Tegenwoordig een merk voor mensen die houden van geavanceerde techniek, bijzondere vormgeving en hoge prestaties. En dat mag dan wat kosten; Audi! Ooit in een ver verleden opgericht door August Horch. Man van de gelijknamige autofabriek in het oosten van Duitsland die na ruzie met nieuwe aandeelhouders uit zijn eigen bedrijf moest stappen en besloot dan maar een concurrerend merk op te zetten. Dat Audi was de vertaling van zijn naam, omdat hij die eigen naam niet meer kon of mocht gebruiken. Audi maakte erg aardige auto’s voor de Tweede W.O., allemaal uitgerust met een zescilindermotor die rustig liep en aardige prestaties bood.
Maar na 1940 was het over en uit met de pret en verdween Audi achter de facades van het fusiemerk Auto-Union waartoe ook Wanderer en DKW behoorden. Dat Auto-Union kenden we eigenlijk nauwelijks, al stond het dan wel op de DKW’s van na WO2 als toegevoegde waarde. Toen dat fusiemerk via een korte periode onder de vleugels van Mercedes uiteindelijk tot Volkswagen ging behoren haalde men in Wolfsburg de naam Audi van stal en liet die van DKW een stille dood sterven. En grappig genoeg was de eerste Audi, gewoon een DKW-type uitgerust met een viertaktmotor ipv een rokende en pruttelende tweetakt. VW zag Audi als een soort luxe pedant van haar eigen programma en heeft dit ook altijd zo gepositioneerd.
In eerste instantie met niet zo heel veel succes. Met de Audi 100 deed men een gooi naar het segment waar Mercedes sterk was, het vroeg even tijd om daar nieuwe klanten te vinden. De Audi’s waren weliswaar altijd wat goedkoper dan een auto van het sterrenmerk, maar veel potten brak men niet. Voor de gewone man was een Audi net te duur, voor de chiquere zakenman iets te goedkoop. Bijzonder fraai was de 100 Coupe S uit 1969, die je al een topsnelheid bood van 185km/u.
VW deed slimme dingen toen men de eerste Audi 80 uitbracht. Een auto met veel ruimte, conventioneel van opzet, maar wel goed rijdend. Het zustermodel van VW, de Passat verkocht duidelijk beter, maar dat zat ook in de prijs. Een soortgelijke situatie ontstond met de compacte Audi 50.
Een leuk driedeurs wagentje dat we later ook via VW leerden kennen als de Polo. Die laatste verkocht duidelijk beter, ook al omdat veel particulieren toch op de centjes letten. En ach, met die Polo was op zich ook weinig mis. Audi zette daarop in op bijzondere technieken. Vijfcilindermotoren bijvoorbeeld en Quattro-aandrijving. De eerste auto met die naam deed het buitengewoon goed in rallies en was op de weg 220km/u snel. Daar kwam je met je VW niet aan. En zo ontwikkelde Audi zich in de vaart der volkeren. Met de nieuwe 80-reeks van eind jaren 80 kreeg Audi het zakelijk zegment in de greep. Auto’s met een fraai rond uiterlijk, behoorlijke prestaties en zeker als Break (Avant) een wagen met de nodige ruimte. Een bepaalde groep kopers voelde zich aangesproken door het type. En dat gold ook voor de nieuwe 100. De kleine 50 was intussen verdwenen. Latere succesmodellen waren de A4 (opvolger van de 80), A6 (opvolger voor de 100) en de nieuwe A8. Die laatste volledig verzinkt en waar het kon gebouwd op lichtmetalen delen.

Sportief was ook S8-versie daarvan die weliswaar elektronisch was afgeregeld op een top van 250km/u maar door de gebruikte techniek en geluidswering zelfs op hoge snelheden zo rustig reed als een Opel Astra bij 100km/u. En zo ging het maar door. Altijd exclusiever, sneller, lichter, fraaier. Een hele reeks SUV’s tegenwoordig, cross-overs en voor hen die van de baas een Audi mogen rijden maar niet zo’n grote is er de erg aardige A1 die je het best kunt zien als alternatief voor de VW Polo. De vier ringen vertegenwoordigen een bepaalde uitstraling en klasse. Niet goedkoop, wel erg goed en geavanceerd. Veel van de techniek komt van VW, maar Audi-techniek ging en gaat ook naar auto’s van de andere VW-merken. Van Porsche tot Seat of Skoda. Wat goed is mag je best delen. Een merk met een bijzondere historie. Vandaar dat ook dit ringenmerk even mijn en uw aandacht verdiende. (Foto’s: Audi/Yellowbird)

Al eerder berichtte ik over onze plannen die we dit jaar smeedden, het huis te voorzien van een soort facelift. Wat meer isolatie, moderniseringen en zo meer. Maar wel moesten we gewoon kunnen blijven leven tijdens die gebeurtenissen. Immers even onderweg met de katten bij ons is ook niks, al werd het door de lieve vriendin uit het Zuid-Hollandse meerdere malen aangeboden. Dus door de afgelopen weken heen werd van alles en nog wat gedaan terwijl wij op een eilandje van pakweg 25m2 samenhokten. Een nieuwe elektrische verwarming in de keuken, inductiekookplaat en verwijdering van het gasstel dat ons tien jaar diende. Aanleggen nieuwe elektra was nodig, want zo’n stel stroomverbruikers vraagt professioneel ingrijpen van een ons bekende installateur. Nou toen dat klaar was werd het wachten op de mannen (werken geen vrouwen in die handel..) van de kozijnen en nieuwe HR++-ramen.
Volgens plan zouden die eind oktober verschijnen, maar dat werd plotseling een week of twee eerder. En dat gaf best extra stress. Want dan moet je versneld kamers leegruimen, en de oppervlakte waar je zelf verkeert verkleinen tot hooguit een fractie van de normaal beschikbare woonruimte. Daarbij moesten we steeds zorgen voor een ‘saferoom’ ten behoeve van de poezenkinderen. En die werden daar niet blij van. Dat het tijdens de werkzaamheden regende en kil was maakte het verhaal nog niet zo comfortabel wellicht, dat je eigenlijk nergens meer een redelijke eigen plek vindt werkt als zeer ontregelend. En je zit er een dag of 6/7 bovenop. 2-3 kerels in je huis, die breken, zagen, kloppen, boren, schuimen, kitten, maar vooral ook dwars door je kamers lopen en dat soms ook nog met vieze schoenen, (ze deden hun best om die schoenen steeds te vegen hoor…) maakte dat vrouwlief bijna wanhopig werd en ik vooral berustend.
De katten gilden intussen de hele dag om hun vrijheid. Voor hen waren die geluiden ook wennen. Los van een meetfout waardoor we op een huiskamerraam flink langer moesten wachten verliep alles vanuit de leverancier volgens plan en werkte men bijna alles keurig af. Vier kamers, keuken en gang, want nieuwe voordeur, kregen ze in die periode toch mooi af. Het oogt trotsmakend. Je betaalt er wat voor maar krijgt er ook iets voor terug. Deuren met wel 5 slotverbindingen die aanvoelen als een kluis, ramen met nieuwe horren, vensterbanken, kortom alles volgens plan geleverd en prachtig van kwaliteit.
Daarna moesten wij zelf weer zien ons huis te herpakken. Dat duurde bijna even lang. Ik werd zelfs een beetje klusser. Want moest alle raambedekkers (op)nieuw installeren, ik zorgde voor een nieuwe deurbel die nu op afstand werkt zonder draadjes, vrouwlief maakte alles stof/grijsvrij. En toen we samen daarmee aan de slag waren bleek dat echt alles onder zat, ondanks alle voorzoorgsmaatregelen. Dat breken is geen pretje. Maar goed, we zitten er weer warmpjes bij, de eerste fase is klaar en we kijken uit naar de winter als we kunnen zien hoeveel het allemaal gaat schelen. Het lijkt nu al comfortabeler in huis. En de sleutelbos is maar liefst vijf sleutels lichter dan voorheen. Dat scheelt toch veel. Maar of we de volgende verbouwing weer gaan doen terwijl we zelf trachten in huis te blijven zitten is de vraag. De politieke discussies lopen al. Maar eerst dit even verwerken. Zou er in Zuid-Holland nog een plekje zijn?? (Beelden: Yellowbird okt.2019)
Had ik het in mijn vorige bijdrage aan het eigen blog nog over bereikbaarheid en de illusies rond onmisbaarheid, dit keer wil ik het eens hebben over geloof. Geloof is iets persoonlijks. De een gelooft in God, Jezus, de ander in Allah, weer iemand anders in het goede van de mens en sommigen in de stand van de Maan of een groene hagedis. Hierover heb ik al eens bericht. Maar hoe je het ook bekijkt, dit blijft een persoonlijke keuze. Al dan niet opgelegd door derden. En die derden hebben veel belang bij indoctrinatie van kinderen. Want hoe kleiner de geest van de ontvanger hoe groter de ontvangst van de boodschap. De grote geloven besteden niet voor niets zoveel tijd aan het overtuigen van hun eigen waarheid in liefde of als het moet, haat of dwang. Mijn eigen opvoeding vond, nog maar een keer aangehaald, plaats in streng katholiek milieu. Niet zo zeer thuis als wel op school. De aanpalende kerk gooide daar nog eens een stevige laag overheen.
Het katholieke geloof als enig juiste en door Jezus zelf doorgegeven aan zijn Apostelen. Ik geloofde er heilig in (..) dat dit de waarheid was. Protestanten waren de ‘afvalligen’ en de rest ‘barbaarse heidenen’ die niet in de hemel zouden komen. Natuurlijk deden of doen de protestanten hetzelfde. Eigen scholing, hun op de Bijbel baserende stroming via eigen onderwijs opgedrongen aan kinderen die thuis ook het e.e.a. stevig meekrijgen. Moslim-scholen en Joodse opleidingen doen dit net zo. Want dat geloof is volgens de uitdragers echt van groter belang dan wat je hier op Aarde aan nuttige dingen zou kunnen gebruiken. Op mijn rapport van vroeger stond godsdienstles hoog aangeschreven, net als kerkbezoek. Scoorde je daar dan een laag cijfer mee mocht je de vervolgopleidingen wel vergeten. Je weet dus bijna zeker dat dit ook geldt op dat bijzondere onderwijs van tegenwoordig. Arme kinderen. Toen ik een jaar of 12/13 was startten de twijfels. Mijn oudere broer aanstichter van die verandering in denken of doen. Maar alles overdenkend ook zelf maar besloten dat veel van die geloofsleer onzin moest zijn en niet te geloven.
Dat realisme is me altijd bijgebleven. Met daaronder een laagje van wat me toen werd bijgebracht. Niet alles slecht overigens want de Tien Geboden zouden een ieder elke dag prima passen en ik tracht er zelf naar te leven. Ergens gloeit er een puntje van dat oude geloof toch nog steeds. Gevolg van de indoctrinatie. Het interesseert me nog steeds. Het hoe en waarom van dat geloven door mensen. Waarom willen wij dat een opperwezen ons stuurt? Nou, dat dus. En dat alles ook omdat je er geweldige gesprekken over kunt voeren. Vol respect. Ook met anders denkenden. Mits in dezelfde God gelovend. Anders wordt het heel lastig. Net zoals je als realist nooit in discussie moet gaan met groene communisten of anti-democraten. Komt ellende van. Want allebei geindoctrineerd door een bovenlaag die wil dat we allemaal worden bekeerd tot dat nieuwe geloof, dat van het klimaat. Wie kan rekenen weet dat het een bijna barbaars heidens geloof betreft. Maar leg dat maar eens uit. Mij lukt het maar zelden…..
Deze zondag even aandacht voor een traditioneel Brits automerk dat ook al lang niet meer bestaat maar nog steeds bij velen bekend in de oren zal klinken; Austin! Genoemd naar oprichter Herbert Austin die ooit in 1906 vertrok bij het nog oudere automerk Wolseley en daarna zijn eigen bedrijf startte. Tot 1951 bleef hij onafhankelijk van andere merken opereren en bouwde intussen vele bekende en soms beroemde auto-modellen, maar ook bestelwagens en trucks. In de oorlog ook een grote naam bij de productie van spullen en materieel voor het Britse leger en luchtmacht. In 1951 opgenomen in de zgn. Nuffield-Group waartoe op dat moment ook Morris, MG, Riley en Wolseley (..) behoorden.
Deze groep werd weer wat later in de tijd de British Motor Corporation. Ooit de grootste autogroep van Europa! Maar de individuele merken deden het niet zo best. Ook al bouwde men dan befaamde auto’s als de bekende Mini. Steeds meer wagens van BMC leken op elkaar en waren technisch verwant. Het maakte niet meer uit of je een Austin of Morris koos, de wagens waren feitelijk gelijk. Echt slecht ging het met Austin toen men o.a. de Allegro bracht. Een wagen die bedoeld was om de ook bij ons best populaire 1100 op te volgen. Maar die Allegro was een wanproduct.
Veel te Brits om op het vasteland van Europa potten te breken ook al waren er ook in ons land best kopers voor te vinden. Het waren auto’s uit de slechte jaren van de Britse auto-industrie en ze mankeerden altijd wel wat en roestten als de beste Italiaan of Fransman. Het einde van Austin kwam zo al snel in zicht. Overigens moet ook worden vermeld dat dit merk in Engeland het leeuwendeel van de befaamde taxi’s leverde en die wagens waren uiterst taai, ruim en stuurden binnen acht meter een volledige bocht door.
Met de heerlijke traditionele indeling van een chauffeur in een aparte ruimte en een interieur dat meerdere personen tegenover elkaar ruimte bood bleven deze wagens decennia lang het taxibeeld in de Britse straten bepalen.
Ze werden aangeduid als FC3 en FX4. Bekend werd ook de kleine A30/35 uit de jaren vijftig, maar daarnaast ook de gelijk gevormde maar veel grotere Somerset. Chique wagens waren de Cambridge (1959-69) en diens luxere zusje, de Westminster. De al eerder genoemde 1100 was een autootje dat het ook in Nederland goed deed. Voorwielaandrijving was in de jaren dat deze auto’s werden verkocht niet algemeen en zorgde voor een prima wegligging. Zeer opvallend was ook de Maxi, een duidelijke tegenhanger van de Mini. Groot, breed, ruim en uitgerust met schuifremmen wat ook weer niet voor ieder automerk was weggelegd. Maar over uiterlijk moest je het maar niet hebben dan. Latere Austin’s werden vooral ‘batch-mobielen’. Op enig moment kregen we hier Austin-Rover als merk, een paar jaar later alweer opgevolgd door Rover.
En daarna viel in de recente economische crisis de grote stilte. De Britten gingen failliet. Het merk Austin al lang daarvoor verdwenen. Oude tradities ook. Zelfs de taxi’s worden nu door een ander bedrijf gemaakt. Maar ik vond het wel nodig om er eens aandacht voor te hebben. Want er zijn vast mensen die ooit wel eens van Austin gehoord hebben. En anders wel van Austin-Healy, het sportwagens bouwende zustermerk… (Beelden: Internet/Yellowbird archief)
In de tijd dat we altijd en overal bereikbaar willen zijn, althans zo lijkt het, is nauwelijks voorstelbaar dat we ooit een periode kenden waarin mensen thuis GEEN telefoon bezaten. Slechts zij met een belangrijke (..) functie hadden zo’n verbinding met de buitenwacht in huis. En zij die er geen hadden, maakten vaak gebruik van de PTT-lijn die bij omringende winkeliers voorzien van een open oog voor klantvriendelijkheid tegen betaling beschikbaar stond voor derden. Voor een dubbeltje of een kwartje kon je dan de dringende zaken afwikkelen. Bij ons thuis was dit ook heel normaal. De een paar huizen verderop gelegen winkel van de ‘sigarenboer’ ‘Ome Jaap’ was ons contactpunt en de afspraak was zodanig dat mijn leasepa zelfs op zijn visitekaartjes, nodig voor zijn handel en wandel, het telefoonnummer van die winkelier mocht vermelden.
En hoe vreemd ook, dat functioneerde prima. Later, het ging goed in de handel, kwam er een eigen telefoonlijn thuis en mijn moeder was daar vooral zeer verguld mee. Niet dat er nu zoveel mensen waren om mee te bellen, maar toch. Die telefoon en bijbehorende lijn behield ze tot haar eigen dood in ere. Lease-Pa was al veel eerder gaan hemelen, de telefoon zweeg toen al vaker dan hij werd gebruikt, maar hij moest blijven uiteraard. Voor…’je weet maar nooit’. In mijn eigen verdere leven bleef de telefoon gewoon altijd aanwezig. Waar ik verder ook woonde of werkte, altijd speelde de telefoon een belangrijke rol. Een enkele lijn, meerdere, en in het eerder beschreven dealerbedrijf waar ik actief was zelfs via vijf verschillende lijnen, noodzakelijk door de diverse bedrijfsonderdelen. Telefoon, telex, fax, internetmodem, het werd door de jaren heen een steeds breder gamma aan verbindingen en dat het functioneerde mag soms een wonder heten. Zeker die laatste dingen waren kwetsbaar en maakten ook nog een rotherrie bij het inbellen. Intussen is de vaste lijn er nog wel, hangt aan een pakket van de kabelaar, maar het meeste gebel en ander gecommuniceer vindt plaats via de smartphone. Overal bereikbaar. En de sigarenwinkels intussen zowat uitgestorven. De wereld verandert in rap tempo. We appen, mailen, bellen nog maar zelden. Maar zijn wel altijd bereikbaar. Het waarom ontgaat soms. Alsof we onmisbaar zijn. Nou dat is een illusie natuurlijk. Dat kunnen al die gehemelden ons haarfijn uitleggen. Gemist door hun geliefden wellicht, maar hun relaties zijn ze snel vergeten. Tot er een lijntje naar boven komt….of naar beneden. Het is maar waar je in gelooft…
Onlangs waren we weer eens actief met onze CD-collectie. Er moest geschoven worden, verhuisd, heringericht. En als je dan toch bezig bent zet je een reeks van die schijfjes weer eens op om te luisteren dan wel of bewaren van sommigen wel zin heeft. Het leidt tot afvullen van dozen voor de Kringloopwinkel en een bescheiden vorm van ontspullen. Maar sommige muziek is magisch en als je die dan hoort wordt je soms meegezogen in de emoties die bij bepaalde nummers horen. Wij mensen met onze emoties zijn daarvoor nu eenmaal gevoelig. Het overkwam me dan ook tijdens dat luisteren dat ik bedacht dat wij mensen toch wel heel bijzonder zijn waar het muziek betreft. Zo lang we bestaan maken we al geluid, al dan niet vals of recht in de noot, we slaan het ritme met stokken of fluiten op bamboe, en tegenwoordig zijn we heel geraffineerd waar het onze muzikale uitingen betreft. De techniek helpt ons, maar veel van de gezongen teksten moeten wel door de mens zelf worden voortgebracht.
Nu weet ik wel dat dieren ook geluid maken. En dat gefluit van vogels of gekwaak van kikkers voor sommigen ook als muziek in de oren klinkt. Maar neem van mij aan dat de eerste de beste hond weliswaar aardig kan huilen of blaffen, maar zelden een liedje ten gehore kan brengen waarbij hij/zij/het ook nog teksten uit. Dat is toch ons mensen voorbehouden. En dat maakt dan weer dat je nadenkt over dat fenomeen mens dat meer dan alleen het klimaat naar zijn hand kan zetten. Volgens de linkse doemdenkers dan. We zijn inventief, sommige evolueren naar grote intelligentie, we kunnen ons mechanisch voortbewegen, we bouwen huizen, varen op zee en maken dus die muziek. Elektronisch, vokaal, instrumentaal. Van klassiek (toen al de popmusici van hun tijd) tot hypermodern. Van volksmuziek tot stampiestampie. Maar het blijft een fenomeen.
Dacht je nu echt dat de Brexit ook maar iets verandert aan het beeld van de Britten ten aanzien van de wereld? Echt? Nou bij de klassieke automerken op dat grote eiland kijkt men al heel lang niet naar buiten maar naar binnen. Britser dan Aston Martin is het dus bijna niet te vinden in autoland. Een sportief automerk dat al voor de oorlog (1914) faam opbouwde met goed presterende auto’s voor de Rich and Famous. Maar pas na de oorlog ook elders klanten wist te trekken. Met de bekende DB-reeks, genoemd naar toenmalig eigenaar David Brown, die het verlies makende merk kocht. Zelf was hij een tractorenman, maar hij wist van dat toch wat bijzondere automerk best iets te maken.
Nu peperdure klassiekers die eerste DB’s, maar met de DB-5 kwam de echte doorbraak. Niet door de goede reclame of PR, meer doordat deze wagen een hoofdrol speelde in de James Bond filmreeks. Inclusief schietstoel, oliewerp-installatie en mitrailleurs. Een auto ook die anno 1963 goed was voor 235 km/u. Nou, de gemiddelde VW Keverrijder of Opel Kadett-coureur kon daar alleen maar van dromen. Een open versie was helemaal een filmsterrenauto en doet nu gigantische bedragen in het klassieker-circuit. Toch is het de zgn. Shooting Break die de echt grote bedragen trekt.
De stationachtige uitvoering, niet moeders mooiste ook nog werd maar voor 12 klanten gebouwd. En schaars maakt duur. Een geweldige ontwikkeling was de V8-motor die Aston Martin zelf bouwde en in haar toenmalige DBS lepelde. Met een beetje auto van dit type kwam je anno 1970 al voorbij de 260km/u. En dat in smoking en baljurk. Kom daar maar eens om in je gemiddelde Porsche of Ferrari. En over dat gevoel….ik bezocht de fabriek van dit merk aan het einde van de jaren negentig en kan je verzekeren dat merkgevoel hier echt op nummer 1 stond.
Men was apentrots op wat men bouwde. Iedere motor door een enkele monteur in elkaar gezet, het plaatwerk niet zo maar gemonteerd maar eerst dagenlang uitgeklopt, glad gemaakt en daarna zodanig geschuurd dat de lak er als een huid van een mens overheen lag. Klasse meneer of mevrouw. Waarvoor je wel iets moet over hebben. Een heel bijzondere auto was de Lagonda uit 1976. Lang, hoekig, elektronisch dashboard, V8 motor en gezien als een sportieve Rolls Royce. Alles wat je in de toenmalige ruimtevaart-capsules verwachtte aan digitaliteit verpakt in een joeper van een auto. Maar o wee, wat een storingen ook. Onderschatte klassieker! In de periode dat ik de overigens zeer bescheiden fabrieksgebouwen bezocht bouwde men daar ook de DB7. Een auto met een carrosserie van Jaguar, voorzien van techniek uit eigen stal. Men vond het zelf maar een soort ‘Volkswagen’. Het huwelijk met Ford van toen zorgde voor deze ontwikkeling, maar de Britten waren er niet gelukkig mee. Het merk is later verkocht door Ford en weer in andere handen terecht gekomen.
In de huidige tijd bouwt men naast bekende modellen als de Vantage (intussen met een V12 motor) ook de DB11, Vanguish, Rapide en Valkyrie. Allemaal wagens die hun clientele vooral vinden bij zeer rijken in Engeland zelf of bij de Sheiks in het Midden-of Verre Oosten. Wie Aston Martin rijdt kan het zich veroorloven. En neemt sommige typisch Britse eigenaardigheden op de koop toe. Klasse merk. En gelukkig nog steeds Made in England. (Beelden: INternet/Yellowbird)
Een van die bestemmingen waar we graag komen als we de grens over steken voor wat boodschappen en meer is het plaatsje Kleve. Dat ligt op pakweg 1,5 uur rijden vanaf Amsterdam en biedt net voldoende winkelaanbod om onze kofferbak vol te doen raken, terwijl de benzine er 15-20 cent per liter goedkoper is. Daarbij kan er links en rechts erg lekker worden gegeten. Van taartjes tot schnitzels, het aanbod is er goed genoeg voor. Kleve is voor ons een bestemming met etappes. Je hebt er de ‘onderstad’ die letterlijk begint op normaal Amsterdams peil, maar je ziet om je heen al dat er verschillende heuvels rond dat centrum liggen die het direct een andere aanblik geven t.o.v. plaatsjes in andere omgeving. Een oude kasteeltoren steekt boven die winkelboulevard in vestzakformaat uit. Een referentie aan de oude geschiedenis van dit stadje dat ooit gelegen was in de Klever Waard, een onderdeel van Gelderland.
Het oer-Graafschap waaraan het stadje en de streek de naam dankt stamt al uit de 11e eeuw en viel toen zelfs nog onder de Bisschop van Utrecht. Die chique is nog steeds wat terug te vinden. Alles oogt er overigens behoorlijk na-oorlogs modern en dat is niet zo gek als je bedenkt dat er in oktober 1944 een ware veldslag heeft gewoed tussen de Duitse verdedigers en de geallieerde ‘bevrijders’ waarbij het stadje Kleve voor 80% werd vernietigd. De heropbouw duurde daarna jaren. Kleve heeft tegenwoordig trouwens o.a. een vestiging van ketens als Woolworth, maar ook van Saturn en Galleria Kaufhoff.
Kortom, de moeite waard om naartoe te rijden voor de Duitse inkopen. En de sfeer. Die wordt mede bepaald door de nodige Nederlandse bezoekers. Vanuit de regio Nijmegen/Arnhem hebben ze hier veel aanloop en dat is goed te zien en te horen. Maar het zijn ook mensen van het wat rustiger type. Blerapen komen hier duidelijk minder.
Weten jullie nog, vaste lezers hier, dat ik ooit gedwongen werd over te stappen naar een nieuwe tandarts die me al snel een offerte deed toekomen voor een gebitsrenovatie die mij totaal overbodig leek? En dat ik daarna overstapte naar de derde tandarts in korte tijd? Nou, dat beviel prima. Net om de hoek hier, een erg aardige man met dito assistente (zijn vrouw). Zijn eerste gebitsanalyses niet meteen gevolgd door offertes, wel wat adviezen over hoe ik mijn gebit nog wat schoner kon houden dan ik al doe. Overigens is dit een euvel van ongeveer elke tandarts heb ik gemerkt want telkens als je denkt het nu volgens de regels te doen, komt er wel weer een standje of adviesje een andere richting op. En heb ik intussen kapitalen aan stokjes, draadjes, stekers, borstels etc aangeschaft. Ik poets drie tot vier keer per dag, en uitgebreid, en nog is het niet voldoende. Je zou er om stoppen met eten en drinken.
Maar dat is wellicht voor de lijn nog wel goed, niet voor je gestel. Hoe dan ook, die nieuwe tandarts was net in mijn systeem opgenomen toen hij me verraste met de mededeling de praktijk te gaan stoppen. Hij wilde met pensioen. Dat was jammer, want dan krijg je opnieuw te maken met een opvolger die wederom van moment een af start. Nou dat klopte. De praktijk werd verkocht aan een starter. Een heel bijzondere. Een dame uit Iran, die samen met een erg fraaie assistente en haar oplettende man de zaak onder een nieuwe naam ging runnen. Een zaak die qua techniek op de laatste stand der dingen werd gebracht, maar verder wel de ambiance van de oudere voorganger in stand hield. De eerste kennismaking was plezierig, het vervolg ook. Zij was lief, snapte mijn specifieke problemen van niet willen liggen met mijn hoofd lager dan mijn voeten en was streng doch rechtvaardig over mijn gebitsonderhoud.
Daarna kwam het opvullen van een aankomend gaatje in een van de ondertanden wat zij (zonder verdoving als altijd gewenst) professioneel en snel klaarde. Ik had er schik in. Zij is van de soort tandartsen die me liever zijn dan beulen en offerte-bedenkers. Hoe professioneel ook. Ik heb mijn ivoor met wat kunststof stukken al die jaren tot nu in de mond gekoesterd en door experts laten onderhouden. Dus grote verbouwingen zie ik als onnodig. Geen gaten, geen rare dingen. Dus laten we die dan ook niet gaan bedenken. Alleen wat nodig is doen we, en voor de rest niks. Al is het verleidelijk om vaker af te spreken met de dame en me te laten onderwerpen aan haar behandelingen. Mits haar man dan uit de buurt blijft natuurlijk. Maar dat mag je allemaal niet meer denken of zeggen tegenwoordig natuurlijk. Een best prijzig. Hoe dan ook….was een prima keuze. Tot nu toe…
Hoewel we intussen wel gewend zijn dat er wat automerken zijn verdwenen met een grote naam en faam, AMC behoorde daar weliswaar ooit zeker ook toe. Maar ik denk niet dat veel lezers van dit zondagse blogverhaal een lampje voelen branden in de grijze cellen bij de genoemde naam of afkorting. AMC dankte haar bestaan aan een fusie tussen het aloude merk Nash en Hudson die al jaren samenwerkten maar pas in 1966 besloten onder deze nieuwe fusienaam andere modellen uit te brengen. En zo werd het Amerikaanse spectrum aan automerken ineens uitgebreid door dit buitenbentje wat het vooral en net als vroeger, moest hebben van een bijzondere vormgeving of veel auto voor je geld.
Een bekend model was de Rambler die te koop werd aangeboden met een zes-in-lijn motor of een V8. De goedkoopste versie kostte anno 1964 het equivalent van 2000 Euro (in de VS) en dan had je een keurige auto met een top van 150km/u. Een jaar of wat later heette die Rambler ineens Ambassador maar was in wezen nog steeds dezelfde auto. Dat gold niet voor de Marlin. Een sportcoupe die het moest opnemen tegen de Mustang van Ford. Wie dat echt wilde bestelde een Marlin met V8 motor, maar gezien de verkoopaantallen (maximaal 17.500 exemplaren) deden niet zo veel mensen dat.
Toch leidde dat sportieve denken wel weer tot een andere benadering bij AMC en kreeg je de Rebel in de showroom die met een V8 aan boord de 200km/u kon aantikken. Een auto die we hier ook wel eens tegenkwamen was de Javelin. Geen echt opvallend type, maar wel Amerikaans groot genoeg om liefhebbers te imponeren. Heel apart was de Gremlin. Een auto die men doorontwikkelde vanuit de nog conservatief ogende Hornet maar een achterkant kreeg die bijna afschuwelijk lelijk was, maar sommige kopers imponeerde. De compacte Yank was bedoeld om kopers weg te lokken bij VW maar dat lukte maar met mate.
Toch zijn er 650.000 van gebouwd waarvan een deel zelfs een Audi-motor meegeleverd kreeg. Een nog opvallender maar niet meteen fraaiere auto was de Pacer. Een compacte maar ook brede auto met veel glasoppervlak die als gimmick ook nog eens een grotere rechterdeur had dan het exemplaar aan de linker kant. Die auto stamt uit 1975 en vond wonderlijk genoeg de nodige kopers in de VS. In ons land werden ze gekocht door mensen die e c h t op wilden vallen. Nou dat deed je in zo’n ding! Wie meer ruimte wilde kon er ook een in stationcar-uitvoering bestellen. Kostte niet de wereld meer en was toch net even aardiger. De allerlaatste auto van AMC werd de Eagle. Een vierwielaangedreven auto die ook in ons land te koop was. Veelal via de Renault-organisatie die intussen stevige banden met AMC had aangeknoopt. In 1983 was het over en uit voor AMC. Het bedrijf importeert vanaf dat moment alleen nog maar Renaults in de VS en bouwt nog even de Eagle door onder regie van de Regie. Intussen zijn al die AMC’s klassiekers geworden. Niet duur, wel opvallend vaak. Maar nooit zoals Chevrolet of Ford. Gewoon curieus. En dat paste ook wat bij dat tijdperk.