100 jaar KLM – Zonder Fokker was het niet gelukt…

Hoewel de karakters van Albert Plesman als oprichter en directeur van KLM en dat van Anthony Fokker totaal niet bij elkaar pasten, bleken ze in de loop van de geschiedenis decennia lang min of meer tot elkaar veroordeeld. Plesman was een noeste visionair die ‘zijn’ KLM graag tot de meest belangrijke luchtvaartmaatschappij ter wereld wilde maken. Fokker wilde alleen maar vliegtuigen verkopen en haalde hiervoor elke truc denkbaar te voorschijn uit het ondernemersboek. Legaal of niet. Bedenk maar eens dat de man met hulp van de Nederlandse regering onder de boycot van de toenmalige overwinnaars van WO1 uit wist te komen en klandistien zijn complete productielijn overbracht vanuit Duitsland naar Nederland. Inclusief een reeks jachtvliegtuigen die bij de Nederlandse strijdmacht konden worden ingelijfd. Alsof je een reeks JSF/F35’s uit de VS haalt en ze zonder toestemming inzet in Nederland. Tijdens de ELTA (De Eerste Luchtvaart Tentoonstelling Amsterdam) van 1919 kondigde Plesman aan zijn KLM op te richten en hij zocht hiervoor passagiersvliegtuigen.

Nu waren dat in die jaren bijster fragiele toestellen die vaak werden gebouwd op basis van oorlogstoestellen waarin men een paar extra stoelen zette. Met zo’n Brits toestel ging KLM dan ook aan de slag. Fokker ontwierp in razend tempo de F.I, die drie passagiers moest kunnen vervoeren. Al snel afgelost door een wat groter ontwerp, de F.II. Die machine trok de aandacht van Plesman en die kocht er twee (kostten toen 45 mille in guldens). Die F.II was echt een simpel toestel, maar je kon er vier passagiers in meenemen. Navigeren deed men met een wegenkaart op schoot en men vloog graag boven spoorlijnen. Overigens zodanig dat de inzittenden niet konden zien dat de trein soms sneller reed dan de Fokker vloog. Maar het bleken in hun eenvoud aardige kisten. De piloot zat in de open lucht naast de motor, dat deed men zodat hij onderweg in geval van nood nog wat kon repareren. Al snel ontwikkelde Fokker een geavanceerder uitvoering, aangeduid als F.III. Een groter toestel met een krachtiger motor.

KLM nam ook deze versie in gebruik. Overigens werden die eerste toestellen in 1922 alweer verkocht om plaats te maken voor moderner Fokkers. Zoals de F.VII, waarmee acht passagiers konden worden vervoerd en waarmee Plesman naar toenmalig Nederlands-Indie wilde vliegen. De machine had nog steeds de bekende Fokker-constructie. Hout, linnen en een in de open lucht verkerende piloot, nu vergezeld van een BWK/Navigator. Met de F.VII begon KLM met wat serieuzere vluchten. In 1924 vloog KLM er mee naar Batavia, wat men overigens niet zonder slag of stoot zou bereiken. Een noodlanding in Bulgarije volgde op een motorstoring en de kist ging daar wat die motor betreft in de poeier. Maar na wat geimproviseerde reparaties kon de vlucht verder worden uitgevoerd en landde de machine 65 dagen na haar vertrek in Batavia-Stad.

Bewezen was dat men met die toen moderne kisten langere afstanden kon vliegen. Maar men wist ook dat eenmotorige toestellen de toekomst niet zouden hebben. Overigens werden die F.VII’s ook flink verkocht aan andere maatschappijen en soms in licentie gebouwd. Zoals door het Tsjechische Avia. Omdat Fokker nu ook in Amerika belangen had, werden die F.VII’s uitgerust met 3 motoren, aangeduid als F.VII-3m en kwamen deze kisten ook bij KLM in gebruik. Net als veel latere ontwerpen van de befaamde bouwer. Denk nog maar eens aan de bekende vlucht van de ‘Pelikaan’, een F.XVIII, die optisch leek op de oudere typen maar wel een hele slag groter en moderner waren uitgevoerd. Uniek was de enorme F.XXXVI, een toestel waarvan er slechts een zou worden gebouwd die ook bij KLM in gebruik kwam. Dat toestel kon in de enorme romp 32 passagiers en vier bemanningsleden vervoeren. Men noemde deze machine ook wel het vliegende hotel. Zoveel luxe kregen de passagiers aangeboden. Maar die fraaie machine had een nadeel, hij was nog steeds opgebouwd  zoals die eerste Fokkers. Hout en linnen en dat was in een klap ouderwets toen zowel Boeing, Junkers als Douglas metalen vliegtuigen aanboden.

En Plesman had al langer bij Fokker aangedrongen om ook soortgelijke vliegtuigen, aangeduid als ‘blikken Douglassen’ te bouwen. Het bleek tegen dovemansoren gericht. Fokker bleef vasthouden aan zijn vertrouwde bouwwijze. KLM kocht toen uiteindelijk de DC-2 van Douglas en later nog een reeks DC-3’s. Slim als Fokker was regelde hij met Douglas dat hij als agent voor dat Amerikaanse bedrijf in Europa zou optreden en zo nog steeds tussen de fabrikant en KLM kwam te zitten. Het was Plesman een doorn in het oog. Na de oorlog, die ondernemer Fokker zelf niet mee mee zou maken, hij overleed in 1940, nam KLM jarenlang geen Fokkers meer in gebruik tot men ergens in de jaren zestig F27’s inhuurde van de Luchtmacht voor de binnenlandse luchtvaartmaatschappij NLM. Diens vloot breidde al snel uit en tot in de jaren tachtig vloog men met F27’s en F28’s. Later kocht KLM ook de moderne F50, F100 en F70. Door wat vlootbeweging bij dochterondernemingen waren er altijd wel Fokkers in gebruik. Tot KLM in 2017 haar laatste F70’s afstootte en verving door Braziliaanse Embraers. Fokker was als zelf scheppende industrie toen door toedoen van het Kabinet Kok al een jaar of 20 gesloten. Geen vliegtuigen meer van dit befaamde ontwerphuis. En KLM bestaat onder Franse leiding nog steeds. Mede dankzij Fokker en zijn slimme ontwerpen. Waarvan er helaas maar zo weinig bewaard zijn gebleven in ons land. Zeker van die vooroorlogse kisten. En dat verdient deze voor ons land zo belangrijke fabrikant echt niet. (Beelden: Yelllowbird archief)

Jerrie Cob

Cobb 1In een tijdens een bezochte rommelmarkt gevonden boekje over de ruimtevaartwereld in 1964 ontdekte ik bij het doorlezen een passage die ging over ene Jerrie Cob. Dat was een Amerikaanse vrouwelijke pilote die indertijd aanspraak maakte op een plek in de opleiding voor astronaut bij het toen nog in ontwikkeling zijnde ruimtevaartprogramma van de Amerikanen. Ik vroeg me direct af hoe het met haar zou zijn gegaan, omdat er geen astronaute van die naam is geweest naar mijn mening. Dus ga je even zoeken en vindt dan haar levensverhaal tot nu toe. Was het in 1964 volgens de foto in het gevonden boekje een klassieke blonde en charmant ogende jongedame, ze dateerde qua geboortejaar al uit 1931. Op haar twaalfde vloog ze als kind in haar vaders Waco-tweedekker en daarna speelde ze een belangrijke rol in o.a. de squadrons vrouwelijke piloten die tijdens de Tweede W.O. vliegtuigen overvlogen van fabrieken naar vliegbases in oorlogsgebieden. Zij raakte daar verloofd met een oorlogsvlieger die echter tijdens dat grote conflict in de Stille Oceaan stortte en verongelukte. Na de oorlog zette ze haar drang naar vliegen om in lesgeven en het zoeken naar ultieme records op het gebied van snelheid, gevlogen afstanden of bereikte vlieghoogten.

Cobb 2Ze won allerlei prijzen en onderscheidingen vanwege haar resultaten en expertise. Toen ze ontdekte dat de Amerikanen op zoek waren naar astronauten meldde ze zich al in 1959 met een enorme vliegervaring aan. Ze werd in eerste instantie aangesteld als adviseur voor de NASA en onderging daar vrijwel alle fysieke en psychische tests voor het astronauten vak. Maar de NASA wilde er indertijd uiteindelijk toch niet aan. Een vrouw de ruimte insturen vond men niet verantwoord. En dus stootte Cob telkens weer haar toen nog fraaie koppie aan de onwil en bureaucratie binnen het Amerikaanse machowereldje. Waar de gedachte leefde dat een astronaut tenminste  een ervaren militaire testpiloot moest zijn geweest voor hij in een raket de ruimte in kon worden geschoten. Toen de Sovjet Unie plotseling wel een vrouw de ruimte in bracht, de befaamde Valentina Tereshkova, waren de Amerikanen in shock. Maar Cob kreeg toch haar beoogde ruimtereis niet voor elkaar. En verlegde daarna haar focus naar een totaal nieuwe manier van vliegen. Ze ging in Zuid-Amerika vliegen voor de Missie. In landen als Brazilië, Columbia, Ecuador en zo meer.

Cobb 3Zij combineerde daarbij haar vliegervaring met haar diepe geloof. In 1981 werd ze zelfs genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede. In 1999 was er nog een discussie over het evt. mee laten vliegen van Cob aan boord van een van de toen nog actieve Space Shuttles. Maar ook dit werd haar geweigerd. In 2007 ontving ze een eredoctoraat van de Universiteit van Oshkosh in Wisconsin. Ze zal intussen wel een beetje rustiger aan doen, haar leeftijd en zo. En soms eens naar de hemel kijken en bedenken hoe anders het was gelopen als zij wel een willekeurige man was geweest en geen leuke blonde deerne met een grote behoefte om het luchtruim en de ruimte te exploiteren. Zo zie je maar waar een klein verhaaltje in een oud boekje toe kan leiden…