de partner. Nadat de oude auto was ingenomen, een echt half overleden Austin Allegro uit het jaar kruik, kwam het moment dat de heer L met al zijn rijervaring vertrok. Gillend zette de nieuwe Skoda zich in beweging. We roken buiten staand zowat de koppelingsplaten. Hielpen hem de uitrit van de altijd drukke weg waar langs we gevestigd waren, veilig te nemen. Zwaaiden nog even en stapten weer naar binnen. De volgende aflevering wachtte. Slechts een minuut later hoorden we de klap. ‘Nee he’ spotten we nog. Maar het bleek ja. De heer L had ergens halverwege de weg waar hij op was gereden, besloten om te keren. Nerveus, natuurlijk. Maar daar kon je niet keren. Toen hij het toch deed kon een busje dat aan kwam snellen hem niet meer ontwijken. En dat was einde oefening. De mensen kwamen er goed uit, de Skoda was zodanig beschadigd dat die niet meer gerepareerd kon worden. Voor de werkplaats was dat jammer, weer een klant minder erbij. Maar voor de heer L was ook net zo jammer. Zijn rijbewijs werd ingenomen. Hij mocht niet meer autorijden. Wij hebben hem nooit meer gezien. Bijzondere klanten, net wat ik zeg….